Publicaties
De Boeier
Dr. Ir J. Vermeer
Het boek handelt over het scheepstype "De Boeier" en beslaat 528 bladzijden. Het is het derde boek in de serie die de heer Vermeer heeft geschreven over de Friesche kromstevens. De boeken "Het Friesche Jacht" en "Tjotters en Boatsjes" gingen aan dit monumentale werk vooraf. Na enige inleidende woorden over de boeier als verschijningsvorm van het culturele vaderlandse erfgoed, volgt in hoofdstuk 1 een uitgebreide behandeling van de geschiedenis van de boeier. Daarbij wordt teruggegrepen op materiaal tot in de 15e eeuw en achtereenvolgens dit scheepstype in de daarna volgende eeuwen en haar verschijningsvormen behandeld. De uiteindelijke eindvorm, zoals we die nu kennen, stamt uit het einde van de negentiende eeuw, en is sinds die tijd nagenoeg niet meer gewijzigd. Naast de naamsverklaringen, wordt er daarbij tevens ingegaan op het feit dat het gebruik van het schip in door de jaren een heeft gekend. De sinds de 17e eeuw opgekomen watersport, die eigenlijk pas sinds de impulsen vanuit het Koningshuis in de negentiende eeuw, met name door Prins Hendrik "De Zeevaarder"daarbij gegeven, wordt beschouwd en met name de popularisering van deze watersport in de twintigste eeuw wordt verklaard. De gevolgen van de ontstane goedkopere bouwwijzen en eenheidsklassen in deze sport, voor het traditionele ronde jacht, hebben gezorgd voor uiteindelijk het geringe aantal boeiers dat er nu nog maar rondvaart.
In het tweede hoofdstuk volgt dan een uitgebreide verhandeling over de vorm, de constructie en inrichting van de boeier, waarbij aan de hand van het werfbestek, een zeer nauwkeurig verslag is gemaakt van de manier waarop een tweetal (een grotere en een wat kleinere) boeiers is gebouwd. Naast deze bouwverslagen uit de negentiende eeuw, en de beschrijvingen van deze schepen, zijn de tekeningen (een achttal) van deze boeiers uitgewerkt en daarbij verklaard opgenomen. Alle andere bekende en bestaande bouwtekeningen, zeil- en lijnenplannen, inrichtingsplannen, etc. zijn opgenomen achter in het boek in een apart katern. Het onderscheid tussen de uit Friesland stammende boeiers en die uit Noord Holland en andere gebieden wordt hier eveneens aangehaald.
Hoofdstuk 3 handelt over het verder ontstaan van de boeierklassen zowel in Friesland als in Noord en Zuid Holland, vanaf het midden van de negentiende eeuw, met beschrijving van de wedstrijden zoals die door de jaren heen zijn gehouden, de gepubliceerde en of anders bekende uitslagen, en een aantal smeu•ge verhalen die daar over de ronde doen.
In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de situatie in de wedstrijdsport aan het begin van de twintigste Er zijn lijsten opgemaakt van de uitslagen van de verschillende wedstrijden door de jaren heen, en er wordt een overzicht in gegeven van de ingeschreven schepen bij het Nederlands Jachtregister van 1925 en volgende jaren. Voor de vastlegging van de geschiedenis van de nog varende boeiers zijn deze gegevens uiteraard van zeer veel belang.
Het 5e hoofdstuk handelt over de boeiervloot omstreeks 1925 en volgende jaren. Uitgangspunt is hier weer het Ned. Jachtregister, gecompleteerd met een overzicht van alle andere bekende boeiers en hun eigenaren in deze jaren, geregistreerd bij hetzij de KVNWV en/of de NNWB.
Hoofdstuk 6 geeft een overzicht van de verschillende bouwers en werven waar deze schepen gebouwd werden, met hun geschiedenissen, zowel naar werfbaas als naar vestiging.
In Hoofdstuk 7 wordt uitgebreid ingegaan op de boeiers die sinds 1925 zijn verdwenen, behandeld volgens de onderscheiden werven/bouwers. De geschiedenis van deze boeiers wordt er uitgebreid in beschreven en er wordt kond gedaan van of de sloop, of het vergaan, of het teloorgaan, dan wel uit zicht geraakt zijn van deze boeiers, met de redenen die daaraan ten grondslag hebben gelegen, tot aan het jaar 1956.
Hoofdstuk 8 geeft een overzicht van het ontstaan van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten, en de in 1956 daarbij ingeschreven schepen. Het behandelt ook de boeiers die na 1956 (tot heden) zijn verloren gegaan, wederom naar werf en bouwer. Vervolgens wordt er nog aandacht besteed aan de restauraties en de nieuwbouw die er ten aanzien van, nu nog varende, boeiers na 1956 heeft plaatsgevonden. Het laatste deel van dit hoofdstuk handelt over de boeiers gebouwd voor 1956 en thans nog varend.
Het 9e hoofdstuk behandelt de verschillende nog varende boeiers, in volgorde gerangschikt naar werf en bouwer, een voor een zeer uitgebreid, met alle lotgevallen en wederwaardigheden, wedstrijden, evenementen, eigenaren, restauraties en bijzonderheden als maten, uitrusting, zeilvoering en afwijkende kenmerken, per schip. Dit is een zeer lijvig hoofdstuk met ontzettend veel wetenswaardigheden over de verschillende nog varende boeiers. Van alle boeiers is een aantal foto's onder zeil, en een aantal detailfoto's opgenomen. Per boeier is aan het eind van elke beschrijving een geschiedenisoverzichtje van jaren, eigenaren, en naamwisselingen die het schip heeft ondergaan gemaakt. Het laatste hoofdstuk vermeld op een zelfde wijze een aantal Friesche Jachten die later tot boeier zijn verbouwd, waarvan een aantal ook weer is teruggebracht in de oorspronkelijke Friesche Jachtuitvoering (en die dus nu eigenlijk geen boeier meer zijn, maar wel een aantal jaren als zodanig zijn beschouwd), en een aantal zgn. bastaardboeiers; schepen die oorspronkelijk niet als plezierjacht zijn gebouwd, maar door werven in de loop der jaren zijn omgebouwd tot boeier. In al deze gevallen gaat het zowel om (eiken-)houten als om in ijzer of staal gebouwde boeiers.
Zoals gezegd is er dan nog een groot aanhangsel met alle bekende scheepstekeningen, en een aantal bijlagen met registers en overzichten, alsmede briefwisselingen, een meetschema etc. van al deze schepen. Tevens is een index van alle schepen en een index van personen opgenomen, evenals een trefwoordenregister.
Al met al is het een met de vorige, door vriend en vijand zeer warm onthaalde, boeken van de heer Vermeer vergelijkbaar geheel geworden, waar een zestal jaren door hem aan is gewerkt, dat op uiterst nauwkeurige manier de geschiedenis van de verschillende boeiers verteld, maar dat daarnaast ook de bekende petit histoires, de geschiedenis van de watersport, die van de werven, werfbazen en hun personeel, omvat. Kortom een naslagwerk dat alleen maar door iemand van zijn leeftijd, met een uitstekend geheugen en een passie voor deze schepen geschreven kan worden.
