De Punter

Een scheepje geschikt voor de wijde wereld

Gait Berk is geen onbekende in de wereld van de Klassieke zeilvaart als auteur. Hij heeft ook een boek over de oer-Nederlandse punter geschreven:

Al jarenlang heb ik over punters bericht in diverse kranten en tijdschriften; ik heb er zelfs een zekere - niet geheel onverdachte - reputatie mee verworven. (Telkens was er sprake van een 'Nationaal Punterwezen', dat echter niet meer dan een pots was, een ludieke kreet waarmee de betreffende artikelen werden verluchtigd.)

Mijn belangstelling voor punters is al veel ouder dan mijn schrijverij; sinds ik in mijn zesde levensjaar voor het eerst alleen in een punter mocht spelevaren, heb ik van deze scheepjes gehouden. En ik ben er ook mee blijven varen, tot op de huidige dag. Het zal menigeen verwonderen dat iemand zo lang door een bepaald scheepstype geboeid kan blijven, en dan nog wel een uit een categorie die doorgaans enigszins smalend betiteld wordt als 'boerenbootjes'.

Maar die boerenbootjes zijn juist heel interessant. Ze lijken wel grof of zelfs primitief, maar dat komt doordat ze stammen uit een periode waarin stroomlijn en gladdakkerij nog niet bestonden. Ze zijn in overoude tijden ontwikkeld voor een bepaald doel; ze zijn functioneel en in principe wars van overbodigheden. De mens moest varen, ook al in de 'oertijd', dat wil zeggen hij zal zich vaak drijvende hebben moeten houden bij overstromingen of bij het oversteken van wateren. Het zal niet moeilijk geweest zijn om het drijfvermogen van bomen te ontdekken. En uitgaande van boomstammen kun je komen tot vaartuigen als vlot en boomstamkano. Uit die oervormen werden gaandeweg bootjes ontwikkeld die dan - moeten we aannemen - op een zeker moment voldoende aan hun doel beantwoordden om de ontwikkeling te doen stokken. De bereikte vorm werd dan langzamer, maar zeker niet volgens een geheel statische traditie tot een bepaalde perfectie gevoerd. In die vorm zijn de bootjes ons vaak overgeleverd.

Weliswaar hebben zich uit deze 'oerbootjes' menigmaal grotere scheepstypen ontwikkeld die de trekken van het moedermodel nog maar nauw merkbaar vertonen, maar daarnaast bleef dikwijls het oude boottype gehandhaafd. Omdat het zo patent was voor zijn doel (en dit doel nog bestond). Zo zijn aan de 'boerenbootjes' nog vaak de stappen of de trappen te zien waarlangs de mens van boom tot schip is gekomen. En ook de vorm van die bootjes, hun stijl en de manier waarop ze gebouwd worden, getuigen van een oorsprong in een andere tijd Toen ik pas in de punters begon, wist ik dit uiteraard niet. Ik vond ze gewoonweg geweldig. Het was liefde, en het ging er ook mee als met een liefde. Je houdt al van een meisje voor dat je haar goed en wel kent, en als je haar eenmaal kent hou je nog meer van haar, terwijl je nog helemaal niet veel van haar af weet. En als de liefde blijft en de relatie langdurig wordt, dan ontdek je steeds nieuwe kanten in de ander. Zo heb ik dat ervaren met mijn punter en met mijn vrouw - maar een punter is geen vrouw. Wat het dan wel is ...

Wat is een punter

Het lijkt me echter verstandig eerst een duidelijk onderscheid te maken tussen de punterachtigen en de echte of zuivere punters, die toch het eigenlijke onderwerp van deze verhandeling vormen. Dit kun je natuurlijk niet doen zonder aan te geven wat je dan onder een echte of zuivere punter wilt of kunt verstaan.

Definitie: Een punter is een tamelijk slank (lengte : breedte = ± 4,2 : ) knikspantvaartuig tot ruim 8 meter lang, met rechte, vallende stevens op een meestal dubbel, lancetvormig vlak, waarmee de zijden — meestal één brede gang — een vrij scherpe kim vormen en waarbij de boeisels licht invallen of verticaal staan.

(Geformuleerd door N. van den Sichtenhorst, werkgroep Historische Scheepsbouw van de IJsselakademie te Kampen.)

Gezinsleden

Met de beschrijving van de verschillende soorten punters waren we nog lang niet aan het eind van de mogelijkheden. Ten eerste was deze beschrijving onvolledig. Je had bijvoorbeeld nog Beulakermeerpunters, die wat schuiner vallende zijden en iets hogere boeisels hadden dan Gieterse punters en als geheel ook iets forser waren; en dan de kleine jagerspuntertjes, waarmee jagers zich gemakkelijk konden verschuilen tussen de biezen of iets dergelijks. Als ze dan nog niet genoeg gecamoufleerd waren konden ze een schermpje van riet of duilen steken tussen de boordrand en een smalle wegering, die tegen de binnenkant van de korven was gespijkerd. Zo waren er nog wel meer punters voor speciale doeleinden.
Ten tweede moet er nogmaals op gewezen worden dat de punters deel uitmaken van een bepaalde familie. Het is uit het voorgaande hopelijk duidelijk geworden dat Punters gebouwd worden volgens een bepaald systeem, dat ook voor andere scheepstypen wordt toegepast. Zo krijg je dus verwante vormen, waarvan we er al verscheidene hebben genoemd. Het zou te ver voeren die allemaal te bespreken, maar we zouden onvolledig zijn als we niet die vertegenwoordigers van het systeem zouden behandelen die in de Noordwesthoek van Overijssel met de punters een vaste groep vormen, een soort gezin met grote en kleine leden. De groep vaartuigen die een bewoner van de Noordwesthoek tot zijn beschikking heeft, vat hij samen onder de noemer 'gevaar'.
Punters zijn geweldige scheepjes, geschikt voor allerlei wateren en voor allerlei doeleinden, maar ze zijn nu eenmaal niet overal even geschikt voor. Voor sommige toepassingen zijn ze aan de zware kant en voor andere zijn ze gewoonweg te klein. Daarom heeft er een soort functiespreiding plaatsgevonden tussen een aantal met elkaar verwante vaartuigen of liever, bepaalde noodzaken hebben geleid tot bepaalde aanpassingen in de scheepsvormen.
Op basis van hetzelfde systeem ontstonden een aantal verschillend geaarde vaartuigen van uiteenlopende grootte en zwaarte. Derhalve ontstond voor licht vervoer het ranke bootien, dat kleiner is dan een punter, en voor vrachtvervoer het vlot (ook wel vlot), dat aanmerkelijk groter is. Voor echte zware lasten is er dan nog de forse bok.
Een dergelijke functieverdeling tussen boten van verschillende maten zien we eigenlijk bij alle volkeren die te maken hebben met transport te water.

Verschillende soorten punters: in soorten en maten

In het begin van dit boekje is er al op gewezen dat er verschillende soorten punters bestaan; er zijn verschillen in model en in grootte, een en ander afhankelijk van plaatselijke gewoonten en omstandigheden. Voordat we op de karakteristieken van de diverse puntersoorten nader ingaan, zullen we eerst even afspreken dat we hierin alleen de echte punters, c.q. de modellen die ook punter genoemd worden, zullen betrekken. Naar de scheepstypen die met punters vergeleken kunnen worden, zal ik hoogstens af en toe verwijzen, anders wordt het geheel te onoverzichtelijk, terwijl het al ingewikkeld genoeg is. (N.B. 'Afspreken' is tegenwoordig de gangbare term wanneer iets eenzijdig wordt vastgesteld.) Om te beginnen hadden we de punters uit de Noordwesthoek van Overijssel genoemd, de streek met het labyrint van waterwegen en waterpleinen, waarvan Giethoorn min of meer de hoofdplaats is. Dit waterdorp behoort tot de oudste woonkernen in dit gebied, en van hieruit hebben zich veel van de ontginningen en verveningen uitgebreid die tot het ontstaan van grachten en wieden hebben geleid. Giethoorn is dan ook tot op de huidige dag het centrum van de punterbouw gebleven, hoewel de scheepjes vroeger ook wel elders werden gebouwd (waarover straks meer).
In de eerste decennia van deze eeuw waren er wel twintig puntermakerijen, maar de meeste daarvan werden gedreven door kleine boeren en middenstanders, als bijvoorbeeld een herbergier, ter wille van de neveninkomsten.
De punters die hier werden gebouwd waren - uiteraard - Giethoornse punters, maar hiervan bestaan nog weer meerdere varianten. In Giethoorn zelf spreekt men van 'boerenpunters', wanneer men althans het gangbare model bedoelt en niet een exemplaar dat voor een speciaal doel is gebouwd. Deze scheepjes werden echter zeker niet alleen door boeren gebruikt. Arbeiders die in het veld werkten en daar riet of biezen sneden, ofwel in de turfmakerij werkzaam waren, gebruikten de boerenpunter evengoed. Ze konden dan tevens een kleine lading van het gewonnene in de punter meenemen; ook kleinvee werd wel per punter vervoerd. Winkeliers brachten punterend hun waren rond en ook huismoeders die met spinnewiel en al een dagje op visite gingen, deden dat per punter.
Met het oog op al deze toepassingen is de Giethoornse punter zo gebouwd dat hij een wijde en open indruk maakt, ondanks het feit dat er qua lengte-breedteverhouding sprake is van een tamelijk langgerekt en slank scheepje. Een Giethoornse punter heeft een lengte over de stevens van maximaal 6,30 meter bij een grootste breedte van 1,45 meter. De holte is in de midscheeps 50 centimeter.

Zeepunters

Langs het Overijsselse deel van de IJsselmeerkust en in de aangrenzende streken, met name in Elburg en Kuinre, had men vroeger zogenoemde zeepunters. Dit waren scheepjes voor de visserij in de kustwateren en de riviermonden, en deze andere functie bracht ook een heel andere karakteristiek met zich mee dan die we van de Giethoornse punters kennen. Bij een vissersschip moet meer op zeewaardigheid dan op laadvermogen worden gelet, en de aanpassingen die een zeepunter heeft ondergaan zijn het logisch gevolg van dit vereiste. De meest kenmerkende vertegenwoordiger van de zeepunter is de grote punter, ook wel dekenpunter genoemd. Deze heeft een lengte van 7 meter, een grootste breedte van 1,65 meter en een holte van 80 centimeter.
De zeepunter is uitgerust met een visbun, die precies zo geconstrueerd is als bij een botter: twee dwarsscheepse schotten verbonden met een deken en daarop een trog. De deken ligt bij een ongeladen schip net iets boven de waterlijn, maar wanneer vissers en netten aan boord zijn, vallen ze ongeveer samen. De bun zit precies in de midscheeps, daar waar de welving van de bodem het diepst is; de stapeling bedraagt bij een dekenpunter 7 duim (bijna 18 cm) tegen bij een Gieterse 5,25 duim. Op de deken zitten knieën, een soort dekenpootjes. De schotten en de deken zijn doorgaans dikker dan duims, respectievelijk 2 en 1,5 duims.
De mastdoft zit achterlijker dan bij een Giethoornse punter, en klos-met-mastgat, die tegen het voorschot is gebout - dus bun, doft en roeibank in één (en veel ruimte in het achterend). De Kamper is dan ook een compact puntertje; hij heeft maar zeven korven (`zeuvenspanter', zegt de puntermaker) en de lengte is 5,90 meter bij een breedte van 1,45 meter en een holte van 0,55 meter. Het scheepje vertoont in zijn gedrongenheid veel overeenkomst met de Aalsmeerse punter.

Auteurs

Gait L. Berk

Uitgeverij De Boer Maritiem

Hardcover Gebonden, 1984, 160 pagina's
ISBN 90 228 1858 6

Terug naar vorige pagina