Stalen en ijzeren (kof)tjalken op zee

(KOF)TJALKEN OP ZEE is in een beperkte oplage van 500 stuks door de schrijfster J.F.M. Bos uitgegeven, 2e druk 1993

Ieder die aan een opleiding begint, weet dat er ooit een einde aan komt. Zo komt er ook een einde aan mijn HBO opleiding Scheepsbouwkunde aan de Hogeschool Haarlem sector Techniek. In alle vakken is examen gedaan. Er rest nu alleen nog het afstudeerwerk. Het nu voor u liggende boek is het resultaat van vele maanden werk, mijn afstuderen. Alvorens aan het afstuderen te beginnen moet er een onderwerp bedacht worden, waar het werk over zal gaan. Eenmaal goedgekeurd kan er begonnen worden.
Al vele jaren wordt er in mijn familie gekeken en geschreven over en voor historische bedrijfsvaartuigen. Wij zijn dus ook lid van de vereniging met de lange naam, de Landelijke vereniging tot behoud van het Zeilend Bedrijfsvaartuig. De werkgroep Tuigerij en Documentatie, een onderdeel van de vereniging, heeft al vele verhalen geschreven en gepubliceerd. Twee voorbeelden hiervan zijn de boeken "Scheepstypologiën" en de "Schepenlijst 1991". Aan het laatste boek heb ik actief meegewerkt. Het behandelt alle schepen van de vereniging waar gegevens over beschikbaar waren.
Diverse scheepstypen zijn uitgebreid behandeld in dikke interessante boeken. Veel scheepstypen hebben hun eigen expert. Zo wordt de ontstaansgeschiedenis van de Groninger bollen en tjalken behandelt in het boekje "Scheepstypologiën". Dit hoofdstuk is door mijn vader Henk Bos geschreven. Hierbij worden ook de grotere tjalken genoemd, zoals de zeetjalk en de koftjalk. Wanneer je gaat zoeken naar deze tjalken die op zee gevaren hebben, kom je veel boeken tegen. Helaas zijn er maar weinig boeken geheel gewijd aan dit onderwerp. Meestal zijn er maar een paar pagina's geschreven over de zee- en (kof)tjalken en dan ook nog in het algemeen.

Bij het schrijven van de "Schepenlijst 1991" kwam naar boven dat er nog veel meer gedaan zou kunnen worden met de gegevens die in de lijst staan. Bovendien hebben scheepseigenaren veel meer interessante gegevens en documenten dan hierin gepubliceerd zijn. Zo ontstond het idee om een boek speciaal aan de zee- en koftjalken te wijden. De grote kennis die al eerder verzameld is over deze typen tjalken en de aanwezigheid van de zeetjalk 'Linquenda' speelt hierbij een rol. Deze zeetjalk is eigendom van een stichting, een groep personen die gezamenlijk eigenaar zijn. Een van die personen is mijn vader. Om te onderzoeken of aan er belangstelling was voor een boek over dit onderwerp, ben ik begonnen met een vooronderzoek. Dit was erop gericht om uit te vinden of er belangstelling, of behoefte aan was. Tegelijk werd er gekeken of er genoeg gegevens beschikbaar zouden zijn om een boek op te baseren.
Hiervoor zijn ongeveer 50 scheepseigenaren aangeschreven waarvan wij wisten dat zij een tjalk hadden die op zee gevaren had, of waarvan we dat vermoeden. Het resultaat was dermate bemoedigend dat ik besloten heb, er mee door te gaan.
De volgende scheepstypen zijn betrokken bij het onderzoek:

  • zeetjalk;
  • Groninger zeetjalk;
  • Groninger tjalk;
  • Oostzeetjalk;
  • koftjalk.

Hierbij ben ik uitgegaan van het scheepstype dat de eigenaar zelf opgegeven heeft. Alle schepen moesten ooit op zee gevaren hebben. Van een aantal schepen is dit niet meer te bewijzen, maar bestaat er alleen een sterk vermoeden. De scheepseigenaren die gereageerd hebben op het eerste schrijven, kregen een tweede brief, waarna een bezoek aan het schip volgde. Er is zo veel mogelijk van deze schepen vastgelegd. Deze gegevens gecombineerd met gegevens uit musea en boekwerken hebben geleid tot het boekwerk dat nu voor u ligt.
Het boek tracht alle belangrijke gegevens die eerst versnipperd en verspreid waren bijeen te brengen. De doelgroep bestaat dan ook in eerste plaats uit de scheepseigenaren, waarna de scheepvaartmusea en andere geïnteresseerden volgen. Het boek geeft een overzicht van de zaken die voor deze schepen van belang waren en nu nog zijn.
De grootst mogelijke zorg is besteed aan de samenstelling van dit werk. Ondanks dat is het niet compleet en kunnen er fouten in voorkomen. 
Janneke Bos
 

Van boven naar beneden: Turftjalk, Groninger Tjalk, Zeetjalk, Koftjalk
Van boven naar beneden: Turftjalk, Groninger Tjalk, Zeetjalk, Koftjalk

Werkwijze

Voordat ik dit boek begonnen ben heb ik mezelf de volgende vraag gesteld: Wat is er nog over van zeegaande (kof)tjalken?
De hoofdvraag kunnen we vervolgens verdelen in kleinere:

  • Hoeveel zeegaande (kof)tjalken zijn er nog?
  • Hoeveel zijn er geweest? Hoe zijn ze gebouwd?
  • Wat is er bekend aan scheepspapieren?
  • Hoe werden ze gemeten?

Natuurlijk kunnen er nog meer vragen bedacht worden. Daar de tijd voor het schrijven van dit werk beperkt is moest er helaas een keuze gemaakt worden uit de te beantwoorden vragen. Een aantal zijn in de verschillende hoofdstukken verder uitgewerkt. In het onderzoek zijn alleen stalen en ijzeren (kof)tjalken betrokken. Daar deze schepen gelukkig nog steeds gebruikt worden, geeft dit het onderzoek meer inhoud dan het geval zou zijn met houten tjalken. De nog bestaande zeevarende tjalken zijn onder te verdelen in drie scheepstypen, de Groninger tjalk, de zeetjalk en de koftjalk. Wat de kenmerken van deze scheepstypen zijn wordt beschreven in het hoofdstuk 'Scheepstypen'.
Om te onderzoeken hoeveel (kof)tjalken van staal en ijzer er vroeger gevaren hebben is er een historisch onderzoek gedaan. Hierbij is gebruik gemaakt van twee vlootlijsten, n.l. Sweijs en Zeepost. De uitkomsten van dit onderzoek worden beschreven in de hoofdstukken 'Historisch onderzoek' en 'Registers'. Belangrijk is echter wel te onthouden dat hierbij alleen tjalken gebruikt zijn waarvan bekend was dat ze staal of ijzer waren en als zodanig geregistreerd stonden in de vlootlijsten. Hoe de schepen gebouwd werden is terug gevonden in een constructieboek met bouwvoorschriften van de Germanischer Lloyd. De belangrijkste gedeelten uit dit boek worden beschreven in het hoofdstuk 'Constructie-eisen'.
Uit bezoeken van schepen zijn veel gegevens boven water gekomen die verwerkt zijn in de hoofdstukken 'Scheepspapieren', 'Onderzochte schepen' en 'Scheepsbeschrijvingen'.
Uit de onderzochte schepen zijn veel gegevens over de scheepsmeting boven water gekomen. De gegevens van de binnenmeetbrief zijn verwerkt in het hoofdstuk 'Scheepspapieren'. Hoe een meting in elkaar zit en wat de verschillende metingen inhouden staat vermeld in het hoofdstuk 'Scheepsmeting'. Dit hoofdstuk is voor het hoofdstuk 'Scheepspapieren' geplaatst daar het belangrijk is te weten hoe de metingen ontstaan zijn en wat ze inhouden, voordat er naar de gegevens uit de meetbrieven gekeken wordt.

Scheepstypen

Nederlanders vormden altijd al een zeevarend volk. Tot in alle uithoeken van de wereld waren ze te vinden. Het bracht Nederland welvaart. De uitgebreide handel met het oosten, de nederzettingen in het westen, noem maar op. Ook de kustvaart nam een belangrijke plaats in. De Groningers hadden in deze kustvaart een groot aandeel. Met hun houten koffen en koftjalken vervoer-den ze alles wat maar te verhandelen viel.

De koftjalk is ontstaan door een combinatie van boven¬staande kof en de tjalk, welke meer in de binnenvaart gebruikt werd. Ook dit schip heeft zich vooral bewezen in de kustvaart. Het schip ligt minder diep dan de kof waardoor het gemakkelijk op de binnenwateren kan varen. Hierdoor was het mogelijk om met de koftjalk goederen tot in het binnenland te brengen. Dit in tegen¬stelling met de kof, welke nauwelijks op binnenwateren kwam. De koftjalk voer op de wateren van
Denemarken, Duitsland, Nederland en België. Door de kleine diepgang kon het schip ook op de wadden varen, waardoor het een groter vaargebied had dan de kof. Koftjalken zijn later ook in ijzer en staal gebouwd, waardoor er nog enkele van deze schepen behouden zijn gebleven en heden ten dage nog rond varen. De ijzeren koftjalk kreeg uiterlijk dezelfde vorm als zijn houten voorganger. Later is de vorm aangepast aan de bouwwijze welke mogelijk waren met ijzer en staal. De eerste koftjalken hadden maar 1 mast, later is het anderhalfmast tuig gekomen. Duitse koftjalken hadden een voorkeur voor anderhalfmast tuigages en werden altijd met twee masten gebouwd. Voor Duits rekening zijn veel kleine koftjalken gebouwd welke ongeveer 16 m lang waren. Nederlandse koftjalken zijn meestal veel groter. In tegenstelling met de kof hadden de koftjalken altijd zijzwaarden nodig, omdat de kielbalk ontbrak. Een aantal koftjalken zijn gepiekt uitgevoerd maar lang niet allemaal. Zwaarden maakten een schip kwetsbaar, in zware zeegang wilden ze nog wel eens breken.
De eenmast koftjalken hadden een grootzeil, fok, kluiver en buitenkluiver, de anderhalfmast koftjalken hadden een naast bovenstaande zeilen ook een bezaan.

De Groninger tjalk, de zeetjalk en de koftjalk vormen tezamen de belangrijkste scheepstypen van dit boek¬werk. De meeste tjalken die op zee gevaren hebben, zijn zeetjalken, Groninger zeetjalken en koftjalken. Er kwamen wel eens Groninger tjalken op zee, maar dit gebeurde niet vaak. Toch wordt van de meeste Groninger tjalken aangegeven dat ze op zee gevaren hebben, wat achteraf moeilijk te bewijzen valt. Om een inzicht te krijgen in de verschillen van deze scheepstypen zijn diverse overzichten gemaakt.

De Oostzeetjalk, de Belttjalk en de Noordzeetjalk. De kof, de koftjalk, de groninger tjalk en de zeetjalk zijn scheepstypen. Daarnaast werden zeegaande tjalken ingedeeld naar vaargebied. Soms gebeurde dat ten tijde van hun zeevaartperiode, maar veelal later toen de schepen al lang een ander vaargebied hadden. De laatste 25 jaar worden echter de termen Oostzeetjalk en Belttjalk vaak gebruikt om het schip een zekere waarde te geven. Grote en zware (binnen)tjalken worden dan al gauw zeetjalk ook als ze nog nooit op zee hebben gevaren. Vaak is dit moeilijk te bewijzen.
Soms werd in het register van de Germanischer Lloyd in de kolom van het vaargebied de term "Osts" aangegeven. "Osts" betekent Oostzeevaart en is een onderdeel van de Grote Kustvaart. Het schip mocht dan niet het gehele vaargebied van de Grote Kustvaart bevaren, maar alleen de Oostzee. Ook werd in het register van de Germanischer Lloyd de term "Nords" gebruikt. "Nords" betekent Noordzeevaart en is een onderdeel van de Grote Kustvaart. Hierbij wordt de gehele Noordzee bestreken. Een Noordzeetjalk is een schip van de Grote Kustvaart met een beperkt vaargebied. Er zijn weinig tjalken op een dergelijke manier in het register aangegeven, de meeste voeren toch het meest naar de Oostzee, met af en toe een reisje naar Engeland.
Vaak wordt de term Oostzeetjalk echter ook gebruikt voor alle tjalken die op de Oostzee hebben gevaren. De meeste schepen mochten echter slechts de kusten van de Oostzee bevaren (Kleine Kustvaart). Soms wordt de term gebruikt voor tjalken die er uit zien als Kleine Kustvaart tjalken, maar kleiner zijn en nooit op de Oostzee gevaren hebben. Dit wordt dan als verkoopargument gebruikt. 
Het Beltgebied bestaat uit de Grote Belt, de Kleine Belt en de Fehmarn Belt, die de belangrijkste vaarwateren vormen rond het grote eiland Fyn in Denemarken. Het Beltgebied is een onderdeel van de Kleine Kustvaart. Een Belttjalk zou dan een tjalk zijn welke voornamelijk in dit gebied voer. Deze term werd vroeger echter nooit gebruikt. Het Sontgebied is het vaarwater tussen de kust van Zweden en de kust van het Deense eiland Sjaelland. Om in het Beltgebied en de Sont te komen moesten de tjalken door het Kaiser-Wilhelm-Kanaal. Het kanaal werd later Noord-Oostzeekanaal genoemd en loopt van Brunsbüttel (in de monding van de Elbe) naar Kiel.
De termen Belttjalk en Oostzeetjalk zijn termen van deze tijd, welke veel door elkaar gebruikt worden. Historisch gezien zijn ze moeilijk te verklaren. Alleen met behulp van de vaargebieden van de Germanischer Lloyd lijkt het een en ander logisch. Ze werden in het register van Germanischer Lloyd echter sporadisch gebruikt. De tjalken die op die manier zijn aangegeven zijn echter bijna allemaal verdwenen. De term Noordzeetjalk komt zelden voor.

Het boek

(KOF)TJALKEN OP ZEE is in een beperkte oplage van 500 stuks door de schrijver uitgegeven.
2e druk
C 1993 J.F.M. Bos, ing.

Terug naar vorige pagina