De Boeier

Boekbespreking van Peter Tolsma, één van de belangrijke steunpilaren van de schrijver, Dr. Ir. J. Vermeer

Het boek handelt over het scheepstype "De Boeier" en beslaat 528 bladzijden. Het is het derde boek in de serie die de heer Vermeer heeft geschreven over de Friesche kromstevens. De boeken "Het Friese Jacht" en "Tjotters en Boatsjes" gingen aan dit monumentale werk vooraf.
Na enige inleidende woorden over de boeier als verschijningsvorm van het culturele vaderlandse erfgoed, volgt in hoofdstuk 1 een uitgebreide behandeling van de geschiedenis van de boeier. Daarbij wordt teruggegrepen op materiaal tot in de 15e eeuw en achtereenvolgens dit scheepstype in de daarna volgende eeuwen en haar verschijningsvormen behandeld.

Hoofdstuk 2

In hoofdstuk 2 wordt de uiteindelijke eindvorm, zoals we die nu kennen, beschreven. Ze stamt uit het einde van de negentiende eeuw, en is sinds die tijd nagenoeg niet meer gewijzigd. Alle aspecten van vorm, constructie en inrichting komen aan bod.

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 3 handelt over het verder ontstaan van de boeierklassen zowel in Friesland als in Noord en Zuid Holland, vanaf het midden van de negentiende eeuw, met beschrijving van de wedstrijden zoals die door de jaren heen zijn gehouden, de gepubliceerde en of anders bekende uitslagen, en een aantal smeuïge verhalen die daar over de ronde doen.

Hoofdstuk 4

In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de situatie in de wedstrijdsport aan het begin van de twintigste Er zijn lijsten opgemaakt van de uitslagen van de verschillende wedstrijden door de jaren heen, en er wordt een overzicht in gegeven van de ingeschreven schepen bij het Nederlands Jachtregister van 1925 en volgende jaren. Voor de vastlegging van de geschiedenis van de nog varende boeiers zijn deze gegevens uiteraard van zeer veel belang.

Hoofdstuk 5

Het 5e hoofdstuk handelt over de boeiervloot omstreeks 1925 en volgende jaren. Uitgangspunt is hier weer het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925, gecompleteerd met een overzicht van alle andere bekende boeiers en hun eigenaren in deze jaren, geregistreerd bij hetzij de KVNWV en/of de NNWB.

Hoofdstuk 6

Hoofdstuk 6 geeft een overzicht van de verschillende bouwers en werven waar deze schepen gebouwd werden, met hun geschiedenissen, zowel naar werfbaas als naar vestiging.

Hoofdstuk 7

In Hoofdstuk 7 wordt uitgebreid ingegaan op de boeiers die sinds 1925 zijn verdwenen, behandeld volgens de onderscheiden werven/bouwers. De geschiedenis van deze boeiers wordt er uitgebreid in beschreven en er wordt kond gedaan van of de sloop, of het vergaan, of het teloorgaan, dan wel uit zicht geraakt zijn van deze boeiers, met de redenen die daaraan ten grondslag hebben gelegen, tot aan het jaar 1956.

Hoofdstuk 8

Hoofdstuk 8 geeft een overzicht van het ontstaan van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten, en de in 1956 daarbij ingeschreven schepen. Het behandelt ook de boeiers die na 1956 (tot heden) zijn verloren gegaan, wederom naar werf en bouwer. Vervolgens wordt er nog aandacht besteed aan de restauraties en de nieuwbouw die er ten aanzien van, nu nog varende, boeiers na 1956 heeft plaatsgevonden. Het laatste deel van dit hoofdstuk handelt over de boeiers gebouwd voor 1956 en thans nog varend.

Hoofdstuk 9

Het 9e hoofdstuk behandelt de verschillende nog varende boeiers, in volgorde gerangschikt naar werf en bouwer, een voor een zeer uitgebreid, met alle lotgevallen en wederwaardigheden, wedstrijden, evenementen, eigenaren, restauraties en bijzonderheden als maten, uitrusting, zeilvoering en afwijkende kenmerken, per schip. Dit is een zeer lijvig hoofdstuk met ontzettend veel wetenswaardigheden over de verschillende nog varende boeiers. Van alle boeiers is een aantal foto's onder zeil, en een aantal detailfoto's opgenomen. Per boeier is aan het eind van elke beschrijving een geschiedenisoverzichtje van jaren, eigenaren, en naamwisselingen die het schip heeft ondergaan gemaakt. Het laatste hoofdstuk vermeld op een zelfde wijze een aantal Friese Jachten die later tot boeier zijn verbouwd, waarvan een aantal ook weer is teruggebracht in de oorspronkelijke Friese Jachtuitvoering (en die dus nu eigenlijk geen boeier meer zijn, maar wel een aantal jaren als zodanig zijn beschouwd), en een aantal zgn. bastaardboeiers; schepen die oorspronkelijk niet als plezierjacht zijn gebouwd, maar door werven in de loop der jaren zijn omgebouwd tot boeier. In al deze gevallen gaat het zowel om (eiken-)houten als om in ijzer of staal gebouwde boeiers.

Aanhangsel

Zoals gezegd is er dan nog een groot aanhangsel met alle bekende scheepstekeningen, en een aantal bijlagen met registers en overzichten, alsmede briefwisselingen, een meetschema etc. van al deze schepen. Tevens is een index van alle schepen en een index van personen opgenomen, evenals een trefwoordenregister.

Al met al is het een met de vorige, door vriend en vijand zeer warm onthaalde, boeken van de heer Vermeer vergelijkbaar geheel geworden, waar een zestal jaren door hem aan is gewerkt, dat op uiterst nauwkeurige manier de geschiedenis van de verschillende boeiers verteld, maar dat daarnaast ook de bekende petit histoires, de geschiedenis van de watersport, die van de werven, werfbazen en hun personeel, omvat. Kortom een naslagwerk dat alleen maar door iemand van zijn leeftijd, met een uitstekend geheugen en een passie voor deze schepen geschreven kan worden.

De auteur

Dr. Ir. Jaap Vermeer, mijnheer Vermeer, zoals de meeste van ons hem kennen, was de schrijver van een aantal monografieën voor de Stichting Stamboek en van de trilogie der Friese kromstevens. Hij overleed op 1 oktober 2010 op de 90-jarige leeftijd.

In Februari 2003 heeft de Spiegel der Zeilvaart een interview met Dr. Ir. J. Vermeer geplaatst.

Uitgever Alk & Heijnen

Hardcover, juni 2004, co-auteurs: P.M.J. Tolsma en F. Botman, 527 pagina's, afmetingen 34x271x203 mm
ISBN 90-5961-018-0

Terug naar vorige pagina