Het zeilen met allerlei vaartuigen ter spelevaart en ten wedstrijde

Van Zeilkano tot Oceaanjacht - Geschiedenis, Theorie en Praktijk van het zeilen door C.H.M. Philippona

Einde 1918 verscheen mijn boek "Onze Watersporten: een handleiding voor zwemmers, roeiers, zeilers, motorvaarders en watertoeristen". De oplaag was reeds in 1924 uitverkocht. Begin 1920 verscheen bij "De Wereldbibliotheek" te Amsterdam mijn boek "Het Zeilen met allerlei vaartuigen, ter spelevaart en ten wedstrijde". Ook deze uitgave is thans vrijwel uitverkocht. Het is dus zeker geen overdrijving te zeggen, dat beide boeken in een bestaande behoefte hebben voorzien; een behoefte die heden nog grooter is en in de toekomst stellig nog veel grooter zal worden, daar de zeilsport steeds meer belangstellenden en beoefenaars trekt en steeds weer nieuwe jongeren opgroeien die om voorlichting zullen vragen. Het niet beschikbaar zijn van een waarlijk goed en echt Nederlandsch boek over de zeilsport, zou dus in de toekomst heel zeker als een gemis gevoeld worden. De vraag drong zich nu op: herdrukken zonder meer van "Het Zeilen", of samenstellen van een uitgebreider en grootendeels nieuw boek?

Een nieuw boek

Het laatste leek mij het verkieselijkst, omdat er in de zeilsport sedert de verschijning van mijn tweede boek zóó vele en zóó in- grijpende veranderingen hebben plaats gehad, dat een grondige omwerking en aanvulling ervan niet achterwege mocht blijven. Zoo werd het Rijksreglement op de Binnenvaart hier en daar aanzienlijk gewijzigd. Evenzoo werden in eenige van groot belang zijnde paragrafen van het internationale wedstrijdreglement in- grijpende wijzigingen aangebracht. Voorts werd de meetformule voor de internationale wedstrijdklassen veranderd en werden nieuwe, zoowel internationale als Nederlandsch-nationale wedstrijdklassen ingesteld, terwijl enkele thans bestaande nationale klassen naar de vergetelheid van het verleden verwezen werden. Twee andere ingrijpende evoluties voltrokken zich. De in vele gevallen toch wel fnuikende belasting op de pleiziervaartuigen en de aanstaande afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee, deden de liefhebberij voor de middel-groote zeiljachten afnemen: die voor heel groote zeejachten met zeilen en hulpmotor daarentegen aan- zienlijk toenemen. Onze jongere zeilers wenschen de groote zeeën en oceanen te bevaren en vele vreemde landen en havens te bezoeken. Het zeilen met kleine scheepjes en jachten, vooral van zulke die met minder dan 16 M2. zeildoek zijn opgetuigd en dus vrij van belasting blijven, verheugde zich de laatste jaren in een nooit tevoren gekenden vooruitgang. Het zeilen met kleine scheepjes is ten onzent nu werkelijk populair geworden!! 

Het derde boek: Van Zeilkano tot Oceaanjacht

"Van Zeilkano tot Oceaanjacht" is dus een vrijwel alles omvattend leerboek, voor hen die zich in de edele zeilkunst willen bekwamen en het is tevens een aantrekkelijk leesboek voor alle Nederlanders, die in dit bij uitstek Vaderlandsche onderwerp belang stellen. Dat dit boek, evenals de twee vorige, veel moge bijdragen tot den verderen groei en bloei van de zeilsport in Nederland en elders, is de hartewensch van den schrijver!! 

Van Zeilkano tot Oceaanjacht 
Geschiedenis, Theorie en Praktijk van het zeilen 
C.H.M. Philippona 
1931 

Nijgh&van Ditmar N.V. Uitgevers. Rotterdam 

Rond en Platbodemjachten

Omstreeks het begin der 16de eeuw kende men de volgende hoofdtypen van platbodemvaartuigen:

A. Schokkers
Vermoedelijk het eerst op Schokland gebouwd tot welk type ook de Hoogaars, de Gondel en het Vischschuitje van Aalsmeer behooren, toen vermoedelijk als Snebben of Snebbe-schuiten aangeduid; verder alle schepen welke op dezelfde wijze als de Schokkers gebouwd zijn nl. met schuin toeloopenden en over-hangenden voorsteven.

B. Botters
Van de Noord- en Zuiderzee in hun verschillende plaatselijke variëteiten als Marker, Urker, Harderwijker, Volendammer en andere Bottermodellen. Verder behooren tot de familie der Botters, de kleinere Kubbooten, de Volendammer Kwakken, de Bonze, de Plute en het Platje van Maassluis en ten slotte de Waterschepen. In den ruimsten zin worden alle vaartuigen met vischbun als Waterschepen aangeduid; in engere beteekenis zijn het echter de sleepbotters, welke in de 16de, 17de, 18de en begin der 19de eeuwen de groote zeeschepen over de droogten bij Pampus sleepten. In de laatste eeuwen trokken zij ook de bekende scheepskameelen, waarop dan eerst de zeeschepen gelicht werden, om ze over de Pampusdroogte te brengen. Deze sleepbotters hadden gedeeltelijk ook waterbunnen, waarin zij zoet water vervoerden, en vulden deze bunnen tevoren, wanneer zij een zware vracht te sleepen kregen. Met vijf tot zeven stuks voor één zeeschip gespannen, ontwikkelden zij zóóveel kracht, dat zij een dergelijk zeegevaarte door 3 1/2 voet modder konden voorttrekken. Na de openstelling van het Groot Noord-Hollandsch Kanaal, omstreeks 1827, kwam aan deze sleeperij een einde. De Vischbotters zijn ook thans nog echte sleepschepen, daar zij hoofdzakelijk paarsgewijze of alléén, met groote sleepnetten zooals de wonderkuil, de dwarskuil of dergelijke, visschen.

C. Korte ronde vaartuigjes
Zooals Pinken en Bommen, de Bolle van Urk en het Lemmerjacht of de Lemmeraak.

D. De Punter
Met sterk vallenden vóór- en achtersteven. Behalve bovengenoemde visschersvaartuigen, komen als vracht- en handelsschepen de volgende oude typen in aanmerking, als voorloopers van de platbodemjachten.

De Boeier

De Boeiers, een op zichzelf staand type, dat onder Franschen invloed tegen het einde der 15de eeuw tot stand kwam als veerschip op Rouaan, ter verbinding van onze handelssteden met Parijs. Later waren ze meer onder den naam van Wijdt- of Overzee'sch Veerschip bekend en kwamen ook voor in de vaart naar Londen, Hamburg, Lübeck, en andere zeehavens in het buitenland. Fig. 19 vertoont den romp van een dergelijk schip, genomen naar het bekende werk van Nicolaas Witsen. 

Het waren rond gebouwde platbodemvaartuigen met zij zwaarden en kromme stevens en op hooge kiel gebouwd, omdat zij zoowel de zee als de ondiepe rivieren moesten bevaren. Over de eerste dezer dubbele eigenschap waren de 17de eeuwers maar slecht te spreken. Winschoten's „Seeman", Anno 1681, zegt er bijv. van : een boejer is een See-knoeier, omdat zij als zeeschip slecht, maar als binnenschip uitstekend voldeden. Kenmerk van de Boeier en ook van de aan haar na verwante Smak, was een hoog opgeboeid vóór- en achterschip. Het woord Boeier is van het werkwoord opboeien, opplanken, afkomstig.

De oorsprong van de Tjalk

In de Smak vind men de zuivere Tjalkvormen terug, alleen was zij in die tijden wat zwaarder gebouwd dan de hedendaagsche Tjalken, omdat zij toen tevens langere zeereizen volbracht. Het woord Tjalk stamt overigens pas uit de 19de eeuw en werd toen eerst de verzamelnaam voor de vele soorten, tot hetzelfde grondtype behoorende schepen als de Smak, Smalschip, Wijdschip, Veerschuit, Damlooper, Steigerschuit en meer dergelijke.
Eigenaardig is het wel, hier even den oorsprong dier verschillende benamingen voor éénzelfde type schip op te teekenen. Het onderscheid bijv. tusschen een Smalschip en een Wijdschip bestond enkel daarin, dat het eerste 60 voet lang, 16 voet breed en 14 voet hol was en het tweede 70 voet lang, 20 voet breed en 8 voet hol was, waardoor het eerste door Gouda kon varen, terwijl het tweede wegens zijn te groote breedte, buiten om die stad moest varen. Evenzoo was het met den Damlooper gesteld, welke de benaming was voor ieder tjalkschip, dat smal genoeg was om de oude sluis (tot 1885) te Leidschendam te kunnen doorvaren. Volgens Corn. van IJk in zijn Ned. Scheepsbouwkonst, Anno 1697, mocht de Damlooper hoogstens elf voet en een duim breedte binnenwerks hebben, om deze sluis te kunnen passeeren. Volgens W. A. Winschoten's „Seeman", Anno 1681, werd echter onder Damlooper in algemeenen zin verstaan, een binnenlandsch, of eigenlijker, Noord Hollandsch vaartuig, dat, over dijken, dammen en overtoomen kon gehaald worden en daartoe een geheel vlakken bodem had. In vroeger eeuwen beperkten verschillende gemeentelijke besturen de scheepvaart soms ten zeerste en opzettelijk, enkel uit broodnijd tegenover hun nabuur-gewesten. Toen dan ook de Gedeputeerde Staten van Holland in 1885 een nieuwe sluis te Leidschendam lieten bouwen, met een doorvaartwijdte van 7 Meter, deden zij in het sluiskantoor een gedenksteen plaatsen met het volgende opschrift, om de vroegere averechtsche toestanden te brandmerken.
„In 1885 is de verbetering der vaart tusschen Rijn en Schie door de Staten van Holland ondernomen. Hier waar de naijver der steden tot 1648 slechts een overtoom en daarna een verlaat van 3.80 Meter wijdte en doorvaarthoogte van 2.20 Meter gedoogde, hebben zij deze sluis wijd 7 Meter met beweegbare bruggen bevolen".
Na 1885 verdwijnen dus de bijzondere benamingen van Damlooper, Smal- en Wijdschip en heeten voortaan alle Tjalken.

De hedendaagse Tjalk

Onze hedendaagsche Tjalken onderscheiden zich in twee hoofd-groepen, nl. Groningsche en Friesche Tjalken, waarvan de eersten steeds een draai-over-boord hebben, terwijl de tweeden daarentegen een staatsie voeren. Voorts heeft de Friesche Tjalk een iets meer vallenden voorsteven. Onder staatsie verstaat men, dat het bovenboord van het schip naar achteren en over den helmstok van het roer hoog oploopt. De helmstok steekt dan door een opening onder de staatsie, zoodat het roer niet geheel omgelegd en de helmstok niet buitenboord gedraaid kan worden. Daarvoor wordt het roerblad eenigszins naar achteren verlengd. Onder draai-over-boord verstaat men, wanneer de staatsie ontbreekt en de helmstok geheel buiten boord kan gedraaid worden. Heeft een Tjalk een verhoogd achterdek, dan heet zij PaviljoentjalkWat later in Friesland en Groningen Tjalk heette, werd in Zuid-Holland en Zeeland Schuit en Poon genoemd en kwam eveneens met de oude Smakschepen overeen, alleen zijn zij van onderen wat buikiger gebouwd. 

Het Jagt

Uit deze Schuit en Poon ontstond later het Noord-Hollandsche Jagt, dat ongeveer de afmeting eener kleine Tjalk had, maar zich onderscheidde door een smallen bodem, waardoor de wanden van het schip meer wegvallen en hetzelve een slank en vlug voorkomen verkreeg en daarmede tevens grootere snelheid. Het berghout heeft bij het Jagt veel zeegt, met echter een recht eind in het midden. Het Jagt was dus een verfijnder en fraaier type dan de gewone, zwaar en plomp gebouwde lastdragers en heeft zijn ontstaan te danken aan vermeerdering der snelheidseischen voor het personenvervoer en aan de verhoogde welvaart in het schippersbedrijf, gedurende de 16de eeuw. De welstand opende onzen varenslui en scheepsbouwers toen de oogen voor hoogere schoonheid en voor grooter snelheid. Ze gingen meer zorg aan de vormen van hun schepen besteden en naar grooter sierlijkheid van lijnen streven, hetgeen mede grootere snelheid meebracht en zoo ontstond een welgevormd scheepstype, dat de directe voorlooper werd van de speeljachten. Aanvankelijk was het Jagt ook voor gemengd gebruik, nl. als vracht- of beurtschip voor eigen bedrijf en als pleizierschip bij uitstapjes, bestemd. Het Jagt was naar de plaatselijke omstandigheden, in onderdeelen afwijkend van vormen ; zoo kende men het Zaansche, het Hollandsche, het Zeeuwsche, het Blokzijlder, het Lemster en nog enkele andere Jagt-soorten. Het woord jacht duidt dus oorspronkelijk op een sierlijk en op snelheid gebouwd beroepsschip en stamt af van jagen, voort maken, als hoedanig het ook steeds als Jagt geschreven werd. Later verstond men in engeren zin onder jagt, een luxe-vaartuig, dat uitsluitend voor vermaak gebruikt wordt. In de 17de eeuw is het woord jacht, met de naar het buitenland verkochte Nederlandsche jachten, in verschillende vreemde talen opgenomen en daarin sedert blijven voortbestaan, meestal als Yacht, naar het Engelsch, geschreven.

Spelevaren

Eerst tegen het einde der 16de eeuw begon het houden van expresse¬lijk voor het spelevaren en het doen van zaken- en marktreizen gebouwde schepen meer algemeen te worden en nam men vrijwel algemeen het Jagt als hoofdmodel aan, echter werd het van buiten met veel en fraai houtsnijwerk, dat veelkleurig beschilderd en rijk verguld werd, versierd en van binnen met een kajuit en vooronder ingericht. Had het een rijk versierd en hoog oploopend achterschip, dan heette het Statenjacht, of was het kleiner : Hekjacht. Spiegeljachten hadden een hoog- en recht-oploopenden rijk versierden spiegel. Voorts kende men Tent-, Kop- en Paviljoenjachten. De Hollandsche jachten waren zoowel wat rompvormen als wat versiering aangaat, een der sierlijkste soort vaartuigen, welke ooit en waar ook te water werden gebracht. 

Ronde- en Platbodemjachten

De Ronde- en Platbodemjachten onderscheiden zich als jachten, in vele opzichten van de visschersvaartuigen en vrachtschepen, waarvan zij afkomstig zijn. Allereerst door de lichte kleur van hun scheepshuid, die van blank gelakt eikenhout is of van wit of gekleurd geschilderd staal. Voorts door hun witte zeilen, die op beroepsvaartuigen meestal donkerbruin getaand zijn: een bewerking die grootere duurzaamheid tot doel heeft. Verder hebben de jachten geen vischbun met daarop geplaatsten trog, maar is bijna hun geheele middenschip, tot op den stuurstoel na, met een kajuitopbouw voorzien. Het aanbrengen hier en daar, van verguld en geschilderd snijwerk, van blinkend koperwerk en blank geschuurd ijzerwerk en ten slotte het varen van vlaggen op mast en roer, verhoogen den indruk van het schip en maken het tot een luxe-vaartuig; dat, zelfs voor een leek, van de beroepsvaartuigen reeds op het eerste oog te onderscheiden is.

De officieele omschrijving der Ronde- en Platbodemvaartuigen luidt:

„Onder Ronde- of Platbodemjachten worden verstaan, jachten met zijzwaarden, zooals Boeiers, Botters, Hoogaarsen, Schokkers, Blazers, Tjotters, Schouwen, Gondels, Punters en dergelijke, die in vorm en tuigage niet belangrijk afwijken van de door deze benamingen aangeduide Oud-Hollandsche, Oud-Friesche en Oud-Zeeuwsche typen van vaartuigen. Als kenmerken van het tuig dienen vooral de gebogen gaffel en de losse broek van het grootzeil. De hoogte der kiel, gemeten op het grootspant, zal niet meer mogen bedragen dan 2% van de lengte op de waterlijn. Behalve door hun vlotgaandheid, onderscheiden de Ronde- en Platbodemjachten zich van de Scherpe jachten, door hun breede en volle vormen, waardoor een groote ruimte binnenboords en daarmede veel gerief verkregen wordt. Hun bouw is plomper en hun onderdeelen zijn veel zwaarder; wat echter aan hun sierlijkheid geen afbreuk doet, maar aan hun soliditeit en langen levensduur in hooge mate ten goede komt . "
De hierboven vermelde beperking der kielhoogte is indertijd ingevoerd, omdat tegen het einde der vorige eeuw verschillende bastaardmodellen gebouwd werden, die in plaats van een plat of rondgebogen vlak of bodem, een V-vormigen bodem hadden, welke van onderen met een vrij diep stekende ballastkiel voorzien was. Deze modellen waren boven de waterlijn volkomen gelijk aan de oude, oorspronkelijke schepen, maar bij het wedstrijdzeilen waren zij dezen verre de baas, kunnende meer zeil voeren en hooger bij-den-wind liggen: zelfs wanneer zij hun zwaarden niet gebruikten. Algemeen heeft men toen den wensch kenbaar gemaakt, deze bastaardmodellen verder niet tot de zeilwedstrijden toe te laten en daarmede kwam aan het eindelooze gekibbel, over al- of niet toelating van de verbastering der oude jachttypen, een einde. Zie de doorsneden van Boeiers, plaat 7.

Het bouwen van Ronde- en Platbodemjachten

Het bouwen van Ronde- en Platbodemjachten geschiedt, op enkele nieuwtijdsche uitzonderingen na, nog altijd naar de sedert den 16den eeuwschen aanvang van den jachtbouw gevolgde werk-wijze; dus niet volgens vooraf gemaakte teekeningen en plannen en ook niet op mallen, maar geheel op het oog en naar het gevoel. De even ingewikkelde, als hoogstaande kunst van het bouwen van dergelijke vaartuigen, is van oudsher een soort van angstvallig bewaard familiegeheim geweest, dat onder de scheepsbouwers van vader op zoon overging: en zóó is het ook op heden nog. Iedere plaats, iedere scheepsbouwersfamilie had - en heeft thans nog - haar eigen manier van bouwen en zoo is het dan ook niet te verwonderen, dat van standaardmodellen geen sprake is. De eenige connectie en verstandhouding tusschen de scheepsbouwers onderling, was, dat zij voortdurend elkanders bouwsels nauwkeurig naspeurden en nu en dan van elkander iets overnamen, al naar goeddunken of behoeften, door snelheids-, zeewaardigheids- of ladingseischen gesteld. Gewoonlijk geschiedde die navolging, door het opmeten ; met schietlood en waterpas, van andermans schepen, terwijl deze 's winters in het ijs bezet zaten of hier of daar op het droge gezet waren. Dit opmeten, moest dan natuurlijk ter sluiks en bij nacht en ontijd geschieden, want er werd doorgaans wel voor gewaakt, dat geen naijverige vakgenooten het onderwaterschip te zien kregen.

Onderwaterschip

Wat het onderwaterschip aangaat, onderscheidt men platbodem vaartuigen, die een geheel plat ondervlak, zonder uit stekende kiel hebben en de ronde vaartuigen, waarvan het onderwaterschip, in een zachtgebogen vorm, naar een weinig diep stekende kiel loopt. Reeds in de 16de eeuw werden bij de speeljachten deze kielen gedeeltelijk van lood gemaakt, ter vervanging van de losse ijzeren ballastschuitjes welke gewoonlijk binnen boord gevaren werden. Zie ook bovenstaande plaat 7.

Nederlandsche kunstnijverheid

De bouw en ook het optuigen van Ronde- en Platbodemjachten is ten allen tijde een uit sluitend Nederlandsche kunstnijverheid geweest. Behalve dan het hout, dat gewoonlijk uit Duitschland en Rusland kwam, zijn overigens alle onderdeelen steeds in ons land gemaakt geworden en vooral het Nederlandsche blok- en touwwerk en het Zaansche zeildoek, genieten sinds eeuwen een wereldreputatie. Het werd in 1895 zelfs als een bijzonder merkwaardig feit vermeld, dat toen een onzer zeilers voor zijn Schokkerjacht nieuwe zeilen in Engeland liet maken en men meende toen, zeker niet ten onrechte, dat deze proef onvermijdelijk teleurstellend moest uitvallen.

Pleizierzeilen en Wedstrijden

De Ronde- en Platbodemjachten worden in hoofdzaak voor pleizierzeilen en niet voor de zeilwedstrijden gebruikt en zullen in snelheid steeds onderdoen voor de moderne scherpe jachten. Bij het laveeren in wateren met ondiepe kanten of met veel wier en waterplanten, zullen zij het echter in snelheid van de scherpe vaartuigen winnen. Doorgaans liggen zij echter minder hoog bij-den-wind dan de scherpe jachten, omdat zij bij weinig snelheid een grootere relatieve afdrift hebben dan kiel- of middenzwaard-jachten en mede door den vorm van het tuig, dat los is van de giek, met vertikale zeilkleeden enz. enz. Directe wedstrijdjachten vindt men dus onder de Ronde- en Platbodemvaartuigen niet: alleen hebben de meesten een bijzondere wedstrijdoptuiging, waarvan het zeiloppervlak vaak dubbel zoo groot is als het gewone toertuig. Op wedstrijden worden zij alleen in de nationale klassen toegelaten en dan ingedeeld naar hun lengte op de waterlijn, of naar hun gemeten wedstrijdmaat, welke in een afzonderlijk hoofdstuk behandeld wordt.

Toekomst der Ronde- en Platbodemvaartuigen

Wat de toekomst der Ronde- en Platbodemvaartuigen aangaat, meen ik (in 1931), dat deze er in alle opzichten hoopvol voor staat. Het Ronde- en Platbodemtype is zóó eigen aan den aard onzer Vaderlandsche wateren en het is zóó volkomen onmogelijk aan bruikbaarheid te overtreffen, dat het wel nooit bij ons in onbruik of uit de mode zal raken. Dat bewijst wel, dat bijv. nog omstreeks de jaren 1870-1880, toen reeds heel de wereld allerhand scherpe jachttypen bouwde, bij ons de jachtenvloot nog voor ruim 9/10 uit Ronde- en Platbodemvaartuigen bestond. Zelfs op den grooten zeilwedstrijd, in 1883 bij gelegenheid van de toen te Amsterdam gehouden wereldtentoonstelling gegeven, vinden wij bijna driemaal meer Ronde- en Platbodemjachten ingeschreven, dan Scherpe jachten. Op den Hollandia-zeilwedstrijd van datzelfde jaar was die verhouding: 6 Scherpe- en 26 Ronde- en Platbodemjachten. Weliswaar scheen het tegen het einde der vorige en het begin dezer eeuw, alsof de moderne scherpe jachten de oude Vaderlandsche scheepstypen geheel zouden gaan verdringen. Nu men echter veertig jaren lang alle nieuwe en nieuwste buitenlandsche snufjes geprobeerd heeft, blijkt het tenslotte toch wel overtuigend, dat zij op den duur niet veel voor onze wateren zijn. Er was en is bij al dat nieuwe te veel tijdelijks, te veel modieuze dingen en te veel „Spielerei", dat op den duur niet bevalt; zoodat men thans weer op het goede oude terugkomt en de oude vertegenwoordigers der ronde jachten nu sterk gezocht worden en zelfs hoog opgeld beginnen te doen.

Het voordeel van oude scheepstypen

Onze voorouders, al kenden zij de meer wetenschappelijke formules niet, waren toch wel zoo verstandig de hoofdvereischten, waaraan een pleizierjacht voor de ondiepe Hollandsche wateren te voldoen heeft, duidelijk in te zien. Hunne leus was: elke Cc. grooter diepgang is verlies, iedere cM. grooter ruimte onder dek is winst voor een Hollandsch jacht. Bij de moderne, scherpe vaartuigen is dat juist omgekeerd; daar is elke cM. grooter diepgang winst en iedere cM. grooter ruimte onder dek beteekent verlies. Vooral de meer geposeerde zeilers komen meer en meer tot de oude scheepstypen, met hunne groote geriefelijkheid en betrouwbaarheid, terug en ook wat de jongere zeilers aangaat, wint de overtuiging thans meer en meer veld, dat men in geen schip beter zeilen kan leeren, dan in de Tjotter.

Stoffeering van onze Nederlandsche waterlandschappen

Het is waar, dat de bouw van houten Ronde- en Platbodem-vaartuigen in onzen tijd zeer kostbaar is geworden en dat bovendien goede en heel duurzame houtsoorten in de gewenschte kwaliteiten bijna niet meer te verkrijgen zijn. Maar daartegenover staat, dat het bouwen van stalen vaartuigen meer en meer veld wint en dat het bouwen en het onderhoud dezer stalen schepen heel wat goedkooper is, dan dat van houten; dat verder hun binnenboordsche ruimte aanmerkelijk grooter is, terwijl ook hun levensduur nogal belooft mee te vallen. Het is waarlijk zeer verblijdend, de liefhebberij voor onze sierlijke en in alle opzichten zoo manoeuvreervaardige nationale scheepstypen in onze dagen sterk te zien groeien en het aantal Ronde- en Platbodemvaartuigen weer belangrijk te zien vermeerderen. Als stoffeering van onze Nederlandsche waterlandschappen, overtreffen zij in sierlijkheid alles wat de latere tijden ons hebben gebracht en geen geschikter scheepstype is er, om den Nederlandschen zeiler bij voortduring te blijven bekoren en te bevredigen.

Optuiging der Ronde- en Platbodemvaartuigen

Wat de optuiging der Ronde- en Platbodemvaartuigen betreft, deze bestaat voor Tjotters, Schouwen, Gondels en Punters uit grootzeil met korte, kromme gaffel en losse broek aan het onderlijk, dat met het schoothoren aan de zeilsboomnok ingepikt is. Als voorzeil wordt enkel de fok gevaren, welke voor op de botteloef wordt ingepikt. Grootere Tjotters en ook Boeiers, Schokkers, Hoogaarsen, Botters en Blazers varen bovendien een boegspriet, kluifhout of kluiverboom, waaraan bij ruimen wind een kluiver, of in plaats van fok en kluiver, een jager, halfwinder of ballonfok gevaren wordt, die bij het vóór den wind varen, op den jagerboom te loevert wordt uitgezet. Ook varen sommige Tjotters en groote jachten een spinnaker en soms ook wel een gaffeltopzeil. De oudere soorten van bijzeilen, als broodwinners, waterzeilen en breefok worden nog slechts zelden meer gebruikt. Overigens is de optuiging der Ronde- en Platbodemjachten in de verschillende zeilteekeningen voorgesteld. De zeilen der Ronde- en Platbodemj achten worden enkel door middel van het bindrif gereefd. De patentreef inrichting komt op dergelijke jachten niet voor. Sommige eigenaars van Ronde- en Platbodemvaartuigen varen in het vroege voorjaar en late najaar een kleiner tuig aan een korteren mast, dat getaand is evenals de zeilen der beroepsvaartuigen. Dit is zeer practisch, omdat getaande zeilen veel beter vocht en nattigheid kunnen verdragen, dan witte zeilen. Ook behoeft men ze minder te ontzien. Het kleinere tuig maakt het varen ook bij voor- en najaarsbuien en op onstuimige dagen mogelijk.

De niet overdekte ronde- en platbodemjachten: De Tjotter

Het woord „Tjotter", hoe antiek en authentiek het voor een zoo eeuwenoud soort van vaartuig ook klinken moge, is nochtans een modern woord, dat pas in 1882, in het programma van den Hollandia-zeilwedstrijd, voor het eerst voor komt. Vóór dien werd de Tjotter in Holland als Boeiertje en in Friesland als Bootje of als Jacht aangesproken en kwam als zoodanig op de wedstrijdprogramma's voor. Men heeft zich tot nu toe vergeefs het hoofd gebroken over den werkelijken oorsprong van het woord Tjotter en algemeen wordt aangenomen, dat het een Friesche verbastering van het woord kotter is, evenals tjerk voor kerk. Aannemelijker is echter de volgende afstamming: In Plat-Duitsche woordenboeken komt een oude Nedersaksisch-Friesche zeemansuitdrukking voor, die hoewel verschillend geschreven, toch eenzelfde beteekenis heeft. Zij heet : tiodute ; toiodute, jodute, welk woord zou ontstaan zijn uit samenstelling van thiod ute, beteekenend een uitroep „volk aan dek", aldus, „dat dar en iodute ropen wert" (Plat-Duitsch) Ein Ruf zur Hilfeleistung bei einer Vergewaltigung. M.i. is het niet onmogelijk, dat toen men de Friesche Bootjes ten behoeve der wedstrijden steeds hooger en hooger ging optuigen, waardoor zij steeds ranker en moeilijker te zeilen werden, de roep „tiodute" en later de verbastering daarvan als Tjotter, voor deze scheepjes in zwang is gekomen.

In dezen tijd geeft men aan alle Ronde- en Platbodemzeiljachtjes, welke geen vaste roef of kajuit hebben, den naam Tjotter, hoewel uit de verschillende bestaande modellen, de oorspronkelijke Noord en Zuid-Hollandsche Boeiertjes en de Friesche Bootjes nog heel goed te onderscheiden zijn. Het Hollandsche Boeiertje noemt men in Friesland overigens Jacht en wel ter onderscheiding van het Bootje, dat iets korter van vorm is en slechts een ijzeren halfrondje als stootkant heeft, terwijl Boeiertjes en Jachten een berghout hebben, evenals de groote Boeiers. Ook het roer is bij Jachten anders dan bij Booten. Bij de eersten draagt het bovendeel meestal een blok waarop een vergulden leeuw: in dit blok is dan de ijzeren roerpen gestoken. Bij Booten draagt het roer een eenvoudige klik, met een daarover gelegd roerjuk en helmstok.

Kort en breed, is de Tjotter een vol vaartuig, dat zeer fraai van lijn is en vast op het water ligt. Zij hebben veel zeegt, voeren een bezaantuig met botteloef - de grootere tevens een kluiver en kluiverboom - en zijn op de zetboorden, op de klik van het roer, den bedenbalk, de bolders en in den stuurstoel met fraai geschilderd en verguld houtsnijwerk, alsmede hier en daar met koperbeslag versierd. De meeste Tjotters (de Booten) hebben een platten, vormig gebogen bodem; enkelen daarentegen (de Jachten), hebben een bodem „met piek", welke nabij de kiel V vormig daarop aansluit, (vooral die gebouwd door E. Holtrop v. d. Zee te Joure). De meest voorkomende maten zijn in lengte over alles en breedte, de volgende: M. 4.80 bij 2.30, 4.80 bij 2.45, 5.35 bij 3.30, 7.02 bij 3.09. Zij varieeren echter tot in het oneindige. De Tjotter wordt meestal geheel van eikenhout gebouwd, is evenals de Boeier en feitelijk alle Ronde- en Platbodemjachten een Methusalem onder de pleiziervaartuigen. Met 30 jaar is zij nog nieuw en na 100 jaar is zij nog bruikbaar, mits goed onderhouden.

De op plaat 3 voorgestelde Tjotter is de „Nelly", gebouwd door J. Visser te Paterswolde. De maten zijn: M. 5.35 lang over alles en M. 3.30 breedte op het berghout. Het zeiloppervlak bedraagt 30 M2. De „Nelly" behoort tot de Jachten. Plaat 1 stelt voor een echte Friesche Tjotter of Bootje, terwijl plaat 3 een z.g. Jacht voorstelt. Het laatste is weliswaar geheel ingedekt en met een kajuit voorzien en zou dus tegenwoordig met den naam Boeiertje worden aangesproken. Ten onrechte echter; zooals men bij vergelijking met den Boeier op plaat 7, 8 en 9 kan zien. Wanneer wij bijv. bij den zeilwedstrijd te Sneek in het jaar 1847, op het programma vinden de volgende klassen: I. Boeijers en Jagten, II. Jagten en Booten, III. Bootjes, dan blijkt hieruit wel degelijk, dat men onderscheid maakte tusschen Boeiers, Jachten, en Bootjes.

Onze tegenwoordige Tjotters zijn dan ook duidelijk te onderscheiden in Booten en Jachten, waarvan de eersten een min of meer vierkant model met afgeronde hoeken vertoonen, terwijl de laatste een soort eivormig verloop hebben. Op te merken valt nog het verschil in bodem: plaat 2 vertoont een doorgaand gebogen vlak, dat bijna haaks op de kiel aansluit; terwijl plaat 4 een gebroken lijn vertoont die V-vormig naar beneden loopt. Beide vormen komen al heel vroeg voor; de eerste is wel de oudste, de tweede stamt vermoedelijk eerst uit het midden of einde der 17de eeuw. Zooals op plaat 7 wordt medegedeeld, heeft men omstreeks het einde der 19de eeuw bij sommige Boeiers den tweeden vorm zoodanig naar onderen verlengd, dat de zeileigenschappen dezer Boeiers sterk op die der kieljachten begonnen te gelijken en zij hun zij zwaarden best konden missen. Zie plaat 7 en ook 1, 2, 3, 4.

De niet overdekte ronde- en platbodemjachten: De Schouw

Schouw is de algemeene benaming voor iederen platten, vier-kanten, open bak, die vóór en achter iets smaller toeloopt. De Friesche Schouw, is een in Friesland en Noord- en Zuid-Holland zeer talrijk voorkomend pleiziervaartuig. Mooi kan ze niet genoemd worden; ze is eer leelijk, met haar hoekig op elkaar staand knikspant en haar plat afgestompter voor- en achtersteven. Het is evenwel een zeer handig, zeer vertrouwd en zeer snel scheepje en het is voor den amateurbouwer het gemakkelijkst te bouwen vaartuig. De rechte vlakken en de eenvoudige constructie van inhouten enz., maken het bouwen niet moeilijk en er zijn vooral in Friesland zeer veel door liefhebbers gebouwde Schouwen in de vaart, zooals trouwens platen 5 en 6 bewijzen, welke een Schouw voorstellen, door den heer H. van der Zee te Sneek, als amateur gebouwd. De maten zijn M. 6,40 lengte over alles, bij M. 1.80 breedte. Deze Schouw vaart gewoonlijk ongeballast met 20 M2. zeil, bezaanzeil en fok; op zeilwedstrijden wordt het schip echter geballast en draagt dan bijna 40 M2 zeil. Groote Schouwen zijn tot ruim 8 Meter lang; kleinere tot 4.50 Meter en evenredig breed. Gewoonlijk worden zij van eiken of van Amerikaansch grenen gebouwd.

Typisch zijn de zetborden op de boorden, welke evenals bij de Tjotter tot waterkeering dienen, bij het overhellen en bij veel golfslag. Friesland heeft thans nog een klasse van Schouwen van M 9.75 lang en hoogstens M 1.42 breed: uitsluitend getuigd met spriettuig van hoogstens 16 M2. Zie platen 5 en 6.

De niet overdekte ronde- en platbodemjachten: De Gondel

De Gondel komt hoofdzakelijk in Noord-Holland langs de Zaan en op het Alkmaarder Meer, alsmede op den West-Einder Plas nabij Aalsmeer voor. Oudtijds was zij voornamelijk op het Haarlemmer Meer in gebruik. Zij onderscheidt zich door een rechten, sterk vallenden steven en een hoog oploopend voorschip, evenals de Hoogaars. Zij heeft zijzwaarden en vaart of wel een bezaantuig of spriettuig of soms ook wel een enkel torenzeil of puntzeil, zonder gaffel. De plaat 14 vertoont een dergelijke Gondel (hier Punter genoemd) met kajuit. De niet overdekte Gondel is ongeveer van hetzelfde model; alleen heeft de Gondel een scherpen achtersteven: de Punter daarentegen een platten achtersteven. Haar lengte is van 6 tot 8 Meter, haar breedte van 2 tot 2.50 Meter. In goede zeileigenschappen, doet de Gondel niet voor de Tjotter en de Schouw onder. Zie platen 5 en 6.

De niet overdekte ronde- en platbodemjachten: De Jol of Stavorensche Jol

Is een klein, kort en rond vaartuig met kiel, dat zeer vast op het water ligt. Behalve rond Stavoren, komen zij ook te Enkhuizen en te Medemblik voor. Bijzonder kenmerkend zijn hun botte, oploopende voorsteven, hun geheel rechte achtersteven met aangehangen roer, hun naar binnen vallende boorden, hun vrij hooge zeilkiel en het gemis van zijzwaarden, welke zij tengevolge van de zeilkiel niet behoeven. Zij gelijken veel op een klomp. Hun optuiging is meestal met een sprietzeil en fok. De als jachten gevaren Staversche jollen, hebben meestal een bezaantuig. Het zijn sterke, vertrouwde scheepjes, die echter veel wind behoeven. De afmetingen zijn ongeveer als die der open Punters en Gondels. Als jachten gebruikt, hebben zij soms kajuitopbouw.

De overdekte ronde- en platbodemjachten: De Boeier

Het woord Boeier is waarschijnlijk van Franschen oorsprong, evenals het vaartuig zelf, dat oorspronkelijk een rond-bodem schip was, dat reeds in de 15de eeuw als overzeesch veerschip tusschen Rouaan - de voorhaven van Parijs - en de Nederlandsche havens gebruikt werd. In Frankrijk noemde men het Boër of wel Boyer, als hoedanig het ook in Hollandsche stukken, o.a. in een project van de gëoctrooieerde West-Indische-Compagnie Anno 1627, bij ons voorkomt. Gewoonlijk noemde men ze echter „Kromstevens". Later werden deze Boeiers ook voor den veerdienst op Engeland en Skandinavië gebruikt. Hun eigenaardigheid was, dat zij zoowel de zee, als ondiepe rivieren konden bevaren en daartoe zoowel met zij zwaarden, als met een diep stekende kiel voorzien waren. In het 17de eeuwsche woordenboek van Kilian wordt de Boeier als Karreiieel, Dromas, Dromon, = genus navis, aangeduid: en wel karreiieel of karreveel in de beteekenis van lastdrager en niet als karveel = gladboordig schip. Omstreeks het midden der 17de eeuw noemde men de Rouaansche veerschepen nog Boeyers, maar bijna alle pleiziervaartuigen ook; zoo o.a. noemde men de spiegel-, hek-, kop- en glazenjachten, alle Boeyers. De Boeier onderscheidt zich van andere vaartuigen door een boeisel van planken, dat boven het berghout uitsteekt en op het gangboord staat.

Geen standaardmodel

De Boeier is het voornaamste en bij ons het meest voorkomende Ronde- of Platbodemjacht. Zooals in de geschiedkundige beschouwingen werd aangetoond, stamt haar oorsprong uit de 16de eeuw en is zij eene afstammelinge van het Jacht, dat op zijn beurt van de toenmalige voorgangers onzer hedendaagsche Tjalken afstamt. Evenmin als bij de Tjotters, valt er onder de Boeiers een standaardmodel aan te wijzen. Er zijn lange, smalle, korte, breede, ronde en hoekige Boeiers, waarvan de in Friesland gebouwde korte modellen Ulster- of Lemmeraakjacht genoemd worden. Ook onderscheidt men bastaard-Boeiers, nl. met hoog oploopend voorschip, zooals de Botters dat hebben. Zij zijn dan speciaal voor de Zuiderzee gebouwd en daar beter te gebruiken dan de voor vlakke meren en rivieren gebouwde Boeiers.

De bouw

De Boeier heeft meestal een u-vormigen bodem, waaronder een zeilkiel, welke in sommige gevallen geballast is. Vóór de boegen is de Boeier breed en loopt naar achteren benepen bij ; zij heeft een plecht, een vooronder en roef met lagen opbouw en gangboorden daarlangs ; een open stuurstoel daarachter, met een klapmuts, waarop de luiwagen rust en waarover de helmstok loopt. De Boeier is van breede zijzwaarden voorzien en heeft een breed roer. Haar meest voorkomende afmetingen zijn : 10 tot 15 Meter lang, ongeveer een derde der lengte breed en de helft der breedte hol. Met een bezaanzeil en fok, licht maar hoog getuigd, maakt zij daarvan bij-den-wind gebruik. Vóór- of van-den-wind, hebben zij nog een kluiver of jager, die in het eerste geval op den jaagboom te loevert uit, en in het laatste geval op den boegspriet of kluiverboom uit staat; zijnde aan het kluiverval geheschen en met den hals aan het uiterste einde op de nok van den kluiverboom of boegspriet, in den ring van den uithaalder ingepikt.
Vroeger werden de Boeiers uitsluitend van eikenhout gebouwd, tegenwoordig worden zij echter meer van staal gebouwd. Naast de Tjotter is de Boeier zeker wel ons sierlijkste vaartuig; het heeft zeer hooge zeileigenschappen, bij groote zeewaardigheid en buitengewoon veel gerief aan bewoonbaarheid. Vele Boeiers worden thans met hulpmotoren toegerust.
Het op de platen 7, 8 en 9 afgebeelde Boeierjacht is ontworpen en gebouwd door den heer J. C. Akerboom te Boskoop en is lang 13 Meter bij 4.60 Meter breedte; diepgang 0.80 M en zeiloppervlak 99 M2. Uit de teekeningen blijkt de binneninrichting voldoende: in het volkslogies vooraan, zijn twee slaapplaatsen in het overige schip nog een zestal andere. Het schip is van staal gebouwd. Hierbij zij opgemerkt dat, evenals de Tjotters, ook de Boeiers onderling sterk in vormen en afmetingen afwijken. Men onderscheidt ook hier evenals bij de Tjotters een lang en vierkantig type en een tweede dat kort is en meer bolronde vormen heeft. Mede verschillen de Boeiers onderling sterk in de ronding van de zeegt, die bij korte Boeiers meestal grooter is. Ook de verschillen in vorm van het bodemvlak komen bij de Boeiers voor; zie daarvoor de beschrijVing en platen van de Tjotter. Zie platen 7, 8 en 9.

De overdekte ronde- en platbodemjachten: Het Platje van Maassluis

Dit is een klein Boeiertje met plat vlak en kajuitopbouw en dat uitsluitend langs de Zuid-Hollandsche eilanden voorkomt. Het is een kort, gedrongen maar stevig gebouwd scheepje met weinig zeegt. De afmetingen zijn : 8 Meter lang, 3 Meter breed, diepgang M 0.80. (Zie ook: Het 'Maassluis platje' bestaat niet als scheepstype, maar wel als 'verzamelnaam').

De overdekte ronde- en platbodemjachten: De Botter

De Botter is als afstammelinge der Volendammer Kwakken, zeker wel een onzer oudste typen van visschersvaartuigen. Als jacht komt de Botter in enkele exemplaren bij ons voor, uitsluitend tot het bevaren der Zuiderzee, daar zij voor de binnenwateren minder geschikt is, wegens haar hoog oploopend voorschip, dat enkel op ruime wateren een goed uitzicht mogelijk maakt. Kenmerkend is hun rond gebogen steven en hun breed, hoog oploopend en overdekt voorschip, en verder hun laag en open achterschip. Overigens komt het model van de Botter veel met dat van de Schokker overeen. Ook haar optuiging is ongeveer dezelfde, nl. een bezaanzeil met korte, kromme gaffel en een groote, breede stagfok, die tot achter den mast reikt. Bovendien vaart de Botter nog een kluiver op een los kluifhout. In tegenstelling met de meeste Ronde- en Platbodemvaartuigen vaart de Botter geen strijkenden mast, maar een stevigen steekmast, welke zonder zijwant gevaren wordt. 

 

Er zijn een groot aantal variëteiten van Bottermodellen; bijna iedere visschersplaats langs onze Zuiderzee heeft haar locaal type. Nog meer afwijkende modellen en kleinere soorten zijn de kleinere veel voorkomende Kubbooten, Kwakken, Bonzen en Pluten, die echter niet als Jachten bij ons voorkomen. Het op de platen 11 en 12 voorgestelde Botterjacht is ontworpen en gebouwd door den heer C. de Haas te Monnikendam. Het is lang 12 Meter bij 4 Meter breedte en 0.80 Meter diepgang. Zeil-oppervlak 100 M2. Zie plaat 11 en 12.

De overdekte ronde- en platbodemjachten: De Schokker

De Schokker heeft een hoog oploopend voorschip, met een rechten, vallenden voorsteven. Vóór is zij breed en achter smal. Boven tegen den plomp vierkant eindigenden steven zit een schijf, waarover de ankerketting loopt en welke eenerzijds in den steven en anderzijds in een klos (de snoes), die sterk aan den steven verbonden is, rust. Het schip heeft een bun en een voorplecht, waaronder het roefje. Vroeger in het midden open, worden tegenwoordig de grootere Schokkers ook in het midden overdekt. Achter heeft de Schokker een klein dekje, dat kooitje genoemd wordt. Zij heeft lange, smalle zijzwaarden en is gemeenlijk 26 Meter lang, 4.50 Meter breed; bij een diepgang van 1 Meter. Als tuig vaart zij een bezaantuig met kromme, korte gaffel en breede stagfok, welke achter den mast op het boord bevestigd wordt en dus geen overloop heeft. Zij vaart een boegspriet en daarop naar behoefte een kluiverfok. Vroeger werden zij enkel overnaadsch gebouwd, thans ook in gladwerk.

De Schokkers bestonden reeds in het jaar 1600; men vindt ze reeds afgebeeld op de lijkbaren in de Protestantsche kerk te Workum. Zij komen meest op de Zuiderzee voor en vooral langs de Over-ijsselsche kust en op Schokland; ook vindt men ze veel op de groote rivieren. Plaat 10 stelt een voor de visscherij ingerichte Schokker voor; als jacht komt zij slechts in enkele exemplaren in ons land voor. Zie plaat 10.

De overdekte ronde- en platbodemjachten: De Hoogaars

De Hoogaars heeft een rechten, flauw oploopenden voorsteven, welke echter veel minder zwaar is dan bij de Schokker. Vroeger overnaadsch gebouwd, worden zij tegenwoordig van gladwerk gemaakt. Vóór, over het algemeen scherper dan de Schokker, zijn zij echter van achteren wat voller. Zij zijn vóór overdekt, het middenschip is open, terwijl zij achter een overdekt roefje hebben. Zij hebben een smal roer, smalle en lange zijzwaarden en een bezaantuig met stag- en kluiffok. Evenals de Schokkers, Botters enz. zijn zij Platbodemvaartuigen, echter zonder bun. De nieuwere Hoogaarsen worden van achteren voller gebouwd, gelijk de Boeiers. Diezelfde neiging om het achterschip voller te bouwen doet zich thans bij alle kleinere visschersvaartuigen voor.

 

De Hoogaars is ongeveer 15 Meter lang en 4.50 Meter breed. Zij komt meestal op de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche stroomen voor. De op plaat 13 afgebeelde Hoogaars werd omstreeks 1878 te Kinderdijk als jacht gebouwd. Haar hoofdafmetingen zijn 14.63 Meter lang over alles; 4.03 Meter grootste breedte; diepgang vóór 0.82 en achter 0.47 Meter. De optuiging is ongeveer die van een Boeier. Zie plaat 13.

De overdekte ronde- en platbodemjachten: De Punter

Dit type van vaartuigen hoort thuis in de omgeving van Aalsmeer en werd vroeger in groot aantal gebruikt op het Haarlemmer Meer en de West-Einder Plassen. Zij heeft ook als jacht vele goede eigenschappen; is zeer stabiel, flink snel, draagt een eenvoudig en gemakkelijk te behandelen tuig en is goedkoop van bouwwijze. (In eikenhout ongeveer de helft van een Boeier van gelijke grootte.) Het model doet eenigszins denken aan de Hoogaars en heeft evenals deze een scherpen, hoog oploopenden voorsteven. De Zeil¬punter is echter doorgaans veel kleiner dan de Zeeuwsche en Zuid Hollandsche Hoogaars. Als jacht gebouwd, behoeft de Punter wat snelheid, ruimte en betrouwbaarheid aangaat, niet voor de Boeier onder te doen.

 

De afmetingen zijn: lengte over alles 12 Meter, grootste breedte 4 Meter. Het voordek is 4 Meter lang; de kajuit 4,60 Meter; de stuurstoel 3,40 Meter. Stahoogte in de kajuit 2 Meter. In de kajuit zijn twee slaapplaatsen en in het vooronder eveneens twee. Kleinere Punters, tot ongeveer 6-8 Meter lang, worden gewoonlijk zonder kajuit gebouwd. Het op de platen 14, 15 en 16 voorgestelde Punterjacht is ontworpen en gebouwd door den heer C. W. J. de Vries, te Aalsmeer.

De overdekte ronde- en platbodemjachten: De Grundel

Deze komt in dezelfde streken als de Punter voor, zoowel groot en met kajuitopbouw, als klein en open. De Grundel gelijkt bijna volkomen op de Punter, alleen is het achterschip niet scherp op steven gebouwd, doch heeft een platten spiegel.

De overdekte ronde- en platbodemjachten: De Blazer

Dit soort jachten komt in België thans veel in zwang. Het zijn voller gebouwde Botters van groot model: zij hebben een ronden en minder vallenden steven dan de Botters en ook een voller achterschip, veelal gelijkende op den Boeier. Men onderscheidt het Blazer-boeier-model daardoor. Hierbij moet nog worden aangeteekend, dat bij de Ronde- en Platbodemjachten vele z.g. bastaardmodellen voorkomen, die wel op een der hoofdtypen gelijken, doch in onderdeelen daarvan soms sterk afwijken. Vroeger duidde men dergelijke modellen met het bijvoegsel „bastaard" aan, of men maakte er een samengestelden naam van zooals, boeierjacht, boeierschuit, steven-boeierschuit. Bij de zoo geweldige talrijkheid der afwijkingen steeds ieder jacht met den juisten naam te kunnen noemen, is vrijwel voor iedereen onmogelijk, omdat de in deze spraakmakende deskundige menschen, het allesbehalve eens zijn. Een vroolijk ingewikkelde verwarring in de benamingen der oude scheeps- en jachttypen, heeft van oudsher bestaan; een wonder is het dus niet, dat wij er ook thans zoo slecht in thuis zijn.

De meting van Ronde en Platbodemvaartuigen

Al de hier voren behandelde Ronde- en Platbodemvaartuigen worden op de nationale zeilwedstrijden toegelaten, mits voorzien van een door het Centraal Bureau voor Watersport te Amsterdam afgegeven meetbrief, welke de klasse aangeeft, waarin het vaartuig naar gelang van zijn grootte is ingedeeld. Deze meting geschiedt volgens de formule:

Hierbij is L de grootste lengte van het schip, gemeten over stevens, op of onder de waterlijn, uitgedrukt in Meters. Wanneer de grootste lengte van het vaartuig boven de waterlijn, deze lengte met meer dan 1/3 overtreft, wordt het meerdere bij L opgeteld. Z is het zeiloppervlak, te berekenen volgens de internationale meetformule. De aldus verkregen wedstrijdmaat wordt uitgedrukt in eenheden en verder in tiende deelen, welke naar boven op 5 worden afgerond, zoodat 0,05 en daarboven 0.1 en daarbeneden 0 wordt. Deze tientallen komen in aanmerking voor de tijdvergoeding, welke de schepen per tiental sec. en per Eng. zeemijl moeten geven aan vaartuigen, welker wedstrijdmaat eenige tientallen kleiner is dan de wedstrijdmaat.

Klasse-indeeling voor de jachten

De klasse-indeeling voor deze jachten, Boeiers, Botters, Schokkers, Hoogaarsen en dergelijke geschiedt als volgt:

Vaartuigen met vaste roef of vast dek.
Klasse OA = 12.6 W.M. en hooger, de klasseletters OA = 10.1 W.M. tot 12.5 W.M.
Klasse OB = 8.1 W.M. tot 9 W.M.
Klasse OC = 8 W.M. en minder

Vaartuigen zonder vaste roef of vast dek:
Tjotters en Schouwen:
OD = gr. lengte M. 6.00, gr. breedte M. 1.80, zeiloppervl. 36 M2.
OE = gr. lengte M. 5.50, gr. breedte M. 1.55, zeiloppervl. 32 M2.
OF = gr. lengte M. 4.75, gr. breedte M. 1.42, zeiloppervl. 28 M2.

Attentie voor het onderstaande
Bovenstaand vermelde klasse-indeeling geldt alleen voor de wedstrijden welke door de Kon. Verb. Nederl. Watersport Vereenigingen gegeven worden.

Voor Friesland en Groningen geldt echter de klasse-indeeling van den Noord-Nederlandschen Watersport Bond als volgt :
Boeiers, lengte t/m 9 M.
Jachten, lengte t/m 7 M.
Jachten, lengte t/m 5.60 M. 
Tjotters, lengte t/m 4.80 M., breedte t/m 2.50 M.
Tjotters, lengte t/m 4.70 M., breedte t/m 1.70 M., Van deze moet het zeiloppervlak beneden 16 M2. zijn. 
Schouwen lengte t/m 6 M., breedte t/m 1.80 M.; grootste zeiloppervlak 28 M2. 
Schouwen, lengte t/m 5.50 M., breedte t/m 1.55 M.;
Schouwen, lengte t/m 4.75 M., breedte t/m 1.42 M. De klasse is getuigd met sprietzeil, het zeiloppervlak moet beneden 16 M2 zijn.

Zie ook: Zeilnummers, ontstaansgeschiedenis door Gerard ten Cate

Kon. Verb. Ned. Watersportvereenigingen en de Noord-Nederlandsche Watersport Bond.

Zooals de lezer uit het bovenstaande ziet, hebben de Kon. Verb. Ned. Watersportvereenigingen een andere klassenindeeling voor de Ronde- en Platbodemjachten, dan de Noord-Nederlandsche Watersport Bond. Bij de klassen van scherpe jachten is het onderscheid echter nog grooter. Enkele klassen zijn zoowel in Holland als in Friesland erkend, andere weer alleen in Holland of alleen in Friesland erkend. Zie de letters, bij de klassen vermeld.
 
Wij hebben dus de klassen van Ronde- en Platbodemjachten, die zoowel in Nederland als in België nationaal zijn. Die der Scherpe Jachten zijn de volgende: de internationale, de nationale voor geheel Nederland en de nationale voor Holland en de nationale voor Friesland en voorts nog enkele gewestelijke klassen, zooals de Punters van Aalsmeer, de Gondels van de Zaanl. Zeil Vereeniging. Ook de wedstrijdreglementen van de beide Bonden verschillen aanmerkelijk.

Terug naar vorige pagina