Tjet Rixt en haar mannen

Dirk Huizinga

De auteur Dirk Huizinga schrijft op de eerste bladzijde van het boek:
Mijn belangstelling voor de geschiedenis van dit schip is niet geheel toevallig. Aanleiding is een jeugdervaring. Aan het einde van de jaren vijftig, ik meen in 1959, lag de boeier in de winter, ontdaan van mast en tuig, aan de Willemskade in Leeuwarden. Vlak bij de Prins Hendrikbrug. Ik logeerde bij familie in Huizum, in de Eysingastraat, en ging als 15 jarige jongen-met-belangstelling-voor-boeiers meerdere dagen bij dit schip langs. Het schip vond ik indrukwekkend, maar bleef voor mij een vreemde, want ik kende alleen de boeiers die Hendrik Voordewind beschrijft in zijn boekje Voor de wind. Maar ik zag wel dat het een bijzonder schip was en bestudeerde ook nauwkeurig het houtsnijwerk op het roer. Jaren later bemerkte ik tot mijn verrassing, dat die oude, voor mij onbekende boeier aan de Willemskade de (ex)Tjet Rixt was. Ze was later voor mij gemakkelijk te herkennen aan die unieke versiering van de kop van het roer.
Een andere beweegreden om dit boekje samen te stellen, is de opmerkelijke geschiedenis van drie generaties Hepkema. De basis voor het maatschappelijk succes van deze familie is gelegd door Jacob Hepkema (1845 - 1919), geboren in Oudeschoot, direct ten zuiden van Heerenveen en een succesvol uitgever van “Het Nieuwsblad van Friesland” vanuit Heerenveen.

Dirk Huizinga vult in december 2017 de Inleiding aan, na het verkrijgen van nieuwe informatie van Theunis van der Meer uit Terhorne

De boeier die in dit boek centraal staat, werd in 1843 gebouwd door Eeltje Taedzes Holtrop (1768-1848) in IJlst. Althans, dat is lange tijd het verhaal (geweest) over de voorgeschiedenis van de Tjet Rixt. Aangetoond is het allerminst. De scheepsbouwer zelf zegt er bijvoorbeeld niets over in zijn gedetailleerde hellingboeken met overzichten van gebouwde schepen tussen 1837 en 1847. Deze scheepsbouwer is de grootvader van de later vermaard geworden werfbaas Eeltje Holtrop van der Zee, die aanvankelijk bij hem werkte, maar zich in 1856 als zelfstandig scheepsbouwer in Joure vestigt. Het verhaal gaat, dat Lambertus van der Feer, een apotheker uit Sneek, deze grote boeier in IJlst heeft laten bouwen en haar de naam ‘Uitspanning’ gaf. Ook daarvan zijn geen concrete bewijzen. In de werfboeken van Eeltje Holtrop geeft de scheepsbouwer aan in 1838 een boeier te hebben gebouwd (met de afmetingen van de Tjet Rixt) voor ene Toussaint in Nieuwendam. Hij bouwde maar af en toe een boeier. In de werfboeken wordt over 1843 niets gezegd over de bouw van zo’n kostbaar schip. De Sneker apotheker Lambertus van der Feer wordt in de werfboeken van de scheepsbouwer ook nergens genoemd.

Over die apotheker zelf is ook vrijwel niets bekend. Of hij een boeier had en ermee zeilde bleef in feite onbekend. Pas vanaf het midden van de jaren tachtig komt de boeier in beeld, toen Mr. Jan Minnema de With uit Leeuwarden ermee voer onder de naam ‘Friesland’.Dankzij informatie van Theunis van der Meer uit Terhorne, die zich vanuit het schildersbedrijf van zijn familie interesseert voor de lokale geschiedenis, weten we sinds december 2017 dat de Sneker apotheker Lambertus van der Feer in de 19e eeuw inderdaad een boeier had. Lambertus van der Feer heeft vanaf 1873 namelijk gebruik gemaakt van oud-schipper Sjouke Abes Hainje (1828-1928), die zetschipper werd op zijn grote boeier. Deze schipper was in 1872 in Terhorne aan de wal gaan wonen en kocht een jaar later een oude schipperswoning aan de Zandsloot (Sânsleat) in Terhorne. Daar begon hij een klein drinklokaal en noemde dit ‘Het Schippershuis’. Lambertus van der Feer huurde vanaf 1873 Hainje in als schipper op zijn boeier. Dat duurt tot 1881. Dan verhuist Hainje naar Huizum bij Leeuwarden.

Apotheker Lambertus van der Feer uit Sneek

Bij onderzoek in de archieven van Tresoar heb ik onder het ‘notariaat’ nog wat gegevens gevonden. Lambertus van der Feer uit Sneek is geboren in 1802 en trouwt in 1827 met Pierkje Born. Hij was toen 24 jaar en stond geregistreerd als apotheker te Sneek. Reeds in 1852 was hij niet langer werkzaam als apotheker, maar leefden hij en zijn vrouw in Sneek van hun vermogen. Ze rentenierden en zijn daarbij actief op de vastgoedmarkt. Pierkje Born bezat diverse landerijen en gebouwen bij Terhorne, een arm dorp op een eiland. Het was in die tijd alleen per schip bereikbaar. Familie van Pierkje bezat er vastgoed zoals de Kooilanden ten noorden van het plaatsje. Lambertus van der Feer en Pierkje Bron hadden geen kinderen. Toen Pierkje in 1852 kwam te overlijden, was Lambertus de enige erfgenaam. Hij erfde onder meer goederen die Pierkje eerder privé van haar ouders had geërfd, zoals de zathe ‘De Kooi’ bij Terhorne met een waarde van fl. 20.238,- Voor die tijd een aanzienlijk bedrag. Van de gemeenschappelijke bezittingen wordt Lambertus nu enig eigenaar van onder meer landerijen bij Terhorne en een jachthuis. Dat jachthuis…is het schuitenhuis voor zijn boeier ‘De Uitspanning’. 

Lambertus van der Feer is na het overlijden van Pierkje Born niet weer getrouwd. Hij is rentenier, woont in Sneek en heeft een grote boeier in zijn jachthuis bij Terhorne. In 1884 overlijdt hij te Sneek op 82 jarige leeftijd. Twee jaren later verschijnt zijn boeier op het water met als eigenaar Mr. Jan Minnema de With uit Leeuwarden. Deze noemt zijn boeier de ‘Friesland’. Welk jaar Minnema de With de boeier koopt, is onbekend. In de periode dat Van der Feer de boeier had, werd zijn boeier ‘Uitspanning’ niet genoemd in wedstrijdverslagen. Tussen 1886 en 1896 verschijnt de naam ‘Friesland’ echter wel regelmatig op de deelnemerslijsten van hardzeildagen. Uiteindelijk verkoopt Minnema de With het schip aan dhr. H.C.Lefering te Buiksloot, die de boeier de naam “Antonia Jacoba” geeft. 

In 1909 wordt de boeier via jachtmakelaar H. Kersken Sr. uit Amsterdam verkocht aan Jacob Hepkema uit Heerenveen. Van 1909 tot 1953 blijft de boeier met de naam ‘Tjet Rixt’ onder de hoede van drie generaties Hepkema. Dan wordt ze verkocht aan de Vereniging van Vrienden van het Zuiderzeemuseum. De eerste jaren wordt er nog mee gevaren, ook naar Friesland, maar de boeier verkeert eigenlijk in een te slechte staat en moet nodig opgeknapt worden. Daar wordt bij het Zuiderzeemuseum in de jaren zestig een begin mee gemaakt. Vervolgens duurt het bijna een halve eeuw, maar in 2007 is deze klus dan toch geklaard. Als herboren, grondig gerestaureerd en mooier dan nu levende mensen haar ooit eerder hebben gekend, komt ze eerst te liggen in Enkhuizen, in de haven van het museum. Dat blijkt echter niet zo’n geschikte ligplaats voor haar te zijn. Ze heeft veel te lijden van de zon die de lak aantast en stilliggen is evenmin goed voor een schip. Het is het beste de boeier in een schiphuis te leggen, beschermd tegen de zon, en daarnaast regelmatig met haar te varen. Het gebruik van de boeier betekent immers haar behoud. In 2009 verhuist ze daarom naar Grouw, waar bovendien de scheepsdiesel wordt vervangen door een moderne elektrische aandrijving. Het is de bedoeling dat met de boeier vanuit Grouw dagtochtjes worden gemaakt, maar dat werd geen succes. Om die reden verhuist de Tjet Rixt in 2014 naar de klassieke schepenhaven van Terhorne. Naar, het dorp waar ze in de 19e eeuw haar thuisbasis had. Daar is de elektrische aandrijving weer vervangen door een scheepsdiesel die minder problemen geeft en bij zo’n zwaar schip beter voldoet.

De vraag blijft waarom Lambertus van der Feer gezien werd als opdrachtgever van de bouw van het schip in 1843. Volgens de werfboeken was Toussaint immers de opdrachtgever in het jaar 1838. Ik vermoed, dat de boeier na vijf jaren te koop werd aangeboden, en Van der Feer het schip in 1843 bij Holtrop gekocht heeft. Hij voer er veertig jaren mee en in de 20e eeuw wist niemand meer dat hij niet de eerste, maar de tweede eigenaar was.

Waarom dit boek van schrijver Dirk Huizinga?

De tussen 1995 en 2007 gerestaureerde boeier Tjet Rixt is de oudste nog varende Friese boeier. Ze stamt uit 1843 en is vooral bekend geworden in de periode dat ze bezit was van de familie Hepkema uit Heerenveen / Leeuwarden. In dit boek wordt in grote lijnen haar levensloop beschreven, geïllustreerd met vele foto's en gelardeerd met curieuze details, waarbij het accent ligt op de geschiedenis van de mensen die met de boeier hebben gevaren. In 277 pagina's met unieke bijlagen.

Over de auteur

Dirk Huizinga. Een schrijver die zich vooral bezighoudt met de geschiedenis van de scheepsbouw, de scheepvaart en de visserij langs de oostwal van de Zuiderzee (van Harlingen tot de IJssel) van circa 1850 tot 1960.

Uitgegeven in eigen beheer

292 pag., hardcover, geïllustreerd of download het boek kostenloos in PDF-formaat .
Ga daarvoor naar de website van Dirk Huizinga: www.dirkhuizinga.com.

Maritieme schrijvers

Een aantal jaren geleden heeft Elly Meijn het initiatief genomen om een maritieme website op te zetten. Zij schrijft recensies voor de Spiegel der Zeilvaart en vertaalt maritiem getinte boeken. Haar vriend, Ron de Vos, schrijver/journalist, kreeg van verschillende schrijvers te horen dat het maritieme boek is ondergegaan in de storm van het commerciële boek. Hoe zou dit tij kunnen worden gekeerd, was de vraag die zij zich stelden. En zo werd de website Maritieme Schrijvers in het leven geroepen. Velen werden aangeschreven en tot aan nu hebben zich al vele schrijvers aangemeld, onder wie een aantal Belgische schrijvers.

Terug naar vorige pagina