"De" jol bestaat niet

Dirk Huizinga: “De” jol bestaat niet - Dit soort schepen is niet als eenheidsklasse ontworpen. Maar, anders dan bij de Lemsteraken, zijn er geen schepen van andere oorsprong ‘Staverse jol’ gaan heten omdat die benaming voordeel bracht.

Robert van Heyst, eigenaar van de Staverse jol 'Zuiderzee HL38' schrijft ons op 20 mei 2019:
Bij de inschrijving van mijn (Scheepsbouwers) Staverse jol HL38 in het stamboek kreeg ik een dispensatie voor de aanwezige loefbijter. Deze loefbijter was naar oordeel niet type zuiver. Om deze reden is de HL38 ingeschreven in Categorie D(+).De 7,80 meter (later 8,00) Van Rijnsoever Staverse jollen zijn toegelaten in categorie D zonder + aantekening voor de spiegel. Dit bevreemdt mij toch omdat de spiegel daarvan m.i. niet type zuiver is, deze heeft geen zo kenmerkende hartvorm. De kiel van sommige Van Rijnsoever jollen is ook 15 cm dieper is dan de oorspronkelijke versie. Hoe kijken jullie hier tegen aan?

Belangrijk hierbij: Inschrijving van een jacht in het Stamboek voor Ronde en Platbodemjachten is mogelijk als het jacht voldoet aan de Criteria voor Inschrijving van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten.

Wij vragen Dirk Huizinga naar de verschillen tussen de Staverse jollen. Dirk heeft er diverse boeken over geschreven.

Dirk schrijft: Als je de kenmerken van een Staverse jol vastlegt als zijnde ‘type zuiver’, dan ben je daar niet zomaar vanaf. Ook niet als later blijkt dat ‘de’ Staverse jol nooit ‘zuivere’ types heeft gekend. De vissersjollen waren eigenlijk allemaal ietsje verschillend, maar kwamen tegelijkertijd in grote lijnen met elkaar overeen, zodat ze als Staverse jol herkend werden.

Ontwerper J.K. Gipon

Gipon heeft gewezen op twee types, die uit Stavoren en die uit Gaastmeer. De laatsten hebben meer ronding en hebben de bekende hartvormige spiegel. De jollen uit Stavoren hadden een spiegel met wat minder barokke vormgeving. Wat V-vormig met het bovenste deel omhoog gebogen. Gipon ging helemaal voorbij aan de grote verschillen in de kop tussen de Roosjenjol (spits) en de Wildschutjol (bol).
De ST36 is in Broekerhaven gebouwd en heeft een kop die helemaal rond is, terwijl Wildschut nog altijd ietsje V-vorm op de waterlijn heeft. De spiegel is bij latere bouwers ook een object van vrije vormgeving. Pier Piersma maakt jollen met een spiegel met de vorm van een sierlijk wijnglas, terwijl zijn kop rond is als bij een boeier. De jollen van Huisman hebben ook een eigen vormgeving. De vissersjollen van de Hollandse kust hebben vaak boorden die nauwelijks naar binnen buigen en ook vrij eenvoudig vormgegeven spiegels. Bij zoveel verscheidenheid is het dus heel moeilijk om normen te geven voor een ‘type-zuivere’ jol.

Aanpassingen op het origineel

Ik zal er nog eens verder in duiken, ook wat betreft de loefbijter. Bij een aantal jollen van Van Rijnsoever en later de Scheepsbouwers is het ontwerp van Gipon zeiltechnisch verbeterd met een diepere kiel en inderdaad een aangepaste loefbieter. Deze "turbo"jollen zeilen beter dan de gebruikelijke. Bijv. de diepgang van 1.20 van de 7.80 m. meter Van Rijnsoever Staverse jol (later is deze iets vergroot naar 8,00 meter) jol, is een aanpassing van het Giponontwerp.
Dat is gedaan door het ontwerpersteam van de werf Kooijman en De Vries uit Deil, bestaande uit Willem Akkerman, Hans Fleumer, Jan Kooijman en Dick Lefeber, om de zeileigenschappen te verbeteren. Een nadeel daarbij is, dat het natoppervlak (de wrijvingsweerstand) groter wordt, wat remmend werkt bij weinig wind. Vooral, omdat de kenmerkende ‘doorlopende kiel’ behouden moest blijven. De stabiliteit en de aandewindse eigenschappen zijn zo wel verbeterd.

Maar wat is origineel? Bij de vissersjollen kwamen grote verschillen voor in het onderwaterschip. Soms vanaf de werf, soms later aangebracht.

Stavoren, 1928: De ST36 met de mast voorop en een luikendek.(Foto: collectie Bouke Hobma)
Stavoren, 1928: De ST36 met de mast voorop en een luikendek.(Foto: collectie Bouke Hobma)

De Staverse jol ST36 gebouwd door Symen Jordens in Broekerhaven

Dirk Huizinga in zijn boek "Staverse jollen":
Het succes van de vissers uit Stavoren en omstreken bij de visserij met kleine vissersjollen met gebruik van staande netten bleef natuurlijk niet onopgemerkt in andere vissershavens. Hoewel veel Urker vissers afgaven op de vaareigenschappen van de Staverse vissersjol, waren er diverse Urker vissers die zo'n scheepje aanschaften. De Urker werf van Metz bouwde mooie jollen voor Urker vissers en ook aan de Hollandse kust werd het scheepje populair bij de kleine vissers, die zich geen groot schip konden veroorloven. Ook daar werden de jollen gebouwd op eigen werven. Veel van die jollen waren herkenbaar door net iets andere vormgeving dan de jollen uit Stavoren. Bekend zijn de kromme gaffels van Hollandse jollen. Bekende havens waar jollen werden gebruikt, lagen op bijna zicht afstand van Stavoren: Broekerhaven, Enkhuizen, Andijk, Medemblik en Kolhorn.
Er ontstonden uiteraard allerlei contacten tussen vissers die actief waren in hetzelfde viswater. Jollen uit Stavoren en omstreken konden overgenomen worden door vissers van de westwal, maar het omgekeerde gebeurde ook. Jollen die gebouwd waren in Holland, konden gekocht worden door vissers uit Stavoren. Een bekend voorbeeld is de vissersjol ST36 van Cusveller, die in 1903 gebouwd is op de werf van Symen Jordens in Broekerhaven (direct ten zuiden van de haven van Enkhuizen). Andries Rooker viste ermee van 1903 tot 1919 vanuit Broekerhaven onder visserijteken BC3. In 1919 verkocht hij het scheepje aan Johannes Cusveller in Stavoren, die ermee viste op haring en ansjovis onder visserijteken ST36.
Zo dogmatisch als tegenwoordig oude Staverse jollen worden beoordeeld op authenticiteit, zo pragmatisch gingen de gebruikers van de jollen er in hun tijd mee om. Cusveller gebruikte zijn jol ook om groenten (rodekool, bloemkool) te vervoeren van de veiling in Broekerhaven naar Stavoren. Daartoe werd de mast naar voren geplaatst. Voorin de kuip kwam een motor en over de kuip werden luiken gelegd, zodat je volgeladen van achter naar voren kon lopen over de luiken. In Friesland werd de groente uitgevent met behulp van een demontabele hondenkar die op het voordekje paste. Toen na de afsluiting van de Zuiderzee de palingvangst aantrekkelijk werd, bouwde hij een bun met deken in de jol, zodat hij de paling langer vers kon houden. In 1949 werd de jol verkocht. Johannes Cusveller was toen 67 jaar. Het schip werd als jacht gebruikt en kreeg diverse eigenaren.

Voorbeeld van een oude vissersjol
Voorbeeld van een oude vissersjol
Voorbeeld van een oude vissersjol
Voorbeeld van een oude vissersjol
Verschillende gerestaureerde jollen op een rij in 2017
Verschillende gerestaureerde jollen op een rij in 2017
Grote verschillen in spiegels van Staverse jollen
Grote verschillen in spiegels van Staverse jollen

Loefbijters bij Staverse jollen?

Dirk Huizinga schrijft:
Naar aanleiding van een vraag van Robert van Heijst over de originele vorm van de loefbijter bij de Staverse jol heb ik het onderwaterschip van een aantal historische vissersjollen bekeken. Van jollen die gebouwd zijn als vissersjol bij Roosjen, bij Wildschut of aan de Hollandse kust en die natuurlijk nadien overgegaan zijn naar de recreatie. Het interessantst zijn voor dat doel natuurlijk de originele vissersjollen waar nog niet bij restauraties etc. aan verbouwd is. 
De Staverse jol heeft onder water als kenmerk een lange, ondiepe, doorlopende kiel. Veel platbodems hebben een loefbijter die de kop van het schip beter vasthoudt tijdens het zeilen. Een jol zou zo’n scheg aan de voorkant eigenlijk niet nodig moeten hebben, vanwege de kiel.
Het onderwaterschip van een zeilend vaartuig is niet naar willekeur vorm te geven, want het is bepalend voor het lateraalpunt dat net even voor het zeilpunt van het tuig moet liggen. Opvallend bij Staverse jollen is, dat die redelijk in balans zeilen met vol tuig inclusief kluiver. Met alleen een grootzeil en een fok zijn de meeste jollen te loefgierig. De reden is, dat het lateraalpunt door de lange kiel te ver naar voren ligt. De loefgierigheid vermindert, als de kiel aan de voorzijde verkleind wordt, waardoor het zijdelingse zwaartepunt van het onderwaterschip naar achteren schuift. Een dergelijke aanpassing van de kiel past niet bij de criteria die het SSRP hanteert voor de ‘originele Staverse jol’. In de praktijk wordt die wel eens toegepast.
Henk Tingen, die de jachtjollen ontwierp voor Huisman in Ronduite, maakte de kiel aan de voorzijde ondiep en liet die in een vrijwel rechte lijn naar achteren dieper worden, zodat het lateraalpunt verder naar achteren kwam te liggen. Die jollen kregen zeker geen loefbijter, die het zwaartepunt weer naar voren zou brengen. De vissersjol ST 48 van Roosjen is in de periode na de visserij voorzien van een aangepaste kiel, waarbij het voorste deel weggehaald is. De voorsteven ging over in een kielbalk en pas onder de mast ging de kiel 20cm de diepte in. Dat zeilde volgens de eigenaar uitstekend. Later is deze kiel bij restauraties weer in een meer originele staat gebracht.
Bij de voormalige vissersjollen zie je drie mogelijke overgangen van de voorsteven naar de kiel: zonder loefbijter of zonder loefbijter maar wel met een verbreding van de voorsteven onder water of met een gematigde loefbijter. Die laatste vorm zie je zeker bij de jollen van Roosjen.

Jollen op de kant in Laaksum, rond 1930
Jollen op de kant in Laaksum, rond 1930

Een aantal jollen heeft geen echte loefbijter, maar een voorsteven die naar omlaag een steilere lijn volgt dan de gangen van de romp, zodat er een relatief groot kieloppervlak ontstaat onder de voorsteven. Rechts voor de HL16 van Wiggele Visser die viste met de voormalige ST10, een Wildschutjol.

Diverse onderwaterschepen van oude en gerestaureerde jollen

De ST35 als wrak in het polyester zonder loefbijter De HL 53, gebouwd bij Strikwerda op de Stadsfenne te Stavoren. Achter, bij het schroefraam, wordt een deel van de kiel vernieuwd. Een verbreding van de voorsteven, maar geen noemenswaardige loefbijter
De ST48 tijdens de restauratie bij Harold de Lange in Workum. Oorspronkelijke vorm van de kiel is onbekend. Als jachtje bleek deze jol in 1970 een aangepaste kiel te hebben, waarbij de voorkant tot aan de mast was weggehaald. Zeilde wel goed. Bij latere restauratie is er weer een ‘originele’ kiel geplaatst. De ST43, rond 1863 gebouwd bij Roosjen. Waarschijnlijk de originele vorm van kiel met loefbijter zoals Roosjen die maakte.
De ST16 van Roosjen in 1973 Roosjenjol HL62 met een nauwelijks benoembare loefbijter
De DK2 (Dokkum). Een jol met kenmerken van een Roosjenjol, maar herkomst onbekend. Een Roosjenjol, later als jacht ST22, van Jouke van der Laan
De HI5 van Tekstra, waarschijnlijk een Roosjenjol De Bolderik, een jol die onlangs door Wim Tasseron is gerestaureerd

De HL90. Een Wildschutjol uit 1901 zonder loefbijter

HL90.
De HL9, (de latere Vrouwezand) van C. Stants tijdens de restauratie in Aalsmeer ST59 bij Pier Piersma in restauratie. Waarschijnlijk een jol van de Hollandse kust. De eigenaar wilde persé een visserijnummer voeren, waarna door vissers in Stavoren het nummer van een jol werd toegekend, die in het verleden opgestookt was onder de taanketels. Opvallend zijn overigens de smalle gangen bij deze jol.
 
De Boecop uit Broekerhaven zonder loefbijter  

 

Reactie van Robert van Heyst op "De" jol bestaat niet

Goed om te lezen dat er vroeger al verschillen waren in rompvorm en detaillering van de Staverse jollen. Elke werf of schipper had immers toen al zo zijn wensen. Ben het zeker eens met de uitspraak dat "De" jol niet bestaat. Zowel de jollen van Van Rijnsoever als de (Gipon) jollen van De Scheepsbouwers zijn fraaie en herkenbare Staverse jollen! Hoewel ik erg blij ben dat de HL38 is toegelaten in het Stamboek vraag ik mij nu toch het volgende af. Waarom was voor mijn jol een D(+) dispensatie nodig voor de vorm van de loefbijter? Vroeger verschilde deze ook of was hij er zelfs niet. Immers niet alleen loefbijters maar ook rompvormen en spiegels etc. wijken onderling en in vorm af. Voor deze afwijkingen is geen dispensatie nodig.


 

De bouw van een Staverse jol bij Van Rijnsoever en "De Staverse jol" door Jan Kooijman

Een dikke kop, een kort en rond lijf, een hoog vrijboord, breed op het water. Dat is de Staverse jol. Een schoonheid? Nee, als het te doen is om lange slanke lijnen. Ja, als het gaat om een karaktervol schip. Kijkend naar zo'n oude houten schuit, proef je als het ware het zout van de Zuiderzee, zie je in gedachten de vissers van de kustplaatsen bezig met hun netten.
Vanzelfsprekend waren de Staverse jollen van hout, zoals toentertijd alle vissersschepen van de Zuiderzee. Van goed hout en van goede constructie, getuige het feit dat er nog diverse jollen uit die periode over zijn. Met de neergang van de visserij zijn vele jollen in handen van watersporters gekomen. Een deel daarvan is nog geheel in originele staat, een ander deel is voorzien van een houten kajuit. Gebrek aan onderhoud was tenslotte vaak de reden van hun verdwijnen, zodat het getal der overgeblevenen maar klein is.
Later is staal het materiaal geworden dat bij de ronde- en platbodemschepen en dus ook bij de jollen de rol van het hout voor een groot deel ging overnemen. De van Gipon afgebeelde tekeningen zijn eveneens bedoeld voor uitvoering in staal. Echter het hout verdween niet geheel en al. Onderen anderen bouwden en bouwen P. Piersmain Heeg en Joh. van der Meulen in Sneek hun jollen nog steeds in hout, thans voor watersportgebruik, desgewenst met een kajuit.
Bekende werven van stalen Staverse jollen zijn momenteel De Scheepsbouwers te Werkendam, bij wie de fotoserie van de bouw van een 7,00 meter jol is opgenomen en Jachtwerf van Rijnsoever te Deil aan de Linge waar onder meer de afgebeelde 7,80 meter jol regelmatig wordt gebouwd.

J.K. Gipon voegt hier als ontwerper aan toe:

etreffende deze ontwerpen kan nog worden medegedeeld, dat ze geheel juiste Staverse jollen weergeven, waarbij echter de breedte wat groter is genomen, dan bij de vissermansjollen meestal gebruikelijk was. Dit is gedaan, omdat deze ontwerpen bedoeld waren voor jollen met een kajuitopbouw, welke de stabiliteit ongunstig beïnvloedt. Ook is het zeilplan iets groter, dan bij de vissermansjollen; terwijl dit zeilplan in verband met de kajuitopbouw wat hoger komt te staan. Naar ik hoop mag de publiciteit hierover de lezers van De Spiegel der Zeilvaart overtuigen van de goede eigenschappen van deze zeer vernuftige, Oud-Nederlandse scheepjes.

pdf SdZ 1985 nr08 oktober - De bouw van een Gipon Staverse jol bij De Scheepsbouwers

pdf SdZ 1985 nr08 oktober - De Staverse jol door Jan Kooijman

Opgemerkt: Reactie op deze pagina
  • ?
  • (jpg,jpeg,bmp,tiff,zip,pdf,rar)
  • In ons Privacystatement kunt u nalezen hoe de SSRP met de op dit formulier verstrekte, privacygevoelige gegevens omgaat.

Terug naar overzicht