Terug naar de “Zuiderzee”!

Laten we het Markermeer een goede naam geven - door Dr. Evert Lagerweij te Bunnik (11 november 2018)

De Zuiderzee is van cruciale betekenis geweest voor het ontstaan en de ontwikkeling van de Lage Landen, Nederland in het bijzonder. Cruciaal op de gebieden van handel, visserij en waterbeheer, maar ook als bestaansvoorwaarde en inspiratie voor uitingen van kunst en cultuur en als bron voor recreatie. De voltooiing van de Afsluitdijk in mei 1932 maakte een meer van de voormalige zee, met grote gevolgen voor de natuur en de visserij, die feitelijk eindigde, en daarmee de bestaansgrond voor veel daaraan verbonden beroepsgroepen. 
Met de komst van de Afsluitdijk verdween ook de naam ‘Zuiderzee’ van de kaart en werd een belangrijk stuk geschiedenis afgesloten. Het monument van Willem Dudok (“De Vlieter”) herinnert nog aan dat moment. Nu vinden we de aanduiding "zee" of de naam "Zuiderzee" alleen nog op het droge deel van Nederland, in namen als Zuiderzeestraatweg of Zeedijk.

Het jaar 1584
Het jaar 1584

Het is naar mijn mening gewenst de naam ‘Zuiderzee’ op de zeekaart te herstellen. Dit ter ere van de vele Nederlanders die met hart en ziel aan dit deel van Nederland hun krachten, misschien hun leven, hebben gegeven.

Dit kan door het huidige Markermeer te vernoemen. Zo komen ‘Flevoland’ en ‘Zuiderzee’ weer naast elkaar in beeld. Het precedent is er: immers de Gouwzee, oorspronkelijk Goutzee, bleef een "zee" op de kaart, maar zonder open verbinding met Noordzee of een oceaan. Een claim dat destijds nu eenmaal anders is besloten, kan simpel worden weerlegd: de beschikbare documentatie vermeldt geen enkel keuzemoment, laat staan een formeel (overheids)besluit aangaande de naamgeving van "IJsselmeer" of "Markermeer".

Beknopte geschiedenis van de Zuiderzee

In weinig streken in Nederland hebben zich in vroeger tijden meer veranderingen voltrokken dan rond de (voormalige) Zuiderzee. Het gebied ondergaat nog voortdurend wijzigingen, nu vooral door bewust menselijk ingrijpen. Onderstaande vier kaarten zijn van Peter Vos. In de Romeinse tijd lag hier een meer genaamd: Flevo, als verwijding van de rechter arm van de Rijn. Dat werd groter door weer en tij en rond het jaar 700 na Chr. was het een rustige zoetwaterplas met de naam Aelmere. Na ongeveer het jaar 900 groeide door stormvloeden en ontginning van de venen uit tot een indrukwekkende plas, van Muiden tot bij Urk. Er ontstaat een verlaging van het maaiveld door ontwatering en de daarmee samenhangende oxidatie van het veen enerzijds en de stijging van de zeespiegel anderzijds.²

¹
¹

Sudersee

In 1340 duikt voor het eerst de naam Sudersee op, die circa zeshonderd jaar in gebruik zou blijven. "Sudersee" verwees in het bijzonder naar de relatief zuidelijke ligging van het water, op de route die de Ommelandvaarders aflegden. Zij lag zuidelijk ten opzichte van respectievelijk de Oostzee en de noordelijke Noordzee. Ommelandvaarders waren de schippers die in de Middeleeuwen onder primitieve omstandigheden de gevaarlijke tocht om Jutland naar de Oostzee-landen maakten. Ze werden door de Hanze gezien als mededingers in de Oostzeehandel. Deze scheepjes voeren in opdracht van Engelse en Nederlandse kooplieden.
De toenmalige binnenzee kan worden ingedeeld in drie compartimenten: de Waddenzee, het ‘Friese Bekken’ dat een trechtervormige toegang vormde tot een derde compartiment, de Zuiderzee, zuidelijk begrensd door de kusten van Gelderland, Utrecht en Noord-Holland. Doordat het geen gesloten water was, had de Zuiderzee een eigen karakter; de open verbinding met de Noordzee zorgde voor eb en vloed.
Door de betrekkelijk nauwe zeegaten tussen de Waddeneilanden waren de niveauverschillen tussen hoog- en laagwater hoogstens enkele decimeters. Van meer betekenis was de invloed van de wind, door af- en opwaaiing van water. De verzilting bleef echter gering, mede door de instroom van zoet water uit de Utrechtse Vecht, Eem, IJssel en het Zwartewater. De bewoners, die de overstromingsrampen hadden overleefd op het omliggende land, maakten er het beste van en werden actief in de handel. Handelsschepen bevoeren de zee. Havensteden - met name Kampen, Staveren, Elburg en Harderwijk - behoorden afwisselend wel en niet tot de Hanze.

¹
¹

Moedernegotie: belangrijker dan de V.O.C.

De moedernegotie ("moeder aller handel") was de handel met de landen rond de Oostzee die de kooplieden uit Amsterdam dreven vanaf de Late Middeleeuwen. Deze handel was de voornaamste bron van de Amsterdamse welvaart, Zo kon de stad zich ontwikkelen tot het economische centrum van Holland en stapelplaats van Europa. De lucratieve Oostzeehandel legde de basis voor de Gouden Eeuw van de Nederlandse republiek. De handel met de landen rond de Oostzee, vooral Polen, Oost-Pruisen en Lijfland, was zeer succesvol omdat de Hanzesteden zich vooral richtten op luxegoederen, terwijl de handelaars uit Amsterdam dat met name deden op bulkgoederen zoals graan en hout. Het kapitaal dat men met de Oostzeevaart had verdiend werd later deels geïnvesteerd in het ontwikkelen van de scheepvaart naar Oost-Indië.
Anders dan altijd gedacht was deze Moedernegotie (Oostzeevaart, graan, huiden, hout en vet) voor Amsterdam en Holland van meer belang dan alle V.O.C.-vaart bijeen. Enerzijds speelde de geografisch gunstige ligging van Amsterdam - op een kruispunt van oost-west- en noord-zuid routes - een rol, anderzijds de uitstekende Rijn-verbinding met een groot Duits achterland. Nederlandse handelaren verscheepten wijn en zout uit Frankrijk en Portugal naar de landen rond de Oostzee en keerden terug met vooral graan, Zweeds kruit, hout, ijzer en wapens, maar ook vele andere goederen die deels weer naar landen gingen rond de Middellandse Zee. De vaart over de Zuiderzee had hierin een belangrijke rol. Toen al was vervoer over water de juiste weg.

Hoogtepunt Zuiderzeevisserij

Tussen het begin en het midden van de 19e eeuw werd de visserij op de Zuiderzee gaandeweg belangrijker. In Volendam, Marken, Huizen, Bunschoten-Spakenburg, Harderwijk, Urk en Vollenhove viste men vanaf de eerste helft van de 19e eeuw steeds meer. Uiteindelijk bleek de visserij van de Zuiderzee voor Nederland belangrijker dan die van de Noordzee. In de periode 1825-1836 ving men in de Zuiderzee heel veel haring, na 1820 ook steeds meer ansjovis. In 1850 was het aantal grote schepen dat de Zuiderzee bevoer met zo’n 60% gegroeid ten opzichte van 1800. Gedurende de eerste veertig jaar daarna verdubbelde het aantal schepen nog eens. Een deel van de vis kon nu ook naar Duitsland en Frankrijk worden geëxporteerd dankzij de nieuwe logistieke mogelijkheden en het gebruik van koelijs. Rond 1900 was de Zuiderzeevisserij op haar hoogtepunt. Er werd actief gevist met zo'n 3.000 platbodems, meest botters, en wel op haring, ansjovis, paling, bot en garnalen. Op Wieringen en in Friesland werd ook gevist met aken. Belangrijke havenplaatsen waren onder meer Amsterdam, Elburg en Enkhuizen. 

Tussen 1902 en 1912 zakte de vangst echter enorm in. In deze periode werd de "Vereeniging tot Bevordering van de Belangen der Zuiderzee-Visscherij" opgericht, die onder meer lobbyde voor een wettelijk verbod op het vissen met kuilen, een belangrijke oorzaak van oneerlijke concurrentie. Zo wás de Zuiderzee een belangrijke ‘akker’ voor de bevolking rond deze grote waterplas en is de ‘Zuiderzeepaling’ nog steeds een lekkernij.³
Na de stormvloed van 1916, waarbij meer dan vijftig doden vielen en grote delen van Nederland onder water kwamen te staan, werd definitief besloten de Zuiderzee af te sluiten. 

Dit was uiteraard omwille van de veiligheid, maar ook omdat er door de Eerste Wereldoorlog een voedseltekort was ontstaan. De behoefte aan nieuwe landbouwgrond was daardoor verder toegenomen. Twee jaar later ging het parlement akkoord, waarna de Zuiderzeewet werd aangenomen, die een (voorlopig) eind maakte aan de Zuiderzee.

De voltooiing van de Afsluitdijk in mei 1932 maakte een meer van de voormalige zee, met grote gevolgen voor de natuur en de visserij. Het water werd zoeter, wat de nekslag was voor de duizenden vissers die eerder op de Zuiderzee hun boterham verdiende. Haring en ansjovis hielden slechts enkele jaren stand. Vissers vroegen een uitkering aan op grond van de Zuiderzee-steunwet, of ze werden pluimveehouder of boer. Even vergelijkbaar lot trof vishandelaren, zeilmakers en scheepbouwers. Het Markermeer ontstond in het IJsselmeer door de dijk tussen Lelystad en Enkhuizen (1976), die o.a. het waterniveau door de windinvloeden moest beteugelen.

Conclusie

De rijke geschiedenis van de Zuiderzee, de invloed die deze heeft gehad op de geschiedenis van Nederland, alsmede de vele Nederlanders die hun werk en inspiratie uit dit gebied hebben gehaald, rechtvaardigt het herstel van de naam "Zuiderzee" op de Nederlandse zeekaart. De betrokken bestuurders van Nederland zouden de naam "Zuiderzee" terug kunnen brengen op de Nederlandse zeekaart, als eerbetoon aan alle Nederlanders die door de afsluiting van de Zuiderzee hun werk, inkomen, inspiratiebron of zelfs het leven verloren.

¹ Peter Vos, Origin of the Dutch coastal landscape; long-term evolution of the Netherlands during the Holocene, described and visualized inn national, regional and local palaeogeographical map series. Dissertatie Universiteit Utrecht, 2015, p.331
² Bont, Chr. de, 2008. Vergeten land; ontginning, bewoning en waterbeheer in de West-Nederlandse veengebieden (800-1350). Dissertatie Wageningen Universiteit (in 2009 ook gepubliceerd als Alterra Scientific Contributions, 27. Wageningen).
³ Ysbrand N. Ypma, Geschiedenis van de Zuiderzeevisserij. Proefschrift [...] Amsterdam [z.n.] 1962

Dank voor de bijdrage van Dr Chr. de Bont, E. de Jonge † en T.E. Lagerweij aan dit pamflet.

Terug naar overzicht
Opgemerkt: Reactie op deze pagina
  • ?
  • (jpg,jpeg,bmp,tiff,zip,pdf,rar)
  • In ons Privacystatement kunt u nalezen hoe de SSRP met de op dit formulier verstrekte, privacygevoelige gegevens omgaat.