De boeier door de eeuwen heen

Spiegel der Zeilvaart 1991 nummer 7, 8 en 10, verhalen van W. van Zijderveld

Sierlijk en robuust, een blank eiken of witgelakte houten romp met zoetvloeiende, ronde lijnen en met veel zeil, dat is een boeier! Welke rechtgeaarde schepenliefhebber wordt dan ook niet enthousiast als hij bij een stevige bries een zeilende boeier ziet? Het type boeier dat wij nu nog tegenkomen, de Friese boeier, is de laatste telg uit een uitgebreide boeierfamilie. Over deze familie gaat het hier. 

Geput is uit eigen waarneming en vele bronnen, die lang niet allemaal hetzelfde verhaal vertellen. Soms bevat een publikatie zelfs intern tegenstrij­digheden. Getracht is nu een zo korte, waarheidsgetrouw mogelijke historie te krijgen.

De naam

Boeier" is ongetwijfeld afgeleid van het middeleeuwse woord „boeyen" dat „ophoging van het scheepsboord" betekent'. Met andere woorden, boeiers waren schepen waar de holte en/of verschansing hoger was/waren dan in die tijd gebruikelijk. De naam boeier is al oud en bestond reeds in de eerste helft van de 15e eeuw4 en werd gebruikt voor een bepaald type vrachtschip. Dit was lang voordat boeiers speciaal voor het spelevaren werden gebouwd.

Hoofdvormen van de tuigage die op boeiers werd toegepast. Uiteraard is dit een grove indeling. Variaties en mengvormen kwamen veel voor.
Hoofdvormen van de tuigage die op boeiers werd toegepast. Uiteraard is dit een grove indeling. Variaties en mengvormen kwamen veel voor.

Zeegaande Boeiers

Boeiers waren oorspronkelijk grotere, zeegaande kromstevens, die werden gebruikt voor de kustvaart. Ze kwamen zowel in Friesland als in Holland en Zeeland voor en bleven tot aan het einde van de 17e eeuw in gebruik." Alleen op de route Amsterdam-Rouaan bleef de zeewaardige boeier langer varen en wel zeker tot in de laatste jaren van de 18e eeuw. De schepen die voor de kustvaart werden gebruikt, waren in onze begrippen nog tamelijk klein. Dat kwam omdat havensteden vaak diep in het land lagen en de hoeveelheden die werden vervoerd, waren geringer. Uit de naam boeier mag men afleiden dat de zeegaande boeiers ontstaan zijn uit minder zeewaardige schepen of misschien wel uit binnenvaartschepen. Zeegaande boeiers werden gebruikt voor de vrachtvaart maar ook voor oorlogsdoeleinden. Ze waren dan voorzien van enkele kanonnen. In de tweede helft van de 16e eeuw was hun rol als oorlogsschip echter al uitgespeeld. Ze werden toen verdrongen door snellere schepen. Ook hun rompvorm begon toen te wijzigen. In de 16e eeuw hadden de boeiers een platte spiegel, met of zonder achterkasteel. In de 17e eeuw werd de spiegel echter rond en begon meer op de huidige vorm te lijken. Het achterkasteel verdween toen definitief. 

Zeegaande boeier, in 1569 getekend in één van de Dordtse keurboeken. De tekenaar is waarschijnlijk de klerk Cornelis Cornelisz, Kloof.
Zeegaande boeier, in 1569 getekend in één van de Dordtse keurboeken. De tekenaar is waarschijnlijk de klerk Cornelis Cornelisz, Kloof.

Binnenvaart Boeiers

Er waren ook boeierachtige kleine vrachtscheepjes die voor de binnenvaart werden gebruikt. Of deze waren afgeleid van de zeegaande boeiers of dat het een aparte ontwikkeling was, is niet duidelijk. Hoe dan ook, deze vrachtscheepjes werden echter ook op open water gebruikt. Dat was niet zo verwonderlijk, want kust- en binnen­vaart waren nauw met elkaar ver­bonden. Noord Nederland had z'n Wadden en West Nederland had vroeger veel open water, zoals meren en zeearmen, die de binnenvaartschepen veelal moesten oversteken om weer in beschut water terecht te komen. Echte binnenschepen waren daarvoor niet geschikt. Met de kleine boeiertjes werden ook zeereizen gemaakt. De scheiding tussen binnenvaart en zeegaande boeiers was daarom waarschijnlijk niet scherp te trekken. Zeer waarschijnlijk hadden alle binnenvaartboeiers slechts één mast. Dit zal, behalve verschil in lengte en holte, ook een verschil geweest zijn waaraan men binnen- en kustvaartboeiers kon herkennen. Misschien was het wel het belangrijkste herkenningspunt. 

Koopmansboeiers

Bij de binnenvaartboeiers die voor vrachtvervoer werden gebruikt, was het laadvermogen belangrijker dan de snelheid. In de kleine scheepjes, die de boeiers toch waren, moest men woekeren met de ruimte. De echte vrachtboeiers waren daarom nogal hoekig en vol, wat de zeileigenschappen en de snelheid niet ten goede kwam. Het waren relatief trage scheepjes. Kooplui hadden echter wat meer haast. „Tijd is geld" gold toen ook al. Zo snel mogelijk wilden ze met hun koopwaar op de markt of bij hun klanten en leveranciers zijn. Ook rivaliteit, in de trant van „Ik kan harder dan jij," zal zeker een woordje hebben meegesproken. Op het snelle traject Amsterdam-Zaanstreek was het zelfs een sport geworden om sneller te varen dan je collega-koopman 

Romp van een boeierjacht (kopjacht) uit de 17e eeuw. Tekening van Pieter Pouwels.
Romp van een boeierjacht (kopjacht) uit de 17e eeuw. Tekening van Pieter Pouwels.

Jachtboeiers

De koopmansboeier (jachtboeiers dus) en ongetwijfeld ook de vrachtboeiers, zullen wel eens voor het spelevaren, de pleziervaart zijn gebruikt. De jachtboeiers, die speciaal waren gebouwd voor het spelevaren, kwamen pas in de tweede helft van de 17e eeuw in zwang en werden in de 18e eeuw zelfs zeer populair. Zo bestond in het eerste kwart van de 18e eeuw de jachtvloot van Amsterdam al voor 60 á 70 procent uit boeiers. Het waren prettige scheepjes, wat wel blijkt uit het feit dat ze na de 18e eeuw bijna niet zijn gewijzigd. Wat de vorm betreft waren de verschillen tussen koopmans- en plezierboeiers (dus tussen de jachtboeiers onderling) vaak zeer klein of in het geheel niet aanwezig. De plezierboeiers waren alleen wat luxer uitgevoerd en met (meer) houtsnijwerk en kleuren ver-fraaid. De verschillen tussen jachtboeiers en vrachtboeiers uit een zelfde periode waren vaak wat groter, maar soms ook bijna niet aanwezig. Een aardig voorbeeld hiervan is de nu nog varende, 6,20 m lange Lytse Bever. Deze is in 1820 gebouwd als beurtschip en daarna omgebouwd tot jacht. Haar afkomst ziet men er niet meer aan af! Boeiers die voorzien waren van een smal roer met een gebeeldhouwde kop erop, werden ook wel kopjachten genoemd. De kop was vaak een gehelmde mannenkop of een Mercuriuskop.

De rompvorm

Boeiers waren/zijn schepen die tot de kromstevenfamilie behoren. Ze hadden/hebben een geringe diepgang, een grote breedte, een brede, weinig getilde bodem, een naar binnen vallend boeisel, een overal gebogen romp („nergens stilstaand") met bolle stevens, meestal een zwaar berghout, brede zijzwaarden en één mast. Ze hadden in de midscheeps een ruim of een kajuit en achter een kuip. Naast en voor de kajuit bevond zich een dek. Hun mast was vrij hoog en het zeiloppervlak vrij groot. Zoals we gezien hebben weken de zeegaande boeiers op sommige punten af van deze beschrijving. Door bewaard gebleven modellen, tekeningen en beschrijvingen kunnen we ons enigszins een beeld vormen hoe de boeiers er hebben uitgezien. Deze bronnen beslaan een tijdsbestek van enkele eeuwen en zijn te weinig in aantal en te globaal om een volledig beeld te krijgen van de details, enkele uitzonderingen daargelaten. Dit geldt met name voor de vorm en kenmerken per streek, stad of bouwer. De verscheidenheid aan vormen was enorm. Zeegaande boeiers met platte spiegel en met of zonder achterkasteel, boeiers met veel of weinig zeeg, sterk of helemaal niet gepiekte vorm, enz., geven al aan dat men niet van „de" boeiervorm kan spreken.

Afmetingen

De lengte van de boeiers varieerde in de 17e eeuw van zeven tot twaalf meter. In later eeuwen zijn deze grenzen iets verruimd. Boeiers waren en zijn korte, brede schepen. De verhouding tussen de lengte over de stevens (L) en de grootste breedte (B) over de strijkklampen, neemt toe bij groter wordende lengte. Deze verhoudingen zijn gebaseerd op gegevens van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten, aangevuld met gegevens van boeiers die gebouwd zijn door E.H. en A. van der Zee. De holte is circa de halve breedte maar varieerde sterk per vaargebied en doel.

Een detail van een schilderij met een boeier met hoog bezaantuig en gestreken voorzeil.
Een detail van een schilderij met een boeier met hoog bezaantuig en gestreken voorzeil.

Tuigage

De eerste boeiers hadden een sprietzeil, dat ook wel smakzeil werd genoemd. Het zeil kon niet worden afgenomen. Als het niet werd gebruikt, werd het met een lijn opgegeid tegen mast en spriet. Een nadeel van het spriettuig was dat in zwaar weer de spriet, door haar onhandelbaarheid, een gevaarlijk onderdeel was. In het begin van de 17e eeuw kwam naast het sprietzeil het staande gaffeltuig in gebruik. Dit bestond uit een lange gaffel, die tegen de mast steunde en in het midden was opgehangen. Ook hier was het zeil vastgemaakt aan de gaffel en als er niet werd gezeild bleef het daaraan hangen. Dit zeil was gemakkelijker te hanteren dan de zware, onhandelbare spriet. Het gaffeltuig werd vaak gecombineerd met een marszeil. Zo'n marszeil was onder andere ook gebruikelijk bij de Statenjachten en bij de kustboeiers. Op het eind van de 17e, begin 18e eeuw, dus rond 1700, werd de gaffel langer en naast de rechte gaffel ontstond nu de duurdere gebogen gaffel. Het is de enige die nu nog op boeiers wordt gebruikt. De andere twee soorten verdwenen geleidelijk in de 18e eeuw, alhoewel vrachtboeiers ze, door de lagere prijs, nog langer bleven gebruiken.
Incidenteel werd op jachtboeiers ook wel een gaffeltopzeil gevoerd, zoals bijvoorbeeld de beroemde boeier Sperwer (nu in het Zuiderzee Museum) bij wedstrijden wel deed. Stagfok, en veelal een kluiver, zijn altijd aanwezig geweest. Bij de eerste zeegaande boeiers werd ook wel een breefok en/of blinde toegepast.Een botteloef was in de eerste helft van de 19e eeuw zeker nog geen vast uitrustingsstuk, dit in tegenstelling tot een kluiver. De mast stond bij de eerste boeiers voorover, maar werd nadien verticaal of achterover gezet. Tegenwoordig staat de mast altijd iets achterover, zij het niet meer zoveel als vroeger.

Amsterdamse boeier, waarschijnlijk uit de 18e of begin 19e eeuw. Kopie van een tekening die zich bevindt in het Maritiem Museum te Rotterdam.
Amsterdamse boeier, waarschijnlijk uit de 18e of begin 19e eeuw. Kopie van een tekening die zich bevindt in het Maritiem Museum te Rotterdam.

Verschillen per streek

Boeiers werden op veel plaatsen in het noordoosten en het westen van ons land gebouwd. Het water waarop en de omstandigheden waaronder de boeiers moesten varen, verschilden van streek tot streek. De factoren bepaalden voor een groot deel de karakteristieke scheepsvormen. Ook de bouwwijzen waren per streek verschillend. Bovendien had elke scheepsbouwer zo zijn eigen ontwerp. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er geen strakke indeling van de verschillende typen boeiers kon worden gegeven. Er werd daarom een grove indeling gebruikt die aangaf uit welke streek het type afkomstig was. Zo sprak men van o.a. Friese, Zaanse, Noord-Hollandse, Zuid-Hollandse en Zeeuwse boeiers. Soms werd alleen de bouwplaats als type-aanduiding gebruikt. Zo werd het Noord-Hollandse type ook wel gedeeltelijk onderverdeeld in Amsterdamse, Zaanlandse, Alkmaarder en Enkhuizer boeiers.
In Zuid-Holland kende men ook de Dordtse en de Leidse of Rijnlandse boeier en in Friesland o.a. de Sneker en Jouster boeier. Van de Zeeuwse boeier is geen onderverdeling bekend. Soms werd deze in een adem genoemd met de Dordtse boeier.

De typische kop van een Friese boeier. Foto Theo Kampa
De typische kop van een Friese boeier. Foto Theo Kampa

De Friese Boeier blijft over

Tot in de eerste helft van de 19e eeuw werden de verschillende regionale boeiertypen gebouwd. Daarna stierven ze langzaam uit. Alleen de Friese boeier overleefde het en na verloop van tijd werd ze zelfs als standaard beschouwd. Alleen de Friese boeier zou volgens velen een zuiver type de sublimage van alle andere typen en het summum van haalbare sierlijkheid en eigenschappen zijn.In het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw werden ook schepen die op de Friese boeier leken of ervan waren afgeleid, als boeier aangeprezen. Ze deelden zodoende in de vermaardheid die de Friese boeiers toen hadden. Dat ging de puriteinen te ver en in 1915 werd er een commissie benoemd, bestaande uit drie Friese deskundigen, die een aantal regels opstelden waaraan een boeier moest voldoen om boeier te mogen worden genoemd. Zo werd een eeuwenlange ontwikkeling ingevroren. Als men voorgaande boeiers, zoals de Zeeuwse, Dordtse, Zaanlandse, enz. aan deze regels zou toetsen, zouden de meesten hier niet aan voldoen. Het wijde begrip boeier was nu wel erg eng geworden. De tegenwoordige boeiers, rond of gepiekt, zijn nu uitsluitend Friese boeiers.

Boeierschuit, boeieraak, boeierjacht, enz.

Bij de invoering van deze kunstmatige definitie mochten veel schepen dan ook niet meer boeier worden genoemd. Zo ontstonden namen als boeierschuit, boeieraak, boeierjacht, enz. Vaak mooie schepen maar toch geen zuivere Friese boeiers! Momenteel is een soortgelijke discussie over wat wel en wat niet gewijzigd mag worden ook aan de gang bij Lemsteraken. 

Spiegel der Zeilvaart Augustus-September 1991 nummer 7 - De Boeier door de jaren heen

pdf SdZ augustus-september 1991 nr07 - De Boeier door de jaren heen

Spiegel der Zeilvaart October 1991 nummer 8 - Overnaadse Boeiers

De Zeeuwse, de Dordtse, de Leidse (Rijnlandse) en Zaanse boeiers stonden bekend als overnaadse boeiers. Tegenwoordig kennen velen alleen nog maar de Dordtse en de Zaanse overnaadse boeier. De anderen zijn in de vergetelheid geraakt.
Of er in Dordrecht en Leiden en hun omgeving ook boeiers karveel werden gebouwd, is niet bekend. In Zeeland en Zaandam werd dit in ieder geval wel gedaan, zij het, dat in de Zaan-streek de overnaadse bouwwijze in de 18e eeuw nog overheerste. Voor Zeeland is dat niet bekend. Misschien overheerste hier zelfs wel de karveel-bouw. De twee mij bekende modellen zijn in ieder geval karveel gebouwd. Ook de Amsterdamse boeier kon zowel overnaads als karveel zijn, terwijl de Friese boeier alleen als karveel bekend is.
De verschillen zijn wel enigszins te verklaren. Overnaads gebouwde schepen waren sterker en daarom beter bestand tegen de golfkrachten. Op de Zuiderzee, maar vooral rond Dordrecht en op de Zeeuwse stro¬men, konden flinke golven lopen. Ook tegen het omhoog varen op banken in de vaak snelstromende rivieren of hun mondingen was de sterkere overnaadse bouw een voordeel. Bovendien waren overnaads gebouwde schepen zwaarder en hadden dus meer diepgang. Dit was op groot, diep water wel prettig, maar niet op bij voorbeeld de ondiepe Friese wateren. De schepen konden daar beter karveel gebouwd zijn, dus minder diep stekend en minder sterk. Bovendien was dit goedkoper. Schepen die op beschut en ondiep water voeren, werden daarom karveel gebouwd, tenzij natuurlijk in een streek overnaads bouwen een traditie was.

pdf SdZ October 1991 nr08 - Overnaadse Boeiers

Spiegel der Zeilvaart December 1991 nummer 10 - De Dordtse Boeier

De naam zegt het al. Dit type boeier kwam uit Dordrecht (en omstreken). De boeiers werden in Dordrecht waarschijnlijk gebouwd bij een van de vele werfjes die zich in de nabijheid van de Dom bevonden. Tegenwoordig heet de straat waaraan deze werfjes lagen nog steeds de Hellingen. Wie de boeiers in Dordt en omstreken bouwden is echter niet bekend, evenmin wanneer de laatste van stapel liepen. De Dordtse boeiers werden later waarschijnlijk ook elders in de regio gebouwd, bijvoorbeeld in de westhoek van de Alblasserwaard.
Van de Dordtse boeiers, eigenlijk van alle overnaadse boeiers, is weinig bekend. Gelukkig zijn er nog twee authentieke modellen. Een bevindt zich in het Nederlands Scheepvaart Museum te Amsterdam en het andere in het Maritiem Museum te Rotterdam. Waarschijnlijk dateren beide schepen uit dezelfde periode, want het Amsterdamse model is gedateerd 1751 en het Rotterdamse 1747. Op het Amsterdamse model bevindt zich boven de roefdeurtjes het rood-witte wapen van Dordrecht. Het Rotterdamse model staat te boek als Zeeuwse of Dordtse boeier. Dit is tekenend voor het feit dat boeiertypen vaak/in elkaar overgingen en een scherpe scheiding niet viel te maken.

pdf SdZ December 1991 nr10 - De Dordtse Boeier

Terug naar vorige pagina