De Visserij Pluut ZS3 'Almeri'

Het verhaal over een vissersvaartuig waarvan we weten dat het het laatst gebouwde schip is van dit type, door Peter Tolsma

Dit verhaal gaat over de Pluut ZS3, de voormalige HK116 en ex EH19, een vissersvaartuig waarvan we weten dat het het laatst gebouwde schip is van dit type. Ter gelegenheid van de 68e verjaardag van het schip heb ik samen met de eigenaar, die haar tegelijkertijd nu ongeveer 40 jaar in bezit heeft,  de geschiedenis van dit vaartuig uitgezocht en hier op papier gezet. We hebben dit gedaan omdat het een van de weinige overgebleven Pluten is en de bekendheid met het scheepstype en die van het varen er mee, in bredere kring niet erg groot is. 

De Pluut Zwartsluis 3 genaamd “Almeri”, in vol ornaat onder zeil (foto Paul Koopmanschap)
De Pluut Zwartsluis 3 genaamd “Almeri”, in vol ornaat onder zeil (foto Paul Koopmanschap)

Het scheepstype Pluut

De Pluut (of pluit), is een vissersvaartuig dat verwant is aan de Schokker. De pluut is echter kleiner en smaller, heeft wat minder zeeg en vertoont een naar buiten vallend boeisel op het voorschip. Ze mist bovendien de karakteristieke kromme beretanden van de schokkerachtigen. Ze werden gezeild met gaffel(groot)zeil en vissermanfok, eventueel aangevuld met kluiver en aap. De mast was niet van zijstagen voorzien en kon niet worden gestreken middels een contragewicht aan de voet van de mast (zgn. onverstaagde steekmast). Pluten visten vroeger voornamelijk in het zuidoostelijke deel van IJsselmeer.
De kleine pluut mat circa 10 bij 3 meter was wat spits in voor en achterschip, had een voordek tot aan de mast, afgesloten door een stevige waterbalk en bezat een bun. Ze werden voornamelijk gebruikt bij het vissen met het staand want (zgn. drijfnetvisserij). De grote pluut mat ongeveer 12 bij 3,5 meter. Ze had onder het voordek een vooronder en was eveneens voorzien van een bun. Men viste zowel met staand want als met de dwarskuil. (bron: http://www.debinnenvaart.nl/binnenvaarttaal)

Tekening van de Pluut VD23  (bron: “Ronde en Platbodemjachten” Mr Dr. T. Huitema, SSRP 1995; tek. R.Oost)
Tekening van de Pluut VD23 (bron: “Ronde en Platbodemjachten” Mr Dr. T. Huitema, SSRP 1995; tek. R.Oost)

Over het algemeen wordt de Pluut als een van de  minder bekende scheeptypes van de Zuiderzee erkend. Dat komt door een aantal redenen. In de eerste plaats zijn er niet al teveel van gebouwd, omdat het eigenlijk een relatief dure bouwmethode was voor een betrekkelijk klein scheepje. In de tweede plaats is het een scheepstype dat eigenlijk heel speciaal voor de Oostwal en het Zuid-Oostelijk gedeelte van de Zuiderzee is ontwikkeld. Met name voor het ondiepe gedeelte van de Zuiderzee voor Harderwijk en Elburg, hoewel ze ook nog wel te Spakenburg werden gebruikt. Dit ondiepe gedeelte was naast een hele strook ondiep kustwater tot diep in de Zuiderzee ook verbonden met de grote zandplaat; het Knar. Aan de westkust van de Zuiderzee had men botters, kwakken en andere schepen die voor dát water meer geschikt waren. Volgens de overlevering is de naam "pluit" een hypercorrectie van een overijverige ambtenaar op de visserijregisters, die dacht dat "pluut" plat Veluws dialect was; "snuut" was toch ook "snuit", en "kluut" was toch eigenlijk gewoon "kluit"! 

Verschillen tussen de diverse Pluten

Zoals ook bij andere scheepstypen wel het geval is, zijn er  wel verschillen tussen de ene pluut en de andere. Zo lijken (vooral de kleinere) pluten soms wel een beetje op een bons en soms zelfs op een punter. Gerrit  Schutte gebruikt in zijn boek “Verdwenen Schepen”, de wat merkwaardige naam “punter in pluutmodel” als aanduiding voor een open bunscheepje met een spiegel uit Harderwijk. Kennelijk was het begrip “pluut” in sommige visserijhavens ter plaatse vaak meer een functionele aanduiding van een visserschip dan een strikte typenaam. Anderen spreken van een “Harderwieker punter”. Naast de kleinere pluten en die van de gebruikelijke afmetingen was er ook nog één grote pluutachtige; “de peilschuit” speciaal gebouwd door Johan Oost in opdracht van Eibert den Herder, voor het uitdiepen en op peilhouden van de haven en de vaargeul naar de haveningang. 

Foto Haven van Harderwijk vanaf de vaargeul.
Foto Haven van Harderwijk vanaf de vaargeul.

Eibert den Herder 1876–1950

Deze Harderwijker viskoopman den Herder, was een van de mensen die een belangrijke rol heeft gespeeld voor de vissers van Harderwijk. Hij stichtte eerst zelf, en later door de aanmoediging aan anderen, de eenden- en andere pluimveehouderijen op de Veluwe. Deze waren van belang omdat het tot vismeel vermalen “nest” uit de Zuiderzee daar afgezet kon worden. Den Herder maalde en droogde dat vismeel waarmee de eenden en de kippen op een goedkope manier gevoederd konden worden. Op die manier verdienden een groot aantal kleinere boeren op de schrale zandgrond daar toch nog een goede boterham. 
De aanwezigheid van zoveel kippen en eenden op de Veluwe is daardoor niet alleen logisch en verklaarbaar, maar tevens wordt ook duidelijk, de aanwezigheid in Harderwijk van de soepfabriek “California”,  aanvankelijk vooral bekend om zijn kippenbouillon.

Vis beneden de vastgestelde minimummaat

In 1910 werd door de burgemeesters van Harderwijk en Ransdorp een verordening uitgevaardigd die de aanvoer van “nest” verbood. “Nest” was vis beneden de vastgestelde minimummaat. De gemeenteraad en een groot deel van de (niet Harderwijkse) vissers stelden zich teweer tegen het gebruik van nest als voer voor dieren of als mest voor op het land. En ook de gemeenteraad van Urk protesteerde tegen de nesthandel omdat het wegvangen van de jonge en ondermaatse vis gezien werd als het uitmoorden van de Zuiderzee. 
Verzoekschriften werden gestuurd naar de minister van Landbouw om een maat op haring en ansjovis in te stellen en de kuilvisserij van juli tot en met november in bepaalde delen van de zee te verbieden. De gemeenteraad van Lemsterland ging zelfs zover om een verzoekschrift aan de koningin te sturen. En de gemeenteraden van Stavoren, Wieringen en Huizen deden aan dit initiatief ook mee. De actie had geen direct succes, maar leidde er wel toe dat het onderwerp op de agenda van de Zuiderzeevisserijraad kwam te staan. 
Naast een vismeelfabriek, bezat Den Herder eveneens een kalkzandsteenfabriek, en richtte hij een politieke partij op die zich heftig teweer stelde tegen de sluiting van de Zuiderzee. Jarenlang was hij zelf ook actief in de politiek van Harderwijk. In 1974 sprak In Delft de voormalige visserman Foppen bij een lezing op de studentenbottervereniging "Harpya", nog steeds over Eibert als over "dien groooóóte Harderwieker", hoewel hij toen reeds jaren overleden was.

De werven te Harderwijk

Hoewel er ook te Kampen op de werven van Egbert van Goor en die van Berend Schepman, in Elburg bij Douwe Balk en op Nijkerk bij Jaan Nieuwboer wel Pluten zijn gebouwd, is het merendeel van deze schepen met name aan het begin van de twintigste eeuw toch voornamelijk gebouwd, voor zover bekend is, op de werven te Harderwijk. Het was, zoals gezegd, dan ook een scheepstype dat ontwikkeld, en bijzonder geschikt was voor de ondiepe wateren voor de kust van Harderwijk. 
De eerste activiteiten op de latere scheepshelling "Veluvia" te Harderwijk dateren van rondom 1700. Ene Jan Hendrik Benedictus krijgt in 1768 toestemming om een helling te stichten. Over het reilen en zeilen in de tijd erna is weinig bekend, maar aan het eind van deze periode (19e eeuw) zijn er nog steeds twee hellingen over in Harderwijk, de werf van Van Kuikhoven en die van Ten Cate. 

Johan Oost uit Harderwijk

De ons bekendste plutenbouwer mag toch wel Johan Oost uit Harderwijk worden genoemd. Deze Johan Oost werd op 31 mei 1874 te Echtenerbrug geboren als zoon van de scheepstimmerknecht Roelof Tides, die aldaar op de werf van J.J. Bos werkte, en hij kwam in 1879 met zijn ouders naar Urk. 

Vader Oost start op Urk

Zijn vader Roelof Tide Oost was het die samen met Albert Koopmans, ex-meesterknecht op de werf van Buis te Kuinre, de tweede werf op Urk opzette. Zij introduceerden aldaar een wat aan de Noord-Oostwal aangepastere botter die daarna op Urk bekend stond als een “Echtener Botter”. Albert Koopmans was getrouwd met de dochter van de werfeigenaar Jan Roelof Buis te Kuinre, en had zich aldaar het vak van werfbaas eigen gemaakt. Beide mannen hadden met name vakkennis van de houtbouw en oog voor schepen die het roerige water voor Lemmer, de Kuinder en Schokland moesten bevaren. Ze leverden naar het schijnt mooi en degelijk werk af aan hun opdrachtgevers. 
De toen reeds op Urk sinds ongeveer 1840 bestaande werf van de Jelle en later Albert Roos, was de eerste werf te Urk die gebouwd werd nadat de haven in 1818 was uitgegraven. Deze werd in 1856 uitgebreid met de Westelijke havenkom. Toen de werf door de drie zonen van Albert Roos (“De Roossies”) in 1929 werd overgenomen, had deze aanvankelijk twee en later vijf hellingbedden. Johan Oost werkte eerst als leerling op de werf van deze gebroeders Roos en kwam, na zijn diensttijd bij de marine, op de werf van Lourens Metz (de oude werf van zijn vader). Deze Lourens Metz was inmiddels getrouwd met de dochter van Albert Koopmans, de man die samen met vader Roelof Oost deze tweede werf te Urk opzette, de werf welke Lourens Metz dus toen al van hen had overgenomen.

Johan Oost zelfstandig in Harderwijk

Door op zijn beurt ook een huwelijk met de dochter van zijn werfbaas, Neeltje Metz, aan te gaan,  opende zich voor de jonge knecht Johan Oost een wijder perspectief. Toen kort na zijn trouwen in Harderwijk de werf van Van Kuikhoven te koop kwam, werd deze met hulp van zijn schoonvader Lou Metz overgenomen. In 1901 kwam Johan Oost naar Harderwijk om de verwaarloosde helling op te knappen en in te richten. De aanwezige knechten Arie Hamstra en Gijs van Gelder bleven in dienst. In 1902 volgden vrouw en kind; eerst woonden ze in de stad, maar in 1903 werd een nieuw gebouwd huis op de werf betrokken. De Kuikhovens hadden altijd in een afgeschoten gedeelte van de werkloods gewoond.

Drie generaties

Opmerkelijk in dit verhaal is natuurlijk het feit dat drie generaties achter elkaar, voor zover we hebben kunnen nagaan, misschien dus nog wel meer, de meesterknecht trouwt met de dochter van de werfbaas. En dat deze vervolgens hetzij de werf overneemt/voortzet of naar elders vertrekt om daar een nieuwe werf op of voort te zetten. Goed voorbeeld doet goed volgen lijkt het! Gezegd moet dat de ZS3, de Pluut waarover we het in dit verhaal hebben, dat fenomeen later ook nog weer is tegengekomen.

Harderwijkse werfhelling
Harderwijkse werfhelling

De ontwikkeling van de werf van Johan Oost

Met de komst van Johan Oost in 1901 breekt er een tijd van verhoogde werfactiviteiten aan voor Harderwijk. De werf hield zich bezig met de bouw en reparatie van zowel Zuiderzee- als Noordzeebotters, pluten en andere kleine vissersvaartuigen. Het smeedwerk werd aanvankelijk uitbesteed aan twee bedrijven in de stad, maar door vermoede opdrijving van de prijzen richtte de werfbaas in 1911 zelf een smederij op de werf in. Hier kwam Adriaan Roggeveen te werken, die als nevenwerkzaamheid ook paarden besloeg. Toen Roggeveen een eigen bedrijf begon, had inmiddels Oost zijn tweede zoon Lourens een smidsopleiding achter de rug en kon deze het werk overnemen. Oost was ambitieus en toekomstgericht !

Johan Oost neemt de werf ten Cate over

Rond 1905 nam Johan Oost ook het werfje van Ten Cate over, dat een jaar in handen was geweest van Beert den Herder, een broer van Eibert (die grote Harderwieker!). Door dit bedrijfje korte tijd nadien te liquideren en het terrein aan de gemeente over te doen, verkreeg Oost een monopolypositie ter plaatse. Het bij de vissers heersende ongenoegen hierover leidde er in 1911 toe dat visserij-beroepsvereniging "Onze Toekomst" zelf een werfje stichtte, waar door de leden voor een lager tarief konden worden gehellingd.
Het lag voor de hand dat Oost zijn beide zoons op den duur in het bedrijf opgenomen zouden worden. De oudste, Roelof, studeerde scheepsbouw omdat het in de bedoeling lag deze de staalbouw, waarop Oost over wilde gaan, te laten ontwerpen. De droogmaking gooide echter roet in het eten; voor Roelof was geen toekomst op de werf weggelegd en hij kwam uiteindelijk als scheepsbouwkundige bij de marine. Lourens bleef wonen en werken op de werf "Veluvia", zoals deze in 1907 was komen te heten. 
Met de zeven bedden, waarop negen vaartuigen tegelijk gehellingd konden worden, behoorde Oost tot de grootste langs de Zuiderzee. In 1908 verving men het houten spil door een motorlier, aangedreven door een Thomas-motor van De Steeg, die werkte op stadsgas. Hij stond op een draaischijf en kon voor alle bedden worden ingezet. De motor hield het meer dan vijftig jaar uit, maar weigerde dienst toen Harderwijk op aardgas overschakelde.

De werf Veluvia
De werf Veluvia

In 1930 gaf vader Oost de werf in huur aan zijn zoon Lourens, maar hij bleef er zelf nog op werken tot zijn tachtigste jaar; hij overleed in 1955. Door de afsluiting en de gewijzigde omstandigheden kon het bedrijf geen gelijke tred houden met de ontwikkelingen en het raakte achterop. Mede door het feit dat in oktober 1944 de Engelsen de werf bombardeerden, waarbij het woonhuis vernield en het voor een nieuw te bouwen schip klaarliggend hout versplinterd werd, besloot de oude Oost zich terug te trekken.
Bron: Ten dele is dit gedeelte van het verhaal ontleend aan de website van "Veluvia", die het echter op zijn beurt heeft ontleend aan deel IV van "Van Gaand en Staan Want" van Peter Dorleijn, blz70 e.v.

Nieuwbouw schepen

In zijn leven als werfbaas had Johan Oost een groot aantal vaartuigen gebouwd en te water gelaten: 39 houten en 4 ijzeren. De eerste categorie bestond uit 9 kleine botters, 2 grote botters en 6 kleine Noordzeebotters. Onder de laatste bevonden zich schepen voor Urk, Vlissingen en IJmuiden. Verder 7 pluten, 3 kleine pluten, 1 pluut zonder dek, 3 zeilboten, 2 haringvletten, 2 kubboten en 4 roeivisboten. In de geplande staalbouw bracht men het tot een hellingschouw, een baggermolen voor Eibert den Herder (vervanging van de peilschuit)  waarmee de haveningang werd opengehouden, een dekschuit voor de Amsterdamse haven en een visserschip naar ontwerp van zoon Roelof Oost. Dit laatste schip was bedoeld als het prototype van een serie van tien, maar door de gebrekkige outillage, de inflatie en de wisselende staalprijzen kon geen productie ter hand genomen worden. 

De oude werf van ten Cate
De oude werf van ten Cate

Boek "De Stervende Zee"

Jos Lussenburg schrijft in zijn boek "De Stervende Zee", verluchtigd met schitterende schilderstukken van zijn hand, dat hij, gelegen op de werf van Oost, gevraagd werd door een visserman iets voor hem te tekenen. De man wil graag drie krabben op zijn deurtje geschilderd zien en hij zegt daarbij: " Zet er maar onder: De dingen lopen wonderlijk". Dat zou in het jaar 1950 zijn geweest en de visser zou genaamd zijn "Jaap Pikbroek". Deze naam is kennelijk door Lussenburg verzonnen en door hem gebruikt om het verhaal te verfraaien. Pikbroek zou echter beter de naam van een werfmedewerker  dan die van een visserman kunnen zijn, maar die dichterlijke vrijheid heeft de schilder kennelijk wel benut. Geerling Petersen (informant van Peter Dorleijn en Harderwijker visserman) vermeld aan de schrijver van de boeken "Van Gaand en Staand Want", reeds eerder een aantal malen hier genoemd, echter de naam Jan Louw met de HK73. Die botter ging later over in handen van Jan van Triest (EB68); op Elburg droeg deze Jan van Triest de bijnaam "Jan Joera" !
Deze Jantje Louw, zoals Louw op Harderwijk genoemd werd, zou volgens Geerling Petersen de visserman zijn geweest die Lussenburg deze vraag had gesteld.

De laatste Pluut

De laatste Pluut gebouwd door Lourens Oost te Harderwijk was de tegenwoordige ZS3, die als HK116 in 1946 te water ging. 

Prijsopgave van Oost voor de pluut aan P. J. Bruining
Prijsopgave van Oost voor de pluut aan P. J. Bruining

Deze gegevens zijn anders dan die, die Peter Dorleijn in zijn boek "Van Gaand en Staand Want" deel IV, blz. 129 c.q. 133, vermeld. Aldaar schrijft hij de laatst gebouwde pluut HK105 toe aan Heimen Jansen (Heimen van Mijndert van Beth). Dit schip is gebouwd in 1941. Oost zou dat voor Jansen gebouwd hebben, omdat die als gevolg van de oorlog zijn eendenfokkerij stil had gelegd en weer op de visvangst was overgestapt. Inmiddels weten we zeker dat "onze" pluut van later datum is en dus nog gebouwd is na die van Jansen namelijk in 1946. 

Visserman Pieter Jan Bruining opdrachtgever

Ze werd gebouwd voor rekening van de visserman Pieter Jan Bruining, wiens eigen schip, een botter HK116, verloren was gegaan door een Duits bombardement in 1944. Bij dat bombardement was ook betrokken de visser Jan Klaassen ("Jan van Piet van Kees") die met de HK60 samen opvoer met de HK116 en in span viste met Bruining, terwijl ze uiteraard illegaal het uitgevaardigde visverbod overtraden. Die eerdere botter van Bruining staat opgenomen in de “Vloot- en Aanvoergegevens in 1937”, overgenomen van de besommingskaarten van 1937-1938 uit het archief van de Rijksdienst ter uitvoering van de Zuiderzeesteunwet:

116    P.J. Bruining geb. ’89   2 bem leden, KL, SP, NE, BA, SB, 13/3- 13/11    HK/EB

Oftewel: Visserijnummer 116: Pieter Jan Bruining, (bijnaam "Slender") geboren in 1889, is vissend met de HK116, te samen met één bemanningslid (bemanning in totaal 2!), op Kuilaal, Spiering, Nest, Baars, en Snoekbaars, van 13 maart tot 13 november en levert zijn vis af te Harderwijk en/of Elburg

De nieuw te bouwen (laatste) Pluut

De grootte van de nieuw te bouwen Pluut was volgens de prijsopgave gelijk aan die van de HK93 (9,30 m.); de Pluut van “Hendrik van Oord van Kloasje” alleen dan 25 cm breder. Al met al had Bruining weinig geluk met zijn mooie nieuwe scheepje toen het van de helling gekomen was. Het verhaal wil dat Bruining op een van zijn allereerste vistochten met de Pluut, is overleden aan een hartaanval. Hij is door zijn maat binnengebracht in de haven van Harderwijk, en de consternatie daarbij was heel erg groot zoals valt te begrijpen. Door dit voorval herinnerde de werfbaas Oost zich veel later ook goed dat deze Pluut, de bewuste Pluut van Bruining was. Volgens het register is dat mogelijk niet helemaal waar. Bruining viste volgens die gegevens meer dan een jaar met de Pluut voor hij eind oktober 1947 overleed. Het kan dus eigenlijk niet op een van zijn allereerste vistochten zijn gebeurd. Overigens wordt de Pluut daarna pas in maart 1949 verkocht door de familie Bruining.

Het leven van Pieter Jan Bruining

Over Pieter Jan Bruining nog het volgende: Volgens zeggen was hij nogal een serieuze maar wel wat conservatieve visser. Hij was zeer gelovig en een trouw lid van de kerkgemeenschap te Harderwijk. Roelof Oost raadde hem aan, toen hij na de oorlog op de werf kwam om een nieuw schip te bestellen, om een "ijzeren" schip te nemen. Waarschijnlijk had hij Bruining in gedachten als klant voor een door hem ontworpen, en op de werf te bouwen rondbouw. Maar Bruining wilde daar niets van weten, als echte dwars- en spankuiler. Hij wilde een handzame Pluut en dat werd dus de huidige ZS3 toen vissend met het nummer HK116! 
Dit visserijnummer werd eerder door Goossen Foppen (en diens latere weduwe die haar botter van 20 ton verhuurde voor de garnalenvisserij) gebruikt, maar was kennelijk al geruime tijd voor de oorlog van 1940 vrij gekomen, en aan Bruining verstrekt. 

Peter Dorleijn tekent in zijn boekenserie "Van Gaand en Staand Want" in deel IV over Harderwijk, blz. 68, het volgende op over P(i)eter Bruining  in zijn jonge jaren:
De catechisatie op zaterdagavond werd gegeven door een godsdienstonderwijzer Meester van Baarzel genaamd. Die had het bij die vissersjongens niet gemakkelijk. Op een gegeven moment vraagt hij aan Peter Bruining, bijgenaamd "Slender": "Bruining, wat is volgens jou het grootste wonder ??..." "Een tal in het [kop]netjen en niks in de beug meneer" antwoord Peter.
Deze vissersjongen sprak in termen van de drijfnetvisserij, waarbij men van tijd tot tijd het kopnetje binnenhaalde om te zien wat men aan vangst in de beug verwachten kon.Het was onmogelijk dat er in het kopnetje zoveel vissen zaten (een tal is 200 vissen, m.n. haring of ansjovis)  en dat er dan vervolgens in de  achtergelegen beug geen enkele  vis zou zitten. “Slender” kon zich terecht geen groter wonder voorstellen.

Op de foto die hieronder afgedrukt staat zien we P(i)eter Bruining (Slenders), met zijn maat Geerling Goosens (Geerling van Witje) de gevangen paling sorteren. Hij heeft een maatbakje in de hand en in de klaarbak staat een emmertje waarin de ondermaatse paling voor een eigen “stoofzooitje” werd gedaan. Sommigen vulden het ook wel met scherp zand, om de paling vast te kunnen pakken en niet weg te laten glippen, een methode eigenlijk alleen voor amateurs. Geerling was de zoon van Willem Witje die eerst de pluut HK85 voer. Geerling woonde aan de Kuipwal 29 te Harderwijk. Het lijkt er op dat hier nog het oude kleinere maatbakje van 25 cm. werd gebruikt. Dat wil dus zeggen dat de foto vóór 1947 moet zijn genomen toen de grotere maatbakjes verplicht werden.

Pieter Bruining (1) met maat Geerling Goosens (2) aan boord van de HK116
Pieter Bruining (1) met maat Geerling Goosens (2) aan boord van de HK116

We zien hier al de nieuwe Pluut waarmee gevist wordt.  Dat valt te herkennen naar ik denk aan de mooie nieuwe kniestukken en oplangers, en aan het zettelboord, dat geheel verschillend is van dat van een botter. Alles zit mooi in de harpuis en ziet er nog weinig “doorleefd” uit. De foto moet dus ongeveer gemaakt zijn eind `1946 of begin 1947. Aan boord zien we ook een forse boom met daaraan misschien wel de aap. Door een paar oude vissers is opgemerkt dat het hier gezien de zwaarte van de boom om een kuilboom gaat. Dat zou kunnen hoewel er met de pluut eigenlijk nooit gekuild werd. Met de botters wel. Misschien dat Bruining die kuilstok mee heeft genomen vanaf zijn oude schip de botter HK 116 en deze hier heeft gebruikt als broodwinnerstutter, of daar met een kleine kuil aas mee ophaalde. 

Inschrijving in het hypotheekregister van P.Bakker 1949
Inschrijving in het hypotheekregister van P.Bakker 1949

De Pieterman op Enkhuizen koopt de Pluut in 1949

Na het overlijden van deze visserman Bruining, werd de Pluut verkocht aan Pieter Bakker uit Enkhuizen. Dit gebeurt volgens de akte op 23 maart 1949, waarbij hij een lening afsluit bij de “Incasso-Bank N.V te Amsterdam” van fl. 1500,=  om het schip te kunnen aanschaffen (zie verderop). Hij vaart het schip onder het visserijnummer EH19. Vanouds her was dit visserijnummer van de familie Lub die er met een grote Noordzeeschokker van 28 ton genaamd “De Goede Verwachting” mee visten. In 1886 was dat Pieter Lub Pzn. en in 1907 Jacob Lub. De schokker werd met name gebruikt voor de Noordzeevisserij op haring.Pieter Bakker koopt de pluut en leent daarvoor dus geld bij de bank. Bakker moet daarvoor derhalve, als eigenaar/bezitter van de Pluut, als eerste de eigendom van het schip laten registreren in het register van visserijschepen. Het wordt daartoe blijkens een rapport opgemeten op 20 april 1949 en krijgt dan het ijknummer “73v Hoorn 1949” ingebeiteld door J. de Jong, ambtenaar van de Scheepsmetingsdienst te Amsterdam. 

Oorspronkelijk was deze visser “Pieter Fokkeszoon Bakker, IJsselmeervisscher” afkomstig van Urk. Bakker was geboren 22 januari 1911 op Urk en woonde ten tijde van de koop op Spoorstraat 11 te Enkhuizen. Hij was in eerste echt gehuwd met Mevr. Annie van Krieken. Op “Henkúsen” was hij bekend onder de naam “de Pieterman”. Het was een opvallend figuur omdat hij altijd in Urker (vissers-)dracht liep. Van hem is bekend dat hij al op meerdere schepen op Urk, en daarna op Enkhuizen heeft gevaren. Soms voor eigen rekening maar vaak ook voor anderen. Vóór zijn werk op de Pluut stond hij ook al bekend als “kaairidder”. Dat was de bijnaam voor de sjouwerlui, en havenwerkers die bijvoorbeeld bij het lossen van de vis hielpen. Daarbij had je de min of meer vaste werklui die in dienst waren van de afslag, of van een bedrijf aan de haven, en de losse werklieden die op afroep gecharterd konden worden. De eerste groep werd  wel de A-groep genoemd, de tweede de B-groep. De Pieterman behoorde tot de laatste categorie, op die momenten dat hij niet zelf een schip had en daarmee viste.

"De Pieterman aan boord van de Grietje vis sorterend (Foto Yolanda Brandjes)
"De Pieterman aan boord van de Grietje vis sorterend (Foto Yolanda Brandjes)

Een anekdote over "de Pieterman"

Van een buurjongen van Bakker, Marinus Schoen, is de volgende waar gebeurde anekdote uit het verhaaltje “Visserslatijn” dat ik ontleen aan de “Kroniek van Enkhuizen”, een digitaal forum voor de uitwisseling van plaatselijke kennis en nostalgie. Ik heb het verhaal enigszins ingekort tot die dingen die voor dit stuk van belang zijn. Hij verteld er over zijn jeugd, het spelen aan de haven en de armoedige buurt waar ze woonden.
“De familie Bakker (de Pieterman) woonde Spoorstraat 11 te Enkhuizen tussen de familie Rinus Schoen en de fam. Franx. Het was een gezellig buurtje met 7 kleine oude huisjes op een rij met aan het end het huisje van de wed. van der Meulen die daar ook een winkeltje dreef. 
De woningen waren gescheiden door een gang die van de voordeur tot de achterdeur liep. Ondanks die scheiding van de huiskamers waren de huizen best gehorig. Als bijvoorbeeld de buren de kachel op pookten kon je dat heel goed horen. Van de familie Bakker naast ons op elf, werd de man De Pieterman genoemd. Hij was een visserman van Urk. Hij droeg altijd Urker (vissers)kleding en sprak Urker dialect dat voor ons bijna niet te volgen was. Op een keer hoorden wij hem luidkeels in hun kamer roepen: ‘Oeh Thioe, hette oe in de koelebak skieten?’ Zijn zoontje Theo bleek in de kolenkit die naast de kachel stond, te hebben gepoept.
De Pieterman verloor tot tweemaal toe een zoontje door de verdrinkingsdood. Zowel zijn oudste zoontje Theo als zijn jongste (Jacob) verloren hun leven in het water. Beide keren terwijl ze aan het spelen waren aan de haven van Enkhuizen (waar de Pieterman later ook woonde).
Het tweede zoontje dat de familie Bakker kreeg, werd weer Theo genoemd. Samen met hem mocht ik wel eens mee met zijn vader het IJsselmeer op in hun houten vissersboot. Het deinen van die botter (Marinus spreekt hier over de botter van de Pieterman, maar onduidelijk is in welk jaar dit zich afspeelt. Kennelijk is dat na de periode dat Bakker de Pluut EH19 onder zich had.)
 op zee tijdens een heel warme middag maakte mij zeeziek maar we gingen mooi niet terug naar de haven. Eerst moest het want overboord dat de vrouw van de Pieterman, buurvrouw Annie achter hun huis en/of ook wel in de gang had zitten spleten.
De bewuste huizenrij in de Spoorstraat werd in 1955 gesloopt en de bewoners gingen verschillende kanten op en het grootste deel verloor elkaar uit het oog. Op volwassen leeftijd toen ik een keer samen met mijn broer Cees op Urk was, kwamen wij daar "De Pieterman" heel onverwachts tegen. We herkenden elkaar en hij vertelde, nadat wij gevraagd hadden hoe het met hem ging, dat hij in een Afrikaans land mensen daar het visserijvak leerde.
In het kader van een of andere organisatie was hij daar naar toe uitgezonden en verdiende toen zo zijn brood. Het visserijvak dat in onze havens hevig moderniseerde bracht hem ertoe zijn oude vismethode mensen in Afrika bij te brengen. Met eenvoudige middelen en -bootjes daar de zee en rivieren op voor een zo hoog mogelijk quotum. Zijn zoon Theo was naar Nieuw-Zeeland geëmigreerd en had daar een moderne viskotter, vertelde hij trots, die verdiende daar nu zijn brood. Na dit gesprek heb ik onze markante buurman "De Pieterman" nooit meer gezien. En de haven van Enkhuizen is geen echte vissershaven meer”.

De Afrikaanse belevenissen van "De Pieterman"

Van die Afrikaanse belevenissen is zelfs ooit een film gemaakt die op televisie te zien is geweest, en die ook ooit gedraaid werd op een van de reünies van de Vereniging Botterbehoud. Volgens zeggen van andere schippers langs de IJsselmeerkust, was de Pieterman niet erg zorgvuldig met zijn schip. Hij moet volgens zeggen nogal slordig en nonchalant zijn omgesprongen met het schip, dat, al heeft het nu dan niet meer het visserijnummer EH 19, door oude visserlui langs de gehele Westwal tegenwoordig nog steeds herkent wordt als “de skuit van de Pieterman”. Hij was kennelijk ook niet zo erg geliefd, en opgenomen in de lokale visserskringen. Dat was anders op Urk waar hij later weer naar toe verhuisde. Mogelijk kwam dit ook een beetje door afgunst, omdat het ook zo was dat de Pieterman vooral vlak na de oorlog, wel met flinke besommingen in de haven aankwam.

Overigens is er op YouTube ook een filmpje te zien van de Nieuw Zeelandse televisie waarin zijn zoon Theo, die naar dat land geëmigreerd is, in Urker kostuum, netten boetend, vertelt van zijn jeugd op Enkhuizen. 

Theo Bakker, Urker visser in Nieuw-Zeeland

Theo Bakker, Urker visser in Nieuw-Zeeland

 

Hij blijkt daarbij hetzelfde geweldig verhalende vermogen te hebben dat zijn vader ook had. De Pieterman stond bekend om zijn anekdotes en vrijmoedige verhalen. Zo is uit zijn mond het verhaal bewaard gebleven dat hij zich beriep op het feit dat dankzij zijn optreden de Koninklijke familie niet aan de bedelstaf was geraakt. Wat wil namelijk het geval; rond het uitbreken van de oorlog viste hij vanuit Den Helder op de Noordzee. Nadat Nederland ook vanuit de lucht door de Duitse troepen was aangevallen, werden er verschillende schepen die in de haven lagen, gevorderd door Nederlandse Marinemensen om een “vracht” naar de reeds op de rede voor Den Helder buitengaats liggende oorlogsbodem te brengen. De Pieterman was de schipper op een van die schepen uit de haven. De vracht bestond uit waardepapieren en goud naar het schijnt, en de Pieterman was er heilig van overtuigd dat het hier enkel en alleen om het vermogen van onze toenmalige vorstin Wilhelmina ging, dat hij overigens graag voor de Majesteit in veiligheid wilde  brengen.
Hij had toch wel wat met het Koningshuis, en hij was daarin misschien wel een echte Urker. Hoewel; hij vertelde ook eens dat hij bijna elke week post van de Koningin kreeg. Die blauwe enveloppen met in de aanhef “In naam der Koningin”, verzamelde hij gretig, maar deed er verder niet zo veel mee. Na verloop van tijd werd er dan ook, nota bene door een deurwaarder, een hele stapel ongeopende aanslagen op zijn tafel gevonden. Maar kennelijk is daar ook weer een oplossing voor gevonden.

E. Mastebroek, Zwartsluis koopt de Pluut in 1951

De volgende eigenaar/visserman die met de Pluut zijn boterham probeerde te verdienen was E. Mastebroek uit Zwartsluis. Hij was de zoon van een visserman/caféhouder uit  Zwartsluis die een schippersdochter uit Harlingen, genaamd Reintje Dijkstra trouwde. Evert Mastebroek was geboren in 1986 in Zwartsluis en overleed op 59 jarige leeftijd te Utrecht in 1955. Op zijn overlijdensakte staat als beroep vermeld : Caféhouder. Kennelijk had hij het café dat oorspronkelijk door zijn vader werd gedreven, overgenomen na zijn actieve leven als visserman. We zullen straks zien dat hij zelf dat beroep slechts twee jaar heeft uitgeoefend. Omdat zijn vader reeds een aantal jaren daarvoor is overleden en Evert het café erfde of in elk geval daarna overnam, schijnt het zo te zijn geweest dat vanaf toen zijn vrouw de kroeg deed en hij althans in het begin na de dood van zijn vader nog gewoon bleef vissen.

Visserijnummer ZS3

Hij viste onder visserijnummer ZS3 en zet deze nummering ook op de pluut. Evert Mastebroek kocht de pluut volgens het register op 24 mei 1951, zodat we mogen concluderen dat de Pieterman het schip slechts 26 maanden in eigendom had. De koopsom is 2700 guldens hetgeen beduidend hoger is dan de 1500 gulden die de Pieterman daarvoor moest lenen. Wellicht dat deze Enkhuizer visserman dus een deel eigen geld in  het schip stak en alleen de rest moest lenen. De verkoop aan Mastebroek geschiedt bij notariële akte verleden voor Notaris A.C. de Vries Jr. te Zwartsluis en behelst de overdracht van het schip:

(een houten zeilschip, zijnde een Pluit, ..... bestemd als vissersvaartuig voor de IJsselmeervisserij, ..... met al hetgeen aan het schip verbonden is en daarvan deel uitmaakt, en alle scheepstoebehoren daarop aanwezig voor een bedrag van fl. 2700,= k.k.) 

Vissen in de Ketel en het Zwarte Water

Deze visser uit Zwartsluis laat, zoals blijkt uit de gedateerde doorhalingen in het register, een zwaardere motor in de Pluut plaatsen. De T-Ford van 20 pk wordt vervangen op 11 juni door een A-Ford van 40 pk (zie hierna). Mastebroek zorgde naar het schijnt geweldig goed voor het schip en was er zeer precies op. In die tijd bleef het schip helemaal blank gelakt en elk plekje dat ook maar een beetje zwart vertoonde, werd geschraapt en bijgewerkt. Hij viste vooral in de Ketel en het  Zwarte Water. Naar het schijnt had de beste man, die de bijnaam “Koekenbier” droeg,  een geweldig droge keel en trachtte hij dit euvel te verhelpen door deze flink en regelmatig te smeren. Zijn bijnaam was dan ook afgeleid van zijn beide favoriete voedingsmiddelen. Ruig weer schuwde hij niet en als anderen thuis bleven voer hij nog uit. Maar het was een goede zeeman die ook bij slecht weer zijn schip goed in de hand had. Als het hem al te ruig werd ontkurkte hij, naar het scheen, gewoon een nieuwe fles. Zijn maatje, toentertijd ongeveer 12 jaar oud en thans de voormalig havenmeester (A. Spielhaagen) van de jachthaven te Kampen, denkt daar nog wel vaak aan terug. Hij had het als jongetje vaak echt te kwaad aan boord en was steeds weer blij als de schuit, voor zijn gevoel eindelijk, Zwartsluis, Kampen of een andere haven binnenvoer.

De nadagen in de visserij

Dan wordt het schip op 14 mei 1954 weer verkocht, en weer met een notariële akte van Mr. Atze Cornelis de Vries Jr. te Zwartsluis. De reden voor de verkoop is niet bekend, maar de geringere opbrengsten van de visserij op het IJsselmeer in die jaren zullen daar ongetwijfeld mee te maken hebben gehad. Voor vele vissers die op de oude manier bleven doorgaan, was het, na een kleine opleving vlak na de oorlog, een armoedig bestaan geworden. Mogelijk dat daar ook de niet-optimale zorg voor het schip van sommigen uit voort kwam. Deze verkoop heeft in 1954 hebben plaatsgevonden omdat zulks ook in dat jaar in het scheepshypotheek-register vastgelegd wordt. Uit de akte van de notaris te Zwartsluis blijkt echter dat de gebroeders Dries, die het schip dan kopen, reeds op 4 juni 1953: “in het bezit en genot” zijn gekomen van de pluut. Kennelijk heeft Mastebroek dan zelf het café van zijn vader al helemaal als uitbater overgenomen en is hij gestopt met vissen, zodat hij het schip kan verkopen. 

Het gaat hier om : “Het houten visserschip zijnde een pluit, geen naam hebbende, doch gemerkt 'ZS3' (ex 'EH19'), waaraan de kopers de naam hebben gegeven van 'Pluut', .... etc. voor een bedrag van fl. 3.000,=, k.k.)

Het register of beter gezegd: het “Register der Zeevissers- en Kustvisserijschepen”, geeft een mooi overzicht van de achtereenvolgende eigenaren van de Pluut.

Studentenkast

Het nummer 73 V Hoorn 1949 is het nummer dat daarbij opgenomen is als ijk- en registernummer. Het schip staat als volgt te boek: “Ongenoemd, gemerkt EH 19; zijnde een  houten zeil (zeil later doorgehaald p.t) -schip, zijnde een Pluit met motor, hebbende een plecht, met beun, voortbewogen worden door een 4 cylinder Ford T benzinemotor van 20 pk (Ford T benzinemotor later (11 juni 1951) doorgehaald en vervangen door : Ford A-benzinemotor van 40 PK).

Metende 30,81 m3 ,bruto inhoud of 9,55 ton; staande ten name van Dries, Lambertus Marie, vliegtuigtechnicus te Rijswijk, en Dries, Hendricus Maria tandarts te Breda, krachtens acte overgeschreven 14 mei 1954, in deel 3 no 63.
Boven het visserijnummer staat bijgeschreven: ZS3 2/84, 2/85 . Deze cijfers verwijzen naar de betreffende verkoopakten die eveneens in het register zijn opgeslagen.
Al met al, lijkt het zo te zijn dat Mastebroek het schip tot halverwege 1953 heeft bezeten en in de visserij heeft gebruikt, en dat het daarna aan de gebroeders Dries is overgedragen en dat het, het jaar erna ook formeel aan hen bij notariële akte is verkocht.
Het is opmerkelijk dat het eerste deel van het gebrande merkteken (73 V) niet meer in het ijzer van het stuurboogje is terug te vinden en "Hoorn 1949" wel. 

Zou dit misschien, per ongeluk of expres, door een van de latere eigenaren weggeslepen kunnen zijn ???? En waarom ?? Wellicht dat men de herinnering aan een eerdere schuld of hypotheek niet wilde behouden.  Het lijkt een raadsel waarom men dit nummer niet langer zichtbaar wilde hebben. Overigens onderging het schip bij de aankoop door de broers Dries,  ook een naamsverandering; de ZS3 werd dus 'Pluut', zoals we zagen in de aantekeningen.

Van Utrecht naar Valkenburg?

De broers Dries, Henk en Bert, waren volgens zeggen respectievelijk studenten vliegtuigbouw (vliegtuig-technicus, Rijswijk, zegt het register) en tandheelkunde (vlgs. het register: tandarts te Breda). Het schip zou derhalve een tijd in Utrecht in de Oude Gracht hebben gelegen en gediend hebben als onderkomen voor Henk tijdens zijn studie, zo wil het verhaal. Daarna verhuisde ze naar de naaste omgeving van het vliegkamp Valkenburg waar Henk toen zijn dienstplicht vervulde en waar Bert, die in Rijswijk zetelde, er ook gebruik van kon maken door er bij in te trekken. Inmiddels was er ook een soort van kajuit op het schip aangebracht teneinde de leefruimte voor beide heren wat te vergroten. Omdat deze verhalen allemaal voortkomen uit mondelinge overlevering van derden, kan de werkelijkheid ook wel anders zijn. Als in 1954 immers Henk al tandarts te Breda was, zal hij niet meer op het schip in Valkenburg hebben geleefd, maar mogelijk heeft hij daarna nog wel zijn dienstplicht op luchthaven Valkenburg moeten vervullen. Maar of het schip daarvoor ooit in de Oude Gracht in Utrecht heeft gelegen is onduidelijk.

Nieuwe eigenaar Willem van Gilst - terug naar de vissermansuitvoering

Na deze periode werd de pluut in 1963 verkocht aan Willem van Gilst, student psychologie te Utrecht, waardoor het schip mogelijk weer naar de Domstad terugkeerde. Van Gilst heeft er weer steeds ook mee gezeild, aanvankelijk met de opbouw nog op het schip. Blijkens foto's uit die periode is te zien dat de pluut toen al niet meer in zo'n hele beste staat was. Piet Dekker scheepsbouwer en -restaurateur uit Kortenhoef en bekend botterzeiler, komt de eer toe samen met van Gilst de opbouw uit de Utrechtse/Valkenburgse periode, er kort daarna af te hebben gesloopt. Er werd tevens een nieuwe plecht aangebracht, de deken vervangen door losse denningen, en de bun werd droog gemaakt. De trog van de bun werd vervangen door een eiken kist van ongeveer die afmetingen, en er werd een 40PK Peugeot dieselmotor in geplaatst. Daarna werd het schip geballast tot op de oorspronkelijke waterlijn zodat in elk geval van buitenaf de droogmaking niet al te direct opgemerkt zou worden. 
Dr. Willem van Gilst en zijn vrouw Regien hebben met de Pluut, in deze vissermansuitvoering veel gezworven door de wateren van Nederland en er veel plezier aan beleefd. Doordat ze in Wapenveld aan de IJssel woonden kwam de pluut daarmee ook weer terug op de wateren waar ze oorspronkelijk zo veel gevaren had. Het Zwarte Water, de Ketel, de IJssel en natuurlijk dat prachtige Ganzendiep waren hun favoriete vaarwateren. 

Piet Dekker op de plecht bezig, met de jonge Peter Schouten toekijkend
Piet Dekker op de plecht bezig, met de jonge Peter Schouten toekijkend

Door een plotseling opgekomen ziekte (acute leukemie) is Willem niet meer in staat het schip naar behoren te onderhouden en bijvoorbeeld het regelmatig te hozen. Het gaat achteruit en hij én Regien besluiten het schip dan, in 1973, te verkopen. Ze hebben dus een tiental jaren het schip in hun bezit gehad en er heel goed voor gezorgd.

Willem van Gilst besluit in 1973 de Pluut te verkopen

Reeds vanaf het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw, was de toenmalige student, Jacques Huijsser te vinden aan boord van de botters bij Bunschoter vissers. Ook Bobs Botterverhuur te Spakenburg  was hem niet onbekend. Het onbezorgde varen met zo’n voormalig visserschip heeft hem al gauw helemaal in zijn ban. In 1964 besluit hij dan samen met een stel vrienden de laatst vissende kwak de VD230 van gebroeders Jan en Kees Schilder, visserlieden te Volendam te kopen. Deze vriendengroep noemt zich de “Botterikken” en herdoopt het schip met de naam 'De Bul'. Het was naar het schijnt de laatst zeilende botter waar nog mee gevist werd. 

Foto en berichtje over de Bul Waterkampioen 1130 23 juli 1963
Foto en berichtje over de Bul Waterkampioen 1130 23 juli 1963

Ze was bij de overname al 70 jaar oud. "De Bul" was de bijnaam van Jan Schilder, geboren in 1914 te Volendam. Zoals bekend kennen Volendammers elkaar aan hun bijnamen en die van hun ouders. Deze Jan Schilder was de zoon van Jan Schilder Sr. ("Jan van Frerik" en "Gaartje Kil") en getrouwd met Aagje Tol (dochter van "Kleine Sijmen" en "Jannig van Jawek"). Het gezin had 8 kinderen. Jan Schilder is helaas in 1984 reeds overleden.

De vrienden beleven grote avonturen met de kwak, waarvan een van de meest spraakmakende die is van de tocht naar Chattam in Engeland. Erik Hoffmann, de latere eigenaar en charterschipper van de kwak VD5 "Titaen", en daarna van de kotter "Grietje van Boukjen", ex UK27, was een van die botterikken. Hij heeft een verslag van zijn belevenissen geschreven dat later nog eens in het blad van de Vereniging BotterBehoud "Tagrijn" is gepubliceerd. Overigens was dat volgens Erik wel een wat aangepaste visie op de gebeurtenissen en werd met name de episode in Engeland, samen met nog een stel "nette" Nederlanders die die tocht hadden ondernomen, gelegen voor het huis van Mr. Briggs aan zijn Thames barge, daarin niet teveel benadrukt. Dat zij echter meer en een authentiekere indruk maakten dan die "jachtluitjes" was duidelijk. Zelfs het gekleed te water springen in het zwembad van de gastheer door die jachtmensen deed daar niets aan af. Klompen, schipperstrui  en een karrepoes* waren veel indrukwekkender. Deze Mr. Briggs was de captain van de plaatselijke yachtclub en leefde op de oever van een zijtak van de rivier de Thames in een geweldig mooi huis, met voor de deur zijn gerestaureerde Thamesbarge.

*) karpoes: bontmuts voor mannen, vroeger echt bont (lamsvacht van een pasgeboren lam), nu gemaakt van zwart wollen stof. De naam karpoes of karrepoes is gebleven, misschien ontleend aan de plaats Karpoes, gelegen in Koerdistan, waar mannen soortgelijke mutsen droegen. 

De heenreis werd via het lichtschip Noord Hinder en Kentisch Knock bij een straffe Noord Noordoostenwind uitstekend overleefd. In Chatham werd gevierd dat onze landgenoot Michiel Adriaanzoon de Ruyter daar eerder was geweest en vervolgens werden op het strand de bunkaren opnieuw vastgezet, de mast opnieuw gezekerd, werd er gebreeuwd en het schip ook verder weer klaar gemaakt voor de terugreis. Deze werd zo werkende derhalve toch maar uitgesteld tot het weer zodanig was, dat met een lopend windje in de rug Maassluis aangevaren kon worden. Dat dat 10 dagen uitrusten in Engeland betekende was geen bezwaar. De tocht was geslaagd en de botterikken oogsten hun roem daarmee. Overigens maakte Jacques deze tocht maar voor een deel mee omdat hij toen al druk was in de handelsfirma en zich niet voor langere tijd kon vrijmaken.

Ook het feit dat er steeds nogal wat blaas- en andere muziekinstrumenten mee aan boord werden genomen, waaronder tuba's en een trompet, maar ook eens een piano, die toen ie te vals werd overboord ging om plaats te maken voor meer andere instrumenten die minder vochtgevoelig waren, was spraakmakend. In 1970 werd de kwak die toen echt aan heel groot onderhoud toe was, verkocht. Ze zonk later roemloos op het Brielse meer, terwijl ze eigenlijk een beter lot verdiend had. (bron: o.a. gesprekken met Erik Hofman en Jacques Huijsser)

Jacques Huijsser nazaat uit een oud wijnkopers-/distillateursgeslacht

Jacques Huijsser is een nazaat uit een reeds erg oud wijnkopers-/distillateursgeslacht, waarvan al in 1720 de eerste hier bekende voorvader, zich hier in Amsterdam vestigde. Sinds die tijd heeft het familiebedrijf een grote ontwikkeling doorgemaakt. Met alle up's en down's is het thans een bloeiende onderneming die zich voornamelijk bezighoudt met de import en grootverkoop van arak en rum. Beide producten zijn destillaten die uit de suikerrietplant worden gewonnen. De rum komt uiteraard uit het Caraïbische werelddeel; Trinidad, Jamaica en ook Guyana. Dat terwijl de arak uit met name Indonesië wordt geïmporteerd. Inmiddels is de naam een aantal malen gewijzigd als gevolg van fusies, overnames etc. en heet het bedrijf "E & A Scheer B.V.", en geldt het als de grootste rum  en arak importeur in West Europa.  Jacques Huijsser is hier in Nederland als eerste Honorair Consul van de Jamaicaanse Republiek benoemd in 1973. 
Aanvankelijk leverde het bedrijf voornamelijk zijn producten aan de gedistilleerd industrie. Het verhaal gaat echter dat de grootvader van Jacques al ver vóór de Tweede Wereldoorlog, tijdens een zakenreis in een hotel de directeur van chocoladefabriek van Dungen uit Nijmegen ontmoette. De twee raakten aan de praat en bedachten aldaar: "Waarom combineren we onze producten niet ?" En zo ontstond de vermaarde rumboon die tot op de dag van vandaag door van Dungen in grote hoeveelheden geproduceerd wordt, en E&A Scheers B.V. levert nog steeds de rum. 
Jacques heeft aan dit handelsbedrijf in rum en arak, E&A Scheer B.V. een aantal jaren direct leiding gegeven en is thans nog steeds een van de leden van de Raad van Commissarissen. Een door hem geschreven boek over de geschiedenis van deze oude handelsfirma, heeft in 2012 het licht gezien en geeft een goede indruk van de ontwikkelingen door de eeuwen en het verdere voortbestaan van deze onderneming. De hier gebruikte gegevens over het bedrijf werden daaraan ontleend. 

De Pluut ZS3

In 1973 leest Jacques in de  ANWB Waterkampioen dat er een Pluut wordt aangeboden ter verkoop in de haven van Zwartsluis. Hij rijdt als de wiede weerga naar Zwartsluis om daar alleen nog de mast met het wakertje en de hemelboender van deze pluut boven water te zien staan. Na enig aarzelen besluit hij tot een “frisse duik” en niet veel later is de koop gesloten. Door de ziekte van de vorige eigenaar Willem van Gilst was er een tijd niet gehoosd, met dit dramatische gevolg. 

Advertentie ANWB Waterkampioen juni 1973
Advertentie ANWB Waterkampioen juni 1973

Nadat het schip met behulp van een pomp en een hoop handkracht gelicht was, kon er eigenlijk meteen met het schip gevaren worden. Toch was er wel enig schoonmaakwerk en achterstallig onderhoud. Het vuil dat het schip heeft opgelopen gedurende zijn “onderduiktijd” is gelukkig niet al te veel, en valt er, zonder beschadiging van het schip, wel af te halen.  Maar voor het overige is er nog wel wat te doen. Vooral aan de voorkant in de steven en in het krophout heeft de weersinvloed goed huisgehouden en is restauratie dan noodzakelijk. Er is nog wel meer om op te knappen maar in eerste instantie lijken dat de meest noodzakelijke voorzieningen om weer goed met de pluut te kunnen zeilen. Dat betekent dat Jacques op zoek moet naar vakmensen die die klus kunnen klaren en daarvoor een prijs vragen die aanvaardbaar is. Jacques bewaart nog steeds het boodschappenlijstje voor de aanschaf van de spullen die nodig waren om het schip te kunnen overvaren.

Nog datzelfde najaar zeilt Huijsser naar Ditzum om op de werf bij Hennie Bültjer aldaar zijn voorsteven te vervangen. De wintermaanden lift en treint hij dan vanuit Amsterdam in de weekeinden naar dat Ostfriese Duitse havendorpje om daar de knecht van Bültjer te helpen bij het vernieuwen van de steven. En zo ging het eigenlijk de eerste jaren steeds elke winter. Nieuw krophout, nieuwe zwaarden, nieuwe giek, nieuwe achtersteven, en een nieuw roer, nieuw gangen (alle gangen werden zo successievelijk vervangen),  en in 1987 als laatste een gedeeltelijke nieuwe plecht, een nieuwe zeilbalk en een nieuwe knie. Beide waren verrot als gevolg van de lekkage van de plecht ter plekke. Eindelijk kon er nu met het schip weer volop gevaren en gezeild worden.

Jacques op sleep onderweg met kapotte motor op het Reitdiep te Groningen
Jacques op sleep onderweg met kapotte motor op het Reitdiep te Groningen

Restauraties bij Hennie Bültjer in Ditzum

Nog datzelfde najaar zeilt Huijsser naar Ditzum om op de werf bij Hennie Bültjer aldaar zijn voorsteven te vervangen. De wintermaanden lift en treint hij dan vanuit Amsterdam in de weekeinden naar dat Ostfriese Duitse havendorpje om daar de knecht van Bültjer te helpen bij het vernieuwen van de steven. En zo ging het eigenlijk de eerste jaren steeds elke winter. Nieuw krophout, nieuwe zwaarden, nieuwe giek, nieuwe achtersteven, en een nieuw roer, nieuw gangen (alle gangen werden zo successievelijk vervangen),  en in 1987 als laatste een gedeeltelijke nieuwe plecht, een nieuwe zeilbalk en een nieuwe knie. Beide waren verrot als gevolg van de lekkage van de plecht ter plekke. Eindelijk kon er nu met het schip weer volop gevaren en gezeild worden.

Maar ook met die restauraties was echter de hele klus nog niet geklaard. Langzaam maar zeker werden er in de jaren daarna steeds weer de nodige vervangingen en restauraties uitgevoerd. In de latere jaren werden de restauraties uitgevoerd op de werf “t Kromhout”, door Erik Slagmolen en op de werf “De Hoop” bij Roelof Jansz. van der Werf. Na het vertrek van Roelof voor zijn voettocht naar Zweden, is Jacques met Roelofs schoonzoon Frederik Heerlien gaan praten en vanaf dat moment werden daar op de huidige werf van Adema & Heerlien de werkzaamheden van onderhoud uitgevoerd, meestal op eigen kracht en soms met hulp van de deskundigen. En zo lag de pluut dan zo nu en dan weer op een werf die traditiegetrouw gerund wordt door een werfbaas die de dochter van zijn vroegere werkgever/werfbaas heeft ingepalmd. Dit voorjaar is er op de werf van Combert Burger te Workum een nieuwe achtersteven geplaatst, en is het bijbehorende ijzerwerk onder handen genomen. Al met al ziet het schip er weer geweldig uit!

De naam 'Almeri'

De naam die Jacques aan het schip gaf nadat hij het verworven had was 'Almeri'. Dat om de verbondenheid met haar oorspronkelijke vaargebied aan te geven en ook ter nagedachtenis aan de gelijknamige boeier die in 1973 gesloopt is. Vermeld kan nog worden dat Jacques als curiositeit een tweetal koperen nagels van die boeier heeft gekregen van het Nederlands Scheepvaart Museum te Amsterdam, om als aandenken in de pluut te bevestigen. En dat is ook gebeurt. Daarmee is er een verbondenheid tussen de Knar, Matlener en Huijsser tot stand gebracht die lang kan duren.

Zeileigenschappen van de Pluut 'ZS3 Almeri'

Als we de zeileigenschappen van de Pluut willen beschrijven moet gezegd dat in verhouding tot een botter dit scheepstype bij flinke zeegang minder hoog aan de wind loopt. Ze gaat dan als het waren bijliggen en je moet echt lager sturen om, zo lang dat kan, nog snelheid en vooruitgang te maken. Maar tegen de tijd dat een botter moet gaan bijliggen, doet de Pluut  het beter dan dat type schip. Dat zou kunnen komen van het feit dat ze wat scherper in de kop is, maar ook in de kont nog slanker blijft dan een botter. Achterop lopende zeeën neemt ze volgens de eigenaar toch nog beter dan de meeste botters. Ze blijft zeer handelbaar en in vergelijking tot botters vooral ook op ondiep water. Op de Wadden zijn de zeegaten geen enkel probleem en zijn de slenken, geulen en prielen, waar je met een botter nooit komt, met een Pluut wel te bevaren. Daardoor heeft de Pluut veel vóór op een botter voor wat betreft dat vaargebied. 

De ZS3 aan de wind met kluiver op (foto Paul Koopmanschap)
De ZS3 aan de wind met kluiver op (foto Paul Koopmanschap)

Huidige thuisbasis Workum

Samen met zijn vrouw Lavinia, of met kinderen, of met zijn kennissen en vrienden, vaart hij des zomers zowel in Friesland, als op het IJsselmeer en op het Wad. Inmiddels ligt de Pluut in de winter al weer jaren in Workum in een mooi schiphuis aan de Hoek Seize, en wordt er ‘s zomers nog steeds volop mee gevaren.


 

Spiegel der Zeilvaart mei 2015 nummer 4 - De laatst gebouwde visserman Pluut 'ZS3 Almeri'

Er zijn niet veel Pluten gebouwd en de ZS3 is vermoedelijk de laatste visserman, die in Harderwijk van de helling gleed. Peter Tolsma zocht uit wie de vissers waren die met dit kleine scheepje hun brood wilden verdienen, voordat ook de laatste pluut dienst ging doen als recreatievaartuig. In de Spiegel der Zeilvaart van mei 2015 het verhaal van de ZS3, samengesteld uit grote delen van het verhaal hierboven.

pdf SdZ mei 2015 nr04 - De laatst gebouwde visserman Pluut 'ZS3 Almeri' klein.pdf

Terug naar vorige pagina