De Vollenhoofse Bol

De opzet van een Monografie over Vollenhovense bollen door Carool van Kesteren

In juli 1990 verscheen in de Spiegel der Zeilvaart de eerste van een serie artikelen over het "Reddingsplan voor Vollenhovense bol Aemilia II", waarin Carool van Kesteren verslag deed van de restauratie het schip wat hij in 1989 had gekocht. Zijn complete verhaal werd uiteindelijk in 9 afleveringen in de Spiegel der Zeilvaart geplaatst. Het geeft een boeiende inkijk in de belevenissen van eigenaar Carool, die eigenlijk synoniem zijn aan de verhalen van andere liefhebbers, die ooit een oud historisch schip, met een lang werkzaam leven hebben gekocht, om het de restaureren, er mee te varen en te behouden voor het nageslacht.

Boek over de Vollenhovense bol

Tijdens de restauratie vatte Carool van Kesteren samen met anderen het plan op om een boek (Monografie) te schrijven over de geschiedenis van het scheepstype Vollenhovense bol en de restauratie van de 'Aemilia II' als voorbeeld voor andere liefhebbers die houten schepen (willen) restaureren. Dit hele verhaal aangevulde met de diverse overzichten. In de Spiegel van september 1992 schrijft hij daarover:
"Samen met de mede-auteur Kees ter Laan hoop ik komende winter ons boek over "De Vollenhoofse Bol" af te kunnen ronden. In het boek zal, behalve de geschiedenis van Vollenhove met de drie werven en de karakteristieke eigenschappen en de bouwwijze van de Bol, ook ruime aandacht worden besteed aan de opzet en begeleiding van een omvangrijke restauratie van een (houten) schip. Dit natuurlijk in de hoop dat anderen het voorbeeld volgen, aangezien het behoud van varende monumenten, ondanks de inspanningen van de behoudsorganisaties en de FONV nog veelal een zaak blijft van particulieren die er alles voor over hebben en er meerdere jaren aan spenderen. Afsluitend zal een overzicht gegeven worden van de hout-scheepswerven en de behoudsorganisaties in Nederland."

Publicatie in de Tagrijn van 1994

In 1994 heeft Carool een eerste versie in de "Tagrijn" (Botterbehoud) gepubliceerd. Het artikel is naast de regelmatige restauratieverslagen in de Spiegel der Zeilvaart geschreven tussen 1989 en 1994 met behulp van de materialen en gegevens, die hij had verzameld voor de Monografie over de Bol, die hij samen met Kees Terlaan (Zeester, ex VN35) wilde gaan schrijven. Zijn deel van het manuscript was klaar, maar Wim de Bruijn vond het deel van Kees nog niet rijp voor publicatie. Kees deed vooral onderzoek naar moderne jachtbollen. Onlangs dook het manuscript weer op en wij hebben Carool gevraagd of we het hier met zijn toestemming mochten publiceren. Dat mocht en aanvullend stuurde hij ons ook nog een aantal fraaie foto's ter illustratie.

Het Manuscript van de Monografie "'De Vollenhoofse bol"

Een scheepstype waarvan er heden ten dage meer 'afstammelingen' varen dan van welk Zuiderzeescheepje dan ook. Hoe en waarom het ontstaan is, hoe het gebruikt werd in de visserij, maar ook wie visten er mee? Allemaal vragen die enkele jaren geleden nog maar een paar wenkbrauwen deden fronsen. Waarom zou je je daar nou druk over maken? Hoogstens uit historisch oogpunt interessant. Een van de bevindingen na drie jaar graaf- en spitwerk is dat er nog een paar van die scheepjes bestaan. In Vollenhove leeft het visserijverleden ook nog, zij het wat verscholen. Maar als eenmaal het enthousiasme is gewekt komt er toch nog veel boven tafel. Een overzicht van bekende en onbekende gegevens over een 'klein' scheepstype van de Oostwal der Zuiderzee. Dit artikel is samengesteld uit bevindingen en onderzoek dat gedaan is ten behoeve van de publicatie van een boek over dit scheepstype. Er blijven echter altijd zaken verscholen in de nevelen der historie. Mochten er lezers zijn die onvolkomenheden opmerken, dan zijn reacties van harte welkom.

Ter Inleiding

De naam van een scheepstype kan tot verwarring leiden. Alvorens er met de studie werd begonnen is er eerst contact gezocht met de gemeente Brederwiede en de Oudheidkundige Vereniging aldaar. De vraag: Hoe noemen jullie zo'n scheepje nou?' leverde een eenduidig antwoord op. Een Vollenhoofse bol. Niks geen Vollenhovense of iets anders. In de tijd van de Zuiderzee-visserij werd de plaatsnaam er niet eens bij genoemd. Men sprak toen van een 'bolle' of een 'bollegien'. Vandaar dat er hier gekozen is voor de voorkeursnaam uit de regio.

Jan Kroese

Het eerste schip dat de naam Vollenhoofse bol kon dragen werd rond 1902 gebouwd als 'visaak' en op 20 april van dat jaar overgedragen aan de visser Anthonie 'Snoevertien' Jongman Pan. door de scheepsbouwer Jan Kroese te Vollenhove. Jan Kroese was op dat moment pas twee jaar eigenaar van de werf. Vanaf 1893 was hij er al werkzaam, maar pas in 1900 kon hij het bedrijf overnemen voor de som van fl. 2.275.-. In die tijd telde Vollenhove al ongeveer 224 vissers, en was de beroepsbevolking die afhankelijk was van de visserij zo'n 85% van het totaal aantal werkenden. Jan Kroese had, zo kun je zeggen, bij de start van de werf de wind nog in de zeilen gehad want in de jaren negentig nam de ansjovisvangst ongekende vormen aan, en werd er flink verdiend. Veel vissers lieten toen nieuwe schepen bouwen. De werf van Kroese kon daar mede van profiteren.
Na 1902 echter ging het neerwaarts met de Zuiderzee-visserij, een verval dat tot 1914 zou duren. Hierdoor nam halverwege het eerste decennium de groei van de vissersvloot af. en moest er gezocht worden naar werk. Ook de aanleg van de nieuwe haven in 1905 en 1906. om de groei van de vloot op te vangen, was geen directe stimulans voor de werf. In 1909 was het aandeel van de visserij en aanverwante bedrijven nog maar 40%. Een halvering in krap tien jaar tijd. Anthonie Jongman moet blij geweest zijn met zijn nieuwe scheepje. Bekend is niet of zijn bijnaam stamt uit de tijd voordat hij met de bol viste of pas daarna is ontstaan. In vergelijking met de voor de walvisserij tot dan toe gebruikte punters bood dit nieuwe scheepje meer zeewaardigheid en een klein vooronder. terwijl de diepgang minimaal was in verband met de ondiepe kustwateren en de zandbank voor de haven van Vollenhove.
Merkwaardig is dat het schip in het Zuiderzeerapport van Redeke uit 1907 (beslaat de jaren 1905 en 1906) niet voorkomt. Hierin wordt wel vermeld de VN25 van Albert Karjanus en de VN98 van Arnoldus Mooiweer. Toch moet de VN36 van Anthonie Jongman in die tijd ook een bol geweest zijn. Verder is er uit overlevering bekend dat dit scheepje een 'harmonicaplecht' had zodat het vooronder makkelijker toegankelijk was.
Anthonie had twee zonen. Piet en Arnoldus. Deze visten later ook met bollen, Piet op de VN124 'de slechte holle' van Kroese, en Arnoldus op de VN2, 'de kleine bolle' van Snoek. In het visserijregister vinden we beide schepen terug. De VN2  is in 1942 verkocht naar IJsselmuiden, heeft daar nog een vergunning gehad tot 1946 en is op 7 juni van dat jaar uitgeschreven. De VN124 wordt uitgeschreven op 2 augustus 1932, maar is volgens informanten zeker nog tot 1937 in Vollenhove voor de visserij gebruikt. Waar het scheepje daarna is gebleven is niet bekend. Gezien de bijnaam die het had lijkt het niet waarschijnlijk dat het nog heel lang in de visserij gebruikt is. Uiteindelijk groeide het aantal bollen tot ruim 20 stuks. In 1937 visten er volgens verschillende bronnen daarvan nog zo'n veertien in Vollenhove. Bij dit artikel is een overzicht opgenomen van die scheepjes met wat wetenswaardigheden. Het samenstellen van zo'n overzicht, gebaseerd op één jaar in het verleden is niet eenvoudig. De verschillende bronnen, zoals schepenlijsten, overheidsgegevens (o.a. Zuiderzee-steunwetdossiers) en de 'vaste' overtuiging van informanten spreken elkaar nog wel eens tegen. Al combinerend kom je dan tot een lijst, waar eigenlijk nog een geschiedenis voor zit, want er werden nogal eens schepen hernummerd. Niettemin, opmerkingen en aanvullingen zijn van harte welkom.

Terug naar de oorsprong en 't bouwen van bollen

Jan Kroese had ervaring in het bouwen van botters, Vollenhoofse schuiten (schokkers) en schuitjes, De schokker stond bekend als één van de meest zeewaardige platbodems uit die tijd, alhoewel ze door hun geringe diepgang nogal snel instabiel werden bij grotere hoeveelheden binnenkomend buiswater. Maar. dat lijkt me niet verwonderlijk, want het meeste water hoort nu eenmaal aan de buitenzijde van een schip te blijven.
Jan Kroese was afkomstig uit Friesland, en werkte voor 1893 op de helling van Hakvoort (Kloas van Tiemens Albert) in Urk. Hier maakte hij uitgebreid kennis met de verschillende soorten botters die er in die tijd waren en raakte vertrouwd met de constructie van deze schepen. De vorm van de botter sprak hem erg aan en het is aannemelijk dat de Vollenhoofse bol hierdoor een duidelijke verwantschap met dit scheepstype vertoont. De gebogen. in een punt uitlopende steven wijst hierop. Het vlak van dc bol is sigaarvormig en bijna geheel vlak. Een 'stapeling' van 8 tot 10 duim is normaal. De voorzijde is sterk afgerond. Deze vlakvorm werd vooral aangetroffen bij schepen die in gebruik waren ten noorden van Elburg, en ten zuiden van De Kuinder. Tussen de kimgangen, het vlak en de voorsteven bevinden zich driehoekige vulstukken, de zogenaamde geerstukken. Deze zien we ook bij de Vollenhoofse schuit (grote zeepunter of bons). de hoogaars en de blazer. De, op de voorsteven aansluitende, huidgangen, geven de kop van het schip een volle. ronde aanblik. Dit word nog versterkt door de wat naar binnenvallende boegsels (boesels) en zetboorden op de plecht. De vlakke zeeg en het terugkomende roer zijn meer van de schuit afkomstig. Aan dc onderste voorzijde van de voorsteven bevond zich ook wel eens een kleine leefbijter (loofhout). Hierdoor werden de stuureigenschappen bij een aan-de-windcc -koers aanmerkelijk verbeterd.
De totale lengte van de eerste Vollenhoofse bol bedroeg ongeveer 21 voet (7 meter), de breedte was 6 voet (2 meter) en de holte 4 voet (1.35 meter). Later, in de jaren 1905-1920, werden deze maten in verhouding groter. Op een lente van 10 meter bedroeg de breedte ongeveer 3.30 meter en de holte 1.60 meter. De diepgang bedroeg zo'n twee voet (55-60 cm) (9. Toch werden ze niet 'voor de eeuwigheid' gebouwd, en ze waren aanvankelijk veel minder solide van constructie dan bijvoorbeeld een botter of een aak. Een botter kostte rond de 1.800 gulden terwijl deze eerste 'visaak' slechts fl. 250.- kostte.
De naam 'aakje' werd overigens veel gebruikt voor dit scheepstype. Het kenmerkende verschil met de aak echter zit 'm in het vlak. Bij een aak is dit rond met een opgebrande heve. terwijl de bol een overwegend plat vlak heeft, met een duidelijke hoek tussen het vlak en de kimgangen. Daarnaast is de vorm van het roer natuurlijk een in het oog springend verschil. temeer omdat dit boven water zit. De achterzijde (rug) van het roer van een Vollenhoofse bol loopt sierlijk iets terug naar de achtersteven. Dit in tegenstelling tot een akenroer dat een hoek van meer dan 90 graden maakt met het wateroppervlak.

Waakzaam scheepje

De bol bleek een waakzaam en goed zeilend schip te zijn waardoor er allengs meer vraag uit de omgeving van Vollenhove naar kwam. Het overschakelen naar een ander scheepstype was bij de vissers overigens niet iets dat men op stel en sprong deed. Men was zo gewend aan de indeling en de vaareigenschappen van een schip, dat men alle handelingen aan boord blindelings kon verrichten. Een nieuw schip, daar moest je aan wennen, laat staan aan een nieuw type. Voor andere gebieden was een nieuw scheepstype dat zo duidelijk gebouwd was voor de ondiepe kustwateren minder interessant.
Toch zijn er in Durgerdam rond 1925 vier Vollenhoofse bolletjes geregistreerd (onder de verzamelnaam 'aakjes') en later in Spakenburg twee, en één in Elburg, In 1904 werd er ook nog een afgeleverd voor de lichtwachter van Kraggenburg. Deze had geen bun, maar wél een ruim (kaar) onder de deken. Het water zorgde hier voor de stabiliteit van het schip. Zoals gezegd. de bol was dus een goed-zeilend en makkelijk te laveren schip, dat behoorlijk zeewaardig was voor haar lengte. Een paar bollen, waaronder de VN 33 stonden erom bekend dat 'ze voor 'n botter niet de zee uit hoefden. Doordat de vissers zagen dat het schip voldeed aan hun eisen en wensen kwam er meer vraag naar. Dus gingen ook andere werven over tot de bouw van de Vollenhoofse bol. Omdat iedere werf haar eigen ervaring en de specifieke wensen van de nieuwe eigenaars in de praktijk bracht, ontstonden er kenmerkende verschillen tussen de typen van Jan Kroese. Snoek uit Blokzijl en Huisman van de Ronduite. Wanneperveen.
Van de bolletjes van deze laatste is bekend dat de eersten (de KU17 van Gerrit Visser 'Dove Gaaitje' en de VN 21 van Berend Lens 'De Flikkert') een te schraal achterschip hadden waardoor ze slecht door de wind gingen. Maar vooral die van latere datum waren. volgens de overlevering, uitstekende zeilers, met name dc VN33 (1917) en de VN45 (1918). De iets slankere, verfijnder vorm was duidelijk verschillend van die van de bollen van de andere twee werven. Snoek bouwde vrij zware schepen met een brede kop, die de naam hadden de meest zeewaardige van de bollen te zijn. Bij zwaar weer brachten zij, door de bolle kop. nauwelijks water over. De schepen van Kroese konden ook nog wel eens wat rank uitvallen. Bijvoorbeeld de VN96 van Lute Kroes, die, volgens de overlevering, niet zo tevreden was over zijn bol van Huisman uit 1918, die hij aan de ranke kant vond. Hij ruilde die met Jan Kroese. Het toeval wil echter dat de bol die Kroese 'op de koop' had liggen nog ranker was dan die van Huisman. Lute bleef echter met deze bol van Kroese doorvissen tot omstreeks 1936.

De bol in de visserij

De Vollenhoofse Bol werd voornamelijk gebruikt voor de visvangst met staand want. Natuurlijk kwam het wel voor dat er werd gesleept met een bol, o.a. op spiering. en op haring, maar dat was toch niet het doel waar ze voor ontwikkeld werden. Ze waren bedoeld voor de dagvissers, die met dit schip een zeewaardiger en comfortabeler bedrijfsvaartuig hadden dan met de bekende grote punters. Hun visgronden lagen achter Schokland tussen het Kamperzand en Kuinre. Toch valt het op dat vooral in de vissersfamilies die van oudsher bekend waren met het staand want er veel meer bollen voorkwamen dan bij andere families. Ook behoorden de 'bollenvissers' bijna allemaal tot de Grote Kerk. Een van de weinige uitzonderingen was Abe 'de Fiedel' Karjanus, die het een tijdje geprobeerd heeft niet de VN25. In 1912 verkoopt 'ie het scheepje aan Evert Spit. Daarna staat hij nergens meer geregistreerd, dus waarschijnlijk is hij niet overgeschakeld op een ander type visserij. Nevenstaand een overzicht van de visserijvormen met de bollen, de vangstmethoden en het seizoen of tijd van het jaar waarin deze wenden bedreven.

Visserij met Vollenhover Bollen

Paling fuiken, dobbers, en het (lange) aalhoekwant  mei tm augustus
Bot bothoekwant, zijdenetten april, mei tm oktober
Haring haringsleepnetten maart, april
Snoekbaars staande en gaande snoekbaarsnetten  najaar en winter
Spiering (staande) spieringnetten (floddernetten) en sleepnetten 's winters, ook onder het ijs 
Garnalen dwarskuil zomers

De bollen van Huisman

Van de werven van Kroese en Snoek is weinig informatie over de schepen bewaard gebleven. Wat er nog van bekend is wordt momenteel bestudeerd en geïnventariseerd ten behoeve van latere publikatie. Echter van de werf van Huisman zijn de werfboeken bijna allemaal voorhanden. Ze zijn dan ook een continue bron van inspiratie (en transpiratie, want niet alle woorden zijn op het eerste gezicht geheel duidelijk) waar een schat aan bouwgegevens van de toentertijd gangbare Vollenhoofse schepen in neergeschreven staat. Boten, punters. zeepunters, Vollenhoofse bollen. Staverse jollen en een kleine botter zijn uitvoerig beschreven. De onderstaande gegevens zijn ontleend aan deze werfbocken en beslaan de periode 1914-1923. Dit is een belangrijke periode in de geschiedenis van de Zuiderzeevisserij; de Eerste Wereldoorlog met de daarbijbehorende schaarste aan materialen, en het aannemen van de Wet op de Afsluiting van de Zuiderzee in 1917. Een wet waardoor uiteindelijk een complete cultuur zou verdwijnen.
Maar in 1914 had Gerrit Visser uit Kuinre daar nog geen weet van, dus hij bestelde een scheepje bij Huisman. Dit scheepje is tot op heden eigenlijk vrij onopvallend gebleven in de werfboeken, want er werd aangenomen dat Huisman pas in 1916 zijn eerste bol bouwde (de VN21 van Berend Lens). lk heb Gerrit's scheepje dan ook alleen gekopieerd ter bestudering omdat er bij de bol van Berend naar verwezen wordt door Huisman. De maten (ook nog in voeten en duimen) zeiden me al lezend niet zo veel tot ik getroffen werd door een zinsnede op pagina 182 over de voorsteven "iets ronder dan de mal"(!) Hoezo. grote zeepunters (schuitjes) hadden een rechte voorsteven. En wie die mal heeft gemaakt. van welk schip? Dat blijft onbekend. Een tweede aanwijzing dat het hier geen bonsje betreft is de toevoeging bij het betalingsoverzicht 'een stag voor de aak'.
Rinse Nieuwenhuis, voormalig visser op de VN79 bevestigde dat de KU17 van 'Dove Garritje' een bol was, en daarmee was de eerste bol van Huisman gevonden. Hier en daar voorziet de scheepsbouwer zijn werk van een kritische noot, waar hij vindt dat het nog beter kan. De omrekenmaten zijn: 1 (Amsterdamse) duim is 2,573 cm en 1 voet is 28.31 cm. Er gaan dus 11 duim in een voet.

In bijgaande PDF van dit verhaal staan ook de uitgebreide beschrijvingen van bollen van Huisman ontleend aan de gegevens uit de Werfboeken.,

De eerste bol voor de pleziervaart

In een archiefmap vond ik correspondentie van 29 januari 1919. Hierin geeft Wolter Huisman antwoord op een briefkaart die hij op 17 janauri ontving met betrekking tot een offerte voor een scheepje.
In deze brief schrijft hij onder andere:
....... geef ik U thans grootte en prijs op van u scheepje lang 8 Meter. Korter zou ik het niet maken, en dan in bottermodel. Dit scheepje moet dan een breedte hebben van 2 Meter 85 Centiemeter. Laat gij het korter en smaller maken dan is het moeilijk om er voldoende ruimte in te krijgen in u vooronder om daar slaapgelegenheid te maken en dan nog wat bergplaats voor het een en andere benodigdheden'
De mast van dit scheepje wordt strijkbaar door een draaispil voor in de kop van het scheepje.
Het moet in eenvoudige afwerking, (harpuis en eenvoudig schilderwerk in het vooronder) zonder touwwerk, blokjes, stag en zeilen 1.625 gulden kosten en kan gereed zijn in mei 1920.......
Daarna schrijft hij 'Wat het model betreft zag ik zoo een scheepje lieffer in bottermodel dan in het model van een bolletje. Mogt het zijn dat gij het model van een bolletje niet kent in Februari of begin Maart dan krijg ik zoo een bolletje gereed ('de VN44') mogt het zijn dat gij dat eens zien wilde schrijf mij dat dan, dan zal ik u berigten wanneer dat gereed te water ligt dan kunt gij zelf het model bezien. Dit scheepje dat ik thans maak is een wijnig grooter en moet dienst doen voor de visscherij op de Zuiderzee.'
Wolter Huisman heeft hier dus een offerte-aanvraag gekregen voor een bol, die niet in de Zuiderzeevisserij gebruikt gaat worden. De voorgenomen afwerking van het vooronder wordt gedetailleerd beschreven en het geheel wordt 'zoliede en net afgewerkt'. Een jaar later, in mei 1920 levert Huisman de bol aan ene W. van der Abelen(?) te Kampen. 

Natuurlijk. om het speurneuzen en andere geïnteresseerden niet te eenvoudig te maken wordt er niet bij gezet om welke naam het hier gaat. Wél is duidelijk dat dit de eerste bol is die Wolter Huisman bouwt voor dc pleziervaart. Weliswaar in vissermansuitvoering. maar wel met een berg koper erin, en andere luxe zaken die een visserman niet direct nodig heeft. Dus ondanks zijn eerdere voorkeur voor het bottermodel voor een dergelijk scheepje is het toch een bol geworden, uiteindelijk. En er zouden er nog vier volgen in de decennia daarop volgend. Op deze vier bollen is later in de jaren vijftig het artikel van Dudok van Heel gebaseerd, waarin hij tot een definitie komt van de verschillen tussen de bollen van de drie werven. Bij Huisman troffen we derhalve gewoonlijk een kluisbord aan.

In een volgend werfboek, op pagina 6 treffen we B. Porsius uit Durgerdam aan, de RD23 (nu plaquette 1466)

'Den 7 April 1923 heeft B. Porsius van Durgerdam zijn nieuwe punter en Bol gekregen.'
Vervolgens wordt de punter op de bekende uitgebreide wijze beschreven. De pagina sluit af met ''puntertje heeft gekost met volledig ijzerwerk en kaarplaten f 224.- puntertje geschaafd en in harpuis. Bovenstaand puntertje heb ik van ontvangen 156 uur arbeidloon, Jacob 90 uur en 17,85 aan hout. Samen f 64,65. Van de Bol heb ik ontvangen 168 gulden aan arbeid en hout.'
Wolter Huisman heeft deze bol niet nieuw gebouwd in 1923, daarvoor is de prijs veel te laag. Waarschijnlijk betreft het hier dus een oudere bol die is ingeruild, of door Huisman opgekocht. In het kasboek, noch in de werfboeken is hierover iets te vinden. Gezien het relatief kleine aantal bollen dat er in totaal gebouwd is en de gemiddelde gebruiksduur (levensduur) van zo'n schip lijkt het aannemelijk dat het hier geen bol betrof die hij ooit zelf heeft gebouwd. Hij was immers pas in 1914 met de bolletjes begonnen. De door hem gebouwde bollen hebben tot na de oorlog een vergunning gehad. Speurend in het visserijregister, en kijkend naar de andere bollenbouwers, Snoek in Blokzijl en Kroese in Vollenhove, zijn er een groot aantal bollen die eveneens afvallen. Om er een paar te noemen: De eerste bol van Kroese. de VN36 werd in 1916 verkocht naar Zoutkamp. De opvolger, ook een VN36 van Kroese gaat in 1927 naar Elburg, en vist daar met Siem Goossensen als de EB25 verder. De VN45 van Kroese uit 1918 vist tot 1947 in Vollenhove en wordt voor f 400,- verkocht naar Meppel. Dit scheepje stond overigens ook bekend als een rank bolletje.
De VN83 van Kroese, die al in 1911 van Hendrik Jongman was (De Slenger), was in 1942 nog in Vollenhove in gebruik als vishater. Dit scheepje had geen mast meer, en er stond een Kromhout motor in. De VN88 van Kroese uit 1912 heeft tot aan de uitschrijving in 1932 maar één vergunninghouder. Jan Vis (Vissier).
Alle andere bollen zijn aan de hand van het visserijregister, de Zuiderzeesteunwet. de geschreven bronnen in Vollenhove en de informanten na te gaan, in ieder geval tot het moment van uitschrijving in 1932. Behalve één, de VN98 van Arnoldus 'De Ruiter' Hz. Mooiweer, die in 1907 al wordt vermeld op de lijst van Redeke. Het is de visser niet goed vergaan, en hij kwam droevig aan zijn einde. In 1916 is het nummer vacant. want er wordt een bol van Snoek geregistreerd onder dit nummer op naam van Hendrik Roozeboom 'De Slakke'. Niemand weet waar die eerste VN98 is gebleven. De bol kan hoogstens een jaartje of twaalf oud geweest zijn, en was dus waarschijnlijk nog niet 'op'. Maar het gaat te ver om te verondersellen dat een scheepsbouwer aan de Ronduite er wat in heeft gezien, er nog was aan heeft getimmerd en 'm toen heeft verkocht heeft aan een visser die niet uit het dorp kwam (en dus niet de droeve geschiedenis achter het schip kende).
In Durgerdam wordt de bol, de RD23, van Bartel Porsius in 1925 overgeschreven op naam van zijn zoon Eldert, en bij uitschrijving in 1932 door de inspecteur voorzien van de vermelding 'Word niet meer gebezigd voor de vischerij'. U vindt dit scheepje achter in de schepenlijst, in de hoop dat de nog resterende drie andere visserijbollen daar ook ooit weer komen te staan.

Het volledige verhaal

Bovenstaand verhaal + de beschrijving van de Huisman-bollen en een overzicht van de Vollenhovense bollen in Vollenhove in 1937 is opgenomen in bijgaande PDF.

pdf De Vollenhoofse Bol door Carool van Kesteren

 

Meer publicaties over de Vollenhovense bol

In de Waterkampioen van begin juni 1960 nummer 1039 heeft een artikel gestaan over het ontstaan van de Vollenhovense bol en iets over platbodemmodellen en de modelbouwer. Dit artikel hebben we ook in dit hoofdstuk opgenomen.

Terug naar vorige pagina