Een overwintering op het Wad in 1901 - N.P. Baaij

Uitgave Historische Vereniging Texel - nummer 121, december 2016

Op 87 jarige leeftijd zette schipper Klaas Baaij van de mosselhoogaars TH21 het relaas op papier van de tocht, die hij in de barre winter van 1901 op 21-jarige leeftijd maakte naar de Wadden. Het werd een onopgesmukt verhaal van bittere armoe, jeugdige overmoed, extreme koude, keihard doorzetten, maar ook van mededogen, solidariteit en Godsvertrouwen. Een tijdsbeeld zonder weerga.
Het was een bijzondere reis in het jaar 1901 van Tholen naar Texel op 18 Februari, toen twee mosselscheepjes daar heen voeren om een lading mosselen. De schippers waren N.P. Baaij en M.J. Koppenhol en de knechts waren J. Baaij en J. de Kok.

Het relaas van N.P. Baaij

Daar ik deze reis al enige malen aan de kinderen had verteld, verzocht mijn oudste zoon een en ander eens op papier te zetten ter nagedachtenis voor hem, zijn broers en zusters en bij dezen wil ik dan trachten aan dat verzoek te voldoen.
Alzoo in 1901 hadden wij zes weken in de haven gelegen, konden wegens het ijs net uitvaren en tot het weer open water was, was er voor ons nog niets te verdienen. Het zag er niet bijster hoopvol uit; we moesten toch proberen het een of ander te gaan doen. In arren moede kwamen wij tenslotte met schipper Koppenhol overeen, om het avontuur dan maar te wagen naar Den Helder of Cocksdorp op Texel te varen, teneinde aldaar een lading grote mosselen bijeen te zoeken en in Tholen te verkoopen aan de groothandel.
Wij maakten ons onverwijld reisvaardig en vertrokken op Woensdag 18 Februari van Tholen. Mijn knecht was mijn broer Jacob Baaij en Koppenhol's knecht was Johannes de Kok, een broer van Gelliena de Kok, die later mijn vrouw zou worden, U lieder moeder.

Vertrek uit Tholen op woensdag 18 februari

Bij het uitvaren van de haven Tholen, woei er een zacht briesje van het zuiden, maar eer wij aan Vosmeer waren werd het mistig en bleven derhalve kort bij elkaar naar het eind van de Mosselkreek.
Ik zei zoo terloops tegen mijn broer: " 'k Heb zoo maar een voorgevoel, dat dit een reis zal worden met wetenswaardigheden en hindernissen" en ter nauwernood uitgesproken voeren wij omhoog op de St. Annalandse plaat. Wij deden maar geen moeite om onszelf los te werken; we dreven opzij van elkaar, het was inmiddels zes uur in den avond, bleven nog een poosje buurten en gingen om 9 uur te kooi.

Donderdag 19 Februari waren we vlot, het was nog mistig en bladstil, deden eerst een bakje koffie en werkten dan over de plaat heen, het Zijpe over, door het gat van Willem III, dreven nog immer met de stroom mee en toen wij bemerkten dat de vloed af was, kwamen wij ten anker; bij het optrekken van de mist bemerkten wij, dat wij in het schor van Oude Tonge lagen. Inmiddels kwam de vloed weer in het water, er woei een klein koudje van het Noord Oosten en gingen we onder zeil; om 6 uur liepen we de haven van de Willemstad binnen, nog steeds in de mist.

Vrijdagmorgen 20 Februari, de mist nog niet opgetrokken en wij besloten dus maar te blijven liggen tot het middagtij; het bleef mistig en waren gedoemd die nacht daarop in de haven van de Willemstad over te blijven.
's Zaterdagsmorgens 21 Februari opgestaan bij mooi helder weer, gingen we om 7 uur de haven uit en waren om 11 uur aan de Dordtsche brug. Daar moesten we de masten strijken en voeren dan weer verder de Noord in. We hadden afgesproken om bij H.I. Ambacht ten anker te komen, dan lagen we daar Zondag rustig, bleven nog tot 9 uur buurten en dan naar kooi. Na een verkwikkende slaap en gezamenlijk ontbijt was het dan half tien.

Zondagmorgen 22 Februari ende wijl vader mij een preekenboek meegegeven had, sloeg ik voor om een preek te lezen, waar geen een bezwaar tegen had en zoo hielden wij kerk aan boord, en liefhebbers als we waren van zingen, zongen we af en toe een psalm, brachten in vredige stemming de Zondag door tot bedtijd 9 uur.

Maandagmorgen 23 Februari bij tijde uit de veeren, een mooi bezeilde wind naar Vreeswijk, waar we 's middags om 2 uur aankwamen, vlot door de schutsluizen de Keulse vaart op naar Utrecht, waar we weer moesten schutten, om 7 uur door de sluizen; wilden we daar maar overnachten, kennelijk voldaan over de goede vorderingen van dien dag.

Dinsdagmorgen 24 Februari in de prille morgen reeds werden we gewaar dat de wind niet gunstig was; gelukkig weinig wind, want we moesten dan zelf optrekken en na het ochtendmaal overhand in de lijn tot we weer een rek hadden om te zetten en aan boord wat konden uit rusten. We konden ook wel gesleept hebben, maar het ging er ons om met zo weinig mogelijk kosten ons doel te bereiken en alzoo waren we op eigen kracht 's avonds 8 uur aan het eind van de Keulse vaart, lagen om 9 uur in de Rietveldhaven, wel wat vermoeid en vielen dan ook spoedig in slaap.

Woensdagmorgen 25 Februari tot aller tevredenheid weer monter aan dek. De vraag rees hoe te varen, over de Zuiderzee of over het Noord-Hollands kanaal. Besloten werd over het kanaal te gaan en voeren over het IJ naar de Willemssluis, schutten daar op naar het Noord-Hollands kanaal, zeilden met zwakke wind naar Purmerend waar we om 4 uur aankwamen. Ook daar weer schutten, en dan op naar Alkmaar. 's Avonds 8 uur bij het Alkmaardermeer besloten we daar te overnachten.

Donderdag 26 Februari ontwaakt bij goed weer, maar de wind tegen; eerst maar eens eten en dan zelf maar weer op gaan trekken. Gelukkig was er zo goed als geen wind, we waren om 11 uur te Alkmaar. Eer we daar voorbij waren, nam nogal veel tijd, want de bruggen draaien daar maar op bepaalde uren. Dan kregen we een bezeilde wind, doch bij Koehoorn moesten we weer aan de wal daar de wind uit de wal woei en de huizen van dat dorp wel een half uur lang langs het kanaal staan, zodat we van de wind niet profiteren konden. Tegen 5 uur waren wij bij het kanaal van Zijpersluis en daar het bladstil was, zouden we hier maar overnachten.

Tekening Peter Dorleijn
Tekening Peter Dorleijn

Vrijdag 27 februari in Den Helder

Vrijdag 27 Februari 's morgens vroeg was de wind weer mede, gingen dus spoedig onder zeil en waren om 11 uur in Den Helder; daar geschut, om half een in de buitenhaven en daar het 's middags om 3 uur laag water was, gingen we eerst achter het kruitschip, zo wordt het daar genoemd, eens kijken of daar soms wat voor ons te verdienen viel.
Maar dat viel tegen, dus zouden we de volgende dag maar doorvaren naar Texel. Toen we weer terug aan boord waren kwam de sluismeester een praatje met ons maken. Hij vroeg ons: "Al zoo naarstig?" omdat wij al zoo vroeg in het jaar deze kant opkwamen, hetgeen we hem toen uitlegden. Daarop vertelde hij ons, dat hij gisteren een varken had geslacht en nu een schaal met kanen had staan, en of hij ons daar een plezier mee kon doen. Nou daar durfden we geen nee op zeggen en prompt bracht die man ons een schaal met kanen, een paar worstebolletjes en nog wat kleinigheden. Overgelukkig waren wij ermee en vanzelf bedankten wij hem hartelijk.

Zaterdag 28 Februari, 's morgens voeren we de haven van Den Helder uit met mooi weer en wijl ik daar goed bekend was, voeren we met het tij mee langs Oude Schild over de Texelsche stroom naar het oude Vlie, verder over den drogen naar Co ksdorp en lagen 's middags in de Roggesloot. Met Westenwind lagen we hier onder een mooi opper, zouden dan hier Zondag houden om dan 's Maandags te gaan zien of hier voor ons wat te verdienen was. We lagen hier nu goed, zouden hier maar eens goed uitslapen, geen flauw idee van wat ons nog boven het hoofd hing.

Zondag 29 Februari 's morgens niet te vroeg wakker, keken eens boven en ja, we zaten met onze vaartuigen aan de grond. De wind was 's nachts naar het Oosten gedraaid en in plaats van onder de wal, lagen we boven op de wal. Dat werd dus afwachten tot het volgende tij. Maar intussen was de wind opgegaan, zodat er toen maar een voet water aan boord kwam; het ging er bedenkelijk bij staan. We beurden mekaar wat op om de moed niet te laten zakken. We gingen om 10 uur naar de kooi, sliepen die nacht weinig en weer maar uitzien naar het volgende tij.

Maandagmorgen 1 Maart kwam het water maar net aan boord. We zaten bij elkaar tot bezuiniging van de kolen en aten gezamenlijk het ochtendbrood, waarbij ons gebed opging naar de Albehoeder om ons te bewaren voor opstandigheid in deze weg van tegenslag. We hadden ook een roeiboot meegenomen en die konden we wel van die hoge kant afkrijgen; gingen daarmee op zoek naar mosselen en het lukte voor ieder een vracht bij elkaar te zetten, groot van stuk en blank van vis. De eerste dag al konden we een 24 ton bij elkaar zetten op een mooie uitzetplaats, wat ons terdege opmonterde. Zo was dan de eerste dag voorbij, maar de wind bleef steeds aanwakkeren uit het Oosten, er kwam steeds minder water en 's avonds gingen we weinig opgewekt ter ruste, zij het met dankbaar gemoed over de opbrengst van dezen dag.

Dinsdag 2 Maart ontwaakt en in goede welstand, keken we boven en zaten nog op uitgedroogd geel zand. Het zag er voor ons maar duister uit, we hadden een rekening gemaakt van hoogstens 3 weken, onze voorraad begon bedenkelijk in te krimpen. We konden maar één kachel stoken om het eten voor ons allen klaar te maken en ons te verwarmen, want het was koud met die Oostenwind. Water konden we binnen de dijk halen bij boer van Eerwaarde (Van Heerwaarden in De Volharding), die met ons lot begaan was. We gingen maar weer wat mosselen bij een zetten tot de avond viel en dan naar boord, waar een ketel gekookte mossels ons zeer gelegen kwam. Nog een poosje gepraat en dan onder de dekens, want het vroor flink.

De Cocksdorp Texel

Woensdag 3 Maart stond de wind nog in het Oosten. Toen we gegeten hadden sloeg schipper Koppenhol voor om onze vaartuigen er af te graven, maar daar was geen doen aan. Daar kwam de postschipper van Texel op Vlieland langs ons, toonde oprecht begrip voor onze toestand en vertelde dat het hele dorp bekommerd was en vroeg tevens of wij nog wel van alles aan boord hadden, dat we geen gebrek hoefden te lijden; we moesten ons maar eens komen voorstellen, zei hij. Het was voor ons hartverwarmend, dat er nog mensen waren, die zich om ons bekommerden en ons wilden helpen.
Het gaf ons moed en gingen weer mosselen bij elkaar zetten; nu al stonden 70 á 75 tonnen bij elkaar. 's Avonds bespraken wij nog eens wat die postschipper Buis ons had meegedeeld, en meenden dat wij daar toch maar op moesten ingaan, want van huis konden ze ons ook niet helpen; met deze gedachte zochten we maar weer eens de kooi op.

Donderdag 4 Maart; bij tijde uit de veeren, gelukkig was het goed weer en dus een paar uren werken aan de mosselen. Die dag hadden wij ruim 100 tonnen bij elkaar staan, en trots alle narigheid waren we toch goed gemutst over het bereikte resultaat. Hadden we ze nu maar thuis, zeiden we tegen elkaar, niet wetende welke teleurstelling ons nog te wachten stond. ' s Avonds bij elkaar spraken we af om de komende Zaterdag naar het dorp te gaan en met dat vooruitzicht zochten we maar weer de legerstede op.

Vrijdagmorgen 5 Maart opnieuw mosselen bij elkaar zetten en toen het tij af was, hadden we al 130 tonnen bij elkaar. Na het avondeten weer bij elkaar, bespraken we de plannen van Zaterdag, n.l. waar we ons zouden voorstellen, bij de burgemeester of bij de dominee en wie het woord zou doen. Aangezien Koppenhol de oudste was, was hij daar eigenlijk voor aangewezen, maar hij zag er nogal tegenop, ook mijn broer Jacob had niet veel ambitie; hij wilde het liever aan mij over laten, zodat ik er niet onderuit kon en de zware taak maar op mij nam. Na dit besluit gingen we dan maar weer naar de kooi, al heeft het me nog wel een poosje wakker gehouden.

Op bezoek bij de dominee

Zaterdagmorgen 6 Maart. Een bedoening van jewelste om ons een beetje toonbaar te maken voor de komende voorstelling. Dan gingen we met z'n vieren naar het dorp om ons te laten scheren, want dat hadden we sedert de uitreis niet meer laten doen. Vervolgens het huis van de dominee opgezocht, aangebeld; de man deed zelf open en verzocht ons binnen te komen. Het was nu eenmaal mijn opdracht en ik stelde ons aan hem voor als vier Zeeuwsche vissers, die noodgedwongen naar hier waren gekomen om een vrachtje mosselen bij een te zoeken en die in Zeeland te verkoopen. Onze wederwaardigheden en tegenslagen had hij reeds vernomen van postschipper Buis, tevens dat onze voorraad bedenkelijk geslonken was. Hij betreurde een en ander ten zeerste en informeerde ook naar onze gezinnen in Zeeland. Verder zei hij ons dat er op het dorp al plannen beraamd werden om ons te komen bezoeken. De postschipper evenwel, die ons elke dag sprak, had hen op de hoogte gehouden en gezegd dat wij ons nog wel een paar dagen konden redden en dat wij voorts van plan waren om Zaterdag naar het dorp te komen, zodat ons bezoek niet onverwacht kwam. We moesten nu maar eens vertellen wat we nodig hadden. We deden dat uiterst voorzichtig en bescheiden, want we wilden voor alles de indruk vermijden als zouden wij van hun goedheid willen profiteren. Onderwijl werd ons nog een bak koffie gebracht en een Sigaar.
We moesten nog wat blijven zitten en vertellen wat ons uit Zeeland naar hier gedreven had, wat we hem in 't kort hebben toegelicht. De man was kennelijk met ons begaan en verzocht ons om 's middags terug te komen, hij zou dan voor een en ander z'n maatregelen treffen. Tevens zei hij ons dat we bij boer van Eerwaarde aan moesten gaan, daar die wat boter, kaas, melk en eieren opzij gezet had. Ook daar werden we allerhartelijkst onthaald. Toen wij 's middags bij de dominee terugkwamen, nu het is niet om te geloven, wat daar alles voor ons klaar stond.
Met paard en wagen werd het aan boord gebracht. We zeiden onder elkaar: "daar blijft vast nog een portie van over voor onze families in Zeeland". We waren er werke­lijk mee verlegen. Zaterdagavond aan boord hebben we langer dan anders samen vertoefd en overlegd wat een hartverwarmende ontvangsten en milddadigheden ons die dag door de Heere waren toebedeeld.

Naar de kerk

's Zondagsmorgens 7 Maart. Bij het ochtendmaal bespraken we onze toezegging om naar de kerk te komen, die om half elf aanging. Toen wij bij de kerk aankwamen, werden we door de kerkgangers vriendelijk begroet. Bij zijn preek droeg dominee ons op in zijn gebed en bij de uitgang van de kerk werd ons door velen gevraagd mee te gaan om een bakje koffie. Ook boer van Eerwaarde vroeg het ons en daar we aan hem al zo'n beetje kennis hadden, gingen we met hem mee. We moesten daar waarlijk ook nog het middagmaal gebruiken, want zo zei hij: "we hebben op jullie gerekend".

Maandagmorgen 8 Maart. De wind stond nog pal in het Oosten. Na het eten maar weer aan de dagelijkse arbeid, wat mosselen bijzetten, teneinde op de thuisvaart een goede vracht mee te kunnen nemen. We konden nog 30 tonnen toevoegen aan de voorraad, in totaal dus 160 tonnen. 's Avonds spraken we af om toch te proberen een geul te graven.

De morgen van 9 Maart hetzelfde weer, oostenwind en flinke nachtvorst. Gelukkig maakte het geen ijs in het water. Zo gingen ze dan met hun drieën aan het graven, terwijl ik voor het middagpotje zou zorgen. Ze zagen echter weldra dat het vruchteloos werk was, de vaartuigen bleven onwrikbaar op dezelfde hoogte zitten. Maar ja, wat doet een mens in zulke omstandigheden, vaak averechts verkeerd. Ze hielden er dan ook maar mee op en verder maar afwachten. De wind zou toch wel eens eenmaal uit die hoek gaan en je kreeg dan vanzelf weer gewone tij en water. We hadden drie mud kolen gekregen en gingen maar vroeg bij elkaar zitten, terwijl ik de gelegenheid benutte om een brief naar huis te schrijven om hen te berichten hoe het hier gesteld was en dat ze zich niet ongerust behoefden te maken, daar er goed voor ons gezorgd werd. Ik bracht de brief bij boer van Eerwaarde, die hem voor ons wilde posten.

Woensdag 10 Maart. Toen we boven keken was het heel wat stiller; ofschoon de wind nog steeds oost was waren er toch tekenen die de hoop wettigden, dat we de wind uit die richting zouden kwijtraken. Als gewoonlijk zou ik maar weer aan boord blijven voor de pottage, terwijl zij nog wat mosselen zouden bijwerken. De vangst bedroeg nu circa 180 tonnen, en wij waanden ons al grote mosselvissers. Inmiddels had ik het warme maal gereed, voor elk weer een lapje gebraden vlees en groente, die we Zaterdag gekregen hadden. Er werd zo stevig gegeten, dat we 's middags allen in slaap vielen. Wat hadden we het goed, dank zij de bewoners van Cocksdorp.

Donderdag 11 Maart; blakstil, na het eten naar boven om de lucht te peilen; ja . . . in het westen werden wolkjes te bespeuren en we kregen weer hoop spoedig water onder het vlak te krijgen. Daar kwam ook de postschipper met brieven voor ons, nieuws van thuis. Maar die vreugde verbleekte bijna door zijn andere opgewekte boodschap: "jongen, nu zal het leed weldra geleden zijn. De wind draait naar het westen". We gingen van opwinding wat omlopen en bij boer van Eerwaarde om een paar emmers water. Daar hadden ze vanzelf ook aandacht voor de omslag in het weer en een gelijksoortige opmerking als van de postschipper was ons zeer welkom; vermoedelijk hadden wij onbewust wel daarnaar gezocht. We werden door die brave mensen uitgenodigd 's avonds wat te komen buurten en toen wij om 9 uur weggingen kregen we voor ieder nog 2 krippen spek mee, zeker wel een kilo. In dankbare stemming gingen we naar boord en sliepen die nacht weer fijn.

Vrijdag 12 Maart toen we opstonden was de wind Zuidwest. We smulden nog eens zoo lekker van dat heerlijke spek. Met hoogwater om 2 uur kwam het water al nabij een boord. We gingen onze watervaten vullen, brachten die met een kruiwagen aan boord en toen we 's avonds om 9 uur naar kooi gingen wou de slaap niet vatten, want om half drie was het weer hoog water. Er kwam al een voet water op de wal; gerustgesteld konden we de verzuimde slaap wat inhalen.

Zaterdag morgen 13 maart. Afwachten tot de middag op de vloed. Er kwam nog een mooie bries wind meehelpen en om 3 uur lagen we weer in het vlotte water. Mijn broer zei: "laten we de vlag maar in de top hijsen", maar dat ging niet door, want je weet, toen we van huis voeren, sprak ik al van mijn voorgevoel, dat het een reis met hindernissen zou worden, en nog zijn we niet thuis. Toen wij de vaartuigen van die hoge kant weer naar de diepte hadden gewerkt, lagen we als tevoren onder een fijn opper en we zouden 's Maandags de mosselen opvissen. Avonds zaten we tot bedtijd bij elkaar.

's Zondagsmorgens 14 Maart na het eten nam ik het boek ter hand van Ds. Mackenzie en las daaruit voor, terwijl we af en toe gezamenlijk een psalmvers zongen; verbrachten zoo de Zondag, gingen bijtijds ter ruste, want Maandagmorgen was het vroeg dag.

Maandag 15 Maart. 's Morgens vroeg uit de veren, en na de boterham fluks de toebereidselen gemaakt voor het werk. Er stond al een dikke bries wind, wat het werk nogal bemoeilijkte; met laag water hadden we toch al 50 tonnen aan boord, we zouden er echter 80 kunnen laden. Toen de vloed op kwam hadden we die 30 tonnen spoedig aan boord. De wind wakkerde nog steeds aan, maar we lagen vrij rustig, want de wind woei recht uit de wal. We hadden beloofd om bij dominee nog gedag te komen zeggen en zo gingen Koppenhol en ik die plicht vervullen. Mijn broer en Johannes bleven aan boord, zetten ons met de roeiboot aan de wal en we gingen op stap naar dominee. Na de vriendelijke ontvangst vroeg hij of we nu voldoende aan boord hadden voor de terugreis.
Behalve een paar broden moesten we nog het een en ander meenemen. Met de wens voor een voorspoedige thuisreis en een handdruk gingen we naar boord. Inmiddels was de wind nog steeds opgegaan, en hadden voor alle zekerheid maar ons tweede anker uitgezet, er kwam veel water en nog meer wind. Tegen de avond was het al tegen storm aan, zodat we niet naar de kooi durfden gaan.

Storm

Dinsdag 16 Maart.'s Morgens was de wind nog niets minder. Over het hoge water was het een en al zee. Gelukkig dat we kort onder de wal lagen. We vreesden al dat het weer verkeerd zou lopen, als wij morgen niet hier vandaan kwamen; dan was het voor deze week verkeken. We lagen op zij van elkaar, tamelijk mismoedig. Een poging om ze wat op te beuren had geen succes en daar het toch heel de nacht laag water was, gingen we maar naar bed.

Woensdag 17 Maart was het wel iets stiller, maar het was toch voor alles nog onbekwaam weer, laat staan om van hier te vertrekken. Na het eten mochten we bespeuren dat het water niet meer zoo hoog kwam en zagen die hoge kant weer boven komen. Johannes en ik gingen naar boer van Eerwaarde om een flesch melk. Ze hadden met hoog water op de dijk nogal bekommerd naar ons uitgekeken en nu bij ons vertrek kregen we voor ieder nog een krip spek mee en 10 eieren. Tegen de avond ging de wind waarlijk wat liggen en we konden dus wat geruster naar bed gaan.

Donderdag 18 Maart, nog steeds te veel wind om iets te ondernemen. M'n broer en Koppenhol wilden maar weg, kom van, kom van. Het kostte heel wat moeite om ze te¬gen te houden. Ik praatte als Brugman: "gebruik je verstand toch, laten we afwachten tot morgen, en is het dan nog niet bekwaam, moeten we de mosselen weer uitzetten, dan kunnen ze verversen, ze worden toch wat te oud en dan nog de Zondag ertussen" en "zie toch wat een branding er op den drogen staat". Ten slotte zagen ze dat in, het was wel weer een heel werk, maar toch de wijste weg. Tegen de avond ging de wind wat liggen en om 10 uur zeiden we wel te rusten. Toen wij Vrijdag 19 Maart om 7 uur opstonden was de storm heel wat bedaard en zou het wel gegaan hebben, maar toen wij de mosselen bekeken, kregen ze al aardig dorst, vooral die tegen het schild van onze kajuit lagen, gingen al open. Na het eten maakten we ons gereed om de mosselen uit te zetten en die achter tegen het schild lagen, gooiden we op een andere plaats over boord dat was van ieder 10 a 15 ton. Wij hebben er die dag nog 25 ton bij gewerkt, zodat er voor ieder weer een mooie vracht bijstond en hoopten vurig dat het daarmee beter zou gaan. Inmiddels kregen we een boodschap van schipper Buis om voor ons vertrek nog eens bij Dominee aan te komen.

De morgen van 20 Maart zette goed in, mooi weer. Na de boterham gingen we ons wat opknappen, zeilden naar de haven van Cocksdorp, lieten ons vervolgens scheren en stapten dan op het huis van Dominee aan. Hij was er zichtbaar mee begaan, dat wij zoveel mosselen uit onze scheepjes hadden moeten gooien en vroeg of die nu dood waren. Neen, die waren niet dood, maar we laten die opnieuw drinken en als het dan Maandag gunstig weer is, vissen we die weer op. Dominee vroeg bezorgd of we voor de thuisreis voldoende aan boord hadden en of wij ook kosten te maken hadden. Dat hangt van de wind af, legde ik uit: is die gunstig, dan gaat het om een paar gulden, zoo niet, dan is het al gauw 15 gulden. Toen zei Dominee: "we hebben zoo gedacht om voor elk vaartuig 25 gulden mee te geven". Maar dominee, wilde ik tegensputteren, nu zijn we er toch helemaal mee verlegen; we zijn tenslotte vreemdelingen en dan zoo met weldaden overladen te worden, dat is om nooit te vergeten, dat zal immer in onze gedachten blijven tot in lengte van dagen. Terloops zij gezegd, nu ik dit alles schrijf heb ik de leeftijd van 87 jaar bereikt, ik was dus 21 jaar toen wij dit avontuur beleefden, inderdaad om nooit te vergeten, het staat me nog bij alsof het gisteren gebeurd was. Nu dan, wij dankten Dominee onder een bakje koffie, waarbij hij ons vroeg hoe wij nu die zakjes en pakjes mee konden nemen. Wij zeiden hem, dat de roeiboot in de haven lag, waarop al die goede gaven daarheen werden gebracht. Het was niet om op te noemen, zelfs thuis hebben ze er nog van meegedeeld. Op het laatst kwam de kolenboer nog met twee halve mudden kolen aan, de zakjes mochten we behouden. Na het afscheid, er stonden veel mensen op de haven, roeiden wij weg, terwijl men ons een vaarwel en een voorspoedige thuisreis toeriep. Eenmaal aan boord en alles gelost, wisten we nauwelijks hoe we het bergen zouden.
Voor we aan boord gingen hadden wij de middagpot al zowat bezorgd, zodat die maar op te warmen was. Na het eten gingen we nog even gedag zeggen bij boer van Eerwaarde, die ons ook nog voor elk vaartuig een pond boter, twee kleine bolletjes kaas en acht eieren meegaf, het leek ons in Luilekkerland te zijn. Terug aan boord waren de ervaringen van deze dag uiteraard het onderwerp van ons gesprek en onze overdenking en het was niet vroeg meer toen we goeden nacht zeiden.

Naar huis

Zondag 21 Maart; mooi weer. De Zondagse gewoonte getrouw, nam ik het boek van Ds. Mackenzie ter hand om wat voor te lezen, terwijl we tussendoor een psalmvers zongen. We hoopten de volgende Zondag thuis te zijn, want dan was het Paaschen. Alzoo vroeg naar kooi en morgen vroeg op, want om 4 uur was het hoog water.

Maandagmorgen 22 Maart, alweer mooi weer, de wind Noordwest; na een bakje gingen we met goede moed aan de gang. Om 8 uur hadden we al 50 tonnen aan boord, voor de vloed de rest ofwel ruim 80 tonnen. We konden nog wel meer laden, maar we moesten over een droogte en daar de wind gunstig was, gingen we dadelijk onder zeil. Kwamen zoo netjes over den drogen in het Oude Vlie en wijl er nog vloed in het water was besloten we maar over de Zuiderzee te gaan. We voeren over de Middelgronden langs Workum, Hindelopen, Stavoren, zoo naar Enkhuizen. Het begon donker te worden en doordat er een aardige bries wind stond en wij dwars voor het Vrouwenzand waren, brak het sleeptouw van de roeiboot. Snel een dreg in de kop van de roeiboot geworpen, die bleef haken onder de voorste bank, zo verder naar Enkhuizen waar, we om 9 uur in de haven lagen.

23 Maart, 's morgens 5 uur gingen we weer de haven uit op Amsterdam aan. We voeren langs de Leek door de Bocht van Hoorn, de Gouwzee, over 't IJ naar de Oranjesluizen, daar geschut, naar de Keulse Vaart. Inmiddels 11 uur, nog steeds de wind mee, behoefden we dus geen sleepkosten te maken. Om 5 uur waren we te Utrecht, daar geschut, waren we om 10 uur te Vreeswijk bij de kleine sluis.

Toen we daar een poosje gedut hadden, schutten we en voeren woensdagmorgen 24 Maart om 7 uur af en gingen toen de Lek af: de wind mee waren we 's middags om 4 uur einde Dordtsche Kil. Vervolgens met wind en tij mee naar Zeeland, waren we 's avonds om 8 uur einde Mosselkreek. Onder St. Annaland nog een paar uur gewacht.

's Morgens 25 Maart lagen we in de haven van Tholen tot grote blijdschap, niet alleen van ons, maar ook van de families over het weerzien in gezondheid en goede welstand. Het overschot van onze voorraad was weldra verdeeld, de huisgenoten waren niet weinig verbaasd. Nu restte nog de taak de mosselen te verkopen. Het viel niet tegen, want die aldaar nog voorhanden waren, waren klein en mager van vis, terwijl de onze groot en blank van vis waren.
Wij verkochten ze aan Stoffels voor f 1,25 per ton en Koppenhol aan Simon Schot voor dezelfde prijs. Wij hadden 81 ton gelost en Koppenhol 74 ton, samen alzoo 155 ton tot een bedrag van f 193,-. Met die f 50,- geschonken geld in totaal f 243,- of f 121,50 voor elk. Gerekend over een periode van 5 weken, hadden wij ondanks alle wederwaardigheden en dankzij de steun van Cocksdorp nog f 25,- per week besomd.

Weer thuis

Wij kregen nogal veel belangstelling aan huis, en daar wij het adres bij ons hadden van Dominee en van boer van Eerwaarde heeft Vader hen een hartelijke brief geschreven, waarop ook weer antwoord kwam, waarbij zij hun blijdschap uitten over de voorspoedige thuisreis. Uit dit verhaal mag weer blijken, dat de Heere in tijd van benauwing uitkomst schenkt en mild geeft aan wie Hem daarom in waarheid aanroepen. Hem zij de lof en de dankzegging.
Zo ben ik dan aan het einde van deze reisbeschrijving en hoop aan je verzoek tot aller genoegen te hebben voldaan.

N.P. Baaij

De Historische Vereniging Texel

Wij mogen dit artikel publiceren met toestemming van de De Historische Vereniging Texel.
De Historische Vereniging Texel is opgericht op 20 februari 1985. Het tijdschrift van de vereniging, onder de naam ‘Uitgave van de Historische Vereniging Texel’, verschijnt vier keer per jaar. Het tijdschrift van de Historische Vereniging Texel is op de website van het Regionaal Archief Alkmaar digitaal raadpleegbaar. Jongere jaargangen kunt u in de studiezaal van het archief inzien.

Terug naar vorige pagina