Het Friese jacht 'Aeolus' 1894

Gebouwd door Eeltje Holtrop van der Zee en/of Auke van der Zee in Joure

Het verhaal van Gerard ten Cate

Na "Ouder Zeilend Hout", hoofdstuk 2.10 “Aeolus”, andere en nieuwe inzichten

In het boek “Het Friese jacht” beschrijft Dr Ir J. Vermeer in 1992 het Fries jacht “Aeolus” (SSRP plaquette 1445) op de bladzijden 185, 186 en 187. Veel van de bladruimte wordt ingenomen door een paar foto’s. Ten opzichte van alle andere beschreven schepen is de heer Vermeer hier erg beperkt. Vrijwel iedere informatie over het scheepje ontbreekt. De heer Vermeer heeft alle maten van de 'Aeolus' genomen zoals hij alle andere ronde jachten heeft gemeten (zie het meetschema in “Het Friese Jacht” op de bladzijden 282 en 283).

De heer Vermeer begint met zijn relaas over de 'Aeolus' op bladzijde 76 in paragraaf 9.1.2.

”….. Omstreeks 1976 dook namelijk een aanvankelijk naamloos jacht op met dezelfde afmeting, 5,30 meter. Dit jacht door haar huidige eigenaar 'Aeolus' gedoopt, heeft verschillende kenmerken met de andere jachten van Van der Zee gemeen, maar ook met die van Jan Visser. Omdat de historie van voor 1976 (nog)geheel onopgehelderd is, laten wij een toeschrijving ten gunste van een van beide mogelijkheden liever achterwege. ”
“In tabel 7 (paragraaf 8.2) komt een jacht voor, waarvan de herkomst onbekend is en dat wij niet met vrij grote zekerheid durven toeschrijven aan een van de in deze publicatie behandelde  werven. De kenmerken die het vertoont, hebben te veel tegenstrijdigheden voor een pertinente toeschrijving; daarom bespreken wij het hier apart.” ……….
“….. het jacht 'Aeolus' heeft verschillende kenmerken gemeen  met de jachten gebouwd door Eeltje Holtrop van der Zee, maar ook met die van Jan Visser, te weten: Een gepiekte (cq V-vormige) bodem, schuin staande boeisels en fraai snijwerk op boeisels, kluisborden, beretanden, bedel- en hennebalk, waarbij met name de veelpuntige sterren op de kluisborden moeten worden genoemd. Bijzonder opvallend is het snijwerk op de bedelbalk, dat frappante gelijkenis vertoont met dat op dezelfde plaats bij de Jouster jachten 'Argo', 'Hou Moed' en 'Neptunus'. Dit zou pleiten voor het ontstaan op de Jouster werf. In paragraaf 9.1.2 hebben wij reeds geopperd, dat de 'Aeolus' de na 1928 verdwenen “Topper II” zou kunnen zijn”………… 
“Daar staat tegenover, dat de zeeg gering is, doordat zowel de kop als de achtersteven relatief laag zijn. Bovendien valt de achtersteven veel sterker dan bij enig jacht van Van der Zee voorkomt. Deze kenmerken vinden wij juist bij de jachten van Visser terug . Gezien de tegenstrijdigheden en zolang er niet meer over de historie van dit jacht is achterhaald, kan over de bouwer geen pertinente uitspraak worden gedaan”.


Omdat de historie van voor 1976 (nog)geheel onopgehelderd is, laten wij een toeschrijving ten gunste van een van beide mogelijkheden liever achterwege. (Dr Ir J.Vermeer, Het Friese jacht blz.76).

 

Van de 'Topper II' is in 2017 een foto teruggevonden. Dit scheepje heeft voor zover zichtbaar meer trekken van de 'Njord' uit 1867 dan van de 'Aeolus'. (foto 'Topper II' geschat tussen 1925 en 1930).

Verkapte opdracht

Met hetgeen hij in zijn boek Het Friese jacht heeft geschreven ligt er wel een verkapte opdracht van de heer Vermeer om de geschiedenis van dit scheepje uit te gaan zoeken. In 2011 is er door ondergetekende uitgebreid onderzoek gedaan de ronde jachten die op het Paterswoldsemeer hebben gevaren en die, die er door Jan Visser gebouwd zijn. Met de inschrijving in het Stamboek en vingerwijzingen van de heer Vermeer in zijn boek “Het Friese jacht”  is er door mij intensief gezocht naar sporen uit het verleden van de 'Aeolus'. De 'Aeolus' is in een apart hoofdstuk  (2.10) opgenomen in het digitale boek “Ouder Zeilend Hout”. Er is veel informatie teruggevonden. De oudste datum van het gevonden materiaal is te dateren na 1945. Van een eerdere datum is er tot 2016 toe, niets gevonden. In dit hoofdstuk zijn er de nodige argumenten opgevoerd waarom de 'Aeolus' aan Visser toe te schrijven kan zijn. Nergens is er een sluitend bewijs gevonden dat dit werkelijk het geval is.

Feiten

Na het onderzoek naar het verleden van de 'Aeolus' in 2010 en de publicatie van "Ouder Zeilend Hout" zijn er tot dan toe onbekende foto’s teruggevonden. In 2010 heb ik de 'Aeolus' op haar ligplaats in Krimpen aan de Lek uitgebreid gefotografeerd. Hein Tabink was op dat moment zo’n veertig jaar eigenaar. Er zijn eerdere oud eigenaren teruggevonden en geïnterviewd. In 2012, een jaar na het verschijnen van “Ouder Zeilend Hout”, werd ik gebeld door Hein Tabink met het verzoek het eigendom van het scheepje van hem over te nemen. Op dat moment was hij ongeneeslijk ziek. In november 2012 heb ik haar van haar ligplaats opgehaald en op een trailer meegenomen naar Zuidlaren. Bij de overdracht werd me bezworen dat ik veel verborgen gebreken aan zou treffen. Dit bleek waar te zijn.

Foto GtC. 2 november 2012 'Aeolus' tijdens het takelen In Krimpen aan de Lek. Het roer heeft dezelfde kleur als de romp. Het is echter gemaakt van grenenhout. De weegklok op de kraan gaf 900 kilo aan voor de romp met vlonders, roer, botteloef, giek, buitenboordmotor en dekkleed. Op 3 november 2012 heeft de 'Aeolus' onderweg van Krimpen aan de Lek naar Zuidlaren op de beurs Klassieke Schepen in Enkhuizen gestaan.

Foto Robin van Son, Makkum 4 november 2012

Een paar dagen voor het overlijden van Hein Tabink ontving ik van hem nog een envelop met foto’s en brieven waar nog nooit kennis van was genomen, en die door Hein Tabink verloren waren gewaand. Noch voor het boek “het Friese jacht” noch voor het boek “Ouder Zeilend Hout” was dit materiaal beschikbaar. Op de oude foto’s is een veel ronder, veel gezeegder scheepje te zien, veel minder gestrekt dan ze nu is en anders dan de heer Vermeer haar gezien en bekeken heeft. Foto’s van een ongerestaureerde -, en van een gerestaureerde 'Aeolus' in 1983. Haar oorspronkelijke vorm werd zichtbaar. Mooier. Helaas zijn van de tientallen foto’s er maar een paar geschikt voor publicatie. De meeste zijn te weinig scherp.

In een brief van de heer Vermeer aan Hein Tabink schrijft de heer Vermeer dat hij denkt dat het gerechtigd is de 'Aeolus' toe te schrijven aan Jan Visser uit Paterswolde. Met deze scheepsbouwer als geestelijke vader is de 'Aeolus' toen in de schepenlijst van het Stamboek opgenomen met plaquettenummer 1445. Ondanks dat ik het scheepje opgenomen heb in mijn boek Ouder Zeilend Hout bestond bij mij een spoor van twijfel over de herkomst.

2016 Twijfel

Tot 2016 heb ik steeds aangenomen dat de 'Aeolus' een scheepje was dat door Jan Visser gebouwd was. Haar relatief vlakke kop en achterschip geven haar een wat gestrekte vorm, passend bij hetgeen we van de werf van Visser kennen. De sterk vallende boeisels passen bij het varen op het ondiepe water van het Paterswoldsemeer. Hierbij passen eveneens de relatief lange zwaarden. Immers ze moeten wel lang zijn om bij zulke extreem vallende boeisels voldoende effect te hebben……… Het scheepje heeft een 11 centimeter hoge kielbalk die achter bij de scheg duidelijk dieper is dan bij de voorsteven. Hiermee wijkt ze af van alle andere ronde jachten. 
Mijn werkelijke twijfel kwam toen in tijdens de jaarvergadering van Oostergoo in juni 2016 naast de 'Twa Sisters' van Siebe Haagsma stond. Het snijwerk van Visser ziet er anders uit. De diepte waarop gesneden is en de vormen die gebruikt werden zijn anders. Het snijwerk van Visser is minder expressief, minder perfectionistisch. Het snijwerk van de 'Aeolus' is als dat van de 'Twa Sisters'. De fjouweracht  'Twa Sisters' is gebouwd op de werf van Van der Zee in Joure (1888).

Kijken en bekijken

Bestudering van het snijwerk op nu nog bekende schepen gebouwd door Eeltje en Auke van der Zee laat zien dat hun snijwerk gemaakt tussen 1883 ('Aurelia') en 1921 ('Jannetje') vaak tot in detail gelijkenis vertoond. Bedelbalken, hennebalken, beretanden, kluisborden en lofwerk op de boeisels zijn alle steeds met dezelfde graad van perfectie en expressie uitgevoerd. Qua afmetingen aangepast op de plaats waar het wordt toegepast. Oudere schepen van de Jouster werf hebben anders vormgegeven snijwerk. Uit overlevering weten we dat Auke van der Zee een bekwaam houtsnijder was en dat hij lange tijd zelf het snijwerk voor hun schepen verzorgde.
Wanneer je, zoals ik, en paar jaar dagelijks naar een scheepje zoals de 'Aeolus' kunt kijken, ga je steeds meer details zien. Zichtbaar is dat zowel voor- als achtersteven weg gezakt zijn. Het boeisel is voor een groot deel nog origineel, en het snijwerk en biezen stroken niet meer ter hoogte van de bedelbalk en hennebalk. De bovenkant van de achtersteven moet zelfs zo’n 7 centimeter naar voren en opzij naar stuurboord worden teruggebracht. De voorsteven is centimeters voorover en naar stuurboord gezakt. De kielbalk is doorgezakt en niet meer recht.
Wanneer stevens in de oude posities teruggezet kunnen worden, dan ontstaat er automatisch een scheepje dat weer veel mooiere ronde vormen krijgt. Het argument dat de heer Vermeer gebruikt over de helling van de achtersteven komt dan in een ander daglicht te staan. De stevens worden daarmee “Van der Zee”. De stevens zijn zelfs zodanig uitgezakt dat haar lengte groter geworden is. Naar schatting is ze bij de eerste te water lating ongeveer zeventien centimeter korter geweest dan ze nu is. De lengte die de heer Vermeer gemeten heeft, 5.30 meter, is niet oorspronkelijk. In 2018 is ze nog verder uitgezakt en meet je 5,34 meter.
Robin van Son kwam met een vingerwijzing om in de richting van Van der Zee te gaan zoeken. Hij heeft foto’s van de 'Aeolus' naast foto’s van de 'Aleide Anna', 'Jannetje', 'Frisia' en de 'Neptunus' gelegd. Van der Zee schepen. Van deze schepen waren foto’s vanuit een zelfde positie beschikbaar als bij foto’s die van de 'Aeolus' genomen zijn. De gelijkenissen zijn dan ineens treffend.

Links 'twa Sisters'

Rechts 'Aeolus'

Links 'Neptunus'

rechts 'Aeolus'

Links 'Aleide Anna'

Rechts 'Aeolus', hier valt het uitgezakte achterschip op

Links 'Aleide Anna' Rechts 'Aeolus', hier valt het uitgezakte voorschip op

Links 'Jannetje'

Rechts 'Aeolus'

Links 'Jannetje' Rechts 'Aeolus'

Let op de gelijkenis van het stevenprofiel en het stevenbeslag. De manier waarop het berghout is geconstrueerd en vormgegeven is identiek. Bij het Fries jacht 'Murkjen' (Lantinga 1902) kom je een soortgelijke constructie tegen, maar de uitvoering is zwaarder). De scheepjes zijn qua constructie gebouwd als tjotter. Het berghout vult de hoek tussen boeisel en berghoutsgang op.

 

 

   Roer en achterschip Jannetje.
   Inzet roerkop met origineel roerbeslag 'Aeolus'.

Frisia boven Aeolus onder. Let op gelijkenis oa. schildpadblok op boeisel en kantellat boven de zwaardbout.

Onduidelijkheden

Nog niet volledig te plaatsen is het volgende:  de enorme helling van het boeisel, de heel lange botteloef die origineel lijkt te zijn, maar een afwijkende vormgeving heeft en de extreem lange giek. Deze is bijna zo lang als de boot zelf.  Het tuig is laag. Er zijn geen schepen bekend waar de hellingshoek van het boeisel zo extreem is als die bij de 'Aeolus'. Zowel Visser als van der Zee hebben een groter dan gebruikelijke valling van het boeisel toegepast, maar van geen schip is dit te vergelijken met dat van de 'Aeolus'. Dat van de 'Frisia' (1876 van der Zee) komt in de buurt. De lengte van de zwaarden is groter dan gebruikelijk. Is dit een aanpassing om onder het zeilen voldoende zwaard te kunnen steken? Zijn botteloef, giek en de helling van het boeisel in verband te brengen met het zeilen van wedstrijden? Is het heel schuine boeisel om water buiten te houden, zijn botteloef en giek restanten van een oud wedstrijd tuig? Of is er gewoon geëxperimenteerd? 

Addenda

  1. Kort na het verschijnen van het boek Ouder Zeilend Hout, ontdekte Robin van Son onderstaande foto.

    'Aeolus' foto Hein Tabink.
    Hier is nog veel origineel hout, zijn nog oorspronkelijke vormen, constructie details en de boeiselschuinte te zien.


    Een  verloren gewaande foto gemaakt door Hein Tabink. Hij had deze foto gemaakt toen hij de boot had gekocht. De foto is toen rondgestuurd naar mensen die mogelijk iets over de geschiedenis van het scheepje konden vertellen. Het heeft toen niets opgeleverd. Na de presentatie van het boek “Ouder Zeilend Hout” werd deze foto door Robin van Son gevonden op de digitale beeldbank van Nederland maritiem.
    Wat aan deze foto opvalt is de van latten gemaakte bank die dan nog is de boot aanwezig is. Het heeft een vorm die je bij door Visser gebouwde boten tegen komt. In 2016 zitten dergelijke banken onder andere in de in 1912 door Visser gebouwde 'Hoû Moed' (Houmoed) en de door Visser gebruikte motor-rondvaartboot 'Neptunus' die nog altijd op het Paterswoldsemeer rondvaart.




    Banken in de scherpe zeilboot Hoû Moed (GtC)




     
  2. Hein Tabink (15 november 1948) is op 17 augustus 2013 overleden. Op een herdenkingskaart die bij zijn uitvaart werd uitgedeeld staat de volgende tekst:

    Hein groeide op als middelste zoon van ons gezin van zeven kinderen. Onze broer was een durfal, sportief en reislustig, school kon hem minder boeien. Hij was meer van de praktijk.
    Zijn grote passie voor techniek bracht hem na de HTS, richting werktuigbouw, in de scheepsbouw, bij onder meer Boele en later IHC. Zijn liefde voor boten vertaalde zich ook naar zijn eigen Fries Jachtje 'Aeolus', dat hij helemaal restaureerde en bijna 35 jaar heeft gekoesterd. Ambachtelijk werk waar hij helemaal in kon opgaan.
    Het was zo mooi dat hij de laatste jaren de liefde van zijn leven vond in Kumiko en met haar naar Santiago de Compostella heeft gelopen, gereisd en geskied. Zij was ook voor de familie een aanwinst. Vooral in deze laatste moeilijke fase was ze een grote steun voor Hein en voor ons.
    Als mens was Hein zo bescheiden en wars van ieder uiterlijk vertoon, hechtte geen waarde aan materiële zaken maar alleen aan mensen en de grotere waarden van het leven. Zijn zorg voor anderen stond daarbij voorop, ook al bracht hem dat veel zorg en spanning. Zichzelf stelde hij altijd op het tweede plan, tot en met de laatste fase van zijn leven……….”
  3. Op 2 september 2013 is Sybren Kingma Boltjes, eigenaar van het door Eeltje Holtrop van der Zee gebouwde Friese jacht 'Njord', bij de 'Aeolus' wezen kijken. De 'Njord' is sinds 1890 eigendom van zijn familie. De 'Njord' mag als origineel worden beschouwd. De geschiedenis van haar is generaties achter elkaar goed gedocumenteerd. Er zijn geen aanwijzingen dat er wezenlijke veranderingen aan het schip zijn aangebracht. Volgens Sybren is de 'Njord' zwaarder gebouwd dan de 'Aeolus'. Verder is alle ijzerwerk zwaarder gemaakt dan bij de 'Njord'. Zijn indruk was dat de 'Aeolus' niet gebouwd was door Van der Zee.
    (De 'Njord' valt buiten de genoemde periode 1883 -1920).

  4. In oktober 2016 is er uitgebreid met Siebe Haagsma gecorrespondeerd over de 'Aeolus'. Siebe is eigenaar van de 'Twa Sisters'. Een fjouweracht gebouwd door Van der Zee, en eveneens al generaties (sinds 1897) eigendom van dezelfde familie.
    (foto GtC) Op deze foto is het bandstuk te zien zoals  bij de Jannetje, het koperwerk is als bij de Frisia, de gilling lijn is als bij meerdere Van der Zee schepen, inhouten in de boeg zijn identiek met andere Van der Zee schepen, de spantafstand en de leggerafstand is als bij Van der Zee. Het snijwerk is Van der Zee. De beretanden zijn als bij de Frisia. De bedelbalk  en hennebalk komen bij meerdere Van der Zee schepen voor gebouwd tussen 1883 en 1920. Het verloop van de gangen is Van der Zee. Het overgebleven koperwerk op roer en zwaarden is Van der Zee.

    Op bovenstaande foto reageerde hij als volgt:

    Dat schreeuwt me tegemoet: van der Zee. Snijwerk op bedelbalk identiek aan De Twa Sisters, dat zware stuk hout tegen de voorsteven, onder de bedelbalk, idem. Koperbeslag lijkt me ook identiek, maar is nog wel heel dik. Dat van mij is al voor de helft weggepoetst”.

    (De Twa Sisters valt binnen de periode 1883-1920). Een constatering die haaks staat op die van Sybren Kingma Boltjes. Wel verklaarbaar.

  5. Zoals hiervoor geschreven kwam Robin van Son in oktober 2016 nog met een aantal vingerwijzingen naar Van der Zee. Helaas is het zo dat er weinig origineel hout meer in en bij het scheepje aanwezig is. Het bovendeel van het boeisel en inhouten in het voorschip en snijwerk lijken nog origineel te zijn. Al het overige hout is van een jongere datum. Op het binnen boeisel zitten nog kenmerkende klosjes waarop de fokkeloet gezet kan worden. (Even als bij de 'Twa Sisters'). (Hein Tabink heeft altijd oorspronkelijk hout van voor de restauratie bewaard. Dit materiaal zou nog worden overgedragen. Zijn erven hebben dit materiaal helaas vernietigd. Alle spanten zijn van recente datum en lichter uitgevoerd dan je bij Van der Zee mag verwachten).

Interpretatie

Inmiddels zijn er meerdere argumenten die voor Van der Zee pleiten dan op het moment dat de heer Vermeer zijn onderzoek deed. Wanneer je het snijwerk als uitgangspunt neemt voor een mogelijke datering, dan moet ze gebouwd zijn tussen 1883 en 1921. Misschien dat het bouwjaar dat op een oude polis staat, 1896, meer juist is dan je in eerste instantie zou verwachten, al ga ik er op voorhand nog steeds van uit dat dit slechts een indicatie is.

Werfboeken Van der Zee

Zoals hiervoor geschreven lijkt het gerechtvaardigd om te gaan zoeken in de jaren tussen 1883 en 1921. In de bewaard gebleven werfboeken van Van der Zee komt een scheepje voor dat in 1892, 1893 of 1894 is gebouwd en voldoet aan de gegevens van de 'Aeolus'. Het exacte bouwjaar staat er niet bij. (De notitie er voor is van 1892, de notitie erna van 1894). Er zijn twee werfboeken waarin het scheepje beschreven is met verschillende handschriften. Het schip dat direct er na wordt beschreven is de boeier 'Friso', het huidige Statenjacht van de provincie Friesland. Bij dit schip staat het jaartal 1894 vermeld.

  1. In boek nummer 3 blz 250 staat een omschrijving,  gespecificeerd met bedragen. De leesbaarheid vraagt enige inspanning. Is het genoteerd door Eeltje Holtrop van der Zee?



    Het boot na V?????? voor den Langevoor, lang 18 voet 3 duim, wijd 7 voet 10 duim. Hoog voor 3 voet 10 duim achter bij de steven 3 voet 8 hol op de boegen 26 duim  over alles 33 duim op de kiel wijd in vlak 5 voet 5 duim, voorend lang 7½ voet achter 3 voet.  Zwaarden 5 voet 10 duim breed op breed 3 voet 8 duim berghouten handen aan de steven, en snijwerk,
    de smit        … 
    verver        32,64
    koperslag    27,80
    een mast erbij    12,50
    vlagestok      1,25
    een vok erbij    20,72½
    betaalt bij de levering vierhondert en vijftig Guldens
     
  2. De tweede vermelding staat in boek nr.17 op bladzijde 42. Genoteerd door Auke van der Zee? Het handschrift is anders dan van de eerste.. 



    Een boot gemaakt Na ver????en voor den heer Langevoort
    Lang 18 voet 3 duim wijdt 7 voet 10 duim. Hoog voor 3 voet 10 duim achter bij de steven 3 voet 8 duim hol op de boegen 26 duim over alles 33 duim op de kijl wijdt en het vlak 5 voet 5 duim voorend lang 7 ½ voet achter 3 voet zwaarden 5 voet 10 duim breed op’t breeds 3 voet 8 duim. Berghout handen aan de steven en snijwerk voor de som van vierhonderd vijftig gld.
    --------------------------------------1894-----------------------------------------------------------------------------

Voorlopige Conclusie 2016

Met zekerheid kun je zeggen dat ze korter is geweest dan de 5.34 meter die ze nu meet. Met een voorlopige schatting zou ze oorspronkelijk zo’n 5.20 meter (18 voet 4 duim) geweest moeten zijn (5.17m wanneer je de door Van der Zee genoteerde maten omrekent). In de werfboeken van Van der Zee zou ze dan als “boot” van ongeveer achttien voet voor moeten komen. De boot voor de heer Langevoort komt hier voor in aanmerking.
Op de werf van Van der Zee werden meerdere maatvoeringen gehanteerd (zie werfboeken). Bij de boot van Langevoort zijn duimen en voeten gegeven. Met de voet wordt de Amsterdamse voet bedoeld. Deze voet was verdeeld in 11 duimen. Een Amsterdamse voet is 28,31 centimeter. Verder kom je de el en de palm tegen en werd de meter en de centimeter gebruikt.

1 (Amsterdamse) voet is 28,31 centimeter. 1 (Amsterdamse)duim is 1/11 (Amsterdamse)voet is 2.57 centimeter (afgerond).    
18 voet 3 duim =  (18x28.31cm) + (3x2.57cm) = 509.58 cm +7.71 cm = 517.29 cm (5.17m)
7 voet 10 duim =  (7x28.31 cm) + (10x2.57cm)= 198.17 cm + 25.7 cm = 223.87 cm (2.24m)

Er van uitgaande dat de meetgegevens van de Van der Zee’s kloppen, en dat de 'Aeolus' de boot van Langevoort is, dan zal de oorspronkelijke lengte 17 centimeter korter zijn geweest dan de 5.34 meter van nu. (Een dergelijk maatverschil kwam ook voor bij de tjotter 'Hilda' van Martijn Perdijk. Hij heeft dit bij restauratie weer gecorrigeerd. De constructie van de rondejachten maakt het uitzakken mogelijk).
Van de werf van Van der Zee is bekend dat Auke zelf borg stond voor veel (alle?) snijwerk. Citaat (1956) mevrouw Petersen Romkema: “Oom Auke was zeer bekwaam in houtsnijwerk. Hij maakte prachtige grote kasten van teakhout, die bijzonder fijn waren uitgesneden. Ook het maken van de leeuwtjes op het roer van de boeiers was zijn werk” ( Stamboekmonografie blz. 453). Van alle bij het Stamboek ingeschreven Van der Zee schepen komt een zelfde soort snijwerk voor bij schepen die tussen 1883 ('Aurelia') en 1921 ('Jannetje') zijn gebouwd. Het snijwerk van de 'Twa Sisters' (1888) toont misschien wel de grootste overeenkomst. Het snijwerk op de 'Aeolus' is past hier naadloos bij (zie verder hoofdstuk “snijwerk”).




Bedelbalk van het in 1895 gebouwde Friese jacht Argo (foto GtC)


De heer Vermeer beargumenteerd in zijn boek het Friese Jacht dat de achterover hellende achtersteven een verwijzing naar Visser is. Zichtbaar is dat de achtersteven is weggezakt. Er zit een knik ter hoogte van de hennebalk. Aan stuurboord is een verschil / sprong van zeven centimeter meetbaar. De kielbalk is eveneens weggezakt. Wanneer dit bij een restauratie gecorrigeerd wordt, zal de achtersteven automatisch veel steiler komen te staan. Dit impliceert dat dit haar lengte zal beïnvloeden. Ze wordt daarmee korter en “hoger”.
Er moet onderzocht worden of de maten die Van der Zee bij “de boot” van Langevoort noemt overeenkomt met werkelijke maten van de 'Aeolus'. Eveneens zal de 'Aeolus' opgemeten moeten worden opdat er digitaal mogelijk de oorspronkelijke lijnen  herleid zullen kunnen worden. Deze kunnen vervolgens als leidraad gebruikt worden bij een restauratie. De gevleugelde uitspraak van Eeltje Holtrop van der Zee, “Myn each is myn rij” zal hier losgelaten moeten worden.
Vanwege de dubbele vermelding in de werfboeken, lijkt het gerechtvaardigd te veronderstellen dat de boot van Langevoort gebouwd is in de periode waarin de dagelijkse leiding van de werf over ging van Eeltje naar Auke. In de werfboeken komt staat een aantekening dat Eeltje in 1893 met pre?pensioen ging. Wanneer de boot van Langevoort inderdaad de 'Aeolus' is, is Auke dan haar geestelijke vader?
Vóór Van der Zee pleit het snijwerk en details in het over gebleven oude houtwerk.  Het fijne boeisel naast de voorsteven en de opbouw van zandstrook en gangen. Oorspronkelijke moet ze elegant zijn geweest. Eleganter dan ze nu  (2018) is. Alle nog aanwezige koperwerk lijkt origineel en lijkt te zijn zoals je het bij andere Van der Zee schepen ziet. Zowel aan de boot zelf als op de zwaardkoppen en het roer. Het messing is dik (2mm) en nauwelijks weggepoetst.
Tegen Van der Zee pleit het ijzerwerk zoals botteloef met bijbehorende stangen , taatsoplegging van de mast en het lummelbeslag. Dit is oud, maar niet zoals gebruikelijk bij Van der Zee. Of mast, giek, botteloef en tuig oorspronkelijk bij het schip horen? Ik waag het te betwijfelen. Omdat ze uitgezakt is, moet er geprobeerd worden haar werkelijke vorm te reconstrueren. Digitale tekenprogramma’s kunnen hier heel behulpzaam bij zijn.

2017

Tijdens de Hiswa in 2017 stond de 'Aeolus' op de stand van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten. Op de banner die gemaakt was stond centraal de vraag : “Een Van der Zee of …. toch geen Van der Zee? Wat denkt U?” De antwoorden uit het publiek waren wisselend, maar de teneur was vooral dat ze gerestaureerd zou moeten worden.

November 2017

Tijdens een bezoekje van Klaas Havenga (eigenaar van het Friese jacht 'Dageraad') en zijn zoon Thomas hebben we mijn bevindingen tot dat moment besproken. In de werfboeken van Van der Zee was de plaatsnaam Veessen niet duidelijk leesbaar. Deze plaatsnaam was al gesuggereerd door Dirk Huizinga, maar er was nog niet op gezocht. Klaas Havenga heeft tekstgedeeltes in de werfboeken van Van der Zee vergeleken en kwam met het bevestigende oordeel dat er inderdaad Veessen was geschreven. (De dubbele “s” werd aan het eind van de 19e eeuw op een eigen manier vorm gegeven. De tweede “s” werd dan als een soort “g” geschreven).
Veessen is een dorpje ten zuiden van Hattem aan de IJssel. De familienaam Langevoort komt oorspronkelijk uit deze omgeving.
Mijn impulsieve reactie op Klaas Havenga zijn oordeel was om eens te kijken of er een website van een historische vereniging in Veessen bestond. De score was positief en de derde foto die getoond werd was er één van een Fries jacht zeilend op de Hank, voor de molen van Veessen. De gelijkenis met de 'Aeolus' was treffend.
Via de streekarchivaris en vrijwillig molenaar Uit Veessen, Gerrit Kouwenhoven kreeg ik de bewuste foto in een hoge resolutie toe gemaild. De foto is genomen voor 1905. Er is in dat jaar naast de molen een bouwwerk opgericht, dat op de foto nog niet te zien is.

Jan Langevoort (29-3-1858 tot 4-6-1924) was molenaar in Veessen. Gerrit Kouwenhoven heeft het volgende over Jan Langevoort en zijn molen beschreven in de Geschiedenis van de Mölle van Bats te Veessen 1779 – 2010.

Over deze molenaar Jan Langevoord, “de vriend van de wind”, is de volgende anekdote genoteerd door een Veessenaar, die later zijn herinneringen aan zijn jongensjaren in het begin van de 20ste eeuw opschreef. “Wat was ’t dan een apatte gebeurtenis as ’t mooje jach Lubertha van de mulder onder de aoverkapping vedan kwamp. As de blanke fokke en ’t zeil ehees’n word’n en die mooje boot as ’n lichte meeuwe aover Hank en Iessel gleed. Eigenlek de trots van ’t hele darp, want ’t raek’n iederiene  as ’t jach naor buut’n gunk. Een omstander vroeg de mulder: ‘’t Weejt toch niet te hard?’ dan lach’n de vriend van de wind: ‘Wat praot iej toch van weej’n. Aj de vinger in de luch steek en ’t vel krult oe op tut an de ellebaoge, dan weejt ’t pas. Wuule trekt ’t wiede lokkende waater op, edreev’m deur de wind en ’t hele darp zal weet’n wat de Lubertha kan. Door kuj mee wenn’n door kuj mee keer’n en laveer’n, iej kunt er mee in een pispot keer’n’” Een andere uitspraak van hem die hij deed als hij van anderen de opmerking kreeg dat het wel erg hard met de molen ging was: “der brek niks dan holt en iezer”. Het is niet altijd goed gegaan, want een keer heeft hij de koningspil aan stukken gedraaid. …..”

Met deze informatie lijkt het zeer te verdedigen dat de boot die de heren Van der Zee leverden aan Langevoort na Veessen hetzelfde scheepje is als het Friese jacht op de foto. Temeer omdat deze tot in detail gelijkenis heeft met de 'Aeolus'.

2018

Blijft natuurlijk altijd de vraag of 'Lubertha' de werkelijke naam van het scheepje was. Immers er is sprake van een overlevering. In januari 2018 kwam weer Klaas Havenga met een krantenartikel van 28 september 1897 uit de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant waarin een verslag van een zeilwedstrijd staat gehouden bij het Katerveer bij Zwolle. De Lubert(h)a van Langevoort vaart er mee. Om een indruk te geven van de sfeer volgt hier het volledige krantenartikel.

​​​​​​​Uit: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 28 september 1897

Zeilwedstrijd
Het was gisteren morgen reeds een gezellige drukte op den Veerweg en aan het Katerveer. De jachten en kleinere bootjes die “s middags aan den wedstrijd zouden deelnemen werden door de rijk gepavoiseerde sleepboot Anna naar de sluis gesleept en daar gezamenlijk geschut. Het groote aantal beloofde wat voor de middag, maar de wind lokte menige bezorgde opmerking uit, hij blies juist den IJssel af. Gelukkig wakkerde hij iets aan en schoot tevens wat uit, zoodat tegen den middag het opzeilen niet meer met zooveel bezwaren gepaard ging. Het weer was toen uitstekend.
Wanneer te 1 uur een zeilwedstrijd een aanvang neemt, komt het grootste deel van het publiek gewoonlijk te twee uur half drie op het terrein en kan dan natuurlijk niet wijs worden uit al die zeilende bootjes die het op de IJssel ziet. Het werkelijk volgen van de wedstrijden, het moet erkend, wordt dan ook slechts door weinigen gedaan. Gelukkig dat de aanblik van den IJssel bij zulke gelegenheden op zichzelf reeds een uurtje aan het Katerveer overwaard is. Het was gisteren middag een vroolijk door elkander krioelen groote en kleine witte zeilen. En als een reus tusschen een troep kleintjes schoot telkens de Freya, het jacht van den heer F. van der Biesen, voorbij het Veer. Trouwens hoewel kleiner van afmetingen trok ook de Tjandi algemeen de aandacht. Later op den middag, bij het einde der wedstrijden kwam de yawl Trilby van den heer Th. Van Heemstede Obelt uit Amsterdam den IJssel opzeilen. Vreemde vaartuigen waren er, behalve de Luberta uit Veessen,overigens niet. Een drietal Kamper booten, die voor het ringzeilen stonden ingeschreven, waren blijkbaar door den ongunstigen wind ’s ochtends verhinderd op tijd aan het Veer te zijn. Nu en dan pagaaide ook een jongmensch op waterschoenen voorbij.
Te kwart over één werd het sein van afvaart gegeven voor den wedstrijd voor getuigde schippersbooten. Een viertal booten namen er aan deel: 1. Anna, M. van der Biesen te Zwolle, 2. Valk, M. Kurpershoek te Frankhuis, 3. Sloep, Spruit te Zwolle 4. Emma, Jansen, Zwolle. De Emma was reeds terstond voor, maar toen de Anna bij het opzeilen den lage wal hield, terwijl de anderen midden op de rivier of meer aan de Geldersche zijde waren, haalde zij in en was bij de tweede ronde voor. De Emma ging haar voorbeeld volgen, haalde haar verlies in en kwam met een flinken voorsprong één aan. De prijzen waren in kunstvoorwerpen of in geld naar keuze.
Inmiddels was men ook met het ringzeilen begonnen. Het is uit Zaandam dat deze soort zeilwedstrijd naar Zwolle is overgebracht en de ringen en wat er meer bij hoorde, zijn door de Zaanlandsche zeilvereeniging welwillend aan de Zwolsche zustervereniging geleend.

Ringzeilen is eigenlijk niets anders dan het bekende ringsteken, maar nu in een boot en met een stok, die aan de boeg is vastgemaakt, zoodat het geheel op vaardigheid van den stuurman aankomt.
Om de beurt gingen de deelnemende vaartuigen van een stroomopwaarts gelegen boei af. Juist boven en onder het veer bevonden zich een tweetal ringen. Op een drijvende plank stond een stok en daarop stond de ring, die een halve meter hoog, doch slechts ruim een halve decimeter breed was. Achtereenvolgens moest getracht worden deze beide ringen te steken; daarna werd gekeerd en moest tegen de stroom in den zelfde manoeuvre herhaald worden. Werd een ring gestoken bij het stroomop zeilen, dan gold hij voor twee punten, bij het stroomaf zeilen voor drie, omdat bij snelleren gang het mikken natuurlijk moeilijker werd. Was de ene boot gereed, dan kwam de tweede enz., en dit werd tweemaal gedaan.
De uitslag was als volgt: Meta Sofie, J.D. Reinders te Zwolle, 13 punten: Eclair, W.A. van Laer Cz., K. Husseliak en E.J. Tjeenk Willink te Zwolle, 12 punten: Mathilda, W. Wind en W. van Raalte te Zwolle, 11 punten: Agnice, G.A. Dassen te Zwolle, 7 punten: Luberta, J.Langevoort te Veessen, 7 punten: Tjandi, G. Bruins te Zwolle, 0 punten. Het geringe succes van dit laatste vaartuig was voor een deel te wijten aan den veel snelleren gang en aan den hoogen boeg.
Tusschen het zeilen door, en dientengevolge slechts door zeer weinigen opgemerkt, had het ringroeien plaats. De booten hiervoor waren bemand door een roeier en stuurman. Drie ploegen namen er aan deel, waarvan J. Thiebout jr. en M. van der Biezen met 5 punten wonnen.
De jury bestond uit de heeren: P.N.J. Letie, mr. W.C. Lohman, Van der Moelen (Kampen), J.H. Pauw, en J. Warner (starter).
Het feest werd ’s avonds voortgezet met een “kunstavond”, en zo vreemd het ons nu valt in een verslag van een zeilfeest over “kunst” te moeten spreken, zoo vreemd zal het zeker gisteren menigeen, en vooral de deelnemers aan den wedstrijd, zijn gevallen, als inleiding tot een bal naar ernstige, zelfs heel ernstige muziek te moeten luisteren. Een Aufforderung zum Tanz was het zeker niet.
Het heeft de drie executanten, de heeren Paul Rigeligi (Berlijn), Victor Schwarz (Weenen), viool, en Jozef Lange (München), klavier, echter niet ontbroken aan bewijzen van waardeering. De verschillende nummers lokten veel applaus uit. De heer Schwarz speelde heel verdienstelijk de bekende Ballade et Polonaise van Vieuxtemps; tegen de technische moeilijkheden, die Rhapsodie hongroise I van Hauser opleverde, was hij echter geenszins opgewassen. De heer Rigelini heeft een stem, die vooral in de lagere tonen aangenaam klinkt, en met zijn zes liederen had hij veel succes. De Variationen A-dar van Mozart werden door den heer Lange goed gespeeld, maar …. Een publiek dat wacht op een prijsuitdeeling en een bal zucht onwillekeurig bij iedere nieuwe variatie.
De heer W.C. Lohman vooerde, bij verhindering van den president, de heer Van Gorkum, het woord bij de prijsuitdeeling, en bij de inleiding daartoe droeg hij o.a. er op aan om als donateur de Zwolsche Roei- en Zeilvereeniging te steunen. Het zou jammer zijn als in een stad als Zwolle, zoo uitstekend er voor gelegen, de watersport zou ondergaan. Daarna reikte hij met een toepasselijk woord aan de winnaars de prijzen uit.
De zaal was vrij goed bezet geweest, maar thans gingen er velen heen. Met een 50tal paren werd het bal geopend, dat vervolgens onder leiding van den heer Hazelhorst plaats had, maar al heel spoedig dunde het aantal, zoodat het bal te half een was afgeloopen.

Wanneer de IJssel voor jouw deur stroomt, kan ik me voorstellen dat je daar gaat zeilen. Helemaal wanneer de meren op afstand liggen en er weinig alternatief vervoer is zoals dat aan het eind van de 19e eeuw was. Wanneer je wel een mooi scheepje wilt hebben, dan kan ik me voorstellen dat je bij een werf als Van der Zee een dergelijk scheepje besteld. Bedenk dat een molenaar aan het eind van de 19e eeuw iemand “in goede doen” was. Een molenaar was iemand met economisch aanzien.
Misschien ligt in het vaargebied, de IJssel, ook de verklaring voor de erg schuine stand van de boeisels. Immers wanneer deze ver naar binnen vallen, kan de boot meer helling maken voordat er water naar binnen komt. Een veiligheidsaspect?
De 'Aeolus' is een scheepje dat we qua vorm en afmetingen van Van der Zee tot nu (2018) toe niet kenden. Het onderwaterschip lijkt op dat van de tjotter 'Twa Sisters'. Curieus is dat de 'Hou Moed', eveneens in 1894 op de werf van Van der Zee gebouwd ook een kielbalk heeft. Is dit toeval?

Snijwerk

Zoals eerder aangegeven was het snijwerk van de 'Aeolus' voor mij aanleiding om gericht te gaan zoeken in de richting van de werf van Van der Zee in Joure. De 'Aeolus' heeft aan de binnenzijde een bedelbalk en hennebalk. Aan de buitenzijde bij de voorsteven kluisborden en beretanden. Op het boeisel aan SB en BB heeft het voor drie krullen die aansluiten op de ingeschaafde biezen. In het achterschip twee. Boven de sierkrullen is het boeisel afgedekt met geprofileerd messing.
Een leeuw op het roer ontbreekt. Deze is wel te zien op foto genomen op de Hank bij Veessen en op een foto toen de heer van Mansum eigenaar was. De foto’s zijn onvoldoende scherp om hier een goed beeld over te vormen. 
Ik ken geen andere tjotter of Fries jacht  die toegeschreven is aan een andere bouwer die snijwerk heeft met dezelfde vormtaal . Het snijwerk op de 'Aeolus' komt overeen met dat wat je ziet op andere schepen van Van der Zee gebouwd na 1883.
Afgaande op de overleveringen van mevrouw Petersen-Romkema lijkt het dat er vanuit gegaan mag worden dat het snijwerk op de schepen zeker na 1883 gesneden is door Auke van der Zee. De overeenkomsten zijn groot. Het snijwerk is sprekend en evenwichtig en welgevormd. Het is gedetailleerd en driedimensionaal. 
Het snijwerk op de verschillende Van der Zee bedel- en hennebalken is niet identiek, wel gelijkvormig. Immers geen schip is gelijk en de individuele maatvoering moet daarom anders zijn. Logisch dat het snijwerk allemaal detailverschillen laat zien. Maar de opzet is overal gelijk. Eveneens gelijk is de onderste bies die in alle bedel- en hennebalken is gesneden. Deze bies lijkt in hetzelfde vlak te liggen dan de bovenste. De bovenste heeft hetzelfde niveau als de meest uitstekende delen van het snijwerk. De onderste ligt dieper dan het laagste niveau van het snijwerk. Dit is zo gedaan dat het niet in het oog springt. Het is gecontroleerd bij de, 'Twa Sisters', 'Argo' en het boeiermodel 'Stanfries'.

Links: De BB zijde van de bedelbalk van de 'Aeolus' aan de onderzijde gefotografeerd. De bovenste dunne rode lijn is de kraal aan de bovenzijde. Duidelijk is te zien dat de onderste rode kraal in een ander vlak ligt dan de eerste.

Rechts: De bedelbalk in het midden aan de onderzijde gefotografeerd. Duidelijk is te zien dat het snijwerk (groen) hoger ligt dan de onderste rode kraal.

Boven: Bedelbalk onder: Hennebalk

De krullen op het boeisel hebben een uit de krul lopende tak langs de bovenrand.

2x beretand en kluisbord van de Aeolus. De stervorm is vaak gekopieerd ook Visser gebruikte deze vorm. Op de oudere ronde jachten van Van der Zee werd op de kluisborden vaak een soort bloemvorm in meerdere variëteiten gesneden.

De eerder genoemde scheepsbouwers Visser gebruikten zoals bekend de 'Eeltje', nu 'Argo', als voorbeeld voor hun ronde jachten. Het snijwerk hebben ze eveneens gekopieerd, maar heel duidelijk hebben ze er hun eigen vorm aan gegeven. Qua contouren zijn er overeenkomsten, maar daar waar het de afwerking betreft helemaal niet. 

Links: De bedelbalk van de 'Poseidon' het centrale deel is bijna vlak zonder niveau verschil gesneden. Afgekeken van Van der Zee maar veel minder weelderig. 

Rechts: Een hoek van de hennebalk van de 'Prinses Juliana'.

Bij de schepen van Lantinga ontbrak het snijwerk vaak. Latere eigenaren voegden dan vaak op persoonlijke titel snijwerk toe. 
De boven- en beneden bies komen in het snijwerk van vrijwel alle ronde jachten op de een of andere manier voor, maar liggen altijd in hetzelfde vlak.
Om werkelijk een kunsthistorische beschouwing te kunnen geven over het snijwerk op de Van der Zee schepen zal nog eens een uitgebreid onderzoek moeten worden gedaan.
Links: Krullen op het boeisel van de 'Aeolus' met duidelijk zichtbaar een tak ontspruitend aan de krul die onder het messing langs de boeiselrand zoals je bij Van der Zee schepen ziet (oa. 'Jannetje', 'Twa Sisters'). 

Rechts: De eenvoudiger, minder expressieve, krullen bij de 'Prinses Juliana' (Visser 1911) de bovenste “Van der Zee tak” ontbreekt.

Opmeten

In 2017 hebben we de 'Aeolus' gescand om haar ongerestaureerde vorm vast te leggen. Dit digitale document moet in een later stadium gebruikt worden voor een reconstructie van haar oorspronkelijke vorm. Deze werkwijze is anders dan gebruikelijk. Restauraties worden over het algemeen gedaan met de vaardigheid van een scheepsbouwer die de restauratie uitvoert.
In het digitale tijdperk waarin we in 2018 leven, lijkt het logisch dat de data die met een scan verzameld zijn ook digitaal te verwerken. Technisch is dit geen probleem. Praktisch levert het wel problemen op. De aanschaf van de scanner is er één , vervolgens zijn de benodigde software pakketten kostbaar en makkelijk beschikbaar. Daarna heb je kennis nodig om alles te bewerken.
Wanneer je deze hard- en software professioneel tot je beschikking hebt, dan is de haalbaarheid veel groter dan wanneer dat in je vrije tijd bij elkaar moet vergaren.
Mogelijk dat een traditionele opmeting met daarna een vertaling naar een tekeningen set, sneller werkt en uiteindelijk voordeliger is.
In 2018 maakt Robin van Son een digitale reconstructie die als basis moet gaan dienen voor een toekomstige restauratie. Om weer te kunnen varen zal een volledige restauratie nodig zijn. Hierover zijn wel al gesprekken gevoerd, maar concrete plannen zijn er begin 2018 nog niet.

Tenslotte

Ik denk met deze overwegingen aangetoond te hebben wat de heer Vermeer al voorzichtig suggereerde, al schreef hij het in zijn correspondentie anders aan Hein Tabink. De 'Aeolus' lijkt toegeschreven te mogen worden aan de werf van Van der Zee in Joure. Wie de scheepsbouwmeester is geweest? Mag het op naam van Auke worden gezet? In de werfboeken staat aangegeven dat Eeltje op dat moment met pensioen was, of was het werkpensioen?
Blijkbaar was 1894 een productief jaar voor de jachtbouw bij Van der Zee. Er werden maar liefst vier jachten gebouwd: De 'Triton', de 'Hou Moed', de 'Lubertha' en de boeier 'Friso'. De kielbalk die zowel de 'Hou Moed' als de 'Aeolus' hebben, kom je bij andere Friese jachten niet tegen.
De 'Aeolus' is een scheepje dat we qua vorm en afmetingen van Van der Zee tot nu (2018) toe niet kenden. Het onderwaterschip lijkt op dat van de tjotter 'Twa Sisters'.

Het lijstje met personalia kan nu als volgt worden samengesteld:

Fries jacht 'Aeolus'
Bouwjaar 1894
Bouwer: Van der Zee Joure
Stamboeknummer 1445 (plaquette is niet meer bij de boot aanwezig)
Afmetingen 5.34 m x 2.36 m
Zeiloppervlak 24,4 m2
ex 'Lubertha', ex 'Ree'

Tot u toe bekende eigenaren 'Aeolus': 

1894 -   Jan Langevoort te Veessen ('Lubertha')
ca. 1955 - Dr. E.G. Duurtsema oogarts te Beverwijk ('Ree').
ca. 1958 - De heer J.H.H. Obertop te Wormerveer (verz. bedrag Hfl.4000,-)
 - 1974 De heer W.H.J. van Mansum te Rotterdam (verz. bedrag Hfl.6000,-)
1974 - 2012 De heer H. Tabink te Ridderkerk ('Aeolus')
2012 - 2018 Gerard ten Cate te Zuidlaren ('Aeolus')
2018 - Jachtwerf Wind&Water ('Aeolus')

In de paar jaar vlak voor de oprichting van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten heeft de heer C.J. van Waning de belangstelling voor, in eerste instantie, ronde jachten levend gemaakt. Zelf was hij eigenaar geworden van de boeier 'Maartje' en hij wilde de herkomst en geschiedenis van zijn eigen schip weten. Zijn speurtocht heeft hij treffend beschreven in de Stamboekmonografie “De onverwachte gevolgen van een ondoordacht idee”. Het eerste waar hij bij zijn zoektocht (ca. 1953) zo ongeveer tegen aan liep was de werf van Eeltje Holtrop en Auke van der Zee. Beide heren waren op dat moment al lang overleden. Een van de weinigen die uit eigen ervaring kon vertellen over deze werf was Eeltje Romkema. Kleinzoon van Eeltje en neef van Auke Van der Zee. Van zijn hand zijn brieven bewaard gebleven die “uit de eerste hand” verhalen over de Jouster werf. Helaas is hij als bron niet heel lang bruikbaar geweest. Hij overleed op 25 september 1953. Brieven en tekeningen van hem zijn bewaard gebleven.

(Vrijwel) alle onderzoek dat naar de scheepsbouwers Van der Zee uit Joure is gedaan, is “uit de tweede hand”. Meestal met de werfboeken van Van der Zee als geschreven bron om op terug te vallen. De meeste beschrijvingen zijn heel feitelijk en gekoppeld aan een individueel schip.

*Facsimile uitgave 1994 17x Werfboeken van de werf van Van der Zee in IJlst en Joure
*Vracht- en Vissersschepen van Eetjebaas en Aukebaas

door U.E.E. Vroom isbn 90-228-1879-9 uitgave De Boer Maritiem

*Stamboekmonografie 1 “De onverwachte gevolgen van een ondoordacht idee” door C.J. van Waning
*Stamboekmonografie 2 “De Fjouwerachten van Eeltje Holtrop van der Zee en Auke van der Zee” door E.G. Duyvis
*Stamboekmonografie 3 “Beschrijving van de tjotter Albert en Nelly” door Dr Ir J. Vermeer
*Stamboekmonografie 5 “De Friese Boeier Constanter 1877-1977” door H.G. van Slooten
*Stamboekmonografie 8 “Constanter semper constans” door H.G. van Slooten
*Stamboekmonografie 19 Het Friese jacht 'Argo'door T.Huitema
*Stamboekmonografie 22 “De geschiedenis van de visaak Dophijn” door H.G. van Slooten
*Stamboekmonografie 28 “Het sierbootje Aurelia” door H.G. van Slooten
*Stamboekmonografie 29 “Het Friese jacht Mercurius” door H.G. van Slooten
*Stamboekmonografie 30 Eeltje Holtrop van der Zee en zijn familie” door H.G. van Slooten
*Stamboekmonografie 31 “Kenmerken van de Friese jachten gebouwd door Jan Visser - Paterswolde” door J. Vermeer
*Waterkampioen Jrg 1939 In memoriam Auke van der Zee
Jrg 1961 De oude werf op ‘e Jouwer door C.J. van Waning
*Ouder Zeilend Hout 2011 door Gerard ten Cate
*Het Friese jacht door Dr Ir J. Vermeer 1992 uitgave Hedeby Leeuwarden
*Tjotters en Boatsjes door Dr Ir J. Vermeer 1997 uitgave Hedeby Leeuwarden
*De Boeier door Dr Ir J. Vermeer 2004 uitgave De Alk en Heijnen Alkmaar
*De boeier Friso door Rienk Wegener Sleeswijk en Arend Jan Wijnsma 1994 uitgave Hedeby ISBN 90-74541-05-4
*Albatros door H.G. van Slooten 1971 present uitgave voor gasten Philips Drachten
*De Boeier Friso door H.G. van Slooten en A.J. Wijnsma uitgave Provinciaal Bestuur van Friesland
*De Lytse Bever Peter Tolsma 2008 uitgave De Alk en Heijnen Alkmaar
*Gudsekop In 1908 een scheepje gebouwd ….. 1974 uitgave VCJC
*de Flecke Jouwer (her)doop uitgave Stichting Het Fries Jacht
*Aebelina De doem van eer J.Prins, P.Herrema, A.Veldboom en K.Jansma 2009 uitgave Penn
*Nederlands Jachtregister 1924/25 uitgave ANWB 1925 inclusief Supplement
*Voor de Wind H. Voordewind 1951 D.A. Daamen’s Uitgeversmaatschappij ’s Gravenhage
*150 jaar Fries Jacht Njord Sybren Kingma Boltjes en Klaas Smit 2017 uitgave S.O. Kingma Boltjes ISBN/EAN 978-90-824232-1-1

 

De websites:

www.heerderhistorischevereniging.nl

www.ssrp.nl

www.delpher.nl

www.spanvis.nl

www.friesscheepvaartmuseum.nl

 

Zonder bijdragen van de volgende mensen had ik dit stuk niet kunnen schrijven:

Hein Tabink †, Gerrit Kouwenhoven, Heerder Historische Vereniging, Dirk Huizinga, Jan Eissens, Klaas Havenga, Rienus Zwaneveld, Robin van Son, Martijn Perdijk, Elisabeth Spits, Jeanette Tigchelaar, Jaap Bernhard, Alexander de Vos

pdf Bijlage Boek "Ouder zeilend Hout " hoofdstuk 'Aeolus'

pdf Dit hele verhaal over het Friese jacht 'Aeolus' is ook als document in PDF-formaat beschikbaar onder de titel: Addenda Errata 'Aeolus' 2016 2018

Terug naar vorige pagina