Beschouwing over de typering Tjotter of Fries jacht

Met als uitgangspunt "het" model in het Scheepvaartmuseum in Amsterdam door Gerard ten Cate

Uiteraard weten we allemaal dat er discussie mogelijk is over de tjotters en Friese jachten, ook is er vaak discussie mogelijk of een schip te het ene of het andere type behoort. Dat maakt het juist leuk en interessant. In het begin van de twintigste eeuw lag dit allemaal makkelijker. Je had toen grote- en kleine tjotters. Pas met het oprichten van het Stamboek is de typering "Fries jacht" algemeen bekend geworden. Bij het nazoeken (begin 2012) van de definities die het Stamboek geeft voor een tjotter en een Fries jacht, moet je vooral tussen de regels door lezen. De type aanduidingen/definities zijn "niet sluitend". In mijn relaas heb ik de beschrijvingen gebruikt die op de website van het Stamboek staan. 

Note redactie: Ook de definities van scheeptyperingen in het Stamboek en in de Musea zijn aan aanpassingen en uitbreidingen onderhevig. Beschouwingen als deze van Gerard ten Cate zijn daarbij van groot belang.

Inmiddels is er wel veel meer bekend geworden over deze schepen en hun bouwers. Mijn inzichten verschillen op sommige punten met definities die het Stamboek hanteert. Persoonlijke inzichten van een eigenaar maken het vaak moeilijk om een oordeel over een schip te geven. Aan de hand van dit model kan dat wel. Juist omdat hier zoveel discussiepunten aanwezig zijn, en omdat er zoveel argumenten te geven zijn waarom er voor het ene dan wel het andere type gekozen kan worden.

Met de kennis die ik van deze schepen heb, heb ik deze beschrijving gemaakt. De inhoud heb laten toetsen door Robin van Son en Peter Tolsma. Zij hebben mijn tekst van kanttekeningen voorzien. 

Model tjotter in Scheepvaart museum Amsterdam. (Collectie nummer A.0125(03)).
Model tjotter in Scheepvaart museum Amsterdam. (Collectie nummer A.0125(03)).

De aanleiding

Van Klaas Havenga, eigenaar van het Friese jacht "Dageraad" kreeg ik correspondentie tussen hem en Elisabeth Spits, conservator van het Nationaal Scheepvaartmuseum in Amsterdam. De kernvraag in deze correspondentie is de volgende: Is het model op de foto hierboven een tjotter of een Fries jacht? Het bevindt zich in de collectie van het scheepvaartmuseum in Amsterdam. (Collectie nummer A.0125(03)). Het is te vinden via www.maritiemdigitaal.nl als getuigd model van een Fries jacht (in 2013 veranderd in tjotter). Blijkbaar is het dus geregistreerd met type aanduiding Fries jacht (in 2013 veranderd in tjotter). Ik kan dit niet nagaan omdat ik geen originele inschrijving van het model heb gezien.

De afmetingen die via "maritiemdigitaal" te vinden zijn, zijn concreet maar onduidelijk. Uit niets blijkt of het model gemeten is over de stevens of dat de totale lengte gemeten is. Uit de gegeven afmetingen lijkt het me dat er sprake is van een groot model. Terecht merkt Klaas op dat er verschillende schaalverhoudingen mogelijk zijn, op basis van deze verhoudingen kunnen maar beperkt conclusies getrokken worden over de afmetingen van het "oorspronkelijke" voorbeeld. Op basis van deze cijfers kan dan ook niet gezegd worden of er sprake is van een groot of klein rond jacht. Het is gebouwd door iemand met kennis van zaken. Op de foto's is een goede indruk van het scheepje te krijgen. Helaas is de resolutie ervan niet zo hoog dat er echt details zichtbaar zijn. Met mijn kennis van deze schepen wil ik een poging wagen mijn visie op dit model aan het papier toe te vertrouwen.

Om te kunnen beoordelen of er sprake is van een tjotter of Fries jacht is het handig de typering van de Stichting Stamboek Ronde- en Platbodemjachten er op na te slaan. Ze zijn terug in de schepenlijst van het Stamboek. Immers de meeste nog bestaande tjotters en Friese jachten zijn hier ingeschreven.

Er is helaas, maar ook gelukkig, geen duidelijke type scheiding tussen jachten en tjotters. Het wordt ook niet bepaald door een enkel kenmerk en ook niet omdat er later een toevoeging of aanpassing gedaan is. Een jacht waar ooit een kajuit op is gezet, is in mijn ogen ook geen boeier maar een jacht met kajuit (met uitzondering van de "Maartje", deze is voor de verbouwing afgebroken tot het berghout).

De typering

Het Fries jacht :
Volgens het Stamboek Ronde- en Platbodemjachten: Open ronde jachten van 5-7m lengte over de stevens, voorzien van berghouten, vaak kluisborden en beretanden en een smal roer, bekroond met een leeuw of ander symbolisch dier. De berghouten zijn doorslaggevend. De term "rond jacht" heeft, in tegenstelling tot wat veel wordt gedacht, geen betrekking op de dwarsdoorsnede op het grootspant doch op de horizontale omtrek die bij een Fries jacht een eivorm met de punt naar achteren heeft.

De Tjotter :
Volgens het Stamboek Ronde- en Platbodemjachten: De tjotter is de kleinste van de open ronde Friese zeilscheepjes met een lengte over de stevens van ten hoogste 5,40m, zonder berghouten, kluisborden en beretanden en met een breed roer waarvan de kop vaak versierd is met een klik, waarin een vogel is uitgestoken. Oorspronkelijk waren ze in Friesland universeel in gebruik voor het kleinschalige vervoer van goederen en personen in de tijd, dat wegverbindingen goeddeels ontbraken. De groep tjotters van 4.80 x 2.40m heten in Friesland "fjouwerachten". Ze zijn na 1852 populair geworden, vooral als wedstrijdboot, doordat ze vanaf dat moment net buiten de belasting op binnenvaartuigen vielen.

De onderverdeling tussen de begrippen Fries jacht en tjotter is soms voor meerdere uitleg vatbaar. Het Stamboek hanteert een scheiding die "werkbaar" is. Op zich zijn dit twee goede typeringen maar niet geheel toereikend. Van ieder type zijn voorbeelden te noemen waarbij de details anders zijn. In de door het Stamboek gekozen formulering zitten de nodige openingen voor een verschillende uitleg. Er zijn scheepjes waarbij discussie mogelijk is. Vroeger lag alles makkelijker. Tot circa 1925 werden er wedstrijden gezeild in grote en kleine tjotters. Na (circa) 1925 werd het ronde jacht minder populair om mee te varen. De komst van de BM en 16m2 waren hier debet aan. Met de oprichting van het Stamboek in 1955 won het ronde jacht weer aan belangstelling.

Verschil van inzicht

Over het volgende verschil ik van mening met de inzichten die het Stamboek heeft. De vorm en constructie en toepassing van het berghout zijn bepalend met welk type schip je te maken hebt. Het wel of niet aanwezig zijn ervan is van ondergeschikt belang. De spant doorsnede 'en de vorm van het bovenaanzicht moeten naar mijn mening in de boordeling meegenomen worden. "Murkjen" heeft wel het bovenaanzicht van een Fries jacht, maar heeft een spantdoorsnede van een twee gangen boot. Daarnaast is het ook nog eens heel licht gebouwd. Veel lichter dan welk ander Fries jacht dan ook.

Een kleine zestig jaar na het formuleren van bovenstaande typeringen is er veel meer inhoudelijke kennis over deze (historische)schepen. Er zijn de nodige schepen opgemeten en in tekening gebracht, er zijn meer feiten over bouwers, gebruikers en gebruik bekend geworden. Er kan genuanceerder geoordeeld worden.

Een aantal feiten, die niet vallen onder de definities die het Stamboek geeft, maar wel degelijk een rol spelen bij de type indeling:

  • Bij tjotters is het boeisel tegen de binnenzijde van de bovenste gang gebouwd. Bij jachten zijn de berghouten een deel van huid beplanking en zitten tussen de bovenste gang en het boeisel in. Op zich een duidelijk onderscheid maar hier zijn uitzonderingen: De "Jannetje" heeft opgebouwde berghouten en de "Aeolus" ook.
  • Bij de kleinere tjotters en boatsjes ligt in de kop vaak een plaat hout die op de bandstukken ligt en de voorzijde "afsluit". Bij Friese Jachten en grote tjotters loopt het potdeksel door en is er wel een binnenbord, maar ontbreekt (meestal) die plaat.
  • Bij tjotters is het boeisel anders vorm gegeven dan bij een Fries jacht. Naar de stevens toe wordt het boeisel bij een tjotter veel smaller. Het was oorspronkelijk de bedoelding dat de "Sylnocht" na de bouw (door Lantinga?) van beretanden en kluisborden voorzien zou worden. Daar is toen niets van gekomen. Dat is de reden dat de heer De Ruig ze erop heeft laten zetten toen hij eigenaar werd.
  • Bij tjotters is het bovenaanzicht "vierkanter". Friese jachten zijn in het bovenaanzicht meer eivormig. Ze hebben een slanker achterschip.
  • Sommige boten zijn tjotters omdat ze vroeger voor vracht- en/of personenvervoer of visserij werden gebruikt. Dit gaat nu eenmaal niet met een jacht maar wel met een tjotter zoals de "Nut en Nocht". Een jacht is als louter als pleziervaartuig gebouwd.
  • Een taalkundige vraag die gesteld mag worden is de volgende: Is een in Groningen gebouwd jacht een Fries jacht? Of moet deze Gronings jacht genoemd worden? Naar de letter gerekend kan men niet verwachten dat als je een jacht buiten Friesland bouwt het een Fries jacht is. Het is wel een rond jacht of tjotter. Zo werden bij het Paterswoldsemeer in de jaren tussen 1910 en 1926 tjotterwedstrijden gezeild met schepen die we nu als Fries jacht kwalificeren. Bij de werven van Visser en Helder bij het Paterswoldsemeer werd altijd over tjotters gesproken.
  • Het is niet perse zo dat jachten een boeierroer moeten hebben. Dat is in mijn beleving iets van recentere datum. Vooral de inzichten van de bouwers spelen hier een rol in mee. Van der Zee is bekend van zijn smalle (jacht)roeren. Lantinga rustte zijn schepen vaker met brede tjotterroeren uit. Er zijn vele oude foto's van jachten met een tjotterroer.
  • Er waren vroeger jachten met een vast voordek, ik heb het idee dat deze soms (half) gedekte- of open boeiers genoemd werden.

Jagt of jacht, is een aanduiding voor een pleziervaartuig en stamt uit de 17e eeuw. Het begrip tjotter is veel jonger. Het stamt uit de periode rond de eeuwwisseling van de 19' naar de 20e eeuw. Een paar decennia later (circa 1950) kom je voor het eerst de typering Fries jacht tegen. Vervolgens duurt het nog een paar decennia voordat het begrip Fries jacht breed geaccepteerd is. Blijkbaar is het zo dat de type aanduiding van deze ronde jachten net zo levend is als de vorm en uitrusting van de ronde jachten Ondanks de historische wortels die terug te voeren zijn naar de gouden eeuw, zijn de rondejachten wel degelijk schepen van vandaag. Soms krijg ik de indruk dat het begrip "Fries jacht" een statusgevoelige typering is.
Het vervelende, maar tegelijkertijd het hele leuke is dat bij ieder detail, of bij iedere uitvoering wel een voorbeeld te geven is dat het ook anders kan. Een eensluidend oordeel is dan ook niet te geven. Misschien moet je het meer zoeken in de opdracht die gegeven is bij de bouw. Was het schip louter voor de pleziervaart bedoeld, of zat er ook nog een bedrijfsmatige component aan?

Het model A.0125 uit de collectie van het scheepvaartmuseum in Amsterdam

Mijn primaire reactie was dat het model gelijkenis toont met het vijf meter lange als Fries jacht in het Stamboek ingeschreven 'Wâldfugel'.

De 'Wâldfugel' in 2009
De 'Wâldfugel' in 2009

Een opsomming van mijn waarnemingen aan de hand van foto's, voor zover mogelijk bij het model uit het museum:

  • Er is een berghout: Een belangrijke aanwijzing bij dit model om te kunnen zeggen dat er sprake is van een Fries jacht is het berghout. Er bestaan echter verschillen in de vorm van de constructie van het berghout en de manier waarop deze in de totale constructie van het schip is opgenomen. Bij de grotere Friese jachten is het berghout zowel aan de buitenzijde van het schip te zien als ook aan de binnenkant. Aan de binnenzijde is het zichtbaar als een smaller stuk hout aan de onderkant van het boeisel. Een variant hierop komt ook voor. In dat geval is het berghout wel aan de buitenzijde te zien, maar niet binnen in het schip. Bijvoorbeeld de kleinere ronde jachtjes "Murkjen" en "Aeolus" hebben deze constructie. Beide scheepjes staan in het Stamboek opgenomen als Fries Jacht.
    Ter illustratie twee foto's van de 'Aeolus'. Aan de binnenzijde zijn schroeven te zien waarmee het berghout aan het boeisel vast zit. Helaas is op de foto's niet te zien hoe het berghout in het model is geconstrueerd. De berghouten zijn naar de steven zwaar verjongd en anders gevormd dan bij een Fries jacht.
  • Er is een tjotterroer
    Dit model heeft een tjotterroer. Naast het tjotterroer komt ook het smallere boeier- of jachtroer voor. Hoewel het tjotterroer suggereert dat het roer bij een ijotter hoort, is dit niet per definitie het geval. Onder anderen varen de Friese jachten "Njord","Bestevaer" (17OE) en "Nut en Nocht", met een tjotterroer. De "Sylnocht" (63OC) had een tjotterroer, maar vaart tegenwoordig met een boeierroer.
    Conclusie: het model kan een tjotter zijn, het roer is niet bepalend.
     
  • Er zijn geen kluisborden
    Deze versiering komt veel voor bij Ronde- en platbodemjachten met een kromme steven. Het grote Friese jacht "Sylnocht" (OC63) heeft oorspronkelijk (tot 1979) zonder kluisborden en beretanden gevaren. Ook de slemphouten ontbraken. Bij het kleine ronde jacht "Wâdldfugel" ontbreken deze ook. Dit scheepje staat ingeschreven in het stamboek als Fries jacht.
    Conclusie: het model is een tjotter.
     
  • Er zijn geen beretanden
    (idem)
     
  • Er zijn geen slemphouten
    (idem)
     
  • De steven is stomp als bij de meeste tjotters
    De bovenzijde van de voorsteven ligt min of meer waterpas. Visueel is dit misschien iets minder elegant dan de puntiger steven van een boeier of Fries jacht. Ook hier is het zo dat deze "tjotter"voorsteven voorkomt bij Friese jachten. Hier kunnen de "Sylnocht", "Wâldfugel" en "Njord" als voorbeeld worden genoemd. Het boeisel lijkt wat aan de smalle kant te zijn bij de voorsteven.
    Conclusie: het model is een tjotter.
     
  • De botteloef steekt door de voorsteven:
    Bij ronde jachten komen twee verschillende vormen van de botteloef voor. Bij de kleinere schepen is de botteloef vaak doorgestoken door de voorsteven. Bij de grotere jachten is het ijzerwerk van de botteloef vaak passend om de voorsteven gemaakt. Het gedeelte om de voorsteven maakt dan een hoek met het uitstekende deel. Het kan grotere krachten opvangen dan een doorgestoken exemplaar. Bij dit model is de botteloef doorgestoken door de voorsteven. Het scheepje waarnaar het model is gebouwd zal dan ook tot een kleiner type gerekend moeten worden. De dubbele opsteker en de grote fok lijken niet met elkaar in overeenstemming. Echter ook hier is de "Sylnocht" een voorbeeld dat bij een groot Fries jacht de botteloef door de voorsteven gestoken kan zijn. Op de lange botteloef is ook nog eens een opsteker geplaatst.
    Conclusie: het model kan een tjotter zijn. (Het lijkt mij niet dat dit constructie detail bepalend is voor de typering van een jacht of een tjotter. Het heeft te maken met de grootte van het tuigage en mogelijke ook de kunde van de smid).

  • Het boeisel staat erg stijl, de holte lijkt groot: Om onder het zeilen water buiten te kunnen houden, worden een aantal technieken toegepast. De eerste is een diepe romp maken met een hoog vrijboord zoals bij dit model. De zwaarden kunnen dan rechterop staan. In de boot zal dan meer ruimte zijn. Een systeem dat voorkomt bij boten die lading moesten kunnen dragen. Een tweede mogelijkheid is het plaatsen van een "opboeisel". Het boeisel wordt hiermee hoger gemaakt om schuiner te kunnen zeilen. Bij de eerder genoemde "Aeolus" heeft extreem naar binnenvallende boeisels. Ook op deze manier wordt het water buiten gehouden. De "Janke" op haar beurt heeft hele steile rechtop staande boeisels. Uiteraard zijn ook vaardigheid en inzicht van bouwer van invloed.
    Conclusie: het model kan een Fries jacht zijn.
     
  • De zwaarden zijn groot ten opzichte van de verhoudingen van het model:
    Gevoelsmatig lijkt dit bij dit model een verwijzing te zijn naar een kleiner type. Naar mate de schepen groter worden, worden de zwaarden (relatief) kleiner.
    Conclusie: het model kan een tjotter zijn.
     
  • De zwaardbouten zitten te hoog in de zwaarden:
    Of er werkelijk een waardeoordeel over de zwaarden in relatie tot dit model gemaakt mag worden valt te betwijfelen. Zijn de zwaarden wel juist gemonteerd? Op de foto's is niet te zien of er ook aan de bovenzijde gaatjes zitten voor de bevestiging van een zwaardval. Het enigste minpuntje aan dit model?
    Conclusie: het model kan zowel tjotter als Fries jacht zijn.
     
  • Er is een uitneembaar laag voordek aanwezig:
    Zoals bij de meeste tjotters en Friese jachten. Lantinga uit IJlst heeft bij de twee laatste door hem gebouwde Friese jachten ("Jansje Maria" 1941 en "Bestevaer" 1953) een vast voordek toegepast. Latere bouwers hebben deze constructie ook toegepast. Berend de Jong heeft zelfs het vaste voordek bij Tjotters toegepast zoals bij de "Beauty".
    Conclusie: het model kan zowel tjotter als Fries jacht zijn.
     
  • Er is een overloop voor de fok aanwezig:
    Dit is niet gebruikelijk bij tjotters en Friese jachten. Bij boeiers komt het wel voor. Mogelijk dat het model bedoeld is geweest om als modelzeilboot te kunnen zeilen. Het lijkt alsof het lateraaloppervlak groter gemaakt is als om het beter zeilend te maken. Wanneer het louter een siermodel zou zijn dan was deze aanpassing niet nodig. De aanwezigheid van een loefbijter en kielbalk? Duiden hier misschien op. De overloop zou het overstag gaan van het model vereenvoudigen.
    Conclusie: geen.
     
  • Er is een loefbijter aanwezig:
    (zie hiervoor)
    Conclusie: geen.
     
  • Er zijn langsbanken aanwezig:
    Bij veel ronde jachten zijn kistbanken ingebouwd. AI of niet uitneembaar. Bij kleine ronde jachten zijn ze niet altijd aanwezig. Het kleine Friese jacht "Murkjen" (4,56m) heeft ze wel. De grotere tjotter "Ideaal" heeft slechts twee planken om op te kunnen zitten.
    Conclusie: het model kan zowel tjotter als Fries jacht zijn.
     
  • Het gat van het "achterhuisje" is goed zichtbaar:
    Het henne- of spinnegat lijkt ten opzichte van de achterbank (relatief) "groot". Dit impliceert dat de achterbank, en dus het scheepje klein moet zijn. Bij grotere jachten zijn de verhoudingen anders. De slotplaat ontbreekt.
    Conclusie: geen.
     
  • De giek lijkt kort, het aangrijppunt van de grootschoot op de giek zit ver naar voren:
    Deze verhouding lijkt niet helemaal in overeenstemming met een situatie zoals die in werkelijkheid zal voorkomen. Het grootzeil van een groter Fries jacht zal bij een schootring die zover naar voren ligt nooit dicht getrokken kunnen worden. De krachten zijn dan niet meer over te brengen. Bedrijfsvaartuigjes hadden in de regel niet zulke grote tuigen om het handelbaar te houden.
    Conclusie: het model kan eerder een tjotter dan een Fries jacht zijn.

Literatuur:

Op bladzijde 71 in het boek "Tjotters en Boatsjes" van Dr Ir. J. Vermeer geeft de heer Vermeer een overzicht van door Lantinga uit IJlst gebouwde ronde scheepjes. Allemaal hebben ze een lengte die onder de vijf meter ligt. Bij een aantal staat specifiek vermeld dat er "berghoutjes" aanwezig waren. Het type zoals dat door Lantinga zelf genoteerd is, is divers. Tjottertje, roei-zeilboot, zeilbootje of jachtje en zeilboot (boeiermodel) worden genoemd. Geen eenduidigheid dus. Opvallend is dat een aantal scheepjes uit het overzicht geleverd zijn aan scheepswerf Visser in Zwijndrecht.
Illustratief is de volgende ansicht.

Scheepswerf Lantinga uit IJlst leverde blijkens het overzicht op bladzijde 71 van "Tjotters en boatsjes" aan de werf W. Visser te Zwijndrecht. Het scheepje links zou goed van Lantinga afkomstig kunnen zijn. Het toont grote overeenkomsten met "Murkjen". Haar afmetingen naast de andere kleine vaartuigjes lijken beperkt te zijn. Dit scheepje zou ik ondanks berghout, boeierroer en puntige steven willen kwalificeren als tjotter."Murkjen" is toegeschreven aan Lantinga.

De scheepsbouwers Van der Zee uit Joure zijn divers met de typeringen die in de werfboeken worden gebruikt. Het begrip "jagt" komt eerder voor dan het begrip "tjotter". Vrijwel alle vaartuigen die we nu als tjotter en Fries jacht beschrijven worden door de Van der Zee's "boot" genoemd.

In het Stamboek staan een paar Friese jachten opgenomen die gebouwd zijn door jachtwerf Brandsma. Na de bouw ervan werden ze te koop aangeboden als tjotter. De vader van de huidige eigenaar (Bein Brandsma) van deze werf sprak consequent over tjotters wanneer hij over deze scheepjes sprak.

De ronde jachtjes "Murkjen", "Janke" en "Tsjits" noemt Dr Ir. J. Vermeer zowel in zijn boek "het Friese jacht" als "Tjotters en boatsjes", hierbij gebruikt hij ook het begrip "tjotter met berghout". Qua constructie zijn deze scheepjes duidelijk lichter gebouwd dan de grotere Friese jachten. Deze drie scheepjes hebben een berghout. Ze zijn afgaande op de twee standaardwerken niet eenduidig te typeren.

De tjotter "Wilhelmina" uit de schepenhal van het Zuiderzeemuseum hoort in deze opsomming ook nog genoemd te worden. Dit scheepje heeft altijd dienst gedaan als betonningsvaartuig in Friesland. Zij is uitgerust met gedeeltelijke berghouten die overduidelijk dienen als bescherming van de romp. Een esthetische of vorm-versterkende functie heeft het niet.

Tenslotte

Zelf ben ik ruim dertig jaar eigenaar geweest van een tweetal ronde jachten die als Fries jacht in het Stamboek ingeschreven staan, "Murkjen" en "Bestevaer" . Hoewel "Murkjen" in het Stamboek ingeschreven staat als Fries jacht en er ook alle (uiterlijke) kenmerken van heeft , heb ik haar altijd meer als een tjotter beschouwd. Gewoon omdat ze zo licht en van een paar brede gangen gebouwd was. Overduidelijk is dat een aantal details, zoals kluisborden, beretanden en slemphouten maar ook het overige snijwerk later zijn aangebracht. De uitvoering ervan is zeer evenwichtig gedaan.

Conclusie

Naar mijn oordeel is dit een prachtig gedetailleerd model. Het is gebouwd door iemand met kennis van zaken. In het tuig en bij de zwaarden zijn wat details aanwezig die niet in een werkelijke situatie te verwachten zijn. Haar typeren als Fries jacht ligt voor de hand. Omdat ze veel details heeft die je juist bij tjotters tegenkomt zou ik het model willen kwalificeren als "Tjotter met berghout".

Gerard ten Cate
Zuidlaren, februari 2012.