Iets uit de geschiedenis van het "Hardzeilen" in Friesland

Waterkampioen juni 1928 nr75

Daar het op 27 April van dit jaar 80 jaar geleden was, dat de zeilvereeniging „Oostergoo" te Leeuwarden werd opgericht, past het thans, nu dit 80-jarig bestaan door een tweedaagsch zeilfeest te Grouw wordt gevierd, iets uit de geschiedenis van het wedstrijdzeilen in deze provincie mede te deelen. Reeds eeuwen geleden had in ons land en vooral in deze provincie het z.g. „admiraalzeilen" en gewoonlijk in aansluiting daarmee, het „hardzeilen" van jachten plaats. Bijzondere feesten gaven daartoe meestal de aanleiding; zooals b.v. het bezoek van hooge, vorstelijke personen; doch ook jaarlijks terugkeerende volksfeesten, zooals verjaardagen in het vorstelijk huis, kermissen enz. Pas later werden vereenigingen opgericht, die de regeling op zich namen; te voren gingen de zeilfeesten meestal uit van een zich tijdelijk voor dat doel gevormde commissie, of ook wel van den herbergier van een aan 't water gelegen herberg.

Dat oprichten van zeilvereenigingen is vermoedelijk een navolging geweest van wat in Holland geschiedde. Daar werd in 1846 te Rotterdam de „Kon. Ned. Yachtclub" opgericht, onder voorzitterschap van Z.K.H. Prins Hendrik. In December 1847 volgde de „Kon. Ned. Zeil- en Roeivereeniging" te Amsterdam en in het daar-opvolgende voorjaar de zeilvereeniging „Oostergoo", terwijl een paar jaar daarna, in 1851, in Sneek de commissie, die gewoonlijk den daar reeds lang regelmatig gehouden jaarlijkschen zeilwedstrijd organiseerde, zich een meer stabielen vorm koos en een vaste vereeniging werd. Later volgden in Friesland meer: o. a. „Langweer" in 1859, „Frisia" te Grouw in 1860, „Wartena" in 1864, „De Zevenwolden" te Lemmer in 1865, „Eendracht maakt macht" te Eernewoude in 1871 enz. enz. Tegenwoordig zijn er ruim 20 vereenigingen in Friesland, die een of meer wedstrijden per jaar organiseeren. Ook een zeer oude vereeniging is die te Workum, terwijl vroeger nog een vereeniging in Harlingen bestond, die wedstrijden op zee hield, doch in de laatste 40 jaar is dat nog maar een paar keer herhaald. Daar de zeilvereeniging te Workum niet is aangesloten bij den N.N.W.B., welke in 1923 te Sneek is opgericht, beschikken wij niet over gegevens van die vereeniging, doch op een oude vlaggekaart van Jachtclubs in Europa, die we eens in een jachthaven in Holland zagen (naar we meenen van „De Maas" te Rotterdam) komt onder de z à 3 uit ons land, die er op voorkwamen, die van Workum voor.
Vóór dat deze vereenigingen bestonden, werden er vrij zeker op verschillende plaatsen in deze provincie wedstrijden gehouden, wat heel begrijpelijk is in dit gebied met z'n vele waterwegen en zijn tal van jachten en boeiers, die niet alleen voor genoegen, doch ook voor praktische doeleinden werden gebruikt. Vaste gegevens daaromtrent zijn natuurlijk moeilijk te vinden, doch geschiedvorschers, zooals Dr. Schotel en Jan ter Gouw, hebben door studie in oorspronkelijke schrijvers van die dagen uitgemaakt, dat in de 16e eeuw een „hardzeilerij" reeds tot de volksvermaken behoorde, vooral in Friesland. Er bestaat zelfs een eenigszins romantisch getint verhaal van een zeilwedstrijd in 1482 bij Terschelling op zee gehouden.

Oudste beschrijving 1767

De oudste beschrijving, die we kunnen vinden van een vlootvertoon in Friesland, is die van de viering van den „Prinsendag" door 't organiseeren van „admiraalzeilen" te Sneek, in 1767, nog wel op 8 Maart. We hebben de geheele beschrijving van dat feest voor ons en zien daaruit, hoe goed alles gereglementeerd en verzorgd werd, de geheele indeeling en gang van zaken is tot in de puntjes aangegeven en ingestudeerd. Tot admiraal was gekozen de koopman Mintje Wouters (dien we later weer ontmoeten) terwijl de vloot in 3 divisiën was verdeeld. Schout bij Nacht was Karst Beetsma en oudste kapitein Foeke Douwes Wielenga. Verder blijkt, dat 40 „Jagten" versierd waren met oranjevlaggen en wimpels mitsgaders behoorlijk schietgeweer, „hebbende den eene 2, andere 3 en sommige 4, 5 à 6 stukjes kanon op hunne Jagten geplaatst." Het kleine stadje Sneek beschikte dus 160 jaar geleden over een vloot van 40 jachten, die op 8 Maart reeds in actie waren. De vlootrevue nam i uur een aanvang, onder 't Blazen van het bekend Ayrtje Wilhelmus van Nassouwe door „twee Waldhoornisten". Bij 't passeeren werd natuurlijk door 't lossen van het kanon gesalueerd. 't Ging er wel zeer levendig toe, want we lezen:  terwijl de musikanten op de jagten der onderofficieren ook niet in gebreke bleven door 't blazen op Hobois en Fluiten als andere Instrumenten 't gehoor der Aanschouwers te „strelen” enz." Ten 4 ure retourneerde de geheele vloot weder in de stad: natuurlijk onder vele plechtigheden, terwijl 's avonds binnenshuis de feestelijkheid op meer en minder officieele wijze werd voortgezet.

Het Admiraalzeilen der Jagten

Dan vinden we in ,Historische Chronijk of Beschrijvinge van oud en nieuw Sneek", door Napjes in 1772 geschreven, ook een beschrijving van „het Admiraalzeilen der Jagten". We citeeren daaruit: 

Want in dese Stad zijn thans wel tusschen de 30 en 40 Jagten, die meest uit Plaisier worden gehouden, welke Jagten en Jagtjes Jaarlijks op den 8 Maart, (indien 't open water is), zijnde de Heuglijke Verjaardag van Zijn Doorluchtigste Hoogheid Willem de V-de, Prince van Oranje en Nassouw & C & C & C, Neerlands geliefde Stadhouder, alhier in de Stadsgragt aan de ,,Zuidkant dezer Stad, zich vertoonen met Flaggen en Wimpels en de daarin zijnde Schippers wel opgepronkt, met Oranjecocardes, zommige met Oranjelint geborduurd, Schippers Lyverei. En wat dies meer is, zijnde wel voorzien van stukjes kanon, ook van allerhande speelinstrumenten, zoo van Trommen, Trompetten, Hoboois, Veld Pijpen & C. Dewelke alsdan in het gesigt van dese stad Admiraal Zeilen onder Commando van een Admiraal, Vice Admiraal en Schout bij Nagt. Wanneer door den Admiraal het Sein wordt gegeven, om uit te varen, Passeert de Admiraal de geheele Vloot, welke zij alle met schieten salueeren gelijk ook den Vice-Admiraal en Schout bij Nacht, zijnde alsdan bij honderden van menschen, om dit te aanschouwen also het een alderheerlijkst gezigt alhier van de stadjte zien uitlevert. Komende dezelve (na een uur 2 á 3 aldus Gezeild te hebben) op dezelfde wijze wederom in de Stadsgragt terug, onder 't Lossen van hare stukjes en 't musiceeren op hunne instrumenten, en worden alsdan door hare Officieren voorschreven bedankt. Hunne Edelachtbare de Magistraat dezer stad betoonen hierover haar uiterste genoegen en salueeren deze Jagten bij het uit en in Varen, met Schoten uit de stukken van de Wallen.”

We kunnen uit dit citaat dus wel lezen, dat dit geen op zichzelf staande feestelijkheid gold, doch dat het een vrij regelmatig terugkeerende vertooning was, die soms ook op andere plaatsen in de Provincie plaats had en dan soms samen viel met een wedstrijd.

Mintje Wouters met de 'Bever'

De zooeven genoemde koopman Mintje Wouters uit Sneek, vinden we n.l. weer terug als prijswinnaar bij het admiraal- en wedstrijdzeilen op 4 Sept. 1777 te Oude Schouw, in tegenwoordigheid van de geheele Doorluchtigste Stadhouderlijke familie. De z.g.n. eereprijs bestond uit een (gekroond) zilveren scheerhout, waarboven een rijk versierde zilveren top, benevens een zilveren knop voor den vlaggestok, die achterop het roer of den spiegel werd geplaatst. (Zie afb. b en c op bovenstaande plaat). Waarschijnlijk was het jacht van den heer Wouters de thans vermoedelijk nog bestaande "De Bever" (zie het naschrift onderaan), want het is vrij zeker, dat deze in het laatst der 18e eeuw in het bezit was van een fam. Wouters te Sneek. Ongeveer 30 jaar geleden verkeerde dit schip nog in de allerbeste conditie, 't was toen misschien 't zwaarst gebouwde en sterkste jacht, dat in ons land bestond, tevens een geducht zeiler, vooral op zee en bij zeer sterken wind. Daarna is het schip naar Holland verkocht en begon een periode van wisselende omstandigheden: dan weer verwaarloozing en dan weer opkalefateren en vertimmeren. Er werd in gelapt en dat was 't begin van 't einde. Eenige jaren terug zagen we het nog uitkomen in een wedstrijd aan de Kaag, in zeer lekken toestand en ook meteen pover resultaat. Van dit zelfde Waterfeest te Oudeschouw berust in het Friesch Museum een zware zilveren legpenning (zie afb.) waar op de achterzijdestaat gegraveerd,dat ze is geschonken aan H. J. van der Werf voor het "bestieren vaneen zeilpartij van Spiegeljagten" bij de Oude Schouw, op 4 Sept. 1777.

Extra fraaije Zijden Vleugels met Zilveren Scheerhouten en fraaije Tuigjes

Zeer dikwijls werden bij de vroegere wedstrijden in Friesland als prijzen gegeven: "Extra fraaije Zijden Vleugels met Zilveren Scheerhouten en fraaije Tuigjes", zooals we o. a. kunnen lezen in de "Leeuwarder Crt." van Vrijdag 15 Aug. 1817, bij de aankondiging van den wedstrijd te 'Sneek op Woensdag den 20en Aug. van dat jaar. Hieruit zou men welhaast moeten afleiden, dat de rijk geornamenteerde vergulde top, die bij feestelijke gelegenheden boven den "vleugel" (verklikker) werd geplaatst "tuigje" werd genoemd. Aan 't Friesch museum huldigt men echter de opvatting, dat 't geheel 't "tuigje" werd genoemd, dus zooals afbeelding d op bovenstaande plaat aangeeft. Dit is de prijs geweest voor een zeilbootje, gewonnen te Sneek op 12 Aug. 1822. De zijden vleugels waren soms met kleurige figuren geborduurd en met kantwerk omboord.

De normale masttop of "tuigje" voor een flink jacht was meer, zooals hierboven door fig. a is afgebeeld. Op diezelfde plaat vinden we onder b een verbazend grooten masttop van afwijkenden vorm, doch vermoedelijk van vrij ouden datum; terwijl op dezelfde plaat afb. a ons een volledig tuigje aangeeft met nog rijkeren knop en masttop onder den vleugel. Dat de jachten en boeiers in vorige eeuwen op deze wijze werden versierd, kunnen we van oude afbeeldingen weten. Dat zien we ook op onze afbeelding van Grouw, waar op den voorgrond een jacht met rijk versierden spiegel voorkomt en we boven den wimpel nog den masttop of het tuigje zien.

Na de groote omwenteling en gedurende den Franschen tijd

Dat na de groote omwenteling en gedurende den Franschen tijd niet veel aan „hardzeilen" of „admiraalzeilen" werd gedaan, is te verwachten; doch 't stond niet geheel stil, want op 21 Aug. 1805 werd door het gemeentebestuur van Sneek, een wedstrijd uitgeschreven, waarbij men liet „verhardzeilen": Drie fraaije Zijdene Vleugels met Zilveren Scheerhouten en tuigjes," in de klassen: jagten boven 23 voeten, jagten van 20-23 voeten en jagten en booten beneden zo voeten". In 1812 op 15 Aug. ('s Keizers verjaardag) werd te Oude Schouw een zeilwedstrijd gehouden, uitgeschreven door de maires van Akkrum (Jhr. Vegelin van Claerbergen) en Rauwerd (van Loon) waarbij om 3 vleugels met tuigjes werd gestreden.
Meer wedstrijden gedurende die jaren vinden we niet vermeld, doch na den Franschen tijd vinden we bij Napjes in den lateren druk (1826) van zijn „Chronijk": Het zoogenaamde Admiraalzeilen der jachtschepen begon nu weder in gebruik te komen. Ook werd in Sneek in 1814 weer een „hardzeilerij" op touw gezet. In de eerste jaren werd die gewoonlijk uitgeschreven door „eenige liefhebbers", zooals in de „Leeuw. Crt." werd geannonceerd; later door een „Commissie".
Vanaf 1814 schijnt het vast te staan, dat in Sneek op denzelfden Woensdag in Augustus (slechts éénmaal in 1820 op een Donderdag 17 Aug.) een wedstrijd werd gehouden. Vandaar dan ook dat de zeilvereeniging Sneek op Woensdag 20 Aug. 1913 dezen wedstrijd toen feestelijk herdacht als den 'oosten jaarlijkschen wedstrijd op het Sneeker Meer.
De prijzen van de: „Boeijers, Yagten, Booten en Bootjes" bestonden veelal uit de meergenoemde „tuigjes", verschillende voorwerpen van zilver en vlaggen; soms lezen we ook, zooals in 1818, dat „verhardzeild" werden: „een brilliant gemonteerd koperen Hang Compas en fraaije verrekijker." In 1819, wordt o. a. uitgeloofd een „extra fraaije zilveren tabaksdoos." In 1821 wordt ook een klasse veerschepen en snikken" ingelascht. In den wedstrijd van 1844 werd door Dr. Eeltje Halbertsma van Grouw, den beroemden Fries, met zijn jacht „de Gijsbert Japiks", de prijs gewonnen in de klasse jachten en booten. Deze prijs bestond uit een zilveren tabaksdoos, waarop de beroemde dichter in het deksel liet graveeren:

Gijsbert Japiks, greate namme
Haw ic oan mijn scipke joô
n.
In de prys der elts op flamme
Fiks mei glans en glorie woô​n.
Eern fleach Gijsbert mei syn pinne
Op de wieucken fen foârstân,
Nou oer Frieslâns marren hinne
Broest er, sylt er as de brân!

De oudste authentieke lijst van een hardzeilpartij vonden wij in het Friesch museum en is hierbij gereproduceerd. Ze is van 1843 en telt nog al eenige deelname, ofschoon de te voren wel vaak uitgeschreven klasse: „boeijers en jag­ten" ontbreekt. (Zooals men weet werd het woord „jagten" veelal meer als verzamelnaam aangeduid, waaronder dan ook de „boeijers" waren begrepen.)

HardzeilPartij te Sneek, op Woensdag den 18 Augustus 1847

In het archief der K. Z. „Sneek" bevindt zich de lijst van Woensdag 18 Aug. 1847. Deze wedstrijd was zeker nogal belangrijk; geen wonder, want boven de lijst staat:

HardzeilPartij te Sneek, op Woensdag den 18 Augustus 1847,
om eene Kostbare Zilveren Bocaal, aangeboden door Z.K.H. Prins Hendrik der Nederlanden,
en andere buitengewone fraaije prijzen en premiën.


In de 1e klasse: „Boeijers en Yagten" waren 5 deelnemers (3 uit Sneek, 1 uit Woudsend en uit Heeg). We vinden verder in de ze kl. „Veerschepen en Snikken" 12, in de 3e kl. „Yachten en Booten" 6 (waaronder weer de „Gijsbert Japiks") in de 4e kl. ,,Yachten en Booten" weer 6, en in de 5e klasse: „Bootjes vrij van belasting", niet minder dan 14 stuks (met „vrij van belasting" werd waarschijnlijk bedoeld: vrij van inleggeld). De „Bocaal" werd in de 1e klasse verzeild en werd gewonnen door het Yagt: „De Phoenix" van de heeren W. & A. Visser & Zonen te Heeg, zooals op de andere zijde van de „bocaal" is gegraveerd. De prijs is nog steeds in handen van deze firma (de wereldbekende Friesche palinghandel op Londen) en staat op het oude kantoor. De beker is zeer rijk bewerkt en is 34 c.M. hoog.
Een der tegenwoordige firmanten, de heer A. Visser Azn. verhaalde ons nog, hoe zijn grootvader, die het jacht stuurde, zeer trotsch was op zijne overwinning en vertelde hoe ze op 't laatste ogenblik nog een fok leenden van een hun bekend veerschipper, omdat de hunne niet goed stond. Nu is het eigenaardige, dat dit jacht thans nog in volle glorie bestaat. Naar de heer Visser ons verzekerde is het in handen van iemand, die het op prijs weet te stellen en alles doet, om het zooveel mogelijk in zijn ouden vorm in goede conditie te houden. Het is lang in handen geweest van wijlen notaris Tadema onder den naam van. „Aaltje Johanna" 1). De afmetingen van dit jacht zijn ongeveer 9 M. x 2.20 M.

1) Toevallig kunnen wij de geschiedenis van dit jacht verder meedeelen. Het werd, ongeveer 6 jaar geleden, uit Friesland verkocht aan den heer J. W. van Kampen te Bloemendaal, die ermede geregeld op den Westeinderplas voer. Het scheepje heette toen, en thans nog, "Pallieter" en vaart tegenwoordig, onder een anderen eigenaar, te Loosdrecht.

't Is hun gelukt 't fraaiste en meest elegante jachtmodel te ontwerpen, dat bestaat

't Is het echte type van een Friesch jacht van een kleine eeuw geleden, geheel verschillend van de Friesche jachten en boeiers der latere jaren. Deze zijn n.l. kort en breed en niet zeer hoog (in verhouding tot die breedte) terwijl het oude type is: lang, smal en vrij hoog, met zeer ronde vormen. Is bij de latere jachten en tjotters de verhouding van lengte tot breedte pl.m. 2 : 1 (bij de boeiers soms 2 1/2 : 1), bij de oudere was de lengte ruim 3 tot 4 keer de breedte. Van waar zoo'n sterke verandering in verhouding? De oorzaak is dezelfde, die alle extreme uitwassen in jachtmodellen op haar geweten heeft, n.l.: de meetformule van de wedstrijden. Zoodra met het bouwen van een jacht rekening wordt gehouden met de wedstrijden, werd de geldende meetformule uitgebuit en oefende haar invloed uit op vorm en verhoudingen, en de toerschepen volgen vaak onwillekeurig, ook soms in de uitwassen. Daardoor is thans een rond schip kort en gedrongen met voor en achter sterk overstekend tuig en een scherp schip lang en smal met ver naar binnen vallend tuig. Aan dat abnormale went men zoo langzamerhand. Zoo hoorden we eenige jaren geleden van een autoriteit op zeilgebied de uitspraak, dat een rond jacht, dat lang en smal is, (uit historisch oogpunt nog wel) een onding is; en een scherp jacht, dat kort en breed is, eveneens. Als we bedenken, dat tot voor ruim een halve eeuw de oud-vaderlandsche ronde en platbodem-jachten alle vrij lang en smal waren, uitgezonderd de visschersschepen, die altijd op zee voeren, en tevens, dat de centerboards in hun eerste jaren (de eerste scherpe wedstrijdschepen in onze binnenwateren) zeer breed en kort, dan lijkt de zaak meer op het omgekeerde.
Nu is het in 't algemeen dankbaarder werk om een schip te ontwerpen in z'n eigen type, dat langer en smaller, dan een, dat korter en breeder wordt. 't Lange en smalle type geeft meer 't idee van snelheid en is eerder elegant en sierlijk van lijn. Houden we dit in 't oog, dan staan we vol verbazing en bewondering voor de prachtvormen, die onze Friesche scheepsbouwers aan die korte, gedrongen boeiers, jachten en tjotters hebben gegeven. Wanneer we ze niet voor ons zagen, zouden we het een onmogelijkheid achten om bij die verhoudingen een sierlijk en elegant schip te kunnen ontwerpen. Niet alleen dat is hun gelukt, doch we kunnen bijna zeggen: 't Is hun gelukt 't fraaiste en meest elegante jachtmodel te ontwerpen, dat bestaat. 't Is als kunstwerk een volmaakt geheel, ook wat kleur, versiering en optuiging betreft. Gelukkig zijn er nog, die dit weten te waardeeren en de schepen in stand weten te houden.
Nu lijkt 't wel eenigszins vreemd, dat, voordat er zelfs over meetformules gedacht werd, in Friesland de wedstrijden reeds zooveel invloed op de verhoudingen hadden. 't Was echter heel natuurlijk, want de schepen werden in klassen ingedeeld naar hunne lengte - dat was alles. Toen later de zeilschouwen in de wedstrijden werden opgenomen (in Grouw komen ze op de lijst van 1870 nog niet voor), werden die ingedeeld in 3 klassen, naar hunne breedte. De schouwen, die bij een breedte van 1.80 M., hoogsten 5 M. lang waren, werden spoedig 5,5, 6, 6,5 tot bijna 7 M. lang. Toen werd ook een maximummaat voor de lengte ingesteld en was de zaak in orde, doch stonden de verhoudingen vast.
't Is dus een gevolg van de wedstrijden, dat een Friesche schouw (gelukkig maar) zich tot een lang en smal schip heeft gevormd en een Friesche tjotter tot een kort en breed. Toen dus nog geen bepaalde vereenigingen of commissies bestonden, die in de klasse-indeeling wat vaste lijn brachten, werden de deelnemers, naar 't aantal beschikbaar gestelde prijzen, dus gewoon in groepen verdeeld, naar hunne lengte. Later ontstonden de „vaste" klassen, zooals we bij de aankondiging van „Oostergoo" in 1870 (zie de reproductie) onder de booten zien (later tjotters genoemd).

Wedstrijden in de provincie

Behalve de jaarlijksche wedstrijden te Sneek, vinden we nog verschillende andere in de Provincie vermeld: zoo bijv. 1 Juli 1820 te Oude Schouw, op 2 Sept. van 't zelfde jaar op Fluessen en Heeger meer en op 18 October te Grouw. Dat waren dus in één zomer reeds 4 wedstrijden. Zoo vinden we in 1822 behalve Sneek, weer een wedstrijd bij Grouw en Oude Schouw. In 1832 weer een te Grouw en op 29 Oct. '33 een op de Froskepolle bij Leeuwarden, waar zo jaar later ook een wedstrijd is gehouden. De meeste van deze genoemde wedstrijden gingen uit van een kastelein of herbergier. Zoo vinden we ook nog een wedstrijd bij Drachten vermeld, waar Dr. Eeltje Halbertsma weer een prijs won met zijn „Gijsbert Japiks".
Inmiddels zijn we echter reeds genaderd tot 1848, in welk jaar op 27 April de Zeilvereeniging „Oostergoo" werd opgericht, dus de eerste zeilvereeniging in Friesland ontstond. De ledenlijst bevatte slechts 28 namen, waaronder we echter de meest klinkende Friesche namen vinden; bijna de geheele Friesche adel is er in vertegenwoordigd. Tien jaar later was 't ledental echter reeds tot 122 gestegen.
Een paar jaar na de oprichting (in 1852) aanvaardde Prins Hendrik het beschermheerschap, terwijl de toenmalige kroonprins eerelid werd. Wedstrijden werden voorloopig niet elk jaar gehouden. In 't begin hadden die plaats op het Bergumermeer (in de jaren '48, '49, '53 en '56). Daarna, meer geregeld, van 1857 tot 1868 (met één uitzondering in 1866 wegens de heerschende cholera) te Oude Schouw. Na 1868 werden de omstreken van Grouw als wedstrijdterrein gekozen. Zooals uit de reproducties blijkt, werd de eerst aangekondigde wedstrijd, aldaar op Zaterdag 30 Juli 1870 te houden, een week te voren weer afgelast wegens 't uitbreken van den Fransch-Duitschen oorlog.

De wedstrijd van 29 Juli 1865 bij Oude Schouw

Uit deze aankondiging zien we tevens, dat de prijzen voor die tijden niet te verwerpen waren. Daarvoor heeft „Oostergoo" trouwens altijd een goeden naam gehad onder de wedstrijdzeilers; want - we kunnen 't niet ontkennen: een vurig zeiler let er bijna niet op, om welke prijzen hij zeilt, doch wanneer na gunstigen afloop blijkt, dat de prijs een mooi, waardevol voorwerp is, wordt dit door een zeilershart wel degelijk gewaardeerd. Soms gebeurde het nog wel eens, dat geen wedstrijd plaats had, zooals b.v. in 1879, toen een feestelijke bijeenkomst te Bergumerdam werd gehouden, evenals in '94, '96 en '97 te Wartena. In al de overige jaren na 1868 werd een wedstrijd te Grouw gehouden.
De wedstrijd van 29 Juli 1865 bij Oude Schouw was zeer glorieus, daar ze door den beschermheer Prins Hendrik werd bijgewoond. In de „Leeuw. Crt." van Dinsdag 1 Aug. kunnen we daarover o.a. het volgende lezen:

„Om 11 uur vertrok Z. K. H. in eene met 4 paarden bespannen calèche naar de Oude Schouw. Behalve de adjudant van den prins waren mede in het rijtuig gezeten de heer commissaris des konings en de president der zeilvereeniging „Oostergoo", de heer G. D. Simon. Daar ter plaatse aangekomen, werd de prins door het bestuur der vereeniging ontvangen en naar het balcon van het logement geleid en vervolgens door de talrijke schare menschen met geestdrift begroet. De prins nam voorts de langs de Wetering gelegen mededingende vaartuigen in oogenschouw, om daarna gebruik te maken van een Z.K.H. aangeboden diner. Na afloop daarvan begaf de prins zich met den heer commissaris des konings, het bestuur der vereenizing en heeren geassumeerden en enkele verdere genoodigden naar het daarvoor bestemde uitstekend fraai versierde en net gebouwde directie  
vaartuig van den heer Jm. Jentjes Zuidema te Grouw, dat tot de ontvangst geheel doelmatig was ingerigt. Dat vaartuig werd, tengevolge het welwillend aanbod van de reederij, door de Dragtster stoomboot tot aan het einde der Wetering gesleept, waarna, onder begunstiging van goed weder en eene frissche koelte, de wedstrijd dadelijk een aanvang nam, zodanig, dat de mededingers in de verschillende klassen van schepen den prins laveerend passeerden en koers naar het Sneeker Meer zetteden.” (De Wetering stond toen nog in geheel open verbinding met het Sneeker Meer). De stoomboot sleepte nu andermaal het vaartuig naar het meer, alwaar een geschikte ligplaats werd gekozen. Omringd van een groot aantal zeilende of ten anker liggende, ruim van vlaggen voorziene schepen, in het gezigt van de mededingende vaartuigen en onder de afwisselende toonen van een drietal muziekkorpsen.. .. enz.”


Later nog:

„Met den boeijer („De Stavo”) van Jhr. mr. F. J. J. van Eijsinga werd daarna een zeiltogtje in het meer gemaakt, waarbij de prins het roer nam en bewijzen gaf van zijne ervaring in de „zeilkunst. . .. enz. enz.”

Die eer viel datzelfde jaar ook ten deel aan de Zeilv. „Sneek” (waarvan de Prins ook beschermheer was), waarom deze wedstrijd volgens de toenmalige „Sneeker Courant” „de luisterrijkste (mag) genoemd worden, welke tot dusverre „op het water van het Sneeker meer heeft plaatsgehad”. (Er werd dus werkelijk op het „water” gezeild). Z.K.H. kwam over Lemmer met het vorstelijk jacht „de Watergeus", werd reeds om 11 uur door den Burgemeester ontvangen en woonde later den wedstrijd bij in het vaartuig der directie. De Prins logeerde bij den Burgemeester, bezocht den volgenden morgen een kaatspartij en maakte daarna in den namiddag een toertje op het meer met eenige eigenaars van Yagten".

Eén der eerste wedstrijden van „Oostergoo"

Onze plaat, reproductie naar een schilderij, geeft een voorstelling, vermoedelijk van één der eerste wedstrijden van „Oostergoo", te Grouw gehouden. We zien de juryleden (keurmeesters genoemd) met hooge hoeden op, waaromheen een wit lint, met hunne rangaanduiding. 

Op de volgende plaat zien we eenzelfden wedstrijd, doch van eenige jaren later (pl.m. 1880) evenals op de groote reproductie, die een voorstelling geeft van een zeilwedstrijd op het Sneeker Meer; we zien op den voorgrond het z.g.n. directieschip (in die jaren één der beurtschepen op Rotterdam of Amsterdam). Verder geven wij ten slotte nogmaals een beeld van een „Oostergoo"-wedstrijd te Grouw en wel op 1 Aug. 1885. 

De roem van de boeiers en groote jachten

't Is of aan deze laatste afbeelding reeds is te zien, dat de roem van de boeiers en groote jachten gaat tanen; we zien ten minste slechts kleine jachten, tjotters en schouwen. De boeier, die op de afbeelding van pl.m. 1870 juist ree gaat ('t schip komt wel wat na, in 't zich weer oprichten uit den hellenden stand) is de bekende boeier „De Stavo", aan boord waarvan zich in 1865 de Prins bevond. Ze is uit de schilderij heel goed te herkennen. Deze boeier is eenige jaren geleden, ofschoon nog in besten staat, gesloopt, na pl.m. 130 jaar in 't bezit te zijn geweest van de familie van Eijsinga. Alleen enkele belangrijke versieringen zijn bewaard. Het schip was toen waarschijnlijk tusschen 150 en 200 jaar oud; 't was echter geen Friesche boeier, wat aan den geheelen bouw was te zien. 't Was overnaadsch gebouwd en had een paviljoendek. In 't model zat er iets in van een oude rivieraak, doch het is vrij zeker van Zaansche afkomst. In Friesland is thans nog een boeier, geheel van 't zelfde maaksel, doch veel kleiner, Daar dit scheepje zeker eenigen tijd verwaarloosd is geweest is het in de witte verf gezet. Gedurende de oorlogsjaren, toen meer oude schuiten, die ergens in een achteraf slootje vergeten lagen, voor 't licht werden gehaald en opgekalefaterd, is lijst van deelnemers bij den eersten wedstrijd van de in datzelfde jaar opgerichte vereeniging „Hollandia" op het Brasemer Meer. De deelnemers bestonden toen uit 8 scherpe jachten en 27 ronde en platbodemjachten.

In de negentiger jaren begon het aantal boeiers, dat aan de Friesche wedstrijden deelnam, sterk achteruit te gaan. De geheele zeilsport in deze provincie zakte, wat ook al de oorzaak was, dat, zooals is opgemerkt, Oostergoo in '94, '96 en '97 geen wedstrijd uitschreef. Toen in 1892 op het Sneeker Meer een wedstrijd werd uitgeschreven door de Z. V. „Sneek", in verbinding met „Oostergoo", ter gelegenheid van het bezoek van H.H.M.M. de Koningin en de Koningin-Regentes, kwamen de beschikbare boeiers weer grootendeels uit en bleek, dat „de Bever", die zich al eenige jaren had teruggetrokken, nog flink de meerdere was.
De meeste bleven echter absent, toen de wedstrijden plaats hadden, waarbij 't ging om de bekende „America Cup" (zie „Waterkampioen" van 13 April '28). Die werd zonder veel concurrentie gewonnen door wijlen den heer C. Jurrjens van Amsterdam met de „Sperwer". 't Was wel wat beschamend voor de Friezen, dat de gelukkige winnaar van dezen kostbaren prijs, bij de uitreiking daarvan, kon getuigen, „dat Friesland „zich hier zijn eigen glazen had ingeslagen, want: „zijn schip was Friesch fabrikaat, zijn zeilen waren in Friesland gemaakt en zijn touwwerk „kwam ook uit die provincie; dus, op de kleinigheid van de bemanning na, was alles Friesch."

Bloeienden toestand de zeilsport thans in Friesland in 1928

't Aantal ingeschreven boeiers daalde nog steeds zoodat voor een latere even kostbare "Cup", die in 1899 onder de boeiers zou worden verzeild, zich geen enkele deelnemer aanmeldde; zoodat ten slotte besloten werd, dat ook de groote jachten naar dezen prijs mochten mededingen. Die werd toen in 1903 gewonnen door wijlen den heer H. Vrolijk te Sneek met het jacht de "Maria" (deze is thans weer uit haar rust opgestaan en is bij den wedstrijd van "Oostergoo" weer uitgekomen). Na de malaise kwamen echter weer gunstiger tijden en we hebben daarna weer schitterende boeierklassen in Friesland gehad, zoodat bij „Sneek", „Oostergoo" en „Frisia" zeer dikwijls 6 á 7, soms 8 boeiers aan den start verschenen. De daling in deze klasse is echter weer ingetreden, de „Constanter" van den heer Halbertsma te Grouw en de „Albatros" van den heer Bokma te Leeuwarden hebben nog 't langst de eer van de klasse opgehouden, doch wanneer er eindelijk nog slechts twee aan den start verschijnen, gaat de animo er af. Daar staat echter tegenover, dat andere klassen inmiddels zijn opgekomen en het feit, dat op een kleinen wedstrijd, zooals die van „Lyts Frisia" op Pinkster-Maandag l.l., in 7 klassen 80 vaartuigen uitkomen, zegt duidelijk genoeg, in welken bloeienden toestand de zeilsport thans in Friesland verkeert. Rest ons nog te vermelden, dat in 1923 bij het 75-jarig bestaan van de vereeniging „Oostergoo", door de Koningin aan deze vereeniging het praedicaat „Koninklijke" is toegekend, evenals kort daarna aan de zeilvereeniging „Sneek".

Naschrift

In het begin van dit artikel, op blz. 487, uit schrijver de onderstelling, dat de boeier van den koopman Mintje Wouters de „Bever" was. Een belangstellend lezer deelt ons mede, dat het was de „Otter", die jarenlang in Sneek thuis hoorde en in 1884 naar IJmuiden verkocht en daar gesloopt werd. De „Bever", van iets lateren datum, was van de „Otter" een zware concurrent.

Terug naar vorige pagina