Kieldrecht in België: Grootste vissershaven van Zeeland

Consent voorjaar 2003 nummer 6 - Frank Lok

Jules van Beylen, oud conservator van het Antwerps Scheepvaartmuseum beschreef het opvallende feit dat een schipper uit Zeeuws-Vlaanderen, Petrus Praet, om de één of andere duistere reden een hengst liet bouwen bij Meerman te Arnemuiden, waar men het bouwen van een hengst helemaal niet vertrouwd was. Die duistere reden is ondertussen achterhaald maar daar over later. Petrus Praet registreerde zijn schepen te Clinge. Maar hoe zat het nu met Clinge, grootste "haven" in 1875? Er was niet eens een haven. De meeste vissers daar lagen overigens niet in een haven: ze hadden hun eigen paal in een kreek. Die havens werden enkel gebruikt voor laden en lossen of voor reparaties. Emmahaven was voor Clinge het dichtstbijzijnde haventje, zeker niet groot genoeg om er honderd hengsten in te proppen.

Frans Vergauwen uit Kieldrecht was ooit voorbestemd om visser te worden maar kwam uiteindelijk bij de Antwerpse haveninspectie. Hij kende de Schelde op zijn duimpje en was ook kind aan huis in het haventje van de paal. In 1956 schreef hij een werkje over Kieldrecht als vissersdorp en over de leurders. Bij de onafhankelijkheid van België werd Kieldrecht als het ware in twee gedeeld. Op een oude kaart staat Kieldrecht; het Nederlandse gedeelte is aangeduid als Kouter. Een Kouter was een hoger gelegen gebied langs de riviervallei. Later werd "de Kouter" omgedoopt tot Nieuw-Namen, verwijzende naar het verdronken dorp Namen. Hierna een korte versie van het verhaal van Vergauwen. In het gemeentewapen van Kieldrecht staat een bootje, met reden want rond 1800 was er een verbinding met de Schelde. In 1805 is de haven er verdwenen door het aanleggen van polders. Er was ooit een scheepswerf en een scheepssmederij. De Kieldrechtenaren hadden meer dan 100 vissersvaartuigen waarvan alle eigenaars te Kieldrecht of op de Kouter woonden - in primitieve woningen of hutten tegenaan de Scheldedijk. De Kouter behoorde aan drie gemeenten: de Kieldrechtse Kouter, waar de meeste vissers woonden, vast tegen de gemeente; de Meerdonkse Kouter, een uur gaans van Meerdonk en de Achterste Kouter, nu Nieuw-Namen, 6 km van Clinge-Zeeland. 1830 - 1839: Aan de vissers van de oproerige provincies werden geen consenten verstrekt daarom verhuisden veel Vlaamse vissers naar Zeeuws-Vlaanderen. Niettegenstaande dat door de indijking de haven verviel, werd er aan de rand van het water een andere haven aangelegd, die de naam "Kieldrechtse haven" kreeg.

Na de watersnood van 1906 werden Hengsten en Hoogaarzen ingezet bij het herstel van de dijken.
Na de watersnood van 1906 werden Hengsten en Hoogaarzen ingezet bij het herstel van de dijken.

In 1884 werd er tussen België en Nederland een overeenkomst gesloten om de vissersvaartuigen die hun bedrijf uitoefenden op de Westerschelde te registreren: een "zeenummer" toe te kennen. De vaartuigen van Kieldrecht kregen een "K" deze van Nieuw-Namen "CLN" (gemeente Clinge) en die van meerdonk een "M". Door deze getroffen maatregel werden onder de vissers allerlei praatjes rondgestrooid. Volgens hun gezegden zouden de Belgische vissers benadeeld worden! (Dit is juist want ze mochten enkel op de Westerschelde vissen, niet op de Oosterschelde). Het gevolg was dat verschillende vissers zich te Nieuw-Namen lieten inschrijven of domiciliëren, waar anderen die in Kieldrecht of Klein Meerdonk bleven wonen, het Nederlands kenteken CLN aanvaardden. Daarvoor dienden er praktisch geen formaliteiten vervuld te worden. (In de consenten gaven al de onder CLN ingeschreven eigenaars zich op als woonachtig te Nieuw-Namen; ééntje gaf zich op als woonachtig te de Clinge). Toen op 4 december 1884 door de Belgische overheid aan de Belgische vissersvaartuigen de kentekens en nummers gegeven werden, lieten zich slechts negen vissers te Kieldrecht inschrijven. Van Meerdonk was er geen enkele en de overigen voerden het Nederlandse kenteken "CLN". Toen waren er meer dan 100 vaartuigen die uit Kieldrecht voeren. Een deel van de vangst werd er gelost en vooral opgekocht door leurders wonende te Kieldrecht op de Kouter. Meer dan 250 gezinnen, vissers en leurders, bestonden van deze nijverheid. De opbrengst der visserij bestond uit mosselen, garnaal, kreukels, krabben, oesters, paling, bot, ansjovis, haring enz…

Bij hoogwater worden mossels in zakken aangevoerd in de haven van Phillippine.
Bij hoogwater worden mossels in zakken aangevoerd in de haven van Phillippine.

Langzaam ging de visserij achteruit, om redenen dat de Westerschelde minder visrijk werd. Haring en ansjovis verminderde van jaar tot jaar, waardoor de weervisserij op de randen van Saeftinghe verdween. Mosselen trekken op de dammen of kreken in die omgeving werd steeds moeilijker. Geleidelijk verkleinde de vissersvloot en degenen die uit het bedrijf vielen, gingen een bestaan zoeken op de sleepboten, bagger- of waterwerken. Plaatsen waar de visserij (vanuit Kieldrecht) werd beoefend: garnaal: Speelmansgat, De Noord, langs het vaarwater van Valkenisse en Walsoorden, Waarde en de Kapellenbank - mosselen: Hellegat en Oosterschelde - kreukelen Oosterschelde - krabben: langs de steile oevers van Margaretapolder, Eendrachtpolder, Ossenisse, Walsoorden en in het Speelmansgat - bot en paling: op de slikken en de geulen van Saeftinghe - ansjovis en haring: deze soort visserij was reeds vervallen. Het typische van vissers uit die tijd was anders dan dit van de mensen uit hun omgeving. Alhoewel zij veel omgang hadden met hun Zeeuwse collega’s, hadden zij heel andere gewoonten. De Zeeuwen waren doorgaans stil en zacht, zij daarentegen luidruchtig en iets ruwer in hun doeningen. Zeden en gewoonten geleken meer op deze in zwang aan de Belgische kust, niettegenstaande zij nooit met hen in betrekking kwamen. Dronkaards waren het niet, nochtans dronken ze gaarne bier, hielden veel van plezier en waren felle dansers, terwijl zij ook niet zwichtten om een leugentje te vertellen.

Er bestond in die tijd een liedje:
Te Kieldrecht, te Kieldrecht, daar zijn de meisjes koene:
zij vrijen tot de middernacht en slapen tot de noene.
Ik maai, is dat niet fraai? En slapen tot de noene.


In het verslag van Frans Vergauwen staat een aantal sterke verhalen van vissers en leurders. Daaruit blijkt dat zij behalve in hun eigen streek (Saeftinghe, Hellegat en Braakman) ook regelmatig op o.a. de Krammer, de Oosterschelde en de Grevelingen visten. Ze meerden ook af in havens als Zierikzee en Bergen op Zoom. Rond 1910 was de Kieldrechtse vloot tot 81 eenheden gereduceerd, waarvan 66 "uitgevlagde" schepen die geregistreerd waren te Clinge (CLN), 12 schepen te Kieldrecht (K) zelf en 3 schepen te Meerdonk (M). In het werk van Vergauwen is een lijst met alle vaartuigen, de namen van de schippers en hun bijnaam. Wanneer we uit die lijst één naam mogen uitkiezen komen we bij P. Praet, bijgenaamd De Vos, van de CLN 17. De man dus die "om één of andere duistere reden" een hengst liet bouwen te Arnemuiden. Eén van zijn nazaten, Piet Praet, woont te Antwerpen. Piet is bezig met een stamboom van de familie en ontdekte dat Petrus twee keer getrouwd is geweest. Alvorens te hertrouwen wilde hij voor ieder van zijn zonen nog een hengst laten bouwen en daar was blijkbaar haast bij! Verras en de Klerk moeten toen een vol orderboekje hebben gehad want in 1892 werd de bewuste hengst te Arnemuiden "aangenomen om te maken volgens model en grootte als die van zijn zwager, daarvan de maat genomen en Malle naar gemaakt". De tweede hengst kwam uiteindelijk in 1894 gereed bij de Klerk. In de eerste wereldoorlog werd er door de Duitsers op de Belgische - Nederlandse grens een "ijzeren gordijn" gebouwd: te vergelijken met schrikdraad maar dan wel onder hoogspanning. De draad aanraken was dodelijk. Deze liep ook dwars door het dubbeldorp Kieldrecht - Nieuw-Namen. De Kieldrechtenaren met het registratienummer CLN hadden nog geluk. Zij konden in de oorlog met hun schepen uitwijken naar Zierikzee. Daar wonen nu nog vissers met de naam Praet, evenals te Breskens. Van de schepen met een K vinden we aan het einde van de oorlog in 1918 in de consenten nog slechts twee scheepjes terug: een vaartuig en een boot. Kort na de tweede wereldoorlog kregen de naar Nederland uitgeweken Kieldrechtenaren de mogelijkheid om zich weer tot Belg te laten naturaliseren. Onder andere Piet Praet maakte hier gebruik van.

Watersnood 1906. Hengsten voeren materiaal aan voor de hulpdijk bij Zandepolder.
Watersnood 1906. Hengsten voeren materiaal aan voor de hulpdijk bij Zandepolder.

Het einde

De vissende hengsten zijn uit de Scheldedelta verdwenen. Die van Boekhoute die naar Zeebrugge waren getogen, visten er oorspronkelijk nog mee op mosselzaad (ze werden mosseldieven genoemd); ze brachten hun vangst naar Yerseke. Maar de hengst was niet geschikt voor het varen op de Noordzee en ze werden al gauw vervangen door andere scheepstypes. Bij de modernisering van de vloot in bijvoorbeeld Yerseke werden de hengsten en hoogaarzen overbodig. Ze kostten alleen maar (haven)geld. Dus werden ze onttakeld en naar het "scheepskerkhof" gebracht: geladen met stenen en boven een diepe geul werd de bijl er in gezet… Gelukkig konden sommige vissers hun scheepjes nog aan een particulier verkopen die daar meestal een kajuitje op bouwden. Zo werd de blazerhengst 'd'n Bruinen' begin jaren zestig toevallig opgemerkt door Frans Eisenloefel op de Vinkeveense Plassen: een soort drijvend vakantieverblijf aan een eilandje: zonder mast en zonder zwaarden. De vorige eigenaar is helaas niet gekend. En in 1980 vond Cor Drijver de hengst 'Pegasus' behoorlijk verwaarloosd in een slootje te Leiden. Hij wist als geboren Texelaar dat het om een hengst ging want hij had "die dingen" in zijn jeugd vaak genoeg op de Wadden mosselzaad zien vissen. De laatste originele hengsten: TH49: eigendom van de Stichting Behoud Hoogaars, op het droge op de werf De Schelde te Vlissingen in afwachting van restauratie. 'Pegasus': eigendom va de Stichting Tolerant, op het droge achter het Scheepvaartmuseum te Baasrode in afwachting van restauratie. 'Jan Korneel': particulier bezit, in de vaart. 'Jonghe Joseph': particulier bezit, in de vaart.

Fragment van de Visscher-Roman kaart, naar de toestand van 1652. Kieldrecht was bereikbaar over water, door de Kreecke van Kieldrecht. Zie ook de dan al ingepolderde Deurganck naar het oosten.
Fragment van de Visscher-Roman kaart, naar de toestand van 1652. Kieldrecht was bereikbaar over water, door de Kreecke van Kieldrecht. Zie ook de dan al ingepolderde Deurganck naar het oosten.

Tenslotte

Tenslotte nog even vermelden dat er ook geëxperimenteerd werd om de schepen sneller te maken. Dit gebeurde door de goede eigenschappen van twee scheepstypes met elkaar te combineren. Zo kreeg men een nieuw type schip (door sommige ook wel een bastaard genoemd). Van dit soort schepen resteren er nog: 'D’n Bruinen', blazerhengst, eigendom van de Stichting Tolerant, in de vaart. 'De Elft', lemmerhengst, particulier bezit, in de vaart. De 'Marie Thérèse', lemmerhengst, particulier bezit.

Frank Lok

Over het 'het Verdronken Land van Saeftinghe' kunt u hier veel meer verhalen en informatie vinden

Terug naar vorige pagina