Over het ontstaan van de Vollenhovense bol

Waterkampioen begin juni 1960 nr1039 - En iets over platbodemmodellen en de modelbouwer

De vader van Jacob Kroese in den Helder was de eigenaar van de Vollenhovense scheepswerf en als jongen reeds leerde Kroese de Vollenhovense schuit, de Vollenhovense bol en de botter bouwen en repareren. De werkdagen waren lang. Van 's morgens zes tot 's avonds half negen met slechts korte onderbrekingen voor de maaltijden. Niettemin zag de jonge Kroese kans om er in de avonduren een liefhebberij op na te houden. Dat was het bouwen van het model van het schip, dat op de werf op stapel stond en waaraan hij meewerkte. 

De familie Kroeze op de werf in Vollenhove

Met z'n vader, drie broers en een jongen was hij bezig. Naast het normale en veelvuldige reparatiewerk, waaraan minstens één man doorlopend werk had, bouwde deze werf in een dertien weken een complete botter. En het model werd precies zo gebouwd: vlak, stevens, gangen, inhouten werden - uiteraard op het oog, want dit was volledig handwerk zonder tekening - mooi strokend opgebouwd. Geen detail bij een echt schip aanwezig ontbrak. Het belangrijke krophout van een schuit b.v. - een op horizontale doorsnede zwaar driehoekig stuk hout, dat voorin het verband gaf aan steven, dek, boeisels, berentanden, berghout en bovenste huidgang - kwam er net zo in, zo ook de bun, de deken, het verblijf, de vaarboom en wat dies meer zij.

De oude werf van Kroeze in Vollenhove
De oude werf van Kroeze in Vollenhove

Over oude visserschepen

Het is een genoegen deze scheepsbouwer over de oude houten visserschepen te horen vertellen. Menig uurtje hebben wij van gedachten gewisseld en als vanzelf kwam de geschiedenis over het ontstaan van de Vollenhovense bol te voorschijn. Zeer waarschijnlijk kan naar het ontstaan van vrijwel alle ons bekende types slechts een gissing gemaakt worden. Daarom lijkt het de moeite waard de ontwikkeling van dit soort schip vast te leggen.
Omstreeks 1900 woonde er in Vollenhove de visserman A. Jongman Pzn., die met een punter de toenmalige Zuiderzee opging om bot te vissen. De vader van onze Jacob Kroese dacht het zijne ervan, dat deze man bij weer en wind in een kleine open boot de zee opging, hoe zeewaardig dit scheepje relatief ook mocht zijn. Deze betrekkelijk goede zeewaardigheid dankt de punter aan het sterk uitgezette neerbord en het eveneens sterk naar binnenvallende boeisel, wat ook kenmerken zijn van de schokker, een schip dat de faam had de meest zeewaardige platbodem te zijn.

De botter laat zich niet zo maar verkleinen

Vader Kroese deed de botvisser het voorstel een klein scheepje voor hem te bouwen met een vaste plecht, waarin dus een verblijfje, zij het dan ook wat bekrompen, gemaakt kon worden. Het was in deze tijd, dat vader Kroese soms flinke schuiten bouwde, terwijl ook botters van deze werf afkwamen. Instinctief heeft de oude Kroese aangevoeld, dat een botter niet zo maar tot een meter of zes te verkleinen is en daarom probeerde hij iets nieuws. A. Kok van de scheepswerf in Huizen heeft in 1936 ook geprobeerd de botter te verkleinen. Zijn eerste poging daartoe was de 9 meter lange 'Wijthe II', die m.i. geen succes was. De volgende poging was 'De Jonge Evert' in 1940, gebouwd voor Dr. Bon in Aalsmeer. Dit schip werd later verkocht naar Kampen en heette toen De Jonge Jaap. Met een lengte van 10.33 m was dit een geslaagde poging. In 1946 volgde in de rij van kleine botters van deze werf, na enkele exemplaren van 11 m, de tegenwoordige 'Kleine Beer' van de heer Terwee met een lengte van 9.20 m, eveneens een succes. Een duidelijk voorbeeld van een geleidelijk proberen. 

Visaak - Vollenhovense bol

Het is de vraag of de botter verder verkleind kan worden met behoud van lijn en eigenschappen. De kleinere 'Jan Abels' is m.i. al te veel af­wijkend en bovendien van staal. Het is begrijpelijk, dat vader Kroese teruggreep op de kleinere Vollenhovense schuit. Hij bouwde voor f 250,- een schip van ongeveer 21 voet lengte, 6 voet breedte en 4 voet diepte (holte). Deze „visaak", volgens het papier dat de afrekening vermeldt, werd op 20 april 1902 in dank aanvaard en bleek een waakzaam, goed zeilend, scheepje te zijn, In 1904 werd er nog,net zo een gebouwd voor de lichtwachter van Kraggenburg voor een vlotte verbinding met de wal. Er bleek vraag naar deze Vollenhovense bol te zijn, die kleiner was dan de bestaande schuiten en botters, maar die niettemin van lieverlee toch groter werd tot een meter of tien. 

De kenmerken van de Vollenhovense bol

Een onlangs door de heer Kroese vervaardigd model van de Vollenhovense bol vertoont alle typische kenmerken. Het vlak is zo goed als vlak, zoals bij een schuit; het is sigaarvormig met een sterke ronding van voren. Doordat de huidgangen hierop aansluiten wordt de kop breed en rond. De zeeg is niet als bij een botter sterk oplopend naar voren, doch vlakker als bij een schuit. De steven is echter gebogen en loopt uit in de punt, die wij kennen van de botter en die loodrecht op het water staat. Door de vlakke zeeg is de steven lang zo hoog niet als in verhouding van de grootte bij een botter; hij komt niet hoger dan de rechte steven van de schuit gedaan zou hebben. Het achterschip is dat van de schuit, hetgeen ook geldt voor het roer, waarvan de rug terugkomt, zodat de breedte op de waterlijn lang niet zo groot is ten opzichte van de kop, als dit bij de botter het geval is. Het is merkwaardig, dat de bollen van deze werf zo breed zijn in tegenstelling met de Vollenhovense schuiten, die juist vrij slank van bouw waren. Dit is nu nog te zien aan de modellen van deze schepen, gemaakt door de heer Kroese en aan het lijnenplan van Sopers in zijn „Schepen die verdwijnen".

Bijzonderheden over de bouw van bollen

Boven over de koppen van de inhouten en er op ingelaten liep van voor naar achter de zogenaamde draam. Vóór de mast werd tegen de binnenkant een 5 cm dikke ingebrande plank aangebracht, waarop in inkepingen de dekbalkjes lagen. De plechtdelen lagen over dekbalkjes en draam heen tot aan de buitenkant van de huid. Daar boven op staan aan de binnenzijde de boven-draam (met pennen door het dek heen op de onder-draam bevestigd) en aan de buitenzijde het zetboord, welke beide ook weer van voor tot achter doorlopen. Hierover heen een potdeksel, dat de naad tussen beide delen afsluit. Dit boeisel vormde zo een hechte constructie en een waardevol verband voor het gehele schip. Een en ander precies als bij de Vollenhovense schuit.

Navolging

In navolging van de Vollenhovense werf ging ook een der werven van Blokzijl (de werf van Snoek) de bol bouwen. Bij deze schepen, die zwaar van model waren, liep het boeisel normaal in de steven als bij een botter, terwijl naast de beer ook berentanden aangebracht werden. Zoveel hoofden zoveel zinnen is buiten kijf van toepassing op de bouw van de visserschepen van ons land. Zo onderscheidt de heer Kroese ook vijf verschillende schuiten (buiten de grote schokkers van onze zeegaten), te onderscheiden naar de plaats van herkomst. Met dit voor ogen is het dus niet verwonderlijk, dat toen naast Snoek uit Blokzijl, ook Huisman van Ronduite, Wanneperveen, bollen ging bouwen, er wederom een soort bol ontstond met enkele voor die werf karakteristieke kenmerken.
De punterbouwer, die Huisman van oorsprong was, maakte aanvankelijk schepen met een teveel weggesneden achterschip, waardoor deze bollen slecht door de wind gingen, zoals Kroese mij vertelde. Op de Vollenhovense werf werden er daarom ook verscheidene van een extra stuk doodhout voorzien tussen de eigenlijke steven en het roer, waarbij ook het laatste uiteraard iets veranderd moest worden. De oude Huisman heeft dit gebrek later verbeterd en zo ontstond een uitstekend zeilende bol van een iets slanker en verfijnder type. Doordat deze werf zich bovendien op de jachtbouw ging toeleggen werd de afwerking ook steeds fraaier.

Vollenhovense bol-jachten

De eerste op de werf van Huisman was de tegenwoordige 'Jarro' van de heer Berghuis, de vroegere 'Riepel' (in 2014 ook weer 'Riepel') van de heer Heybroek. Deze bol werd in 1921 gebouwd met een plecht, doch open achter de mast. Een bun ontbrak, maar om het verlies aan ballast, dat hierdoor ontstond, goed te maken werd een dubbele bodem aangebracht. De ruimte tussen deze soort van deken en het vlak kon door middel van een kraan gevuld worden en door een pomp geleegd. Een merkwaardige constructie dus. Om hoogte in de kajuit, die er inmiddels op een werf in Kampen was opgezet, te winnen, liet de heer Heybroek, nadat hij het schip had gekocht, de dubbele bodem wegnemen. Op dezelfde mallen werd in de winter van 1926-'27 de tegenwoordige 'Vrouw Lucia' (8.38 m lengte) van Mr. Dudok van Heel gebouwd, welk schip reeds bij de bouw van een kajuit werd voorzien. Het schip was volgens de huidige maatstaven van deze werf nog zeer simpel afgewerkt en vooral de inrichting liet veel te wensen over. In de winter van 1939-'40 volgde de 'Goetzee' van Ir. Loeff, een schip gebouwd met alle kenmerken van een goede jachtwerf. Ten slotte volgde in 1954 de 'Njord' (9.20 m) van Mr. Boltjes uit Amsterdam, ongetwijfeld een fraai voorbeeld van uitstekend vakmanschap.

Naast de bollen van Huisman vaart nog de 'Boronia' van de heer Gleichman, een tot jacht verbouwde Vollenhovense bol, die als visserschip van 10 m (de normale maat voor een bol) werd gebouwd. Dit schip werd opgeknapt op de werf van Kok te Huizen. Het bezit een beer, berentanden en boeisels, die in de steven uitlopen. Het is hiermede naar mijn oordeel typisch een vertegenwoordiger van de werf van Blokzijl. De heer Gleichman is echter van mening, dat dit schip gebouwd is in 1925 (het Stamboek van Ronde en Platbodem-jachten geeft 1922 op) voor een zekere Jan Peerdt te Vollenhove. Noch de heer Kroese, noch zijn vrouw, beiden geboren Vollenhovenaars, kunnen zich deze visserman herinneren, noch dat in de laatste actieve jaren (na 1927 zijn er geen bollen meer gebouwd in Vollenhove) een bol voor iemand van deze naam werd gebouwd. Daarnaast is de heer Kroese er zeer beslist van overtuigd, dat zij nimmer een bol bouwden met de stevenkenmerken, die de Boronia heeft. Steeds werd de typische uitholling in het boeisel aangebracht, terwijl berentanden ontbraken. De mogelijkheden in dit geval zouden kunnen zijn, ten eerste dat de heer Kroese gelijk heeft en dat het schip in Blokzijl gebouwd moet zijn, ten tweede dat het schip wel voor een zekere Jan Peerdt (hoewel de Kroese's deze naam niet kennen) gebouwd is, doch dan met de typische Vollenhovense kenmerken en dat in later jaren de boeisels veranderd zijn voordat de heer Gleichman het schip kocht. De heer Gleichman is nl. absoluut zeker, dat bij herstelling bij Kok niets aan de boeisels veranderd is.

Kenmerken van de Vollenhovense bol

Vollenhove (Kroese) Blokzijl (Snoek) Ronduite (Huisman)
plat vlak plat vlak plat vlak
vlakke zeeg vlakke zeeg vlakke zeeg
gebogen steven als bij de botter doch niet zo hoog gebogen steven als bij de botter doch niet zo hoog gebogen steven als bij de botter doch niet zo hoog
brede kop brede kop slanker model
beer beer geen beer
geen berentanden wel berentanden wet berentanden
uitholling boeisel bij de steven geen uitholling geen uitholling
rug van het roer komt terug rug van het roer komt terug rug van het roer komt terug

Moge deze beschouwing er toe bijdragen, dat ook anderen hun ervaringen op schrift stellen al waren het alleen wat aantekeningen, die de speurders van het Stamboek van Ronde en Platbodemjachten en het Zuiderzeemuseum bij hun navorsingen kunnen gebruiken. Immers de tijd dringt nu het oude slag van scheepsbouwers, die ons de bijzonderheden en het waarom van typische details van onze oude visser- en vrachtschepen geven kunnen, feitelijk op het punt van uitsterven staat.

W.H. Dudok van Heel
Den Helder

Terug naar vorige pagina