Herinneringen aan het verleden aan de Boeier ''t Ros Beyaert'

Spiegel der Zeilvaart: Een brief van oud-schipper M. Sijbranda

In de Spiegel der Zeilvaart van februari 1985 staat het volgende verhaal:
Deze door ons ontvangen brief is gericht aan Wim Kuyper. Op ons verzoek schreef Wim ons: „Via uw redactie heb ik in de loop der jaren verschillende brieven van oud-schippers ontvangen. Het waren brieven van onbekenden, vaak met interessante verhalen of gegevens die ik voor artikelen gebruikte of verzamelde en in rubrieken onderbracht. Met de meeste schippers die ik op voorspraak leerde kennen of bij wie ik onverwacht voor een gesprek aanklopte, groeide een vriendschapsband. Voor hen bestond er geen aanleiding tot schrijven. Wanneer je met schippers over varen van vroeger begint, loopt een gesprek meestal uit; vooral wanneer je een lange lijst bij je hebt met de meest uiteenlopende vragen. Je komt er dan vaker over de vloer en je leert ook moeder de vrouw kennen. Een aantal van deze mensen bij wie ik veel op bezoek kwam en een enkele keer aan tafel uitgenodigd werd, zijn overleden.

Blijkbaar behoren veel lezers van Spiegel der Zeilvaart tot de kring van (oud)-schippers. Aan al deze mensen die veel te vertellen hebben, zou ik de raad willen geven om zonder aarzelen eens in de pen te klimmen om hun wederwaardigheden op te schrijven. Daarbij zijn ook oude foto's, prentbrief-kaarten en kranteknipsels met bijzonderheden van weleer zeer welkom."
Maar nu de brief die wij van oud-schipper M. Sijbranda mochten ontvangen. Wim Kuyper verzorgde de illustraties; wij vroegen hem om deze brief van commentaar te voorzien.

De brief

Mijnheer, (gericht aan Wim Kuyper)
..... Genietend van Uw verhalen over Vollenhove en omstreken in Spiegel der Zeilvaart, komt altijd weer de herinnering boven van een aanvaring met een steen van 't gesteente van Vollenhove. Het was febr 1926 ik was toen 16 jaar en voer bij m'n broer als knecht op een Friesch tjalkje van 70 ton. Vader en Moeder waren in '24 aan de wal gaan wonen en was turfschipper van z'n vak, en zette z'n zaak als brandstofhandelaar voort en wel te Sneek.
Tussentijds deden we ook wel eens ander werk en dat bestond meestal uit zand en steen van de Gelderse IJssel. Zoo ook nu, we zouden een vracht rivierzand halen van Katerveer en voeren Lemmer uit. Normaal gingen we met een doorstaande Westelijke wind de Ketelmond binnen en zeilden dan de IJssel op, als het ook niet te ver was boven Katerveer. Maar deze keer waaide het hard uit 't Oosten en was er van de Ketel binnen, geen sprake. We voeren met gereefd grootzeil en stagfok, mooi onder de Kuinre en Blokzijl door naar de Kribben* zooals we het Zwolse diep noemden. Daar de wind pal Oost was en de Kribben W. N W. naar zee liepen besloot m'n broer, om door het blinde gat* in de verzonken Noordelijke dam in de Kribben te komen, en men behoefde dan de hele Kribben niet te laveren. We deden dat wel meer door 't blinde gat, maar gingen dan om 't gesteente heen.
Ter breedte van Blokzijl zei m'n broer; er moet ergens een geultje zijn niet ver van de punt van de Voorst, en daar proberen we dan langs te komen en zitten dan mooi hoog onder de wal. En zoo gezegd zoo gedaan, we naderden het gesteente, en ik stak geregeld uit en steeds minder water, en daardoor zogen we naar beneden ik moest zeil minderen want het sturen ging zo zwaar. En ja hoor op 't moment ging het bommer de bom en we donderden over een steen heen dat het was niet mooi meer. De zeilen gestreken de lanen uit de hel* getrokken en 't water stroomde mooi naar binnen. Met een stuk spek en vette vodden de boel zo goed mogelijk dichtgemaakt, het ruim leeg gepompt, anker gehieuwd, (de stok lag gedeeltelijk boven water) stukje zeil gezet en naar Kraggenburg gevaren, ten anker.
Na een goed uur kwam een motorschip die ons meenam naar Zwartsluis (de motorschepen kwamen toen in de vaart). Te Zwartsluis schoten we de grote Sluis binnen, en zoowaar stonden drie scheepbouwers op de sluismuur die tuk waren op de reparatie. Appele (Appelo), van Goor en Spiekman, en de Goede*. Na telefonisch overleg met de Verz. Mij. kreeg laatstgenoemde scheepsbouwer de opdracht voor de reparatie. Het bleef ons een raadsel hoe snel deze hellingbazen ingelicht waren. Waarschijnlijk hebben de altijd met het gezicht naar zee starende kaaimannen ons wel zien scharrelen en het naar de Slusse* doorgegeven......

Schokland
.....Ook kwamen we wel in de haven van Schokland terecht. Smit was daar toen havenmeester en Spit lichtwachter als ik het goed heb. Zondags hield Smit kerkdienst in de huiskamer en las dan een preek. De meeste schippers vooral Slussigers en Hoogeveensche waren van protestantse huize ook wij hoorden daarbij. Ook was er een klein winkeltje op de haven, maar als het verwaaid liggen langer duurde was de winkel gauw uitverkocht en was het dan wachten op de Kamper botter* die dan weer levensmiddelen aanvoerde. We lagen daar eens op een heldere zonnige winterdag met totaal geen wind. Boven op de dijk staande kon ik het silhouet van de RK te Lemmer en het gebouw van het nu Ing. Wouda gemaal duidelijk zien. Ik daalde af naar de waterspiegel en met het gezicht net boven het wateroppervlak alleen de toren en de schoorsteen van genoemde gebouwen......

Aanvullingen van Wim Kuyper op de brief van M. Sijbranda

Collectie Wim Kuyper
Collectie Wim Kuyper

Deze foto van de ingang van het voormalige Zwolsche Diep zal bij velen oude herinneringen oproepen. Het grote houten baken met een vierkant raam op de kop van de noordelijke verzonken dam is niet zichtbaar. De schipper van de uitvarende tjalk profiteert van een mooie zuidoostelijke bries. De laatste keer dat ik met mijn zwager het Zwolsche Diep uitzeilde was in de zomer van 1940. Het woei hard uit het zuidwesten; de hele dag boksten wij tegen de golven op. Tenslotte moesten wij 's avonds door een zwaar onweer toch nog in de buurt van Muiden ten anker komen. 

Aanvullingen (noten*) op de brief

Op diverse opmerkingen in de brief geeft Wim Kuyper een aanvulling.
Eén daarvan gaat over de "Kamper" botter:
Deze houten Rijksbotter had zijn vaste ligplaats in de haven van Schokland pal voor het huis van de havenmeester. De voorlaatste vaste knecht aan boord was Arend ten Napel. Toen hij in 1910 zijn functie aan Gerrit Huisman („Gait de Bok") overdroeg, had hij de respektabele leeftijd van één en tachtig jaar bereikt. De oude botter werd in 1921 door een wit geschilderde ijzeren aak vervangen. De bekende scheepsontwerper Thiebout kreeg opdracht om de Lemsteraak te ontwerpen; de 'Schokland' werd gebouwd bij W. de Vries Lentsch in Niewendam. Thiebout huldigde de opvatting dat zelfs in een tot perfektie uitgegroeid scheepstype nog wel veranderingen aangebracht kunnen worden. De 'Schokland' kreeg daardoor veel kritiek te verduren. Toen de opzichter van Rijkswaterstaat aan Gait de Bok vroeg wat hij van het schip vond, wond hij er geen doekjes om: „'t Is een varken". En daarmee kreeg de 'Schokland' de onofficiële naam „'t Verken".

pdf Spiegel der Zeilvaart februari 1985 nummer 1 - Herinneringen uit het verleden met Brief oud-schipper M. Sijbranda

 


 

Ph. H. Trooster uit Zwolle beschrijft in 5 afleveringen in de Spiegel de ervaringen met zijn Boeier ''t Ros Beyaert' (werkschip voor de dienstkring Zwartsluis van Rijkswaterstaat, gebouwd in 1911 bij Appelo in Zwartsluis)

Toen ik het verhaal van schipper Sijbranda over de vaart op het Zwolse diep en onder Schokland las, waarin de Kraggenburg en de haven van Emmeloord op Schokland een rol speelden, herkende ik daarin veel wat verband houdt met het scheepje waarop ik sinds 1948 zeil onder de naam „'t Ros Beyaert", met Zwolle als domicilie. Die herkenning wordt nog onderstreept door het noemen van de familie Smit te Emmeloord en de naam Kombrink. Maar laat ik bij het begin beginnen dan heeft mijn schrijven wellicht nog kans een verhaal te worden.

 


 

Spiegel der Zeilvaart juni 2015 nummer 5 - Vissers op Schokland

Op het onbewoonde eiland Schokland, midden in de Zuiderzee, werd 100 jaar geleden een visafslag geopend. Soms lag de haven er vol met wel driehonderd schepen. De afslag functioneerde tot 1932 en moest de vissers verlossen van de tussenhandelaren. Of dat lukte vertelt Bart Reindersma in dit artikel over een onbekend deel van de Zuiderzeehistorie.
Tot ongeveer 1900 is de Zuiderzeevisserij een redelijk welvarende bedrijfstak. Met als topjaar 1890 waarin er wel 190.000 ankers ansjovis worden gevangen. (Eén anker is ca. 2800 stuks oftewel 50 kg.) Daarna wordt het minder. Er is bijna nergens welvaart meer. De toestand van de schepen is slecht; herstellingen en onderhoud aan schip en want worden te vaak nagelaten. Er blijft na afschrijvingen veelal weinig over voor de visser. Daarbij was de Zuiderzee een zee waarop maar moeilijk te controleren viel en dat wisten de vissers die zich als vogels zo vrij voelden. Er heerste dan ook anarchie en de uitspraak van een visser 'als mijn schip kon praten, verzoop ik het', zegt genoeg.
Om betere en meer gestructureerde omstandigheden en verdiensten voor de vissers te bereiken en controlemogelijkheden te creëren die beter gehandhaafd kunnen worden, wordt op 20 maart 1911 de Zuiderzeevisscherijraad opgericht. 'De raad is er gekomen voor de Zuiderzeevisscherij in haar eenheid en niet voor de Zuiderzeevisschers in hun verdeeldheid', zijn de bijna magische woorden van de burgemeester van Enkhuizen - waar de raad gevestigd wordt - tijdens de oprichtingsvergadering in het stadhuis.
Vanaf nu wordt hier regelmatig vergaderd. Soms zijn de discussies heftig. Over en weer verwijten de leden elkaar alleen op te komen voor hun eigen belang - het spreekt voor zich dat de ingesleten gewoonten niet eenvoudig te veranderen zijn. Naast dat de raad bepalingen afkondigt waaraan de vissers zich dienen te houden, zoals de maaswijdten van de netten, probeert zij in de wintermaanden door voorlichting in de vissersplaatsen de vissers te overtuigen van de noodzaak visafslagen te openen. Zo kunnen de vissers onder de invloed van de opkopers of handelaren en ansjoviszouterijen uit komen.

Een stukje geschiedenis

Schokland was een strategisch gelegen eiland voor de monding van de IJssel. Anders dan Urk (keileem) had het een veenbodem en werd het in de negentiende eeuw voortdurend bedreigd door de zee. Om aan de onveilige situatie een einde te maken beval Koning Willem III in 1859 dat het eiland ontruimd moest worden. Daarna bleven er alleen wat Waterstaatambtenaren achter als havenmeester en dijkwerkers. Schokland bestond uit drie buurten, Emmeloord, de Middelbuurt en de Zuiderbuurt. Ze hadden weinig met elkaar te maken dankzij de geloofsverschillen: Emmeloord was katholiek, het zuiden protestants. Met de inpoldering van de Noordoostpolder klonk het veen in door drainage en is het voormalige eiland al anderhalve meter gezakt. Van de bebouwing is alleen de Middelbuurt bewaard gebleven.

pdf Spiegel der Zeilvaart juni 2015 nummer 5 - Vissers op Schokland

Terug naar vorige pagina