Sneeker Hardzeildag

Een belangrijk hoofdstuk uit het Friese volksleven

H. Halbertsma, conservator van het Fries Scheepvaart Museum in Sneek, heeft in 1965 het boekje "Sneeker Hardzeildag" geschreven met steun van o.a. de SSRP. De Hardzeildag was vroeger een op zich zelf staand Fries fenomeen. De naam Sneker Hardzeildag werd overigens pas na 1814 officieel gebruikt. Rond 1850 had zich om Hardzeildag al een hele zeilweek gevormd. Na 1934 werd de dag (de woensdag) onderdeel van de "Sneek-Week". Bij de eerste Hardzeildagen deden er natuurlijk louter Ronde en Platbodemschepen mee. Na 1900 werd het aantal steeds minder en na de tweede wereldoorlog was de deelname van Ronde en Platbodemjachten eigenlijk afgelopen. In 1965 werd voor het eerst sinds jaren, tijdens de eerste lustrumreünie van de SSRP in Sneek, de "oude" Hardzeildag met het Admiraalzeilen weer in ere hersteld. 
Het boekje van H. Halbertsma geeft een prachtige inkijk in het wedstrijdvaren van de schepen en het randgebeuren daaromheen (minstens zo belangrijk!) in vroegere tijden. Maar ook het ontstaan van het Admiraalzeilen komt uitgebreid aan bod. De mogelijkheden waren in die tijden natuurlijk beperkt en de afstanden groot. Maar toch staken 'onze' jachten toen al de vroegere Zuiderzee over en was er deelname aan evenementen in o.a. Amsterdam en Sneek, over en weer.
Het is niet onze bedoeling om het boekje hier in z'n geheel weer te geven, maar de belangrijkste delen en de foto's (veelal uit ons eigen archief) willen we u zeker niet onthouden.

De heer H. Halbertsma schrijft in zijn inleiding:

Op de Jaarvergadering van het Fries Scheepvaart Museum, op 24 april 1964 te Sneek gehouden, vonden wij aanleiding in een lezing het feit te herdenken dat op 11 mei 1814 de Sneker jachtvloot een traditie herstelde, welke sinds de komst der Fransen in het jaar 1795 verbroken was - het Admiraalzeilen. Inmiddels schrijven wij 1965, het jaar waarin Sneek zich opmaakt de 150ste Hardzeildag sinds het afwerpen van het Franse juk te vieren en de Stichting Stamboek Ronde- en Platbodemjachten deze Hardzeildag aangegrepen heeft om op de Sneker wateren haar tweede lustrum luister bij te zetten. Dit zal geschieden op de meest passende wijze, welke men zich slechts kan indenken - Admiraalzeilen volgens oud-Sneker, reeds vóór 1795 geldend protocol.
Waar nu, ter gelegenheid van deze, in een nabij verschiet liggende grote dag, de behoefte aan een historisch overzicht der Sneker jachtzeilgeschiedenis ontstond. lag de wens voor de hand, onze in 1964 gehouden voordracht tot een enigszins uitvoeriger en liefst met afbeeldingen verlucht geschrift uit te werken. Gezien het bestek, waaraan wij ons te houden hadden, is het niet de bedoeling geweest een geschiedenis van de Koninklijke Zeilvereniging Sneek te leveren welke op volledigheid kon bogen. Ons geschrift wil derhalve slechts een overzicht bieden met enige hoofdlijnen, waarbij het zwaartepunt onwillekeurig op de 19de eeuw is komen te liggen. 

Het eerbiedwaardig verleden van de Sneeker Hardzeildag

Er vallen wel weinig gebeurtenissen te vermelden welke zo diep in het Friese volksleven verankerd liggen, en op zulk een eerbiedwaardig verleden kunnen bogen als Sneeker Hardzeildag. Zeker, het aantal gelegenheden dat de Friezen binnen hun gewest gelegenheid bood hun krachten op het water te meten is altijd legio geweest, waarbij wij niet alleen denken aan de daartoe door ondernemende herbergiers uitgeloofde prijzen doch ook aan de onderlinge wedijver, iedere dinsdag en vrijdag ten toon gespreid door de tientallen veerschippers bij het verlaten van Sneek en Leeuwarden na afloop van de weekmarkten. Daarnaast leidde de omstandigheid, dat zo vele Friese boeren en kooplieden voor hun affairen bij voorkeur van een eigen zeilschip gebruik maakten en daarbij het nuttige met het aangename wisten te verenigen tot een algemeen verbreid streven, deze vaartuigen zo snel en wendbaar te maken als de omstandigheden het toelieten. Niet het minst met de bedoeling de voldoening te smaken, een meeloper in te halen en achter zich te laten. Het Friese volkskarakter, zo gekenmerkt door genoegen te scheppen in onderlinge krachtmetingen, waarbij lichamelijke behendigheid niet minder telt dan wiskundig overleg, kwam bij het hardzeilen bovendien zeer tot zijn recht.
Op het eerste gezicht zou men wellicht geneigd zijn Sneeker Hardzeildag geen grotere betekenis toe te kennen dan andere hoogtijdagen op dit gebied en daarbij zelfs met recht kunnen wijzen op het feit, dat de zeilvereniging `Oostergoo', gevestigd te Leeuwarden, reeds in het jaar 1848 werd opgericht, de zeilvereniging Sneek daarentegen eerst in het jaar 1851. Zonder twijfel is de eerste gebeurtenis niet zonder invloed op de tweede gebleven doch men houde hierbij wel in het oog dat de daad van de oprichtingen louter een vorm was, waarin een reeds veel eerder bestaand gebruik werd gegoten. Veeleer was het namelijk zo gesteld, dat de tijd tegen het midden van de 19de eeuw rijp werd voor een nieuwe vorm van maatschappelijk verkeer, waarbij bepaalde kringen zich los wensten te maken van de kasteleins, die tot dusverre de meeste zeilpartijen hadden plegen te regelen - met het uiteindelijk oogmerk uiteraard, daar stoffelijk beter van te worden. 

Oprichting Koninklijke Nederlandsche Yachtclub in het jaar 1846

Afgezien daarvan liet de oprichting van de Koninklijke Nederlandsche Yachtclub in het jaar 1846 haar werking in Friesland gevoelen omdat talrijke Friese kooplieden met hun boeiers of jachten herhaalde malen naar Amsterdam zeilden, dan wel daartoe van het Lemster veerschip gebruik maakten en in de stad aan het IJ de weg goed wisten te vinden. Het zegt ook wel iets indien men verneemt hoe aan de tweede wedstrijd, door vermelde Yachtclub op 10 september 1846 op het IJ voor Amsterdam gehouden, zes boeiers uit Friesland deelnamen, tegen zes boeiers uit de Zaanstreek, één uit Kampen en slechts drie uit Amsterdam zelf.
Nadien zouden Friese zeiljachten, waaronder zelfs grote tjotters of `boten' van nog geen 5 el lengte, bij wijze van bravourstukje over de Zuiderzee gezeild, geregeld 'acte de presence' te Amsterdam geven. Men schiep er van Friesland uit nu eenmaal behagen in, onder de blikken van gans Amsterdam blijken van zijn kunnen te geven terwijl de reis over de wijde Zuiderzee, heen en terug, op zichzelf reeds stof opleverde voor schone verhalen aan de huiselijke haard, naderhand.
Kwam het in 1847, naast de meer op Rotterdam georiënteerde Yachtclub, tot de oprichting van de in Amsterdam gewortelde Nederlandsche Zeil- en Roeivereniging, aan deze zijde van de Zuiderzee stagneerde het verder met nieuwe zeilverenigingen terwijl Friesland, aan gene zijde, er in 1876 al dertien telde. De opzet van deze Friese verenigingen was natuurlijk zeer bescheiden, vergeleken bij haar zusters te Amsterdam en Rotterdam en de bestuurderen dienden ook niet meer dan louter plaatselijke behoeften aan vrij eenvoudig opgezette watergenoegens. Niettemin weerspiegelt dit verschil de hoogst belangrijke rol, welke het verkeer te water voor brede kringen van de Friese bevolking speelde.

Mastwortelversieringen, scheerhouten en wimpels

Intussen is het met de schriftelijke overlevering van het Friese hardzeilwezen vóór het midden van de 19de eeuw vrij droef gesteld zodat men zich in hoofdzaak aangewezen ziet op aankondigingen en berichten in de Leeuwarder Courant. Zo verneemt men uit deze bron bij voorbeeld dat Aarnt Hanses, hospes in `De Jonge Prins' te Grouw, op 5 augustus 1754 een zilveren bal zou laten verkaatsen, mitsgaders doen verhardzeilen een 'vleugel met baltje, mits dat de jagten boven de 22 voet lang zijn'. Op 9 augustus 1764 loofde de kastelein Arent Hanses - hoogst waarschijnlijk dezelfde als de vorige, doch nu het bewind voerende over "t Wapen van Idaarderadeel', ook weer te Grauw - een `cierlijke fleugel en bal' uit. Op 10 september van 't zelfde jaar evenzo Anne Teyes, herbergier te Eernewoude, een `cierlijke fleugel en bal', 'te verhardzeilen mits door jagten en zeilpramen van 22 voet en daaronder'. Blijkbaar gold de lengte van 22 voet als een kritieke maat. Op 16 september, steeds nog in 't jaar 1764, verlokte kastelein Laurens Roelofs te Heeg de liefhebbers met een 'sierlijke vleugel met een zilver schrehout'. Wij doen uiteraard slechts een greep uit de lange reeks 2. Kennelijk berustte het uitloven van mastwortelversieringen, scheerhouten en wimpels, in natura dan wel op kleiner schaal als zilveren trofeeën uitgevoerd, op vaste gewoonten.

Zeilpartij bij Oude Schouw in 1777, bijgewoond door Prins Willem V

Men hield zich daar eveneens aan toen op de vierde september van het jaar 1777 bij de Oude Schouw, aan de oude heerweg tussen Irnsum en Akkrum, waar de Wetering uit de Boorne treedt, een zeer bijzondere zeilpartij plaatsvond, bijgewoond door Prins Willem V in eigen persoon, vergezeld van de gehele stadhouderlijke familie. Dit feest maakte een onderdeel uit van het statiebezoek, door het prinselijk gezin van 26 augustus tot 8 september 1777 aan de provincie Friesland gebracht en het is in het uitvoerige, gedrukte gedenkschrift, dat nadien door de Leeuwarder drukker en uitgever A. Jeltema in het licht gegeven werd, dat men een uitvoerige beschrijving vinden kan van de regeling ter plaatse.
Om te beginnen hadden de Heeren Gedeputeerden, door eene nadere Advertentie in de Courant, bekend doen maaken, dat de Zeilpartij met Jagten, om den vervaardigden Zilveren Vleugel, Tuigje, Vlag en Wimpel, Donderdag den 4 Sept. zoude zijn bij de Oude Schouw, en dat de gene die genegen was om mede te zeilen, zich des morgens ten 8 uuren aldaar moeste vervoegen om zich te laaten intekenen'. Dat betekende dus vroeg opstaan voor het gros der liefhebbers!
De prijs was door de Gedeputeerden uitgeloofd, hetgeen niet naliet een groot aantal gegadigden naar de Oude Schouw koers te laten zetten. Tevoren hadden de Heren Gedeputeerden zich natuurlijk reeds grondig beraden over de moeilijkheden, welke de feestelijkheden met zich mee zouden brengen doch zij prezen zich gelukkig de verantwoording voor de zeilpartij zelf te kunnen afwentelen op een college van vier 'Keurmeesters', te weten Andries Wouters, koopman te Sneek, Hendrik van der Werf, 'Kapitein van Zijn Hoogheids Binnenjagt te Leeuwarden', Sieds Pieters, koopman te Leeuwarden en Bartholomaeus Nuijen uit Woudsend. Andries Wouters was intussen meer in het bijzonder aangezocht de 'Directie van de meeste zaaken, raakende de Schikking tot het Zeilen, op zich te neemen'. Hij kweet zich op loffelijke wijze van zijn taak door een 'Reglement op het Zeilen der Jagten' te ontwerpen, `bij het aanweezen van Hunne Doorluchtige en Koninklijke Hoogheden in deeze Provincie, om den Prijs door de Edele Mogende Heeren Gedeputeerde Staaten van Vriesland uitgeschreeven'. Het werd bij vermeld college ingediend en op 25 augustus 1777 `geapporbeert en gearresteert'.
Wij zullen hier alle 13 artikelen maar niet uitschrijven, al geven zij een zeer duidelijk beeld van de manier, waarop men zich voorstelde te werk te gaan. In de eerste plaats werd de deelname beperkt tot 'Alle Jagten, welke voor Liefhebberij worden gehouden binnen deese Provincie, mits boven de twintig voeten lang zijnde'. In de tweede plaats noopte het vaarwater — de Nieuwe Wetering tussen Snekermeer en Oude Schouw, alsmede het aansluitende Eerste Rak van de Boorne in de richting Irnsum — tot bijzondere voorzieningen. Weliswaar was de Oude Schouw nog niet door een brug vervangen, zoals thans, maar een 'vliegende start' zou uitgesloten zijn geweest. Men wist daar wel raad op en plaatste langs de oever, vanwaar de afvaart diende plaats te vinden, een aantal palen met een onderlinge tussenruimte van een honderdtal voeten. Iedere paal werd bovendien op duidelijke wijze genummerd en iedere schipper zou op het afgesproken sein van die paal moeten vertrekken, waarvan hij het nummer tevoren door het trekken van een toegevouwen nummerbriefje uit een omhoog gehouden hoed opgegeven gekregen had. Mochten er zovele deelnemers zijn dat het aantal palen te gering bleek, zo was de keurmeesters vrijheid te geven de 'Menigte der Jagten in zo veele Vlooten of Divisien te laaten zeilen, als dezelve best oordeelen'. Het teken tot afvaart werd aangeduid door een 'Snaphaan- of Kanonschoot door een' der Keurmeesters of iemand hunnent wegen' gegeven.

Het reglement

Men mocht 'geen meerder Zeilagie' voeren dan 'alleen Zeil en Staagfok', en `niemand zal ook vermogen andere Zeilen of Tuigagie op en bij te zetten dan die gewoonlijk zijn en bij deszelfs Jagt behooren'. Niets nieuws onder de zon dus! Was men eenmaal van wal gestoken, 'zal men niet vermogen eenigen Haak, Boom of ander Instrument, tot af- of voortduwinge dienstig, dan alleen eenen Haak om de Fok loefwaarts uit te zetten, te gebruiken'. Evenmin mocht men tijdens de wedstrijd zeil minderen of zeilen bijzetten.
Wat het ruimte geven betreft, bij het inhalen mocht men elkaar niet hinderen, `het zij door te na aan den Loef wal te houden, of den wind in zijne Zeilen te vangen'. Te dien einde moesten de deelnemers 'op het Halve Vaarwater, ten genoege der Keurmeesters' blijven varen. Voorrang over bak- of stuurboord werd bij het laveren niet verleend: 'en laveerende, elkanderen welvoegelijk laaten passeeren'. Hetgeen, bij alle welwillendheid, de minst-bescheidenen toch wel eens in de kaart zal hebben gespeeld. Bij ontmoetingen diende het schip, dat de ruimste wind genoot, de lage wal te houden.
Uiteraard gold voor ieder schip als eindpunt dezelfde paal, waarvan het was afgevaren, waardoor de taak van de keurmeesters danig werd verzwaard. Men zeilde voor het overige de uitgezette baan slechts één maal, te weten vanaf ieders paal de Wetering af naar het Snekermeer, tot aan de daartoe gelegde ton of het geplaatste baken, 'daar Benedenwinds omheen gezeild zal moeten worden'. Voorts de Wetering weer op, langs de Oude Schouw de Boorne af en "t Vaarwater naar Irnsum ingeslagen, alwaar in het Eerste Rak weder een kennelijk Teken of Baaken zal worden geplaatst, daar, op gelijke wijze als vooren, omheen gezeild moet worden, en wijders ieder op en aan dezelve Plaats, bij en agter zijn' Nummerpaal, daar hij afgevaaren is, wederkeeren'. Wie het eerst zijn paal wist te bereiken, of liever te passeren, 'zal met den beloofden Prijs worden beschonken'.
 

De wedstrijd

Op de ochtend van de grote dag lieten zich niet minder dan 37 schippers inschrijven, die ieder uit de hoed hun volgnummer trokken. De keurmeesters deelden de schepen vervolgens in over vijf `Divisien', waarvan de eerste vier acht jachten telden, de laatste vijf. Iedere 'Divisie' zou afzonderlijk hardzeilen, waarna de vijf winnaars tot slot nog eens om de hoofdprijs dienden te strijden. 
De lijst zag er als volgt uit:

Sneek spande dus wel de kroon met twaalf van de 37 schepen! Opmerkelijk is ook het aandeel van de familie Wouters, een lange jaren te IJ1st, naderhand naar Sneek verhuisd, vooraanstaand Doopsgezind geslacht van meelhandelaren en olieslagers. Bezat Andries Wouters reeds de leiding van de gehele zeilpartij, en had deze tevens het reglement opgesteld, onder de deelnemers ontmoeten wij bovendien nog een Alle Wybes Wouters, diens broeder Beerent Wybes Wouters, een zoon van de laatste, Wouter Beerents, en een broeder van Andries Wouters, Mintje Wouters! Op Sneek volgde Woudsend, met acht schepen. Ook hier weer bloedverwanten in de `bollestan Jelle, Reinder en Haije Zoethout. Dan Leeuwarden met zes schepen, Grouw en Eernewoude met ieder twee, Harlingen, Makkum, Workum, IJlst, Warga, Terhorne en Oldeboorn elk één.
Met tussenpozen van acht tot tien minuten staken de vijf eskaders achtereen¬volgens, op het `Zein van een Snaphaan-schoot', 'egaal af'. Zodra het eerste jacht van iedere 'divisie' zijn paal na het afzeilen van de baan weer had bereikt, werd opnieuw een schot afgevuurd zodat er in totaal zes schoten vielen. Kwart voor twaalf zeilde de Eerste Divisie reeds, terwijl half één alle vijf eskaders in de baan kruisten; 'dus was' er een gestadige aanhoudende voorbijpasseering van Zeilen, zonder dat 'er eenige wanorde is voorgevallen'. De vijf winnaars bleken te zijn Jelle Zoethout van Woudsend, Reinder Zoethout, eveneens uit Woudsend, Mintje Wouters van Sneek, Gosling Lykles van Grouw en Jelle Hendriks van Oldeboorn. Zij moesten opnieuw loten om de volgorde van ligplaats en daar viel het zevende schot van de dag! Dezelfde baan werd weer afgelegd en het geluk was met het schip, dat de tweede paal was toegewezen: de 'Bever', gestuurd door Mintje Wouters! Ten aanschouwe van het doorluchte gezelschap, 'met groote toejuiching, onder 't geschal van Pauk en Trompetten', stevende de winnaar op zijn paal aan.
Maar daar bleef het niet bij: 'De Koopman Andries Wouters bij Hunne Hoogheden geroepen wordende, wierde verzogt den Prijsbehaaler derwaarts te doen koomen, dien hij tot op de Tent verzelde, alwaar zijn Broeder Mintie Wouters, op 't allervriendelijkste, uit handen van Haare Koninglijke Hoogheid den behaalden Prijs ontving; bestaande in een Zilveren Scheerhout ter lengte van twee voeten, staande op deszelfs midden een fraaije gewerkte Zilveren Kroon, ter hoogte van drie en breedte van vier duim; een allercierlijkst Zilveren Tuigje, ter lengte van anderhalf voet, waar op gegraveert zijn de Wapens van Hunne Doorlugtige en Koninglijke Hoogheden, mitsgaders dat van deeze Provincie, dewelke boven door eene Kroon worden gedekt; een kostelijke Zilveren Bal of Knop op de Vlag, met deselve Wapens en Kroon, ter hoogte van zes duimen, en in diameter breed ruim vier duimen; een Zilveren Wimpelstok met twee zwaare Knoppen aan de einden, ter lengte van zestien duimen, waar bij een Zilveren Blokje aan Orange Linten; mitsgaders een Vleugel, Vlag en Wimpel, zeer cierlijk geschildert en verguld, met Goudene Appels aan de Ranken, praalende aan den eenen kant met de Wapens van Hunne Doorluchtige en Koninglijke Hoogheden, en aan den anderen kant met dat van deese Provincie. Waar voor hij zijne hartelijke dankbetuiginge aan den Prins en Princesse, en bezonderlijk wegens de genootene Eere, aan Haare Koninglijke Hoogheid afleide'.
De door hem gewonnen prijzen bleven tot op heden bewaard, met uitzondering van de wimpelstok met toebehoren, de vleugel, de vlag en de wimpel, welke niet tegen de tand des tijds bestand gebleken zullen zijn. 

Het schip van de winnaar Mintje Wouters

Het schip zelf, mirabile dictu, bestaat nog altijd, zij het in danig onderkomen vorm omdat de tijd aan de inhouten knaagde en een brand de roef met een deel van het dek vernielde. De romp ligt in ieder geval nog te Broek in Waterland als een met zorg bewaarde reliek, toebehorende aan de heer W. Terpstra, onder de naam 'Anne'. Het oorspronkelijke roer maakt er ook al geen deel meer van uit doch valt te bewonderen in het Nederlandsch Historisch Scheepvaart Museum te Amsterdam. De boeier ontleende zijn naam aan een sinds het midden der 18de eeuw in Nederland voorgoed uitgestorven waterbewoner, welk dier meer dan levensgroot als een schrikaanjagende demon met opengesperde muil en in bonte kleuren beschilderd, in hout uitgesneden en omlijst met `snilen en doerebouten' - biezen en lisdodden -, het roer bewaakte. Vooral bij duisternis of schemer kon dit de `bollenstal' inloerende ondier bijgelovige schippers - en welke schippers waren dit niet - akelig doen schrikken. Het was trouwens niet de enige van zijn soort, al stond de onderhavige wel bekend als de meest griezelige. Zo onderscheidde men de `Greate Bever' van de `Lytse Bever', een open jacht,
in het jaar 1820 door Eeltje Tjeerdes Holtrop te IJlst gebouwd, lange jaren het eigendom van schipper Voordewind, de vader van commissaris H. Voordewind en eveneens nog altijd in de vaart als bezit van Dr. C. F. Diesch te Zwollerkerspel! Naar verluidt was een andere boeier, 'Otter' geheten, een zusterschip van de 'Bever' dat men al even vaak tijdens zeilpartijen op het Snekermeer ontmoet. Dit schip schijnt echter niet meer te bestaan zodat wij maar moeten aannemen dat het roer van de 'Otter' op overeenkomstige wijze met een houten otter was versierd.
De overlevering wil dat ook de `Greate Bever' eenmaal te IJlst van stapel liep en, evenals de 'Otter', geheel was ingericht op het vervoer van lijnkoeken. Deze schepen waren dus niet bedoeld als plezierjacht te varen zodat zij een veel zwaardere bouw en hoekiger vorm vertonen dan de buitengewoon sierlijke boeiers en jachten, welke nimmer meer overtroffen meesters als Eeltje en Auke Holtrop van der Zee, eerst te IJlst, later te Joure zouden afleveren. Gelijk reeds opgemerkt handelden de heren Wouters in meel en lijnolie, zodat het bezit van een schip, dat lijnkoeken naar de boeren diende te vervoeren, een heel gewone zaak was. Deze lijnkoeken werden voor het overige geslagen in de oliemolen 'De Monnik', gelegen aan de Franekervaart. Deze molen is - helaas - verdwenen doch in het Fries Scheepvaart Museum bevindt zich een fraaie gevelsteen, versierd met de voorstelling van een oliemolen, geflankeerd door het jaartal 1770 en de initialen B[eerent] W[ybes] W[outers] gevolgd door I[antje] I[zaaks] H[ulshofj. Deze steen bevond zich eertijds in de voorgevel van een breed en diep meelpakhuis aan de Singel te Sneek.
In de tachtiger jaren van de vorige eeuw, toen het rijk der Woutersen te Sneek een einde genomen had en hun plaats werd ingenomen door de Wouda's, liet de toenmalige eigenaar van de 'Bever', N. J. Wouda - tevens voorzitter van de Zeilvereniging `Sneek' - de uitneembare laadluiken verwijderen en vervangen door een vaste roef. Maar laten wij niet te zeer op ons verhaal vooruitlopen en alleen nog vermelden dat dezelfde 'Bever' ook in 1892 een eerste prijs won, ditmaal uitgeloofd door prinses Wilhelmina en in Haar tegenwoordigheid op het Snekermeer door de heer Wouda voornoemd veroverd.

Het Admiraalzeilen

Naast het Hardzeilen, waartoe eerlijkheidshalve een scheiding in verschillende groepen naar grootte en zeilvermogen werd nagestreefd als veerschepen, pramen, kleine boten of tjotters, grote boten of jachten en boeiers - jachten van iets forsere afmetingen, voorzien van een vast voordek, gangboord en laadluiken dan wel roef — kende men vanouds ook een ander vermaak - het Admiraalzeilen. De oudste berichten over dit, niet uit verdedigingsoogmerken maar als louter genoegen bedoeld bedrijf hebben betrekking, om ons nu maar tot Nederland te bepalen, op Amsterdam. Ernst Crone heeft er in zijn bereids aangehaalde boek op gewezen dat Amsterdam in de 17de eeuw reeds drie havens voor 'speeljachten' rijk was, welker eigenaren gilden vormden met overlieden en knechten. Ieder jaar vierde het jachthavengilde een feest, waarvan het hoogtepunt het Admiraalzeilen vormde en waaraan alle drie gilden te zamen deelnamen. In die zin dat ieder gilde een eskader formeerde, aangevoerd door een admiraal, vice-admiraal en schout-bij-nacht. Soms deed men dit op het IJ, dan weer op de Amstel en het ligt voor de hand dat men hierbij tot op zekere hoogte het èchte Admiraalzeilen op volle zee nabootste. Bijzondere gebeurtenissen vormden wel eens aanleiding dit Admiraalzeilen met grote pracht en praal te doen geschieden.
Deze vertoningen brachten steeds duizenden mensen op de been, waarbij het aan Friese toeschouwers bepaald niet ontbrak. Friesland, niet minder ook de Zaanstreek, gold trouwens als een gebied waar uitmuntende zeilers gevonden werden en naar verhouding ook het grootste aantal zich voor hardzeilpartijen en Admiraalzeilen het best lenende jachten thuishoorde.
Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de Sneker jacht- en boeierzeilers het Amsterdamse Admiraalzeilen met kennersblikken gadesloegen en zich wel eens zullen hebben afgevraagd of op de eigen wateren niet iets dergelijks viel te ondernemen. Aan schepen ontbrak het niet, en aan gelegenheid evenmin 6. Hoe het zij, uit een levendige beschrijving, afgedrukt in een te Sneek in 1772 gedrukt en door Eelco Napjus geschreven kroniekje valt af te leiden dat het Admiraalzeilen vóór gemeld jaar een voor de Sneker burgerij regelmatig terugkerend waterfeest uitmaakte, volgens alle regelen van de kunst gevierd, waarvoor heel de stad in het geweer kwam. 

`En also alhier schone gelegentheid is voor het Zeilen, zo isser ook niet minder Genegenheid voor. Want in deze Stad zyn thans wel tusschen de 30 en 40 Jagten, die meest uit Plaisier worden gehouden, welke Jagten en Jagtjes, Jaarlyks op den 8 Maart [indien 't open Water is, zynde de Heuglyke Verjaardag, van Zyn Doorlugtigste Hoogheid Willem de Vde, Prince van Orange en Nassouw, &.&.&., Neerlands geliefde Stadhouder:] Alhier in de Stads Gragt aan de Zuidkant deser Stad, zig vertonen met Flaggen en Wempels, en de daar in zynde Schippers wel opgepronkt, met Oranje Cocaardes, zommige met Oranje Lint Geborduurd, Schippers Lyverei.....''

De geestdrift moet inderdaad wel buitengewoon groot zijn geweest dat men zich door de maartse koude niet liet weerhouden, enige uren voor puur genoegen heen en weer te zeilen! Toch bleef deze gewoonte vele jaren aaneen gehandhaafd, getuige ook het vijf jaar eerder in de Leeuwarder Courant afgedrukte verslag over het Admiraalzeilen te Sneek ter gelegenheid van 's prinsen verjaardag op 8 maart 1767.

`De Heugelijke verjaring van onzen geliefden Erfstadhouder Willem de Vijfde op de 8ste deezes invallende, is, vermits den Zondag, op heeden met veel Plechtigheid alhier geviert, zoo bij de Regeering als Burgerij, hebbende de EdelAgtb. Magistraat verscheidene malen 't Kanon rondom de Stads Walle doen lossen onder het Luiden en Spelen der Klokken terwijl een zeer fraaije Vlag boven uit den Toorn van het Raadhuis waaide. De Burgerij heeft zig inzonderheid gedistingueert met het zeilen der Jagten, om hetwelk in de beste Ordre te doen eenige dagen van te vooren alle eigenaars van dezelve waaren bijeen gekomen wanneer ze tot Admiraal verkozen de koopman Mintje Wouters, tot Schout bij Nacht Karst Beetsma en tot kapitein Foeke Douwes Wielinga, verdeelende hunne vloot in drie divisiën, welke door laatstgenoemden Officier geslooten wierde......'

Bekend Ayrtje Wilhelmus van Nassouwe

Mintje Wouters had dus al de nodige ervaring opgedaan eer hij in 1777 naar de prijs op de Oude Schouw dong! Wat het ten gehore brengen van het `bekend Ayrtje Wilhelmus van Nassouwe' betreft, dit was niet het Wilhelmus in de vorm waarin wij gewoon zijn dit te horen, te zingen of te spelen doch de bewerking van het oorspronkelijke — Franse — motief tot de zogenaamde Prinsenmars, welke tot in de negentiger jaren van de vorige eeuw bij de vaandelgroet tijdens de militaire parades geblazen placht te worden. Het trompetsignaal 'Wilhelmus' is trouwens tot de huidige dag bij de Koninklijke Marine in gebruik en betekent Saluutbatterij gereed maken'. Het aardigste laat dit wijsje zich weerklinken, in snel tempo geblazen door twee trompetten of waldhoorns, waarbij de ene een tegen-melodie doet horen. En dan bij voorkeur door oude instrumenten, waarbij ten volle van de natuurtonen profijt getrokken kan worden. 

Gezicht op het Snekermeer, aan de kim de stad Sneek, naar een schilderij van D. P. Sjollema uit het jaar 1836. Maritiem Museum 'Prins Hendrik', Rotterdam.
Gezicht op het Snekermeer, aan de kim de stad Sneek, naar een schilderij van D. P. Sjollema uit het jaar 1836. Maritiem Museum 'Prins Hendrik', Rotterdam.

Het vaarwater in en om Sneek

Wij worden enigszins in het ongewisse gelaten over het vaarwater, waarop zich het Admiraalzeilen afspeelde, al wordt er over de zuidzijde van de stad gesproken terwijl de vloot zich verzamelde in de stadsgracht, aan weerszijden van het punt, waar voorheen de Hooibloksteeg naar het bolwerk leidde, thans de Hooiblokstraat op de Bothniakade uitkomt. Aangezien nu bij latere zeilfestijnen in de 19de eeuw ook steeds weer dit gedeelte van de stadsgracht als verzamelstreek wordt opgegeven, vanwaar de vloot naar het Zomerrak opvoer om vervolgens de spoedig veel bredere Houkesloot te bereiken, met als einddoel Kruiswater of Kolmeer, kan men veilig aannemen dat aan dit rak de voorkeur gegeven werd boven de tamelijk nauwe en bochtige Woudvaart, al mondde deze weldra in de Brekken uit, en zelfs de zo wijde Geeuw, waar het einddoel IJlst had kunnen zijn. De saluutschoten van de stad Sneek zullen deels vanaf de Stuurwoldstoren, aan de uiterste zuidoosthoek der stadsvesten, zijn afgevuurd, vanwaar men van een onbelemmerd uitzicht over de Houkesloot tot aan het Snekermeer kon genieten. Het laatste schot moet echter wel hebben weerklonken van de stadswal op een punt, nabij de waterpoort van de Kleine Palen gelegen, waar de Woudvaart de stadsgracht kruiste en zijn wateren met Singel en Grootzand verenigde. Immers, door deze opening werd de vloot na afloop van de zeilpartij binnen de vesten gehaald en wachtte de magistraat tot ook het laatste jacht was gepasseerd, eer dit laatste schot te doen lossen.

Na de Franse overheersing tot 1814

Het laat zich denken dat openbare feestelijkheden op de verjaardag van Prins Willem V na het jaar 1795 uitgesloten waren. Des te gretiger greep de Sneker burgerij in het jaar 1814, nauwelijks van het Franse juk bevrijd, de eerste de beste gelegenheid aan, de oude kunst weer te gaan beoefenen. De behouden terugkeer van een dood-gewaande Sneker 'garde d'honneur', Jacob Sjoukes Visser, bood daartoe een ongezochte aanleiding. Op 20 juli 1813 waren namelijk drie Sneker jongelieden — behalve Visser, Mintje Wybes Bleeker en Gerard de Roock — geprest naar Leeuwarden te reizen en zich daar aan te sluiten bij het bereden Friese detachement, dat te Tours een verdere opleiding zou ondergaan alvorens Napoleons legerscharen te versterken. In Duitsland werd het ten slotte in de nodige schermutselingen met de oprukkende bondgenoten betrokken, waarbij Bleeker en De Roock kans zagen te deserteren zodat zij in het voorjaar van 1814 als helden in hun vaderstad werden binnengehaald. Visser was zo fortuinlijk niet geweest ". Zodra nu de mare Sneek had bereikt dat ook Visser heelhuids in Joure was aangekomen, besloten zijn vrienden hem een waardige ontvangst te bereiden door hem met de ganse Sneker jachtvloot op te gaan halen! Een hoogst zeldzaam, gedrukt reglement, in het Fries Scheepvaart Museum aanwezig, licht ons over de gang van zaken bij deze ontmoeting nauwkeurig in.

Het Reglement in 1814

Het vertoont de gedrukte datum mei 1814, waarvoor in inkt ingevuld staat Woensdag 11. De regelen — 10 in getal —, uitmakende de Noodige Bepalingen bij de Zeil-Partij' luiden als volgt:
Ten einde de Zeilpartij, bij gelegenheid der inhaling van de heer J. S. Visser, in behoorlijke orde geschiede, wordt het noodig geacht, onderstaande bepalingen aan de liefhebbers, welke die partij zullen bijwonen, kennelijk te doen worden.

  1. Dat de vergaderplaats bepaald is, een half uur na aanzegging, tusschen het Hooijblok en de Kleine Palen.
  2. Dat ieder zich schikt naar rang-nummer, en wel, ten opzigte der Jachten, in dezer voege: dat er, zoo wel met aan de wal leggen als zeilen, gezorgd worde, dat tusschen ieder Jacht eene tusschen-ruimte van drie Jachtlengten zij.
  3. Dat dit, insgelijks, door de Boten moet worden geobserveerd.
  4. Na dat de gantsche vloot, in orde, aan de kant van 't Cingel ligt, steekt den Admiraal van wal. Bij het passeeren van ieder Jacht worden twee á drie schoten, naar mate men van geschut voorzien is, gedaan.
  5. Dat zelfde geschied mede in 't passeeren van den Vice-Admiraal.
  6. Den Admiraal vaart door de brug bij de Kleine Palen, en neemt eene positie, waar naar zich de anderen moeten regelen; houdende dezelfde rigting, als bij art. 2 en 3 is bepaald.
  7. Wanneer daar allen in behoorlijke orde liggen, gaat de Admiraal onder zeil, en hem volgen alle de anderen. Er wordt alsdan door den Admiraal gesalueerd, en zulks wordt door de gantsche lienie gevolgd.
  8. De molen van Stam voorbij zijnde, salueerd den Admiraal de stad, en zulks wordt insgelijks door de overigen gedaan.
  9. Na 't opsteeken van een wit teeken, door den Admiraal, moet ieder zijn geschut laden, en alléén op 't schot van Z.E. moet door geheel de lienie geschoten worden.
  10. Zonder sein wordt geen schot gedaan. 
    Even als bij 't afgaan van Sneek wordt het werk op de Joure behandelt; en ieder wordt verzogt, zich daar aan, zoo veel mogelijk, te houden. 

Hoewel er bij deze gelegenheld een scheiding wordt gemaakt tussen 'Jachten' en 'Boten', en ieder een bepaald rangnummer krijgt toegewezen, is er geen sprake van afzonderlijke eskaders, al zou men dit misschien mogen afleiden uit het optreden van een vice-admiraal, naast de admiraal.

Sneeker Hardzeildag valt vanaf 1814 op de woensdag volgende op de zaterdag van Snitser Merke

In afwijking van voorheen kozen de deelnemende schepen hun eerste ligplaats niet in de stadsgracht, aan de buitenzijde van de stadsvesten, doch in een binnengracht, de Singel - in vroeger eeuwen Sneeks oostelijke stadsgracht. De jachten werden afgemeerd langs de wallen tussen het Hooiblok — oudtijds een steeg, thans tot straat verwijd - en de inmiddels gedempte Kleine Palen, eenmaal een onderdeel van de natuurlijke waterweg Woudvaart-Grootzand.
De Admiraal verliet als eerste derhalve de stad door de waterpoort aan het uiteinde van de Kleine Palen — aldus genoemd wegens het paalwerk, ter verdediging van de poort in de stadsgracht geramd, in tegenstelling met de `Grote Palen', in de Kolk voor de Hoogendster, nog bestaande waterpoort of `pijp' indertijd te vinden. Hij zeilde de vloot verder voor langs de buitenzijde van de stadsvesten door de stadsgracht, vervolgens het Zomerrak tot aan de 'molen van Stam', waar de Houkesloot, aldaar voorheen afbuigende naar de Woudvaart, begon. Hier ook pas kreeg men ruimer water onder de kiel en konden de eskaders zich eerst recht gaan formeren, ten einde in een lange rij op te zeilen naar Kruiswater, Roekoe en Kolmeer - een der kleinere plassen waaruit het Snekermeer allengs door voortgaande afslag ontstond. Vandaar zal men door de Sybesloot wel op de Goëngarypster Poelen hebben aangekoerst, om ten slotte langs de Noorder Oudeweg Joure te bereiken. Een en ander moet, ook van veraf gezien, een buitengewoon feestelijke aanblik geboden hebben, welke niet naliet de terugkerende 'garde d'honneur' te ontroeren. De tocht voldeed zo goed, dat na afloop meteen werd besloten de verjaardag van de nieuwe Oranjevorst, koning Willem I, tot datum aan te houden voor alle toekomstige Sneker zeilfestijnen. Deze viel op de 24ste augustus, welke in 1814 op een woensdag viel. Dag en datum sloten bovendien uitmuntend aan op de aloude Sneker Kermis. En om nu te vermijden dat de zeilpartijen zouden moeten worden afgelast indien de 24ste augustus eens op een zondag mocht vallen, dan wel op een dinsdag - Sneker weekmarkt -, of een vrijdag - Leeuwarder weekmarkt -, werd afgesproken dat Sneeker Hardzeildag voortaan plaats zou vinden op de woensdag, volgende op de zaterdag van Snitser Merke', dat wil zeggen de eerste zaterdag na de tweede dinsdag in de maand augustus. Doorgaans is dit de derde woensdag van augustus, soms evenwel de vierde'. 

De benaming "Sneeker Hardzeildag" vanaf 1814 in zwang

Onwillekeurig schreven wij Sneeker Hardzeildag, doch deze benaming was in 1814 nog niet in zwang en zou eerst in de loop der volgende jaren een begrip worden. Men krijgt voor het overige de indruk dat het eigenlijke Admiraalzeilen op de Sneker wateren moeite had zich te handhaven tegen het wedstrijdzeilen. De historicus J. F. M. Herbell, in zijn latere levensjaren secretaris van de stad Sneek en president van de rechtbank aldaar, merkt in de door hem verzorgde herdruk van Napjus' kroniek in het jaar 1826 reeds het volgende op:
`Het zoogenoemde Admiraal-zeilen der jachtschepen, begon nu weder in gebruik te komen, en is een en andermaal op den verjaardag des Konings, welke invalt op den 24 Augustus, herhaald; doch dit heeft echter daarna weder opgehouden'. Geheel anders was het daarentegen gesteld met het wedstrijdzeilen, blijkens de regelmatig weerkerende aankondigingen in de Leeuwarder Courant. 

Wedstrijdzeilen

Zo bijvoorbeeld in het nummer van vrijdag 15 augustus 1817:
Hardzeilpartij te Sneek: Eenige liefhebbers hebben het oogmerk om op Woensdag den 20 Augustus 1817 des na de middags ten twee uur te laten verhardzeilen door Jagten en Booten van onderscheidene groote:
Twee extra fraaije zijden Vleugels met zilveren Scheerhouten en fraaije Tuigjes. De inschrijving moet geschieden op genoemde dag des voor de middags voor 101/2 uur ten huize van Liske Stuvenberg, kastelein in de Stads-herberg te Sneek'.
Het gaat nu regelmatig op dezelfde wijze voort. In 1818 loven de 'liefhebbers' een 'briljant gemonteerd hangkompas' uit, benevens een `fraaije verrekijker', waarnaar ook `boeijers' kunnen mededingen. In 1819 is het een 'extra fraaije zilveren tabaksdoos'. Wie die edelmoedige 'liefhebbers' wel waren wordt niet vermeld, doch Stuvenberg behield onafgebroken de gunst. De prijzen variëren steevast tussen zilveren scheerhouten en tuigjes, tabaksdozen, kompassen, kijkers en soms een grote vlag. In 1821 wordt een afzonderlijke klasse voor de veerschepen ingesteld. Het duurt intussen tot 1832 eer ook Grouw zijn eigen zeilwedstrijd in de courant gaat aankondigen. Deze konden zich in betekenis evenwel nog lang niet meten met die op het Snekermeer en evenmin met de jaarlijkse zeilpartijen bij de Galamadammen, waaraan de inwoners van de stad Workum het belangrijkste contingent deelnemers plachten te leveren. Tamelijk verwarrend doet ons vaak de omschrijving der maatstaven aan, aangehouden bij de splitsing der deelnemers in de onderscheidene klassen. Soms wordt volstaan met benamingen, dan weer met bepaalde lengtematen,

De periode 1814-1840

Wij zijn intussen tamelijk snel over de periode 1814-1840 heengevlogen. Een periode, waarin Nederland wel eens versuft scheen voort te vegeteren op de puinhopen van de Franse tijd, nukkig reagerende op de pogingen van koning Willem I, het land tot nieuwe welvaart te brengen. Schaars, summier en dor zijn ook de berichten over hardzeilpartijen in Friesland, geheel in overeenstemming met het bereids aangehaalde bericht van Mr. Herbell, ook al in mineur gesteld. Tevens echter met de verzuchtingen, in hetzelfde tijdsbestek geslaakt door de bekwame, niet altijd naar waarde geschatte Harlinger scheepsbouwkundige Folkert Nicolaas van Loon (1775-1840), waar deze in een van zijn boeiende geschriften klaagt over 'afnemende lust van zijn tijdgenoten om zich met kleine vaartuigen op het water te vermaken'. Te midden van een dergelijke malaisestemming moesten de ineens opduikende, zo lichthartig gestemde geschriften van de gebroeders Halbertsma uit Grauw, welke op een nimmer tevoren gekende wijze de lof zongen van het Friese waterland en genoegen schepten in de toch zo gewone dagelijkse zaken op het water zowel als aan de waterkant -en welke Fries en Friezin, welk Fries kind had daar niet doorlopend mee te maken? - wel een verademing scheppen en het aanbreken van andere tijden aankondigen.

Na 1841

Sinds 1841 valt duidelijk een opleving vast te stellen in de belangstelling voor het hardzeilen op de Sneker wateren, in die zin dat brede scharen uit de burgerij, maar ook de plattelandsbevolking uit wijde omtrek, zich niet langer tevreden wensten te stellen met het uitgeleide doen van de vloot op de ochtend van Hardzeildag, en evenzo het binnenhalen tegen het vallen van de avond. Er bleek emplooi voor schippers, die hun vaartuigen voor die dag ruim hadden gemaakt voor betalende passagiers en ieder, die maar enige stuivers te missen had, heen en weer naar het Snekermeer brachten.
Als een novum adverteerde kastelein G. de Ruiter, die Liske Stuvenberg in de gunst had opgevolgd, in gemeld jaar schepen ter verhuring aan 'Personen of Gezelschappen'. In 1846 valt er wederom een novum te boeken: er zullen ter gelegenheid van Hardzeildag stoomboten in de vaart op het meer worden ingelegd, welke niet alleen van Sneek afvaren maar ook van Joure en Oudeschouw! De leiding van de zeilpartij blijkt ditmaal in handen te zijn gesteld van een 'Directie', welke nochtans geen mandaat had ontvangen van een vereniging of sociëteit, doch een 'commissie ad hoc' uitmaakte, welke zichzelve als zodanig uit een bepaalde kring van Sneker 'notabelen' had gepresenteerd. Uit deze 'Directie' kwamen weer enige 'Keurmeesters' voort, op wier schouders het meeste werk neerkwam.
Ongetwijfeld heeft deze 'Directie' een deelnemerslijst - de 'list' - laten drukken, doch een exemplaar daarvan is ons niet bekend. Wèl een lijst uit het voorafgaande jaar 1845 - de oudste, welke het Fries Scheepvaart Museum bezit. Boven het vignet van deze lijst - een houtsnede van een soort veerschip staat weliswaar gedrukt 'Met goedkeuring van het edelachtbaar bestuur', doch dit slaat niet op een vereniging maar op het stadsbestuur van Sneek, dat in deze roerige jaren ernstig rekening moest houden met de mogelijkheid van minder onschuldige wanordelijkheden op plaatsen, waar grote volksmenigten bijeen waren.

De 'List' - het programma

De 'list', onder welke benaming de venters met luide roep voor- en tijdens iedere zeilwedstrijd in Friesland hun programma's aan de man probeerden te brengen, vermeldde in 1845 31 schepen, afkomstig uit Drachten, Heeg, Hommerts, Irnsum, Leeuwarden, Oldeboorn, Oosterlittens, Oppenhuizen, Sloten, Sneek, Terhorne, Tirns, Uitwellingerga, Ureterp, Warga, Woudsend en Dist. Grouw ontbreekt, maar het jaar tevoren had dit schiprijke dorp toch niet verstek laten gaan en was het zelfs Eeltje Hiddes Halbertsma (1797-1858) geweest die op het Snekermeer met zijn open jacht `Gysbert Japicx' een zilveren tabaksdoos won. In die jaren de gebruikelijke prijs trouwens voor de stuurman van het eerst-aankomende schip in iedere klasse.

Z.K.H. Prins Hendrik der Nederlanden biedt in 1847 een 'kostbare zilveren bocaal' aan

Het ging nu crescendo want blijkens het programma van Hardzeildag 1847 was door Z.K.H. Prins Hendrik der Nederlanden een 'kostbare zilveren bocaal' aangeboden! Het aantal klassen — men schreef nog altijd 'rangen' - werd tot vijf uitgebreid, verdeeld over 'boeijers en jagten, langer dan 8 ellen', `veerschepen en snikken, langer dan 8 ellen', `jagten en booten van 6 tot 8 ellen', jagten en booten van 5 tot 6 ellen' en ten slotte 'bootjes, vrij van belasting'. Onder 'booten' en `bootjes' dient met grote en kleine tjotters te verstaan - de benaming 'tjotter' zoekt men, vreemd genoeg, in deze oude lijsten vergeefs, evenals de schouwen.
De zeilaanwijzingen reppen voorts van de `Roekoepolle', welk eilandje, aan de ingang van het Snekermeer voor het Roekoegat gelegen, door sommige klassen twee maal moest worden omzeild. Start- en finishlijnen kende men op de Friese wateren nog steeds niet zodat het oude stelsel gehuldigd bleef, dat wij reeds uit de beschrijving van de hardzeilpartij aan de Oude Schouw leerden kennen. Ergo de bij het lot aan te wijzen legplaatsen', voor iedere mededinger afzonderlijk, welke hij binnen de korst mogelijke tijd weer diende te bereiken na de banen te hebben afgezeild. Of, zoals het vaarbriefje het uitlegt: `Door dat vaartuig van de verschillende rangen, dat het eerst op zijne legplaats terug is, na tweemaal om de aangewezen Boeijen te hebben gezeild, wordt de prijs gewonnen'.
Ook ditmaal wijdde de - onbekende - scribent van de Sneeker Courant een uitvoerig verslag aan Hardzeildag. Zo vernemen wij dat de bokaal gewonnen werd door het jacht `Oud Sneek' van de heer W. A. Visser uit Heeg. De premie, 'een met zilver gemonteerd Kompas', aangeboden door de Kon. Ned. Yachtclub, ging naar de boeier `De Jonge Wigle' van de heer A. H. Tromp te Woudsend.
In de klasse veerschepen en snikken werd als hoofdprijs verzeild `een zilveren Olie- en Azijnstel', wederom uitgeloofd door de Yachtclub. Winnaar werd Gerben Zuidstra te Grouw. De premie, `een fraaije Verrekijker', werd toegekend aan het veerschip `De Koopman' van W. O. van der Meer uit
Ureterp. Eeltje Halbertsma was dit keer zo fortuinlijk niet als in 1844. De hoofdprijs in zijn klasse ging naar H. Wybrandi uit Leeuwarden - 'een zilveren Tabakspot en dito Komfoor', ook al weer een geschenk van de Yachtclub. K. F. de Vries uit Grouw, schipper van 'De Watergodin', ging met de premie strijken. 

Hardzeildag 1847 in de Sneeker Courant

Belangwekkend is niet minder wat de Sneeker Courant ons verder nog over de algemene belangstelling voor Hardzeildag 1847 meedeelt:
Tene opgave, als deze, zoo droog als zij uit haren aard is, te geven, valt zeer gemakkelijk; hoogst moeijelijk, zoo niet onmogelijk, is het echter, eene juiste beschrijving te leveren van het uitnemend schoone, dat nu weder deze zoo wijd vermaarde jaarlijksche Hardzeilpartij kenmerkte. Wij zullen er ons dan ook niet aan wagen, want, de uitwerking en de indruk, welke dit nationale volksfeest, als het zóó begint, voortduurt en eindigt, gelijk op den 18 Augustus 1847 geschiedde, op den feestgenoot maakt, wordt wel gevoeld, maar niet beschreven.
Ieder zal ons gevoelen deelen, die in aanmerking neemt, dat men op zeker punt, nabij de stad, ruim 770 schepen geteld heeft, welke aldaar passeerden naar het vaarwater, waarop deze wedstrijd van 44 hardzeilers gehouden is; dat men dit getal van 770 vaartuigen nog, zonder overdrijving, met 130 mag vermeerderen, die gemeld punt niet voorbij voeren, maar van andere kanten aankwamen, zoodat zich 900 schepen op een betrekkelijk kort vaarwater bevonden, en dat eindelijk ieder dezer schepen gemiddeld wel 20 aanschouwers bevattende, hetwelk eene menigte van 18000 vroolijke menschen, op grootendeels met vlag en wimpel versierde schepen, uitmaakt; wie dit in aanmerking neemt, zal, wij herhalen het, onmogelijke van een juiste beschrijving beseffen.
Voorleden jaar meldden wij: 'nooit was de Hardzeilpartij te Sneek zoo groot'; thans moeten wij berigten, dat zij al het vroegere verre achter zich heeft gelaten, en wij houden ons verzekerd, dat alle feestgenooten met innig genoegen zullen terugdenken aan het overheerlijk schouwspel, dat onze Hardzeilpartij thans heeft aangeboden.

De voorstanders der zeilkunst, de kenners daarvan smaakten hier zeker een heerlijk genot, en zij zullen ongetwijfeld de schoone, kunsten doelmatig gebouwde en ingerigte hardzeilersschepen, met hunne niets te wenschen over te latene zeilaadje evenzeer bewonderd hebben, als de groote bekwaamheid en behendigheid in de zeilkunst van hunne stuurlieden. Alles is dan ook geregeld en zonder merkelijke stoornis of belemmering afgeloopen; want dat er bij het groot aantal menschen, op sommige schepen aanwezig, een enkele over boord viel, zal niemand bevreemden. Trof al een enkele hier en daar dit ongeluk, er is niemand bij dit feest bezeerd of omgekomen. Dit over boord vallen had ook plaats met eenen persoon van den medezeilenden boeijer van den heer A. H. Tromp te Woudsend, welk geval men kan zeggen, dat eenige en nog wel aanmerkelijke verhindering teweegbragt aan het mededingend jagt van de heer G. D. Simon alhier (de Bever), aangezien hetzelve, digt achter gemelden boeijer zijnde, den over boord gevallen persoon uit het water gehaald en opgenomen heeft, en daardoor in zijnen voortgang eenigermate is opgehouden geworden'.
 

Een artikel uit het Watersport tijdschrift "De Golfslag" over de Hardzeildagen 1850 en 1851

De K.Z.V. Sneek staat klaar om de duizenden te ontvangen op de Kermis-Woensdag, zoals ze dat al een tachtig jaar heeft gedaan. Ondertussen heeft de watersport een geweldige verandering ondergaan, zodat men haast van een revolutie spreken kan. Om de Hardzeildag heen heeft zich een hele zeilweek gevormd, die stellig de roem die dit oude Volksfeest heeft bezeten, nog zal vergroten. Het lijkt ons wel aardig eens een greep te doen uit de geschiedenis van onze oude Zeilvereniging en wij doen dat aan de hand van twee advertenties uit de Leeuwarder Courant, uit het jaar voor de oprichting der Zeilvereniging en uit liet oprichtingsjaar zelve. Daarnaast geven we een verslag uit dezelfde courant van de eerste verenigingswedstrijd.

Zeilverenigingsvlag van de K.Z.V.S. te Sneek
Zeilverenigingsvlag van de K.Z.V.S. te Sneek

Oprichting van een Zeilvereeniging te Sneek in 1851

Op 19 juli 1851 kwam het ten slotte tot de oprichting van een vereniging, welke zich voorstelde de zeilwedstrijden op het Snekermeer voortaan te regelen. Het doel werd als volgt omschreven: 'door onderlinge samenwerking de instandhouding en bloei der jaarlijksche hardzeilerij te Sneek te bevorderen zoo door het aanwakkeren van nuttigen wedijver onder de beoefenaren der belangwekkende zeilkunst als door andere doeltreffende middelen'. Op 27 maart 1852 werd het embleem van de vereniging aanvaard - een zeilende tjotter of 'boot', gevat binnen een cirkel op de scheiding tussen twee horizontale banen van geel en zwart - de kleuren van de stad Sneek. De sinds 1851 verschenen 'listen' weerspiegelen deze wijziging slechts in zoverre -tenminste gedurende de eerst volgende jaren - dat boven de mededelingen het hoofd 'Zeilvereeniging te Sneek' wordt gedrukt, terwijl de 'keurmeesters' hun plaats behouden.

Boeier 'Hilda' (Tjet Rixt) in 1961 ter gelegenheid van 150 jaar Zaandam stad
Boeier 'Hilda' (Tjet Rixt) in 1961 ter gelegenheid van 150 jaar Zaandam stad

Admiraalzeilen in 1864

Af en toe bleek de liefhebberij voor het Admiraalzeilen, naast het hardzeilen, in Sneek nog wel degelijk te bestaan, gelijk in het jaar 1864. Aanstonds dient hierbij evenwel te worden opgemerkt dat in dit jaar allerwege in Nederland het 50-jarig herstel van onze onafhankelijkheid werd herdacht, hetgeen de ontvankelijkheid voor dergelijke spektakels danig vergrootte. In 1865 werd te Amsterdam trouwens nog een grote Wimpeltocht gehouden tot meerdere glorie der herdenking van de Slag bij Waterloo, een halve eeuw tevoren uitgevochten. Hoe het zij, in het museum te Sneek bevindt zich een albumblaadje, beschreven met aantekeningen over het Admiraalzeilen te Sneek op donderdag 18 augustus 1864 - de dag ná Hardzeildag derhalve. Deze notities werden voor eigen gebruik gemaakt door Jan Kingma, eigenaar van een oliemolen te Makkum, die, blijkens een andere notitie in een door hem nagelaten almanak, deze zeilpartij zelf had bijgewoond, vergezeld van zijn zoon Jan en kleinzoon Tjeerd. Het drietal was naar Sneek gegaan in verband met het feit dat een andere zoon, Hylke, die aan de Oudvaart te Sneek eveneens een oliemolen in bedrijf hield, met zijn boeier 'Aurora' meedeed en zelfs als commandant van het 'Centrum' der drie eskaders zou optreden. Men had verder nog een `Regter Vleugel' geformeerd, aangevoerd door vice-admiraal A. Haagsma met de boeier 'Westergoo' - de vader van de bekende Sneker notaris en zeevaarthistoricus S. Haagsma -, alsmede een 'Linker Vleugel', geleid door schout-bij-nacht J. Feenstra met de boeier 'Otter'. De vloot in haar geheel, welke uit 16 bodems bestond - vier boeiers, zes `jagten' en zes `booten' - werd gecommandeerd door admiraal L. van der Feer, apotheker te Sneek, met de boeier 'Uitspanning' (nu 'Tjet Rixt). Laatstgenoemd schip, in 1843 te IJlst van stapel gelopen als een werkstuk van Eeltje Tjeerdes Holtrop (1769-1848), de grootvader van Eeltje Holtrop van der Zee (1823-1901), bestaat nog en was betrokken bij het vermaarde volksgericht te Sloten op Sake Leentjes. Deze had daartoe aanleiding gegeven door de boeier - destijds het eigendom van Mr. Minnema de With, schoonvader van de burgemeester van Sloten - bij wijze van wraakneming in de nacht van 12 op 13 juli 1885 met koolteer te besmeuren en na afloop de teerputs op het dak van de roef te werpen. Lange jaren voer het naderhand onder de naam `Tjet Rixt' als eigendom van de familie Hepkema te Heerenveen, totdat het, herdoopt in 'Hilda', in het bezit van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen kwam .

Het oudste 'Reglement op het Admiraalzeilen te Sneek'

Het oudste 'Reglement op het Admiraalzeilen te Sneek' ons bekend - de richtlijnen uit het jaar 1814 even buiten beschouwing gelaten - werd in 1868 gedrukt, ter gelegenheid van een zeilpartij, op 17 september van gemeld jaar op het Snekermeer gehouden. Een aanwijzing dat het Admiraalzeilen geheel los was komen te staan van de eigenlijke Hardzeildag. Het reglement is tamelijk uitvoerig en kan ons tevens de gang van zaken hij vroegere gelegenheden duidelijker maken omdat men in grote lijnen wel steeds eender te werk zal zijn gegaan. Hoewel, in Napjus' dagen werd het Snekermeer door de vloot gemeden, naar het scheen, en zeilde men niet verder dan het Kruiswater.

De bepalingen luiden als volgt:

Art. 1.
Ieder deelnemer legge zijn vaartuig 's morgens tien uur ter plaatse, door de Commissie aan te wijzen, in de Stads gracht aan de landzijde tegenover het Hooiblok. Afvaart 12 uur.

Art. 2.
Als versiering brenge men aan: vlaggen, wimpels en standaarts. Alleen schepen van den Admiraal, Vice-Admiraal en Schout-bij-nacht voeren de vlag in top. Alle schepen, buiten dat van den Vice-Admiraal en Schout-bij-nacht, voeren een wimpel in top, en wel de Commandant van 't centrum den breeden wimpel. Alle schepen voeren de Nederlandsche vlag aan de nok van de gaffel.

Art. 3.
Alleen vaartuigen met vast overdek voeren een kanon op het voorschip. De plaatsing moet zoodanig zijn, dat het schot niet kan schaden.

Art. 4.
Iedere medezeiler, in het vorig artikel vermeld, is verpligt, een vertrouwd persoon op te geven, uitsluitend belast met het toezigt op en de bediening van het kanon.
 
Art. 6.
Het Admiraalschip steekt het eerst van wal en schuift in de gracht langzaam voort. Elk schip volgt den Admiraal, wanneer ieders voorganger drie bakens van zijn ligplaats verwijderd is; alzoo vaart No. 2 af wanneer No. 1 nevens No. 4 is. Het Admiraalschip ligt op geen nommer. Elk deelnemer is verpligt, zoo veel mogelijk op de zelfde distantie te blijven als waarop men is afgevaren, hetgeen ook voornamelijk onder het zeilen moet in acht worden genomen.

Art. 7.
De Admiraal, Vice-Admiraal en Schout-bij-nacht salueren elkander volgens onderlinge bepaling en zorgen dat de noodige distantie tusschen de escaders volgens orde bewaard blijve.

Art. 8.
Wanneer het Admiraalschip uit de gracht de brug is gepasseerd, vaart het dadelijk weder aan wal en varen de andere schepen het voorbij, salueren alsdan voor de tweede maal en gaan dan ook aan wal op een distantie van elkander en in volgorde zoo als men in de gracht heeft gelegen.

Art. 9.
Als de jagten gepasseerd en weder aan wal zijn buiten de brug, vaart het Admiraalschip weder af en passeert alzoo voor de 2de maal de linie, waarvan ieder schip, wanneer het Admiraalschip passeert, weder met een schot salueert, begevende de een na de ander zich daarmee onder zeil, zonder onder het zeilen weder te schieten. Alleen de schepen van den Admiraal, Vice-Admiraal en Schout-bij-nacht schieten vervolgens tot een sein bij iedere wending.

Art. 10.
Wanneer de vloot in de Gracht terug komt, vaart het Admiraalschip aan de eerste paal. De andere jagten passeren het, salueren alsdan voor de vierde maal en gaan een voor een aan de naastvolgende palen. 
Wanneer allen aan wal zijn, worden er drie generale salvo's gegeven op een sein van het Admiraalschip.

Art. 11.
Iedere medezeiler is verpligt, zich aan dit Reglement en bijkomende bepalingen te houden'.

De Eskaders

De samenstelling van de drie eskaders verschilde voor het overige in 1868 weinig van die uit 1864. In plaats van Feenstra, die wel meezeilde, trad nu D. Bakker op als schout-bij-nacht met de boeier 'De Jonge Dirk'. De 'Bever', welke wij in 1864 misten, is in 1868 weer van de partij, inmiddels in handen gekomen van de heer N. J. Wouda. Het is verleidelijk ook de namen en eigenaren van de overige schepen mede te delen. Het staatje ziet er als volgt uit:

Admiraal: L. van der Feer (Uitspanning)
D. Bakker, Schout-bij-Nacht (de jonge Dirk)
J. H. Feenstra (Otter)
G.    H. ter Horst (Hermina) T. Stam (Argo)
W. Borneman (Ondine)
A. Prins (de twee Broeders) T. Bloksma (Vooruitgang)

H.    Kingma, Commandant van 't Centrum (Aurora)
W. Zandstra (Zwijger)
J. van Niel (Dolphijn)
W. Zandstra (Zeemeeuw)
J.    Olij (de jonge Jan)
W. R. v. Haga (Piet Hein)

A. Haagsma, Vice-Admiraal (Westergoo) N. Wouda (Bever)
W. Zandstra (Snelheid)
P. Risselada (Ceres)
G. Cool (de Juffer)
K.    Vrolijk (de jonge Pieter)
W. Stam (Baars).

De zo belangwekkende historie van het Admiraalzeilen, of liever het 'in admiraalschap zeilen'

Het is hier niet de plaats om dieper in te gaan op de zo belangwekkende historie van het Admiraalzeilen, of liever het 'in admiraalschap zeilen', zoals de vanouds gebruikelijke benaming was voor het varen in convooi onder leiding van een voor één tocht gekozen 'admiraal'. Dit gebruik bestond zeker reeds in de bloeitijd van de Hanze Immers, wanneer de zeevaart bloeide, bloeide ook de zeeroof! Minstens vijf eeuwen geleden lieten zowel Amsterdamse als Friese schippers door hun stedelijke overheden civielrechtelijke overeenkomsten bekrachtigen, betrekking hebbende op het in admiraalschap varen.
Zo meldt Ernst Crone in zijn meergemelde werk, "Bladzijden uit de geschiedenis der jachthavens en van de zeilsport te Amsterdam", een dergelijk stuk, gedateerd 18 februari 1462, waarbij de Amsterdamse stadsregering verklaart dat enige Amsterdamse schippers, die een reis naar de Oostzee wilden maken, overeengekomen zijn met enige schippers van Hoorn `samentlic te seylen goet ende quaet mit elcander te dogen ende to lijden'. Zij zullen in de Sont op elkaar wachten en `aldaer ordineren ende kiesen zekere hoiftluyden ende amiraels'.
`Admiraal' is in onze zeemacht door alle eeuwen heen een functie gebleven naast een eerst uit veel later dagen daterende vaste rang. De admiraal stelde reeds in de 15de eeuw bepaalde seinen vast met vlaggen - 's nachts met lichten. Ook deze seinen waren tot ver in de 18de eeuw maar voor één tocht geldig. Slechts één vlag had reeds vóór De Ruyters tijd een vaste betekenis - de rode-of bloedvlag. Deze bloedvlag betekende steeds het sein van de admiraal om de vijand aan te tasten en bleef veelal waaien zolang de slag voortduurde. Toen onder leiding van Luitenant-Admiraal Maarten Harpertszoon Tromp omstreeks het midden van de 17de eeuw de kiellinie als regel ook de slaglinie werd, kreeg de rode vlag vaak tevens de betekenis om de kiellinie te formeren. Deze kiellinie werd aangenomen uit een andere grondformatie, zoals de `marsformatie' in drie of meer colonnes, dan wel de 'frontlinie' van naast elkander op de vijand toejagende schepen. Speciaal de overgang van de marsformatie in de kiellinie heette eeuwenlang, en zeker tot de Slag bij Jutland op 31 mei 1916, het 'deployeren van de vloot in slaglinie'.
Reeds eerder stipten wij aan hoe naar alle waarschijnlijkheid het in admiraalschap zeilen als spel naar Friesland oversloeg. Ook op het Snekermeer ging het volgens de ons bekende beschrijvingen vaak om een spiegelgevecht tussen twee vloten, dan wel het uitvoeren van verkenningen door smaldelen van één vloot en het daarna verenigen van de gehele vloot in slag- of kiellinie. Manoeuvres, welke ampel aanleiding gaven tot het wisselen van schoten uit de meegevoerde kattekoppen, boordkanonnetjes en ander boeiergeschut.

Hardzeildag 1865

Hardzeildag 1865 is wel zeer bijzonder geweest. Volgens de Sneeker Courant tenminste 'de luisterrijkste welke tot dusverre heeft plaats gehad'. Hiertoe droeg het voornemen van Z.K.H. Prins Hendrik - inmiddels Beschermheer van de Zeilvereniging Sneek geworden - bij, in eigen persoon naar Sneek te komen. De Prins zeilde daartoe met zijn schokkerjacht 'Watergeus' over Lemmer naar Friesland en werd op de ochtend van Hardzeildag op het stadhuis te Sneek ontvangen, om zich vervolgens aan boord van de Amsterdamse beurtman te begeven, het veerschip van Sneek op Amsterdam, dat oudergewoonte tot directieschip placht te dienen. Een danig verbleekte foto heeft het ogenblik vastgelegd waarop dit vaartuig op het punt stond naar het Snekermeer te vertrekken, liggende aan de vaste steiger in de Kolk voor de - Hoogendster - Waterpoort. Aan boord de Prins, mitsgaders het voltallige bestuur van de zeilvereniging en het muziekkorps van de Sneker Schutterij, dat ter opluistering steevast meevoer. De Prins poseerde welwillend naast de schipper - Sipke de Vries -, gestoken in witte broek en blauwe trui. Het verhaal gaat dat deze schipper geruime tijd de hand niet wenste te wassen, welke de Prins bij zijn inscheping had gedrukt.
De bestuurderen van de Sneker Zeilvereniging waren zich hun waardigheid in deze tijd intussen ter dege bewust en stelden er een eer in gekleed te gaan als gezagvoerders van de grote vaart. Kennelijk wensten zij, zeker in 1865 niet, in geen enkel opzicht onder te doen voor de bestuursleden van de Amsterdamse en Rotterdamse zeilverenigingen, welke Z.K.H. al eens vaker in hun midden hadden mogen begroeten. De Prins zeilde zelf ook mee in de Watergeus: in de '2de Klasse' - 'Boeijers en Jagten, lengte 6.20 el en daarboven, met vast overdek' -, te zamen met de 'Jonge Pieter' van H. Kuipers de Vries uit Leeuwarden en de 'Hermina' van G. H. ter Horst uit Sneek. De laatste won de prijs, de `Jonge Pieter' de premie. Vermelding verdient dat de prijs, in de '7de Klasse' — 'Snikken' — verzeild en gewonnen door L. Fransbergen met de 'Jonge Hiltje' uit Mantgum, bestaande uit een zilveren tafelbel en van inscriptie voorzien, door aankoop in het Fries Scheepvaart Museum belandde. Voor het volgende jaar loofde de Prins alvast een zilveren theekistje uit voor de klasse der boeiers en jachten, waarnaar Hardzeildag 1866 niet minder dan elf schepen zouden meedingen. Wederom werd de 'Hermina' overwinnaar. 

Sneker zeilherinneringen 1

Wij naderen allengs de tijd, waaruit ook mondelinge getuigenissen tot ons gekomen zijn. Zo lang is het ten slotte ook nog niet geleden dat de muziek van de Sneker Schutterij - naderhand opgegaan in het Sneker Muziekcorps - op de ochtend van Sneeker Hardzeildag een mars door de stad maakte, gevolgd door het voltallige bestuur der Zeilvereniging met het college der 'keurmeesters', inmiddels herdoopt in 'baancommissarissen'. De heer Yke Wouda heeft, kort voor zijn overlijden, in het jaar 1938 een brochure in het licht gegeven, waarin hij zijn, tot in de zestiger jaren der vorige eeuw terugreikende Sneker zeilherinneringen vastlegde.
Laten wij hem eens aan het woord:
....Wie met een boeier een middag uitgenoodigd werd, stapte als het tijd van afvaart was, met een jas over den arm naar de afvaartplaats. In de jas gewikkeld bracht ieder der geïnviteerden een flesch roode baai mee en daar de goede Tempelieren nog niet uitgevonden waren, werden die flesschen des avonds soldaat gemaakt, waarvan ook de knechten hun deel kregen, wat eens tengevolge had, dat, toen het schip gemeerd lag des avonds bij aankomst en de knecht reeds zijn hand begon uit te strekken om het traditioneele kwartje fooi in ontvangst te nemen en welkom aan wal zeggende, overboord stapte, maar aan den verkeerde kant en dus hals over kop in het water terecht kwam.....

De heer Wouda wist tevens op welke wijze men vóór 1851 de jaarlijkse zeilwedstrijden te Sneek placht te regelen:
`In de eerste tijden, dat men hier begon te hardzeilen, werd het zaakje aldus gefinancierd. Eenige liefhebbers en/of kasteleins liepen met lijsten bij de ingezetenen rond, die daarop teekenden naar zij kwijt wilden zijn. Een eendaagsch bestuur benoemd, een Amsterdammer beurtman tot directieschip geproclameerd en gepavoiseerd en zoo stak het zaakje van wal. En gezeild werd er zelfs zoo, dat eens na afloop het ballastzand den beurtschepen tegen de bovenluiken zat! Als het stil of N.W. tegenwind naar de stad was, kwamen een vijftig man het beurtschip ophalen en trekken, stoom was er toen nog niet. Eens gebeurde het onvoorziene, knap zei de treklijn en met één slag lagen de vijftig man in de modder. Bij die zeilwedstrijden en veel later nog, was de afvaart van den wal en werden de schepen afgezet. Zij kregen dan, al naarmate de liefde groot was, een flinke of kleine duw mee'.

Wouda kon het weten want hij was de zoon van de reeds in het verhaal ter sprake gekomen boeierzeiler en meelhandelaar N. J. Wouda, die op zijn beurt de Sneker Zeilvereniging als voorzitter zou dienen en ook weer eigenaar was van de 'Bever'.

Admiraal J. J. A. H. Clignett

Zelden hebben de feestelijkheden op Sneeker Hardzeildag dergelijke hoogtepunten gekend als in de tachtiger jaren van de 19de eeuw. Hierbij heeft een oud-Indisch planter, die te Amsterdam was neergestreken, de heer J. J. A. H. Clignett, een opvallende rol gespeeld, zonder dat deze figuur ooit deel heeft uitgemaakt van het verenigingsbestuur. Wel te Amsterdam, waar de heer Clignett bij de wieg stond van de in 1885 opgerichte Zeilvereniging `Het IJ' en meteen ook de titel 'vlootvoogd' verwierf, ten einde als zodanig leiding te geven bij het Admiraalzeilen, onder auspiciën van de nieuwe vereniging voortaan te organiseren. Herhaalde malen wordt in het boek van de heer Crone dan ook met waardering over deze allerwege hooggeschatte figuur gesproken.
Wij ontmoeten de heer Clignett het eerst op Friese bodem als hij op 18 augustus 1880 een 'jacht' bestelt bij de vermaarde scheepsbouwer Eeltje Holtrop van der Zee te Joure - een wederzijds bewezen eer! Hardzeildag 1881 verscheen de heer Clignett met zijn nieuwe schip, dat hij naar zijn dochter 'Charlotte' had genoemd, op het Snekermeer en won in de 'Vierde Klasse - Pleiziervaartuigen langer dan 4.8 Meter' - de premie. De eerste prijs - in een veld van zeven schepen - werd veroverd door de 'Aagje van Westergoo', een open jacht, toebehorende aan de pannenbakker A. Draisma de Vries uit Achlum. Verder prijken nog op de lijst de 'Bever' van N. J. Wouda, de 'Phoenix' van W. A. Visser Zonen uit Heeg, de 'Frisia' van L. de Vries uit Grouw, de `Vriesland' van H. Pielsma uit Harlingen en 'de jonge Dirk' van D. Bakker uit Sneek.
De heer C. J. W. van Waning uit Reeuwijk heeft aan de hand van de reeks volledig bewaarde werfboeken, door 'Eeltsjebaes' (1823-1901) aangehouden van de honderden vaartuigen, door hem en zijn zoon Auke [1853-1939] aanvankelijk te IJlst (1848-1857), nadien te Joure op stapel gezet, aangetoond dat het een 28-voet lange boeier betrof, waarvoor de prijs van f 683.67 werd bedongen. Op 1 oktober 1880 begon Eeltje met het werk en het is dit schip geweest dat jaren aaneen - van 1881 tot 1886 - als 'admiraalschip' een vaste verschijning op het Snekermeer is geweest, telkens wanneer 'Admiraal Clignett', zoals ieder in Sneek hem noemde, ter gelegenheid van Hardzeildag naar Friesland kwam varen. Het schip bestaat nog altijd en is hetzelfde als de prachtige boeier 'Albatros', eigendom van de heer P. Bokma uit Leeuwarden, die er nu al sinds 1914 de Friese zowel als Hollandse wateren mee heeft bezeild.
Het meezeilen van een te Amsterdam thuishorende boeier was in 1881 een novum geweest, dat voor herhaling vatbaar bleek! Hardzeildag 1882 deed de `Admiraal' wederom mee in de 'Tweede Klasse' - 'Boeiers, Jachten, Met vaste Roef, geen scherpe Vaartuigen' -, in een veld van 10 schepen. Hij werd nu vierde terwijl de eerste prijs gewonnen werd door de Standfries' van Jhr. C. van Eysinga uit Leeuwarden. Er was bovendien nog een tweede boeier uit Holland ingeschreven, te weten de 'Dina Gesina' van H. G. Koster uit Amsterdam, die op de 9de plaats eindigde. Verder enige oude bekenden als de `Bever', 'Hermina', `De Jonge Dirk' en de 'Phoenix'. Daarnaast nog de wel vaker meezeilende 'Batavier' van Mr. W. Bakker, de 'Castor' van de heer Beekhuis, beide uit Leeuwarden en de 'Snelheid' van J. Visser uit Gaastmeer. De uitsluiting van 'scherpe vaartuigen' hield verband met een nieuwe klasse, welke in 1882 voor het eerst op het Snekermeer zeilde: die der `Centerboards' of `Kielbooten'. Twee van deze middenzwaardsjachten hadden aan de uitnodiging gehoor gegeven, de 'Nautilus' van G. H. Schutte uit Amsterdam, en de 'Johanna' van L. Smit uit Rotterdam. Er is een merkwaardige foto bewaard gebleven, op 17 augustus 1882 aan de Koopmansgracht genomen op de ochtend van Hardzeildag. Op deze foto komen verscheidene van de meezeilende boeiers voor, zoals de 'Charlotte' en `De Jonge Dirk', alsmede de twee `centerboards'.

1882

Voor het overige vertoont het programma van 1882 in zoverre nog een ander novum, dat men hierop voor de eerste maal de benaming 'Tjotters' aantreft, geldende voor 'Open Booten, geen scherpe Vaartuigen' en door het ontbreken van een vaste roef van de boeiers onderscheiden. Er deden er vier mee. Voortaan zou deze benaming gehandhaafd blijven.
Jachthavens was Sneek in deze jaren nog niet rijk, maar men wist zich te behelpen met overdekte, houten `skiphuzen', welke op tal van plaatsen langs de buitenoevers van de stadsgrachten of de daarin uitmondende vaarten verrezen. Het rendez-vous der bemanningen van de hardzeilende jachten was het Kleinzand, waar het gros van de schepen, indien zij niet al te groot waren ten minste, een ligplaats vond na afloop der zeilpartijen. Als trefpunt diende het vermaarde koffijhuis, annex kegelbaan Schenkius, op de hoek van het Kleinzand en de Biesketorensteeg. Het pand is al lang aan zijn oorspronkelijke bestemming onttrokken en de kegelbaan ging eveneens ter ziele maar het Fries Scheepvaart Museum achtte enige jaren geleden alle termen aanwezig de restauratie van de voorgevel, daterende uit het begin van de 19de eeuw, te bevorderen en daartoe een subsidie uit te keren.
Uit het jaar 1882 dateert ook het gouden insigne, in de vorm van een miniatuur-koekepan, voorzien van de inscriptie SNEEK - 16/8 - 1882'. Dit mag slechts door de voorzitter van de Sneker Zeilvereniging op Hardzeildag worden gedragen en hoewel over de achtergrond van dit teken al sinds een halve eeuw een mysterie hangt, houden wij ons ervan overtuigd dat het insigne het symbool was van de feestvreugde tijdens een op de avond van 18 augustus 1882 gehouden gondelvaart door de Sneker stadsgracht. Bij deze gelegenheid brandden er ettelijke potten Bengaals vuur, geplaatst op buiten boord gehouden koekepannen, welke gewoonte sindsdien ieder jaar werd herhaald. 

1883 en daarna

In het jaar 1883 prijkten er drie Hollandse schepen op de lijst: de 'Nautilus' en de 'Charlotte', ons reeds bekend, alsmede de boeier `Mignon' van de heer H. J. van Meeteren uit Amsterdam. De 'Nautilus' was de enige in zijn klasse, maar men gaf de moed niet op zodat er in 1892 zelfs een vloot van vier 'centerboards' uit Amsterdam kwam overzeilen — behalve de 'Nautilus', de `Tjandi' van H. Stibbe, de `Toy' van J. Boele en de 'Wilhelmina' van P. Veen. Laatst vermeld schip zou naderhand in het bezit van de Sneker tak der familie Veen geraken en een welbekende verschijning op de Friese wateren blijven totdat het werd overgedragen aan het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. Dit schip ook behaalde de overwinning, maar laten wij niet vooruitlopen op ons verhaal! 
In het jaar 1884 besloot het toenmalige zeilverenigingsbestuur bij het afscheid van de Hollandse gasten - het bestond uit Jan Jaarsma, de haardenfabrikant, A. Veen, de chocoladefabrikant, Mr. C. C. Paehlig, de advocaat-procureur, Yke Wouda, de meelhandelaar en Jan ter Horst, de houthandelaar, allen te Sneek - nieuwe pogingen in het werk te stellen de deelname van Hollandse jachten te vergroten en Hardzeildag nog grotere luister bij te zetten dan ooit voorheen. Inderdaad mocht het bestuur in 1885 de voldoening smaken, niet minder dan 20 vreemde bodems de oversteek over de Zuiderzee naar Sneek te zien wagen, welke vloot met kanongebulder in de Kolk voor de Waterpoort werd begroet. Te zamen met de heren H. J. van Meeteren, die zijn boeier `Mignon' had overgezeild, en H. G. Koster -`Vice-Admiraal' van de zeilvereniging "t IJ' - vertegenwoordigde de heer Clignett de Amsterdamse zustervereniging en kreeg als zodanig na afloop van de wedstrijden als blijk van hoge waardering een medaille aangeboden. Van hun kant zwaaiden de gasten de Sneker zeilvereniging alle lof toe en beloofden in 1886 te zullen terugkeren teneinde mede te werken aan een alles overtreffend feest, waarheen gans zeilend Nederland wel de blik moest wenden.
In 1886 was de faam van hetgeen te Sneek te gebeuren stond buiten het eigen gewest inderdaad zo groot geworden dat de redactie van het Humoristisch Weekblad een tekenaar naar Sneek zond met de opdracht de feestelijkheden te schetsen voor een der eerste daarna verschijnende afleveringen. Deze tekenaar — wiens naam wij niet vermochten te achterhalen — slaagde wonderwel in zijn taak.

1886

Wij missen de 'Admiraal' op het toneel. Maar deze was de vorige avond reeds op de voorgrond getreden tijdens een bijzondere plechtigheid in de zaal van de Buiten-Sociëteit in de Frittemahoven. In kleine kring was het bekend dat de heer Clignett terug wenste te treden uit zijn functies bij het beoefenen van de watersport, te Amsterdam zowel als te Sneek - zijn leeftijd zal hem daartoe hebben genoopt - en zich metterwoon te Alphen aan de Rijn te vestigen. Een besluit, dat in beide steden moest worden geëerbiedigd maar de betrokkenen met grote spijt vervulde. Tot afscheid wenste de heer Clignett de Zeilvereniging `Sneek' een vlag aan te bieden. 
De 'Admiraal' liet het aan zijn dochter over, het vaandel ten overstaan van een geestdriftige schaar toehoorders aan de heer Wouda toe te vertrouwen, waarbij mejuffrouw Clignett betuigde 'dat het haar Vader, gedreven door een veeljarigen hoogst vriendschappelijken en allerhartelijksten omgang, eene behoefte des harten was de vereeniging dit geschenk aan te bieden als eene blijvende herinnering aan zoo vele jaren van genot en vriendschap!' Lang nog bewaarden vele Sneker heren dierbare herinneringen aan Charlotte Clignett, die niet alleen charmant was doch zich uiterst modieus kleedde. 
Er vielen intussen ook stemmen te horen welke hun afkeuring uitspraken over de Venetiaanse toestanden, welke er te Sneek gingen heersen en de ongezonde bloei, waarover zich de Sneker wijn- en jeneverhandel scheen te verheugen. Stellig werd er bij allerhande feestelijkheden stevig gedronken en was de vraag gewettigd of het op deze weg voort kon gaan. 
Er vielen intussen ook stemmen te horen welke hun afkeuring uitspraken over de Venetiaanse toestanden, welke er te Sneek gingen heersen en de ongezonde bloei, waarover zich de Sneker wijn- en jeneverhandel scheen te verheugen. Stellig werd er bij allerhande feestelijkheden stevig gedronken en was de vraag gewettigd of het op deze weg voort kon gaan. Hoezeer de wijn meespeelde bij de vele plichtplegingen, zeiltochten en bijeenkomsten - althans bij de betrekkelijk kleine kring der rechtstreeks betrokkenen - valt af te leiden uit het merk, dat Roelof Gorter aan een bepaalde, door hem gebottelde soort rode wijn verleende: 'Admiraal Clignett'!  Specimina van de etiketten, welke de onderhavige wijnflessen sierden, bevinden zich in het Fries Scheepvaart Museum. Nochtans, de waarschuwend opgestoken vingers schenen gelijk te krijgen - het feest van Hardzeildag 1886 zou nimmermeer worden geëvenaard want ook Sneek kreeg de gevolgen van de misère onder de Friese boeren, gepaard met reeksen faillissementen en emigraties naar de Verenigde Staten, te verduren. Weliswaar bracht het bestuur van de Sneker zeilvereniging in 1887 met het Amsterdamse veerschip - schipper H. Baanstra het beloofde tegenbezoek aan Amsterdam en ontketende het hijsen van de koekepan in de mast een dolle pret op het IJ, de heer Clignett zou na 1888 niet weer te Sneek verschijnen en de koekepan was voorbestemd een reliek te worden, eerbiedig door de familie Ter Horst bewaard, totdat het voorwerp naar het Fries Scheepvaart Museum verhuisde.

"Statiebezoek van een vreemde mogendheid"

Hoezeer men de heer Clignett ging missen - in 1888 woonde hij voor het laatst de wedstrijden bij en in 1889 moest Roelof Gorter zijn Clignett-etiketten al vervangen door andere, versierd met een zeegaande kotter en het opschrift `Vin Nautique' -, in eerst vermeld jaar smaakte Sneek toch het genoegen vier andere illustere gasten ter gelegenheid van de jaarlijkse zeilfeesten te mogen verwelkomen. Dit waren vier Amerikanen van oud-Hollandse afkomst en vooraanstaande leden van 'The Holland Society of New-York'. Zij hadden deel uitgemaakt van een groep van vijftig Amerikanen, die er zich op beroemden hun stamboom te kunnen herleiden tot de Nederlandse grondvesters van Nieuw-Amsterdam en gezamenlijk met het stoomschip 'Amsterdam' in 1888 naar Rotterdam waren gevaren, vanwaar zij een ware zegetocht door Holland maakten. Vier van hen bleven op 19 augustus in Nederland achter, teneinde ook andere gedeelten van Nederland te kunnen verkennen en zo arriveerden Dr. J. Howard Suydam, John H. Voorhees, Menzo van Voorhuys en Frank Hasbrouck op 20 augustus te Leeuwarden, vanwaar zij de volgende dag naar Sneek spoorden om het buitenkansje te benutten, Sneeker Hardzeildag te beleven. Het relaas van hun ervaringen vindt men beschreven in het Jaarboek 1888-1889 van de Society, waarvan zich een exemplaar in de bibliotheek van het Fries Scheepvaart Museum bevindt.
Op alleraardigste wijze vertelt Dr. Suydam het een en ander over de ontvangst, welke de vier heren ook te Sneek ten deel viel. Een ontvangst, als gold het een statiebezoek van een bevriende mogendheid. 
Na de welkomstwoorden wachtte de tocht naar het Snekermeer. Wij werden, zo schrijft Suydam, ontvangen aan boord van een stoomboot, die de Directie vervoerde. Een andere boot ging vooraf met de muziek aan boord, een derde volgde, welke een troep manschappen herbergde - een afdeling Schutters - die, tot verbazing der Amerikanen, gewapend was met ouderwetse musketten - voorladers met kruitpoeder en schietkatoen, welke de saluutschoten moesten onderhouden.
Men debarkeerde uiteindelijk op een eiland in de Sneker Zee', zo laag, dat een heel licht briesje voldoende scheen het geheel onder water te zetten. Vele schepen waren reeds eerder aangekomen, andere volgden in snelle reeks en meerden aan hetzelfde eiland of aan elkaar, zodat zij een compacte massa vormden. De meeste van deze schepen hadden stompe stevens en waren gelakt, overnaads gebouwd, van zijzwaarden instede van een kiel voorzien. De snelheid welke de schippers met deze onaanzienlijke vaartuigen wisten te ontwikkelen mocht opmerkelijk heten. Naar schatting waren er ongeveer vijfhonderd schepen in zicht `on the sea'. De dag was volmaakt. 

Getuige van het hardzeilen

Dr. Suydam vergeet ook niet het hardzeilen zelf te beschrijven. De aanwezige jachtbemanningen wedijverden met elkaar in het bewijzen van attenties aan de Amerikanen, die zich verplicht zagen van het ene schip op het andere over te stappen om gevoelens niet te kwetsen. De wedstrijden werden in bewonderenswaardige orde voltrokken, waartoe zes klassen waren uitgebracht. De route schreef voor de Roekoepólle om te zeilen, tot driemaal toe. Wanneer de schepen naderden, de zeilen bollend in de bries, de bemanning achterover geleund, met gespannen gelaatstrekken en fonkelende ogen, de schoten vierend en weer inhalend en hun schip besturend als een ruiter zijn paard, werd de aandacht van de duizenden toeschouwers tot het uiterste gespannen. Het geheel, aldus Dr. Suydam, samen met de voor anker liggende schepen, schuilgaande onder alle vlaggen waarover men maar kon beschikken, bood een schouwspel dat verdiende op het doek te worden vastgelegd!
En daarmede was het bezoek aan Sneek afgelopen. Maar een persoonlijke band bleef. In het Jaarboek van de Society, in 1889 verschenen, prijkte ter illustratie van het reisverslag een foto van de Sneker Waterpoort, een portret van burgemeester Alma en een foto van het bestuur der Zeilvereniging.

1892: De `Jurrjensbeker'

Uit een brief van 22 april 1893, geschreven door de secretaris van de `Holland Society', George West van Siclden, in zijn tijd een der aanzienlijkste zakenlieden in New York, gericht aan J. Hesselink, valt af te leiden dat eerstgenoemde in 1892 eveneens een bezoek aan Sneek had gebracht. Bij deze gelegenheid overhandigde hij een monumentale zilveren 'cup' aan de Zeilvereniging welke op Hardzeildag 1892 in de klasse boeiers werd verzeild.
Deze beker was niet alleen kostbaar maar tevens sierlijk van vorm en fraai van uitvoering - een uitzondering op de regel. Het voorwerp bevindt zich thans in het Fries Scheepvaart Museum en draagt de inscriptie Presented by the Holland Society of New York to the Yacht Association of Sneek'.
Deze wel zeer bijzondere prijs werd gewonnen door de heer C. Jurrjens uit Amsterdam met de Jouster boeier 'Sperwer', in 1886 door Eeltje van der Zee gebouwd en thans het eigendom van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. Sindsdien heette de Amerikaanse 'cup', `Jurrjensbeker'. Legendarisch zijn de woorden door de heer Jurrjens bij de prijsuitreiking gesproken: 'Friesland heeft zijn eigen glazen ingeworpen want mijn schip was van Fries fabrikaat, de zeilen waren in Friesland gemaakt en ook al het touwwerk is uit deze provincie afkomstig. Alles dus, op een kleinigheid van de bemanning na, Fries!' Tot overmaat van ramp viel de premie bovendien ook in handen van een Hollandse deelnemer - W. Heybroek met de boeier 'Hora', eveneens uit Amsterdam! De derde werd de Standfries' van Jhr. van Eysinga, de vierde de 'Hermina' van de heer Ter Horst, de vijfde de 'Fortuna' van J. Fortuin uit Sneek. De 'Sperwer' lag wel twee minuten op zijn mededingers voor en heeft sindsdien steeds als de snelste boeier gegolden.

Bezoek koningin Emma en prinses Wilhelmina in 1892

In 1929 stelde de weduwe van de heer Jurrjens de beker wederom in het bezit van de Zeilvereniging Sneek', die de cup tot elf maal toe als wisselprijs, jaarlijks in een andere klasse, opnieuw liet verzeilen totdat de trofee in het jaar 1947 aan het museum te Sneek werd toevertrouwd.
1892 was trouwens ook uit anderen hoofde een bijzonder jaar voor Sneek omdat de stad tevoren al, op 20 juni, door koningin Emma en prinses Wilhelmina was bezocht. Zij lieten zich met de raderboot 'Industrie' naar het Snekermeer brengen ten einde aldaar een voor deze gelegenheid door de zeilverenigingen 'Oostergoo' en Sneek' gezamenlijk georganiseerde zeilwedstrijd gade te slaan. Het was op deze dag dat de boeier 'Bever' de gouden medaille won, door de koninklijke gasten uitgeloofd.
De 19de eeuw loopt ten einde.

Het 'schandaal', voorgevallen op Hardzeildag 1890

Bladerende door onze bescheiden stuitten wij nog op de verontwaardiging, in Sneek gaande gemaakt door het 'schandaal', voorgevallen op Hardzeildag 1890. Deze dag had eerst veel vreugde gebracht wegens de deelname van niet minder dan zeven, 'op bijzondere wijze getuigde' Engelse jachten - yawls, cutters en canoeyawls, merendeels afkomstig uit het bekende merengebied van Norfolk, vanwaaruit het in deze jaren 'en vogue' was geworden avontuurlijke reizen naar de Friese meren te ondernemen, waarbij men de oversteek over de Noordzee op de koop toe nam.
Het onstuimige weer speelde het bestuur van de Zeilvereniging evenwel parten zodat het programma niet kon worden aangehouden en veel te laat was afgewerkt. Intussen begon de schemering al te vallen en toonde de stormachtige westenwind niet de minste neiging af te nemen. Mede om deze redenen bestond er veel meer liefhebberij voor een sleepje dan voorzien, ook al waren daartoe twee stoomboten beschikbaar — de Drachtster stoomboot en de `Barend Jan', welke tevens tot Directieschip diende. De eerste boot was al met veel moeite voor het Roekoegat geboegseerd, toen de ondeugdelijk gebleken tros van de boeier 'Constanter', het vierde schip in de rij, afknapte - de schipper had zijn nieuwe tros willen sparen. De stoomboot trachtte met de snel afdrijvende sleep weer vast te maken maar kwam daarbij zelf in moeilijkheden te verkeren terwijl tot overmaat van ramp de eerste sleep in de tweede verward dreigde te geraken. Met veel inspanning, geroep en geraas werden de schepen herenigd en opnieuw ging het, zeer langzaam, voorwaarts, recht tegen de regenvlagen van de nog aanwakkerende zuidwesterstorm in. Bij het ronden van het baken op de hoek tussen Roekoe en Kruiswater bleek de Drachtster stoomboot niet langer het machinevermogen op te kunnen brengen er de vereiste gang in te houden, met het gevolg dat de gehele sleep stuurloos werd en aan lagerwal sloeg, de stoomboot incluis. De 'Barend Jan' schoot te hulp en trok de ongelukkige vloot eindelijk vrij maar ondertussen was het aarde-duister geworden en scheen het de meesten een eeuwigheid te duren voor men tussen de beschutte wallen van Sneek voer, tot op de huid doorweekt en verkleumd. Van feestvieren kwam die avond weinig meer terecht en hoewel men het tegen half elf toch nog aandorst, het vuurwerk in de Kolk te ontsteken dreven onophoudelijk aandrijvende nieuwe plensbuien de toeschouwers ontijdig naar hun haardsteden en kajuiten. Men achtte deze dag dan ook danig mislukt.

Negentiger jaren tot 1900

De negentiger jaren gaven voor het overige wel meer landerige hardzeildagen te aanschouwen terwijl de belangstelling dreigde te gaan verflauwen. In het jaar 1899 kwam er zelfs geen enkele inschrijving meer binnen voor de klasse boeiers, de kostbare Sneeker Cup' ten spijt, welke juist beschikbaar was gesteld met het doel, deze in verval geraakte klasse nieuw leven in te blazen. In arren moede liet men ten slotte maar toe dat ook open jachten mochten meedingen. In het geheel zou de 'cup', bekroond met een in zilver gedreven model van de Waterpoort, drie maal door dezelfde stuurman gewonnen moeten worden, wilde de prijs diens eigendom blijven. De gelukkige werd, reeds in het jaar 1901, de heer Hendrik Vrolijk uit Sneek met het fraaie jacht 'Maria', in 1887 door J. J. Croles te Ijlst gebouwd. De grootste concurrent was `De Jonge Pieter' geweest, een grote tjotter of Fjouwer-acht' - lengte 4.80 meter -, toebehorende aan Frans Vrolijk te Sneek. Ter onderscheiding sprak men daarom van `Greate Vrolijk' en `Lytse Vrolijk'.
Wij ontmoetten laatstgenoemd schip regelmatig op de hardzeillijsten, te beginnen vanaf het jaar 1881, toen het nog het eigendom was van R. Vrolijk en een eerste prijs won. Of deze Fjouwer-acht' nog altijd bestaat, weten wij niet. Wèl is dit het geval met de 7.20 meter lange 'Maria', naderhand van een roef met vast dek voorzien en herdoopt in 'Geertruida', het eigendom van de heer J. H. Coops te Amsterdam. De 'cup', waarbij tevens een medaille met inscriptie behoort, wordt in het Fries Scheepvaart Museum bewaard als een geschenk van de kleinzoon en naamgenoot Vrolijk te Sneek, die alle drie wedstrijden mee heeft gezeild.

In 1902 ontstaat de de 'Sneeker Zeilclub'

In 1903 daalde de lust in de hogere kringen van de Sneker burgerij, zitting in het bestuur van de Zeilvereniging te nemen, tot zulk een bedenkelijk peil dat het onmogelijk bleek, dit uit meer dan twee personen te laten bestaan. De toestand werd tenslotte zo hachelijk dat Mr. P. C. Andreae, advocaat en procureur te Sneek, op eigen houtje de wedstrijden op Sneeker Hardzeildag moest regelen. De moeilijkheden, waarvan dit dieptepunt uit de historie van Sneeker Hardzeildag een weerspiegeling vormt, gaven echter tevens aanleiding tot de oprichting van een geheel nieuwe vereniging, de Sneeker Zeilclub, welke in 1902 tot stand kwam en haar bestuurderen uit andere kringen betrok dan de Zeilvereniging. Men wenste echter in het geheel niet aan het eerstgeboorterecht van de oudere zuster te tornen doch de mogelijkheid te openen tot het houden van meer wedstrijden van onderling karakter. Lang reeds plachten de leden van de nieuwe club immers hun krachten te meten op de zondagochtenden, na het gezamenlijke koffie-uurtje aan de Sybesloot, waartoe met behulp van om te zeilen eilandjes en bestaande betonningsboeien een baan werd afgesproken. Men zeilde 'om 'e nocht', of om een handvol sigaren.
Het eerste bestuur bestond uit de heren P. Reinouts van Haga, F. Dethmers en H. Reitsma, maar deze drie heren traden in 1904 al weer af, om te worden opgevolgd door Hylke van der Zee, P. Olij en G. H. Vrolijk - alle in hun tijd zeer bekende en populaire figuren, met name Van der Zee, neef van de scheepsbouwer Auke uit Joure en ter onderscheiding dan ook 'Hylkebaes' genoemd. Tot 1934 bleef de leiding van de Sneeker Zeilclub in deze zo bekwame handen. Van der Zee was tevens vele jaren lid van de Zeilraad van de N.N.W.B. en de officiële meter van deze organisatie, mede door hem, in nauwe samenwerking met zijn trouwe vriend Simon J. Olij opgericht. Laatstgenoemde volgde Van der Zee als voorzitter op, na de Zeilclub reeds een twintigtal jaren als secretaris te hebben gediend. Het was ook weer de Zeilclub, welke in het jaar 1911 de stoot gaf tot het stichten van de Sneker Jachthaven aan de Oudvaart.
Voor beide verenigingen bleek te Sneek een belangrijke taak te liggen want de Zeilvereniging, eenmaal uit de dommel geschud, trok, naast Mr. Andreae, twee andere Sneker figuren aan van groot formaat: J. G. Hibma, de fabrikant, en Anton ten Cate, de bankier. Beiden verheugden zich in uitgebreide betrekkingen met Hollandse watersportverenigingen, welke het herstel van het geschokte Sneker aanzien goed te stade kwamen. De heer Hibma bewoog zich bovendien in de kringen der ontwerpers en eigenaren van de Zes-meterklasse, doch de heer Ten Cate had meer zijn hart verpand aan de oude Friese ronde jachten.

Karakteristieke Fjouwerachten

Teneinde het verdwijnen van de zo karakteristieke Fjouwerachten, zowel als type en als klasse, te voorkomen zeilde hij niet alleen onvermoeid met zijn eigen 'Albert en Nelly' - hij stak er de Zuiderzee zelfs mee over - doch ijverde voor het bouwen van nieuwe schepen van deze soort. Zelf liet hij in het jaar 1910 daartoe op de werf van H. Hiemstra te Sneek de `Argo' van stapel lopen, welke nadien met de 'Albert en Nelly' alsmede de `Twa Sisters' van de heer J. Haagsma uit Workum jaren lang de vaste bezetting vormden van een zeer schilderachtige, zwaar-getuigde klasse op menig Fries hardzeilfeest. Laatstgenoemde beide schepen waren werkstukken van Eeltje van der Zee en liepen in 1892 van stapel. De 'Albert en Nelly', later in het bezit van de heer F. H. Pijttersen te Sneek en herdoopt in `Marnocht', heet tegenwoordig `Fryslân' en is, na al eens een reis heen en weer naar Canada te hebben beleefd, thans het eigendom van Dr. Ir. J. Vermeer te Arnhem. De `Twa Sisters' is Workum trouw gebleven en bevindt zich nog altijd in het bezit van de familie Haagsma. De `Argo' behield haar naam en is tegenwoordig het eigendom van Drs. W. Bijlsma te Oosterbeek. De geestdrift, welke de eigenaren van de Fjouwerachten' indertijd kenmerkte moge intussen worden duidelijk gemaakt door het feit, dat tot de uitrusting van deze schepen niet alleen een extra groot wedstrijd-tuig behoorde maar ook een tweede mast, ten einde dit grotere tuig te kunnen voeren! Niet op het zeiloppervlak werd door de `keurmeesters' gelet, wel op de lengte van het schip en het strekte de schipper slechts tot eer indien hij op het juiste ogenblik de juiste mast geplaatst, en het juiste zeil aangeslagen bleek te hebben!

Binnen het kader der onafhankelijkheidsfeesten in het jaar 1913 organiseerde de Zeilvereniging ter gelegenheid van Hardzeildag de viering van de 100ste wedstrijd - of was het eigenlijk de 99ste? - sinds het afwerpen van het Franse juk. Achteraf is deze viering maar gelukkig geweest, gezien de gebeurtenissen welke in de daaropvolgende vier jaren ieder de lust tot feestvieren benamen.

Het tijdperk 1914-1918

Toch bleef men gedurende het tijdperk 1914-1918 op de Friese en Hollandse meren zeilen en gaf het gebrek aan eikehout zelfs het aanschijn aan een nieuwe klasse zeiljachten — de Regenbogen. Deze schepen moesten namelijk uit inferieure houtsoorten worden samengesteld en goed in de verf gehouden zodat het ene vaartuig wit werd opgeleverd, het andere rood, blauw of groen, al naar gelang de voorkeur van de eigenaar. Al spoedig bleek dit zeer snelle schip zeer geschikt te zijn voor het Snekermeer, waar de gemiddelde diepte der vaarwateren, in tegenstelling met die rondom Grauw, het manoeuvreren met Regenbogen ruim toeliet. Reeds in 1917 nam Dirk Oppenhuizen, bakker te Sneek, het initiatief tot de jaarlijkse ontmoetingen tussen Hollandse en Friese Regenboogzeilers, welke sindsdien steeds de hoogtepunten tijdens Kaag-en Sneekweek zijn gebleven. De Sneker bakkers hebben trouwens meer vermaarde zeilers opgeleverd, zoals de beide neven Klaas Vrolijk, die ieder een der schaarse D-jachten bezaten welke Friesland ooit rijk is geweest. Daarnaast mag Marten Hendriks, de Regenboogzeiler worden genoemd alsmede diens zwager, de steenhouwer Gerrit Hofstra, die op zulk een waardige wijze de voet¬sporen drukte van zijn vader Jacob Hofstra, eigenaar van de legendarische, overnaadse centerboard `Yum-Yum'. Het bakkersberoep bood de beoefenaren immers gelegenheid, na de zo vroeg op de dag reeds aangevangen arbeid, tenminste enige middaguren vrijaf te nemen. Uren, welke men niet beter en aangenamer kon besteden dan in een zeilboot op de wijde wateren, welke zich meteen buiten Sneek openden. En zo baarde ook hier weer de gestage oefening de ware kunst.

De Zeilvereniging `Sneek' wordt in 1925 Koninklijk

7 september 1925 werd een grote dag voor de Zeilvereniging `Sneek', welke bij deze gelegenheid het predicaat 'Koninklijke' zou verwerven. Hare Majesteit Koningin Wilhelmina, Z.K.H. Prins Hendrik en de 26-jarige Prinses Juliana vereerden de stad Sneek deze dag met Hun aanwezigheid en voeren met het instructieschip 'Prins Hendrik' van het Onderwijsfonds voor de Binnenvaart - inmiddels ook 'Koninklijk' geworden - naar het Snekermeer, nadat de inscheping, op dezelfde plaats aan de Jousterkade als in 1892, des ochtends had plaatsgevonden. Burgemeester P. J. de Hoop en een delegatie uit het bestuur van de Zeilvereniging waren uitgenodigd de hoge gasten aan boord te vergezellen terwijl de Langweerder stoomboot als Directieschip vooruit was gestevend. Levendig kan ik mij nog herinneren, tezamen met de iets oudere Enne van Ham, in een matrozenpak gestoken Koningin en Prinses voor de afvaart bloemen te hebben mogen aanbieden. Nog niet van wal gestoken, kondigden de eerste regenbuien zich reeds aan, waarna het tot de avond zou blijven regenen, tot wanhoop van de duizenden die zich zo op deze dag hadden verheugd. De koningin gaf na verloop van tijd om begrijpelijke redenen de wens te kennen, het einde van het letterlijk in het water gevallen Admiraalzeilen niet langer af te wachten en naar de Oude Schouw te worden gebracht, waar een hofauto gereed stond. Tijdens de vaart door de Wetering stelde de koningin de ter neer geslagen heer De Hoop de vraag: 'Regent het hier altijd zo vreselijk, burgemeester?' Niettemin had Prins Hendrik gaarne nog wat langer op het Snekermeer gebleven, waar hij zich best had vermaakt.

De oorlogsjaren 1940-1945

De oorlogsjaren 1940-1945 drukten veel meer hun stempel op de Sneker zeilsport dan de jaren 1914-1918, al was het alleen maar omdat de bezettende macht redenen had met name het nachtelijk verkeer op de Friese meren te wantrouwen en dit niet langer kon gedogen. Vanaf 1941 dienden ook plezierjachten over schriftelijke vergunningen te beschikken welke, wat de wateren rondom Sneek betreft, door de inmiddels benoemde nationaal-socialistische burgemeester, Ds. J. R. J. Schut, werden verstrekt. Toch is er veel gezeild, alle bedreigingen en bezwaren ten spijt, totdat de jacht op schepen ten behoeve van ontspanning behoevende Wehrmachtsofficieren tot een `sauve qui peut' leidde en menig vaartuig gedurende het laatste oorlogsjaar tot een obscuur bestaan onder een dekzeil in een afgelegen vaart veroordeelde. De 12 bepalingen, op de vaarvergunningen afgedrukt, scherpten de eigenaren van jachten ter dege in dat men zich maar koest had te houden indien Duitse vaartuigen of watervliegtuigen in de buurt kwamen of politionele functionarissen eens een kijkje aan boord wilden komen nemen. Men kon ook beter maar geen vlag voeren teneinde niet de vernedering te ondergaan deze voor het hakenkruis van een passerend Duits schip te moeten strijken. 

Zeilvereniging en Zeilclub hadden elkaar in 1934 in een gelukkige samenwerking gevonden: het ontstaan va de Sneek-Week

Onwaarschijnlijk snel veerde de Friese watersport na de bevrijding van Friesland in de loop van de maand april 1945 weer op. De dankbaarheid, welke de burgerij koesterde jegens de Canadese legereenheden, die de stad Sneek, niet zonder verliezen aan mensenlevens, haar vrijheid hergaven vond niet het minst uitdrukking in de zeilwedstrijd, op 28 juni 1945 door de Sneeker Zeilclub voor Canadezen uitgeschreven, waartoe tientallen Sneker jachteigenaren hun schepen spontaan ter beschikking stelden.
Van de onstuimige groei, welke de beoefening van de watersport na 1945 onderging kreeg Sneek ruimschoots haar deel. Sinds 1934 hadden Zeilvereniging en Zeilclub elkaar intussen reeds in een gelukkige samenwerking gevonden, welke leidde tot de onafgebroken reeks zeildagen, samengevat onder het begrip Sneek-Week'. De derde woensdag in augustus behield evenwel zijn aureool. Op Hardzeildag 1964 bedroeg het aantal ingeschreven jachten niet minder dan 640!
Gepaard met de uitbreiding van het aantal deelnemers ging tevens de verhoging van het aantal klassen. Zeilde men voor 150 jaren nog in drie of vier 'rangen', onderscheiden in boeiers, jachten en bootjes, in 1847 tot vijf vermeerderd met de veerschepen en snikken, op Hardzeildag 1964 gingen niet minder dan 30 klassen van start, over 18 jachttypen verdeeld!

Bezoek van de Koninklijke Familie aan Sneek op dinsdag 17 augustus 1948 met de `Piet Hein'

Men vraagt zich bij deze cijfers wel eens af, of deze ontwikkeling in de toekomst ongestraft kan blijven voortgaan nu ook Friesland de gevolgen gaat ondervinden van de overbevolking in andere provincies van ons land. Op welke wijze zal men hier de rust en de wijdheid weten te behouden, zonder welke de beoefening van de watersport, zoals allen, die Friesland waarlijk liefhebben en niet door geldelijk gewin worden gedreven, voor ogen staat, haar bekoring zou verliezen. Meer en meer wint de gedachte veld, dat de Friese meren een kostelijk bezit vormen voor het gehele Nederlandse volk en dat iedere aantasting van dit bezit niet alleen van kortzichtigheid getuigt maar de volksgezondheid ondermijnt. De stad Sneek heeft ten volle oog voor deze factor en legde daarvan onder meer getuigenis af door in het jaar 1954 een bijzondere onderscheiding in te stellen, getiteld 'Schipper in de Orde van de Sneker Pan'. Deze onderscheiding, in de vorm van een zilveren pan, wordt ieder jaar na afloop van Sneeker Hardzeildag door de burgemeester van Sneek uitgereikt aan degene, die zich gedurende het afgelopen jaar het meest verdienstelijk maakte voor de zeilsport in het algemeen en die op de Sneker wateren in het bijzonder. Als eerste werd Klaas Vrolijk uit Sneek tot ridder geslagen.
Wij moeten er wel van afzien onze kroniek tot in het jongste verleden in alle uitvoerigheid voort te zetten. Dit zij overgelaten aan een later geslacht, dat beter afstand kan nemen en de hoogtepunten van de alledaagse gebeurtenissen zal weten te onderscheiden. Wij herinneren nog slechts aan het bezoek van de Koninklijke Familie aan Sneek op dinsdag 17 augustus 1948 met de `Piet Hein', welk bezoek aanleiding gaf tot een vlootschouw van drie, eskadergewijs opzeilende groepen Regenbogen, 30-kwadraters en 16-kwadraters. Bij deze gelegenheid bevonden zich ruim 5000 schepen op het Snekermeer en zeker niet minder dan 30.000 mensen. Op de website van Beeld en Geluid staat hiervan een film. Trefwoord "Admiraalzeilen".

De Stamboekcommissie in 1952, opgevold door de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten in 1955

Hoewel Sneek, in tegenstelling met Grouw, al jaren geen thuishaven meer was voor boeiers en jachten heeft het aldaar sinds 1938 gevestigde Fries Scheepvaart Museum van stonde af aan geijverd voor een eerherstel van het zo buitengemeen sierlijke Friese ronde jacht. Uit dit museum kwam dan ook in 1952 de Stamboekcommissie voort, in 1955 ontbonden en opgegaan in een afzonderlijk lichaam, de Stichting Ronde en Platbodemjachten, welke met ruimere middelen de taak kon aanvatten dan de oude Commissie dit had vermogen te doen. In samenwerking met `Oostergoo', dat nu eenmaal over bepaalde rechten beschikte, organiseerde de Stamboekcommissie op 4 juli 1953 naar oud-Sneker protocol een Admiraal-zeilpartij op het Pikmeer te Grouw, welke een ommekeer in de geschiedenis van de bedenkelijk wegkwijnende vloot der oud-vaderlandse zeilschepen bewerkte. Eer er een jaar verstreken was, kon Friesland zelfs weer - sinds 1795 - op een eigen Statenjacht bogen: op 22 mei 1954 droeg de Nestor der Friese boeierzeilers, de heer R. Buisman uit Leeuwarden, eigenaar van de in 1868 door Eeltje van der Zee gebouwde 'Mercurius', de boeier `Friso' - lange jaren het eigendom van de familie Van Harinxma thoe Slooten en in 1894 door Eeltje van der Zee afgeleverd - aan het Provinciaal Bestuur over. De volgende dag voer de te Grouw verzamelde vloot van ronde jachten in admiraalschap naar Sneek, waar de bemanningen door het stadsbestuur een waardige ontvangst was bereid. Hoe gaarne zou men zulk een gebeurtenis, welke eenmaal toch jaarlijks te Sneek te beleven viel, op vaste tijden herhaald zien.
Moge Hardzeilzag 1965 in ieder geval de eer verdienen te worden toegevoegd aan de reeks van zéér bijzondere, gelijk wij hier enige aan de vergetelheid hebben willen ontrukken. Op onze pagina Beeld en Geluid staat een filmimpressie van deze hardzeildag. 

Het schilderij "Sneeker Hardzeildag", schilder Gerrit jan Veenstra, collectie Fries Scheepvaart Museum
Het schilderij "Sneeker Hardzeildag", schilder Gerrit jan Veenstra, collectie Fries Scheepvaart Museum

Wetenswaardigheden

Sneek bezat veruit de belangrijkste botermarkt van Friesland, welke voor haar afzet evenwel in overwegende mate op Amsterdamse handelshuizen aangewezen was tot dat Engeland in de loop der 19de eeuw als grootste afnemer naar voren kwam en zich dientengevolge een rechtstreekse handel over Harlingen ontwikkelde. Men raadplege hierover nader H. Halbertsma, Johannes Tjallings Halbertsma. Een Fries koopmansleven uit het midden der 19de eeuw, Drachten 1956. Een indruk van Sneeks wijdvertakte verbindingen over het water geeft het lijstje van veerdiensten, toegevoegd aan de heruitgave van de aanstonds aan te halen kroniek van Napjus, in 1826 verschenen. Dit somt op de pagina's 152 tot 154 niet minder dan 44 geregeld onderhouden diensten op, reikende tot Harlingen, Leeuwarden, Dokkum, Groningen, Appingedam, Winschoten, Zwolle, Deventer, Rotterdam, Schiedam, Amsterdam, Hoorn en Enkhuizen. Iedere vrijdagavond zeilde bovendien een schip met vee naar Amsterdam.


Uit onze kinderjaren herinneren wij ons nog de oude trompetter, die op de kant van de Oranjesluizen steeds op zijn post stond wanneer de Lemmerboot kwam aanvaren. Zodra het schip de sluis binnenliep stak hij zijn trompet en blies bij wijze van welkom het Wilhelmus. Het was natuurlijk zijn bedoeling van de dankbare passagiers een fooitje te ontvangen, dat hem over de reling werd toegeworpen.


Alleen al het namenpaar Goënga-Goëngarijp, twee aan weerszijden van het Snekermeer gelegen dorpen, wijst erop dat de wijde watervlakten in dit gebied eerst sinds de latere middeleeuwen ten koste van hooi- en weilanden hun huidige omvang verkregen. Aldus vinden tevens de gelijk opstrekkende sloten rondom de meren en poelen, waarvan men bovendien sporen aantreft op de eilanden, hun verklaring. Bekend is ook het Sneker Oudkerkhof aan de westzijde van het Roekoegat, waar van tijd tot tijd lugubere vondsten de herinnering aan een lang verdwenen dorp, waarvan de naam niet meer bekend is, verlevendigen. Benamingen als Zoutpoel en Potten doen vermoeden dat grootscheepse turfgraverijen, met de bedoeling zouthoudende turfas te winnen ter bereiding van het Friese zout, aan het uitslaan der plassen tot poelen en meren, niet vreemd zijn geweest. 


De middeleeuwse zede, Snitser Merke in- en uit te luiden wordt te Sneek nog altijd geëerbiedigd. De klok in de stadhuiskoepel wordt namelijk slechts twee maal in het jaar geluid, te weten op de zaterdag, voorafgaande aan Sneeker Hardzeildag en op de donderdag, volgende op Hardzeildag, beide des ochtends acht uur.


De oorspronkelijke naam 'Uitspanning' zal verband hebben gehouden met Van der Feers liefde voor de zeilerij en de vrije natuur. Des zomers verbleef hij bij voorkeur in zijn zomerhuis met kruidentuin, welke hij in Terhorne had aangelegd.


`De vele groote wateren en meren, waarvan Sneek omringd en waarmede het in verbinding is, maakten dat vele inwoners, boeiers en zeilbooten hebben, waarvan in den zomer een druk gebruik wordt gemaakt. Levendig is hier ook de kleine scheepvaart, en de han-del en het fabriekwezen die haar voeden; olie- en houtmolens, stoomgrutterijen, een uitgebreide steenhouwerij en marmerfabriek, een groote ijzerfabriek en nog meer fabrieken en trafieken, met en zonder stoom gedreven, maken dat hier eene nijvere bevolking van ongeveer 10.000 zielen haar bestaan vindt'.


Eeltje Holtrop van der Zee wist in zijn eerste jaren niet goed raad met het woord `boeier', dat hij soms tot `boeiger' verhaspelde, dan weer tot `boeger'. Meermalen gebruikte Eeltje de aanduiding 'boot' voor Fries jacht, waarmede in zijn tijd ook een klein beurtscheepje kon worden bedoeld. Daarnaast bouwde hij in 1862 een 'boeier' van 43 ton, lang 14 el (lees meter), kennelijk een vrachtschip, en geen pleziervaartuig, met laadluiken. Nu bevat het Jaarboekje 1855 van de Kon. Ned. Yachtclub een 'lijst van zeevaartuigen, ingeschreven of bekend bij de onderscheiden zeilvereenigingen'. De aanduiding 'jacht' zonder meer komt, een enkel schip in Amsterdam en Rotterdam buiten beschouwing gelaten, uitsluitend in Friesland voor. Niet minder dan 17 van de ingeschreven Friese schepen worden als `jacht' sec aangegeven, naast acht `boeiers'. Bij 8 van deze 17 'jachten' is de tonnenmaat vermeld, welke varieert van 3 tot 10 ton. Een open jacht van 10 ton kwam ook in 1855 niet voor, waaruit de gevolgtrekking moet worden gemaakt dat onder deze 'jachten' verscheidene overdekte boeiers schuilden. Het is wel opvallend, dat alle pleziervaartuigen van ongeveer 7 tot 8.5 meter lengte in de Werfboeken worden aangeduid als jacht, ongeacht of zij een roef bezaten of niet. De ronde pleziervaartuigen, korter dan ongeveer 6.5 meter heten vrijwel altijd `boot', nimmer 'tjotter', zeer zelden `jacht'. De benoeming 'boeier' bleef bij Eeltje beperkt tot schepen, langer dan ongeveer 8.5 meter. Bovendien gebruikte hij, vooral in zijn jonge jaren, meermalen de aanduiding `boeiertje' voor ronde bijbootjes van een boeier, gelijk de 'Aurelia' van de heer H. G. van Slooten uit Leeuwarden, in 1883 door Eeltje gebouwd, en de `Jannetje', thans opgesteld in het Fries Scheepvaart Museum, een uit 1920 daterend kunstwerk van zijn zoon Auke. Blijkbaar namen de schippers en scheepsbouwers het oudtijds zo nauw nog niet in het spraakgebruik aangaande de benaming der scheepstypen en ging men op vage normen in zee. Wat de naam boeier betreft, het zou tot 1915 duren eer de befaamde `boeiercommissie' van het Watersportcongres in dezen nauw omschreven kenmerken tot maatstaf liet gelden.


Ernst Crone deelt in zijn meergemeld werk mede dat de 'Nautilus' - een overnaads gebouwd midden-zwaardjacht - in het jaar 1846 kant en klaar uit de Verenigde Staten naar Nederland werd overgebracht en de eerste `centerboard' in ons land was. Het duurde tot 1858 voordat op het IJ kielbooten' meevoeren tijdens de wedstrijden van de Koninklijke Yacht-club, te weten de 'Elise', eveneens uit de Verenigde Staten aangekocht en eigendom van de heren C. en D. Bosch Reitz, en de 'Union', van de heer J. D. Bosch Reitz en naar de 'Elise' in Nederland nagebouwd. Intussen had zich in het jaar 1853 een Amerikaanse `centerboard' op de Maas te Rotterdam vertoond, eigendom van de Amerikaan Rockwell, die zijn schip te Rotterdam van de hand deed. De heer Van Waning wees ons er in dit verband op dat Eeltje van der Zee zijn eerste kielboot - lilboot' schrijft hij in zijn Dagboek - reeds in het jaar 1857 voor Amsterdamse rekening bouwde. Deze kielboot werd op 22 mei afgeleverd als laatste op de oude werf te IJlst van wijlen grootvader Eeltje Tjeerdes Holtrop uitgevoerde opdracht. Hoogst waarschijnlijk is dit de kielboot 'Union' geweest, zoëven genoemd. Het schip bezat een lengte van 20, en een wijdte van 9 voet. Wij hadden de hoop dat ook dit schip nog bestond en dat het de centerboard 'Wilhelmina' was, lange jaren het zuinig onderhouden jacht van de familie Veen te Sneek en thans het eigendom van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. Dit schip is echter 8.92 meter lang en 3.20 meter breed en heette voorheen `Ada Clasina', blijkens een opschrift aan de achterzijde van het naambord. Het zou bovendien eerst in 1890 te Amsterdam zijn gebouwd. Enkele jaren later bouwde Eeltje een kielboot van 10 meter lengte en 3.5 meter breedte voor de heer Marcel Wennemaekers te Luik. Het type viel bij de Friese zeilers echter weinig in de smaak, vandaar dat het tot 1882 zou duren dat de kielboten op het programma van Sneeker Hardzeildag verschenen, dank zij de animo, door Hollandse deelnemers betoond. Voor het overige bewees Eeltje van der Zee dat het waarlijk niet aan hèm gelegen had, deze achterstand!

Waterkampioen november 1965 nr1162 - Sneeker Hardzeildag

"Sneeker Hardzeildag", door H. Halbertsma. Voor het Fries Scheepvaart Museum uitgegeven door P. N. van Kampen & Zn. te Amsterdam. Prijs f 8,90.
Naar aanleiding van de viering van de 150ste Hardzeildag, na het afwerpen van het Franse juk, heeft de conservator van het Fries Scheepvaart Museum, de heer H. Halbertsma, deze historische studie geschreven, die hij als ondertitel meegaf : „Een belangrijk hoofdstuk uit het Friese volksleven", Het is bijzonder verheugend, dat de Firma Van Kampen er, met steun van verschillende lichamen en overheden in Friesland, in geslaagd is dit boek uit te geven, juist voordat het Stamboek Ronde en Platbodemjachten zich opmaakte aan deze 150ste Hardzeildag bijzondere luister bij te zetten.
Ieder die zich interesseert voor de geschiedenis van de zeilsport in Friesland, die tevens de ontwikkeling van het Friese ronde-jachttype inhoudt, wordt dit boek ter lezing aanbevolen. Het is vlot geschreven en staat vol met aardige anecdotes en interessante citaten, terwijl vele oude foto's de tekst verluchten. Dit boek van honderd bladzijden, in formaat 16 bij 24 cm, ziet er goed verzorgd en prettig uit. Een mooie kleurenfoto van het Friese statenjacht siert het papieren omslag. 
Toch één bemerking: waar de schrijver zegt dat in de oorlogstijd 1914-1918 „gebrek aan eikehout het aanschijn gaf aan een nieuwe klasse zeiljachten "de regenbogen", slaat hij de plank mis. Het doel van de prijsvraag voor deze klasse en de instelling ervan was een vervanging te krijgen voor de open voorgiftklassen W en V uit die tijd. Maar verder niets dan lof voor deze uitgave.

Terug naar vorige pagina