Een eeuw lang als Boeier onder Zeil: Vrede Best - St. Lucas

Spiegel der Zeilvaart 1984: Boeier, Vrachtboeier, Boeieraak of Boeierschuit

De heer C.J.W. van Waning, de eerste voorzitter van de SSRP, schrijft in de Spiegel der Zeilvaart van 1984 een tweetal artikelen over de Boeieraak 'St. Lucas' (type vermeld in Schepenlijst), de in 1883 gebouwde 'Vrede Best'. Voor de schrijver Van Waning was het een aangename verrassing om in september 1983 van de heer R. P. Reynen te vernemen dat deze in het bezit was van een boeierschuit die vroeger „Vrede Best" had geheten. Dit schip zou in 1883 gebouwd zijn, en of hij daar iets meer over kon vertellen? Dat kon hij inderdaad. Hij wist vrijwel meteen dat het hier ging om de fraaie boeierschuit „Vrede Best", die het eigendom was geweest van zijn vroegere buurman in Ouderkerk aan den IJssel, de beurtschipper Kees Goudriaan. Een vage herinnering uit mijn prille jeugd in dat dorp aan de rivier, waar mijn vader burgemeester was.

Voor ons jongetjes was de schuit van Kees Goudriaan een van die vele zeilschuiten, die 's zondags achter het dorp en onze tuin lagen. Later begrepen we uit de verhalen van Frans Goudriaan, wat die boeierschuit de „Vrede Best" voor hen en hun familie had betekend. Frans Goudriaan had in 1930 de schuit kunnen terugkopen voor f 1000,-. Hij had dat toen echter niet gedaan en verloor het schip uit het oog. In 1970 klonk nog spijt in zijn stem toen hij dit vertelde. Zijn verhaal over de twee boeierschuiten, die allebei „Vrede Best" hadden geheten en gebouwd waren in 1841 en in 1883, volgt verderop. Ook de tweede „Vrede Best" was al lang gesloopt dachten wij allemaal „op Ouwerkerk". Sinds 1930 had niemand er meer van gehoord, en toen al was zij er slecht aan toe. En dan belt ineens een meneer Reynen uit Nijmegen op en zegt dat hij eigenaar is van die reeds lang verloren gewaande boeierschuit! Een fantastisch verhaal, dat toch echt waar bleek.

 

Boeieraak

De aanduiding „boeieraak" was niet juist. Een boeieraak was oorspronkelijk (17de eeuw) een vissers-/vrachtscheepje met een boeierkop en met de kont van een aak (d.w.z. „op heve" en niet op steven gebouwd). De ijzeren boeieraakjes, die meestal aan het Hollands Diep werden gebouwd, waren vergelijkbaar met de IJsselaken, maar zij hadden een binnenwaartse knik boven het berghout. De boeieraak heeft dus een geheel andere scheepsvorm dan de boeierschuit! Immers, zowel de kop als de kont zijn bij de Hollandse aak „op heve" gebouwd. Dat wil zeggen dat de huidgangen niet tegen de stevens, maar tegen het voor en achter oplopende en geleidelijk smaller wordende vlak (heve) stuiten. De ijzeren aken hadden wel vaak een opgezette steven waar de bovenste huidgangen tegen waren geklonken. (Zie Sopers: Schepen die verdwijnen, pag. 42 - fig. 47.)

De Boeier

Sinds de vijftiende eeuw was en bleef de boeier een kromsteven-zeilvaartuig, omboeid met berghouten ter versterking van de romp en daarboven opgeboeid met boeisels (verhoogd boord) ter verbetering van de zeewaardigheid. Kenmerkend voor de boeier bleef ook zijn gedrongen scheepsvorm met een lengte/ breedteverhouding die zelden 3:1 overtrof. De echte boeier „staat nergens stil", hetgeen wil zeggen dat nergens in aanzicht of doorsnede een rechte lijn te bekennen valt.
Het unieke van de boeier is dat deze hoofdkenmerken bewaard bleven in de lange ontwikkelingsgang van kustvaarder van de 15de tot de 18de eeuw en vervolgens tot binnenvaartvracht- en beurtschip tot in de 20ste eeuw. Ondanks alle verschillen in opbouw en de ontwikkeling van de zeilage van razeil via smak- of sprietzeil tot bezaantuig. Zijn fraaie ronde scheepslijnen en goede zeileigenschappen maakten de boeier reeds in de 16de eeuw tot een bij feestelijke gelegenheden uitverkoren zeilvaartuig. In de volgende eeuwen werd en bleef de boeier het oer-Nederlandse plezierjacht. Zozeer zelfs dat men dit type louter als een plezierjacht is gaan beschouwen.
Bij dit ingeslopen „misbruik" van zijn zuivere type-benaming vergat men dat de boeier tot het einde van de zeiltijd in de binnenvaart een eerzaam vrachtzeil-vaartuig bleef. Zelfs de meeste boeier-jachten in vroegere en latere tijd werden niet alleen voor spelevaren gebouwd en gebruikt. In de even waterrijke als wegenarme streken van Holland en Friesland voeren de kooplieden ter markt met hun boeiers.

De vrachtboeier of boeierschuit

De Hollandse boeierschuit was evenals de (IJssel)paviljoenschuit verwant aan, mogelijk zelfs afgeleid van de Zeeuwse poon. De boeierschuit was korter en ronder gebouwd. Hij had als regel geen paviljoen, maar een lage roef vlak voor de stuurstelling, ofwel een kleine slaapgelegenheid onderdeks in het achterschip. Deze laatste had ook de boeierschuit „Vrede Best" (1883). Dientengevolge had de boeier een vrij korte helmstok en geen lange „draai-overboord". Het brede boeisel viel ook in de midscheeps 10 tot 15 graden naar binnen. Aan zijn lange mast en de tot achter het roer reikende giek voerde de boeier een flink bezaanstuig met een ruime fok, die vaak op een ijzeren botteloef werd uitgehaald. Op de „Vrede Best" werd de (kleine) winterfok op de steven gezet en de (grotere) zomerfok op de ongestaagde botteloef.
Deze boeiers waren welbezeilde, waakzame schepen, die bijzonder geschikt waren voor het oplaveren van nauwe vaarwaters en havens. Hun wendbaarheid maakte het mogelijk om zellingen en andere moeilijk bereikbare laadplaatsen dicht onder de dijk in te draaien. Deze vaareigenschappen maakten de boeiers van Werkendam en omstreken bijzonder geschikt voor het bevaren van de Biesbosch. Zij haalden daar rijshout voor de dijkaanleg en -herstel. Ook gebruikte men ze voor het vervoer van zwaar dijkmateriaal, zoals bazaltblokken, naar de vele plaatsen veraf en dichtbij, waar de waterschappen hun dijkvoorraden wilden bijhouden. Deze Werkendamse boeiers maten 30-50 ton. De „aardappelboeiers" van de Zuid- en Noordhollandse binnenwateren waren kleinere scheepjes van minder dan 20 ton. Behoudens een enkele uitzondering waren de weinige boeiers die na de eeuwwisseling nog in de Lek- en IJsselstreek thuishoorden, alle beurtschepen.
Ook de boeierschuit „Vrede Best" van de schippers Goudriaan was een echt beurtschip. De Goudriaan(en) voeren meer dan honderd jaar een beurtdienst van hun woonplaats aan de Hollandse IJssel op Rotterdam en Gouda. De concessie voor het uitoefenen van deze „veerdienst", verleend door de ambachtsheer van Ouwerkerk in 1804, bevindt zich nog in het archief van Frans Goudriaan.

De houten en de ijzeren boeierschuit „Vrede Best"

Dat de boeierschuit zeker sinds de 19de eeuw werd gebruikt in het beurtverkeer van Ouderkerk op Rotterdam en Gouda, blijkt uit het dagboek van de beurtschipper Frans Goudriaan, grootvader van bovengenoemde Frans. Dit dagboek vermeldt februari 1841, Ouderkerk a/d IJssel: „Ik ondergetekende F. Goudriaan, heb een nieuwe Boejerschuit besteld aan A. Pot te Bolnes, Gemeente Ridderkerk, volgens bestek, alsmede: Lang vierenveertig en een halve voet (12,70 meter), wijdte veertien en een halve voet (4,16 meter). Voor de somma van negentienhonderd Guldens. 

De ijzeren boeierschuit „Vrede Best" (1883-1929), later „Vertrouwen" (1906-1929) en weer later jachtboeier „St. Lucas" (1929-heden)

Arie Goudriaan (1854-1929) liet in 1883 een nieuw beurtschip bouwen op de werf van zijn oom van moederszijde, Jacob Vis „op 't Capelse dorp". Het werd de ijzeren boeierschuit „Vrede Best", II zo geheten van 1883-1906, later „Vertrouwen" (1906-1929) en weer later „St. Lucas" (1929-heden). Dit is de honderdjarige boeierschuit waaraan deze scheepshistorie is gewijd. 
Frans Goudriaan II beschrijft deze ijzeren boeier van zijn vader Arie als volgt: „Dat schuitje was zeer fijn afgewerkt: Een hoge mast en een giek tot op de kop van het roer. Als de mast gestreken was, kwam hij ruim een meter achter de giek aan. In de zomer voeren zij oudergewoonte met een wit zeil en in de winter met een (ouder) bruin zeil en een kleinere fok. In de zomer werd er een ijzeren botteloef op de steven geplaatst. Daarop werden dan overgezet de stag, het toppenend en het fokkeval, als dat tenminste niet tegelijk toppenend was, dat weet ik niet meer. En dan voeren ze met een grote fok. Er was ook een boegspriet bij, maar daar hadden ze in Rotterdam meer last dan gemak van. De eerste jaren werd deze boegspriet alleen des zomers opgezet. Er waren ook bakstagen en een lang jaaghout. Als er naar Gouda werd gevaren en grootzeil en jager in het Goudse Rak breed werden uitgezet, dan namen ze de gehele breedte van het vaarwater in beslag. (Dit jaaghout gebruikten zij dan kennelijk als fokkeloet, waarmee de jager bij het voor-de-wind varen werd uitgezet, C. J. W. v. W.) Dit jaaghout gebruikten zij later weinig meer en bewaarden het jarenlang op de hanebalken in het pakhuis. Als zij dan des Vrijdags thuis kwamen uit Gouda was er altijd veel werk.

pdf SdZ mei 1984 nr04 - Vrede Best een eeuw lang als Boeier onder Zeil


 

St. Lucas

Na nog een zware tijd als „zandschip" lag de boeierschuit in 1929 te koop ofwel voor sloop te Nieuw-Lekkerland bij het werfje „De Koophandel" van Leen Jansen. De inmiddels zwaar verwaarloosde boeierschuit zou zeer waarschijnlijk in die crisistijd gesloopt zijn als niet een jonge kunstschilder zijn oog op haar fraaie lijnen had laten vallen. Frans Berntsen, achtentwintig jaar oud en in 1927 afgestudeerd aan de Koninklijke Tekenacademie te Den Bosch, had al enige tijd gezocht naar een scheepje dat passend zou zijn voor het ideaal dat hij en zijn aanstaande vrouw zich had¬den gesteld: een kunstenaarsleven op te bouwen al zwervend door de lage landen, die immers vanaf het water gezien het schoonste zijn.
Kunst en schroot waren niet bijster veel waard in die slechte tijd, en zo kwam in 1930 de koop tot stand voor de „prijs" van twee schilderijen van eigen hand en driehonderd gulden contant. Het wegvaren vormde meteen al het eerste probleem voor de nieuwe eigenaar, want de zeilen waren er niet meer. Mast, roer en zwaarden verkeerden in erbarmelijke staat en ook het overige houtwerk was ronduit slecht. En natuurlijk was ook het vele koperwerk al van het schip afgesloopt.

Restauratie in thuishaven Nijmegen

Frans Berntsen kreeg echter een sleep naar Nijmegen. Onderweg in Gorinchem was hij zo gelukkig een stel tweedehands zwaarden op de kop te kunnen tikken. De maten (3 meter lang en 1,50 meter breed) weken weliswaar enigszins af van de oorspronkelijke, maar zij zijn zo deugdelijk gebleken dat zij het tot op de huidige dag hebben uitgehouden. Aan de wal dicht bij Nijmegen lag toendertijd de scheepswerf Van Beerden. De boeierschuit werd daar afgemeerd om te worden verbouwd, ingericht, getuigd en toegerust tot haar nieuwe bestemming van jachtboeier. Het casco bleef onveranderd, zodat men nog steeds kan zien waar de houten lenspomp heeft gestaan en waar de horizontale houten ankerrol heeft gezeten. Zeilen, blokken en lopend want bestelde Berntsen bij de zeilmakerij Schuil te Harlingen, op de maten van de eveneens nieuwe mast, gaffel en giek.In het interieur wordt een hoek ingericht als atelier, met plek voor de schildersezel en aanverwant materiaal van schipper en schilder Frans. De voormalige boeierschuit is nu een jachtboeier geworden.
Sint Lucas is de beschermheilige van kunstschilders en Berntsen doet de oude evangelist eer aan door 'Vrede Best' om te dopen in 'St. Lucas'. (Dat de evangelist Lucas samen met Paulus op weg naar Rome schipbreuk had geleden, liet Berntsen daarbij waarschijnlijk buiten beschouwing.)
De oorlog gaat ook aan de "St. Lucas" niet ongemerkt voorbij: het schip raakt flink beschadigd, maar in 1947 is het weer klaar om te varen en zijn bestemming als zeilend zomerverblijf, atelier en expositieruimte te hervatten.
De tochten gingen steeds van Nijmegen via Dordrecht en Zeeland naar Antwerpen en weer terug. Aanleiding voor deze route vormde eerder een ontmoeting met de bemanning van een andere boeier tijdens hun eerste tocht in 1931. Dordrecht was de beoogde eindbestemming geweest, maar ze werden uitgenodigd om met 'Almeri' mee op te varen richting Antwerpen. Die tocht beviel zo goed, dat Frans en Nel Berntsen zich met 'St. Lucas gedurende een halve eeuw tussen Nijmegen en Antwerpen zouden blijven bewegen.
Na vele jaren en vele omzwervingen, worden de eigenaren ouder en de reizen steeds korter, maar deze voeren nog steeds naar de schilder­achtigste plekjes op en aan het water. De liefde voor het schip blijft ongebroken en dank zij beider inzet blijft de 'St. Lucas' een pracht vaartuig om te zien.

Stille bewonderaars

Tot de stille bewonderaars van dit mooie zeilschip behoorde van jongsaf René Reijnen. Hij had zijn bootje ook in de jachthaven van Nijmegen liggen en al jaren hielp hij het echtpaar Berntsen zo nu en dan een handje bij afmeren en wegvaren. René was zelf aankomend illustratief tekenaar en voelde zich ook op grond van zijn eigen aanleg tot de eigenaars van de „St. Lucas" aangetrokken. Als Frans Berntsen in het najaar van 1980 na een kort ziekbed overlijdt, deelt René Reijnen in de algemene verslagenheid van de Nijmeegse zeilerskring. Hij koopt het schip in 1981 van mevrouw Berntsen. Gezien zijn liefde voor het schip en zijn gave om te tekenen heeft de „St. Lucas" in hem een waardige nieuwe schipper/eigenaar gevonden.
René Reijnen neemt na aankoop de revisie van het schip voortvarend ter hand. Er was inmiddels toch wel het een en ander aan te doen. Hij vervangt het oude zeiltjalktuig door een bij een tevens nieuwe mast passend boeiertuig. Grote en kleine reraraties en achterstallig onderhoud worden verricht en het duurt tot 1982 voordat de „St. Lucas" weer voor meerdaagse tochten gereed is. Zo zeilt de boeier haar honderdste levensjaar tegemoet.
Dat zijn schip zo'n oude en rijke geschiedenis had, bemerkte René Reijnen eigenlijk pas toen hij zich daar in ging verdiepen. Daarbij was hij in contact gekomen met de auteur van dit verhaal, die toevalligerwijze het schip van veel vroeger kende, maar zich voor dit tweede hoofdstuk geheel van de gegevens van René Reijnen heeft bediend.

pdf SdZ augustus 1984 nr06 - Een halve eeuw boeierjacht St Lucas (ex Vrede Best)

Terug naar vorige pagina