Zeilen met ronde jachten

Waterkampioen November 1938 nummer 619 - W. Bruynzeel

Wanneer je op den leeftijd komt, dat je het beu bent, altijd op een bank te zitten, die onder een hoek van 45 graden staat, wanneer je niet meer tegen den zijkant van de kajuit wilt loopen, maar ook wel eens op den vloer, wanneer je een werkelijk bewoonbaar schip wilt hebben, dan komt de tijd van een rond vaartuig. De voorstanders van scherpe jachten denken, dat 't met het eigenlijke zeilen dan gedaan is, het is volgens hen als een paardenliefhebber, die op een sleepersknol gezet wordt. Jammer is het, dat die gedachte bestaat, want ze is stellig niet juist. 

En daarom doet het mij genoegen, de gelegenheid te krijgen hier iets te schrijven over het zeilen met ronde schepen. Voornamelijk zal het gaan over het wedstrijdzeilen, maar ook over het toerzeilen zou heel wat te schrijven zijn, want ook daarvoor vinden de rasechte Nederlandsche vaartuigtypen nog lang niet genoeg waardeering. Zelfs staat de Nederlandsche zeiler wat dit aangaat ten achter bij zijn Britschen collega, want in Engeland vinden onze Hollandsche jachten veel aftrek, zoodat al vele van deze schepen een nieuw vaderland kregen.

Ronde jachten

Een eigenaar van een scherp schip beseft niet wat hij mist, wanneer hij in Zeeland een tocht maakt en zich verveelt in een van de op zichzelf goede, maar uiterst ongezellige tram- en vluchthavens als Zijpe, Dintelsas, enz. Hij leert het eigenlijke Zeeland niet kennen, met zijn aller-genoeglijkste haventjes, die met laagwater meestal droog loopen en dus voor hem verboden terrein zijn. Hij bemerkt niet, dat je tien maal aardiger ligt in Bruinisse dan in Zijpe, in de visschershaven te Veere dan in het kanaal bij de sluis, om van de gezellige boerenplaatsjes als St. Annaland, Rottekaai en dergelijke nog niet eens te spreken.

Wedstrijzeilen

Bij een wedstrijd komt er meer aan te pas. De 60 vierkante meter groote spinnaker en de zware visschermansfok, die tot halverwege het zwaard reikt en om het want moet worden overgenomen, zorgen voor de lichaamsbeweging. Onze eerste wedstrijd was op de Zuiderzee, in 1933. Er kwamen drie ronde schepen aan den start, alle van top, terwijl alle kleine scherpe jachten en enkele grootere gereefd hadden. Als die ronde vaartuigen voor-den-wind op de startlijn aan komen bruisen, lijkt deze maar heel, heel kort te zijn. Buiten de sensatie, die een start altijd geeft, voel je bovendien de verantwoording voor het eigen en de andere schepen, want als ze eens op elkaar zouden lopen ben je niet, als bij een 12-voetsjol, klaar met een nieuw dekstukje of een halfrondje. De geheele bemanning is in spanning, want als men het schip plotseling moet wenden, of voor-den-wind afhouden en misschien gijpen, dan is aller samenwerking noodig om de manoeuvre vlot te laten verloopen. Zoo kan men bij voorbeeld een rond schip niet plotseling laten afhouden zonder op hetzelfde oogenblik den grootzeilsschoot te vieren.

In den wedstrijd bemerkt men ook, hoe hard er ook op die ronde schepen gevochten wordt. Ik herinner mij een in-den-windschen start, toen een groote botter ons tegen de lijn aan drukte. Wij probeerden vol te houden en samen beneden de lijn te blijven, en er was tusschen onze zwaardklampen niet genoeg ruimte om er een flesch tusschen te houden. Een paar seconden voor het schot drukte hij ons over de lijn en wij moesten terug, maar het scheen, dat op het afvaartsignaal ook zijn boegspriet aan den verkeerden kant van de lijn was, zoodat ook hij teruggeroepen werd. Het valt niet mee om dan opnieuw te starten!
Een anderen keer lagen wij kort na de afvaart met den spinnaker bij. Een concurrent, zonder spinnaker, kreeg het in den zin om ons op te loeven, en toen was het werken! Spinnaker weg, grootzeilsschoot aan, vis schermansschoot en kluiverschoot idem, zwaard eronder! Als dan niet de heele bemanning er alles op zet blijft men gauw een paar scheepslengten achter.
In dien eersten wedstrijd van 1933 zeilden wij ruimschoots naar Marken en vandaar in-den-wind-op terug. Met de zware visschermansfok ging dat prachtig. De Zuiderzee was echt zooals zij behoort te zijn: korte, knobbelige golven.
Dan is een Lemmeraak in zijn element. Bergen water gooit hij aan lij weg, het schip vaart daarbij rustig door, 't is alsof het alles opzij gooit, wat den voortgang tracht te verhinderen en of het schip zich van de golven niets aantrekt. Men hoort dikwijls, dat een rond schip „maar te buizen" ligt, zonder op te schieten. Dat is in 't geheel niet waar en dat merk je op zoo'n dag. Het buizen, speciaal op de Zuiderzee met haar korte golven, ontstaat doordat het schip zijn vaart niet verliest en zich er doorheen drukt. Een Lemmer visscher had er een beteren kijk op. Diens oordeel over een langzaam schip luidde: „dat schip is niet veel waard, het kan niet eens buizen!"

Na een half uurtje vonden wij, dat wij den kluiver wel bij konden zetten. Aldus geschiedde en het bezorgde ons twee-en-zeventig emmers water in de machinekamer, maar ook den eersten prijs. Wij maakten een tijd van 3 uur, 26 min. en 32 sec., evenveel als de 45-kwadraatmeter „Rietepiet" en slechts 8 minuten meer dan de eerste prijswinnaar in die klasse, de „Föhn". De bekende, vroeger als 10-meter gebouwde „Mercuur", deed er slechts 17 minuten korter over. Ik had na dezen wedstrijd een voldaan gevoel en was trotsch op ons schip, dat bewezen had, dat het ronde vaartuig in Nederland niet alleen voor toerzeilen het aangewezen type, voor de Zeeuwsche stroomen en de Wadden zelfs onovertroffen is, maar ook als wedstrijdschip heel wat presteert en zeker niet minder sportief is dan de modernere slanke zusters.
Zeker komt de snelheid van een rond jacht tegenover een scherp schip niet altijd zoo gunstig uit, maar toch geloof ik, dat de tijden in wedstrijden gemaakt, voor velen een openbaring zullen zijn.
Het volgend jaar was de Zuiderzee iets kalmer; alle jachten voeren van top. Het snelste jacht in de klasse van ronde en platbodemjachten was dat jaar de groote Lemmeraak „Dolfijn"; hij gebruikte 15 1/2 min. meer dan het snelste scherpe schip, de zo-meter „Ariadne" en slechts 8 minuten meer dan de snelste 45-kwadraatmeter. De 14 m lange stalen yawl „Goodewind" was maar 2 minuten sneller dan de „Dolfijn", op een baan van ongeveer 3 1/2 uur. Den volgenden dag, toen het wat harder woei, maakten wij zelfs een korteren tijd dan de 45-kwadraatmeter „Boekanier", de „Dolfijn" zelfs ruim 5 minuten korter. Met de „Goodewind" hadden wij helaas dien dag geen vergelijk; hij liep net als wij vóór den start op het Buiten-IJ aan den grond. Maar wij behoefden slechts even het zwaard op te halen om weer vrij te komen, welk grapje hij ons niet kon nadoen.
In 1935 stond er een flauw zuchtje op den wedstrijddag van de „Koninklijke". De botter „Zomerland" maakte in onze klasse den besten tijd, 21 minuten meer dan de snelle C-klasser „Noordster", 6 minuten meer dan de „Goodewind" en 20 minuten meer dan de zesmeters. Den volgenden dag was het nog stiller en waren de verschillen grooter. De ongeveer 14 m lange yawl „Astraea" was bij een gezeilden tijd van 42 uur, 30minuten sneller.

Als laatste vergelijking noem ik nog een enkel cijfer van de wedstrijden op den Waterweg, dit jaar gehouden door de K.R.enZ.V. „De Maas". Toen maakten de ronde jachten een 4 minuten korteren tijd dan de snelste Draak.
Met stil weer is er uit een rond jacht veel te halen en luistert alles ontzettend nauw. Met een groote fok is er dan veel te bereiken en ook van het goede uitbalanceeren van voor- en achterzeil hangt heel veel af. Ik herinner mij, dat wij bij een flauw zuchtje een concurrent niet voorbij konden komen. Wij hadden een halfwinder op den boegspriet staan, maar daar het op de Zuiderzee was, en niet het diepste deel, konden wij ons zwaard niet heelemaal steken, waardoor het schip ietwat laf op het roer was. Wij trokken daarom met de lier den mast wat voorover en de heele bemanning behalve de stuurman ging op de voorste punt van het schip liggen. Doordat daardoor het achterschip iets lichtte ging het schip behoorlijk op het roer liggen en in een kwartier tijds waren wij een eind voor.
De gevoeligheid voor den stand der zeilen kan ook wel eens een andere uitwerking hebben. In den laatsten wedstrijd van „De Maas" hadden wij een nieuw zeil, dat prachtig stond, en waren wij onze concurrenten twee slagen voor. Maar de zon kwam hooger, de dauw droogde uit ons zeil, dat door het rekken iets te rond begon te staan, en wij verloren niet alleen onzen voorsprong, maar lagen bij de finish met een even groot verschil tweede.

Uitmuntende eigenschappen

Ik hoop van harte, dat dit nummer van De Waterkampioen, gewijd aan de ronde jachten, een aanleiding moge zijn om meer aandacht aan deze schepen te geven, want nu ik de laatste jaargangen doorblader blijkt mij, dat zij werkelijk zeer schraal bedeeld zijn. Dit is jammer, want onbekend maakt onbemind. Met opzet heb ik verschillende gezeilde tijden genoemd en ik hoop hierdoor er iets toe bij te dragen om onze echt-Nederlandsche schepen weer een plaats in de Nederlandsche jachtvloot te doen innemen, die hun zeker toekomt. Niet alleen om de traditie, maar ook om de uitmuntende eigenschappen, die zij als jacht hebben.

W. Bruynzeel

pdf Waterkampioen november 1938 nr619 - Zeilen met ronde jachten W Bruynzeel.pdf

Terug naar vorige pagina