Voortvarende vrouwen, ware mannetjespputters

Pieter Broesder schrijft schrijft op 4 september in het Dagblad van het Noorden: Het Veenkoloniaal Museum toont een beeld van vrouwen achter, of beter gezegd, naast kapitein en stuurman.

Er woonden rond 1860 relatief meer zeelieden in de Pekela’s, Wildervank en Veendam dan in Amsterdam en Rotterdam

Wie weet nog dat er ooit, en niet eens zo heel lang geleden, relatief meer zeelieden woonden in de Pekela’s, Wildervank en Veendam dan in Amsterdam en Rotterdam. Honderden kapiteins en stuurlui woonden er rond 1860. In heel Oost-Groningen – Winschoten, Oostwold, Nieuwolda en Zuidbroek – woonden bovengemiddeld veel zeevarenden. Alleen al in Pekela waren er tweehonderd zeekapiteins en tweehonderd stuurlieden. Die hadden bijna allemaal een vrouw. En veel van die vrouwen gingen (vaak met hun kinderen) mee het water op.

De zeetjalk van Geert Corporaal (met strohoed) en Cornelske Douwers in België (foto Veenkoloniaal Museum)
De zeetjalk van Geert Corporaal (met strohoed) en Cornelske Douwers in België (foto Veenkoloniaal Museum)

Deze Voortvarende Vrouwen, zoals de tentoonstelling heet die vanaf 13 oktober in het Veenkoloniaal Museum is te zien, voeren zeker niet alleen mee voor de gezelligheid. ,,Op oude binnenvaartfoto’s zien we de vrouw vaak aan het roer staan. Bij de veenkoloniale zeevaart, die is ontstaan uit deze binnenvaart, weet de vrouw ook van wanten. Ze pakten aan, konden varen, navigeren en zeilen bijzetten’’, stelt museumdirecteur Hendrik Hachmer. De vrouwen waren op meer vlakken voortvarend. ,,Op het gebied van emancipatie, onderwijs en mode drukten ze hun stempel op de veenkoloniale dorpen.’’
De rol van de stoere, zeevarende vrouwen is vaak onderbelicht gebleven. Hachmer: ,,Ik liep al langer met dit plan. We hebben veel foto’s, correspondentie en brieven vol mooie verhalen. Die gaan we stuk voor stuk napluizen. Verrassende verhalen ook die een breder publiek verdienen. Naast de tentoonstelling wil ik er een boekje over maken. Dat zal eind dit jaar uitkomen.’’

Zeer zeldzame aan boord foto van Antje Zeven, vrouw van kapitein Jacob de Grooth uit Nieuwe Pekela (foto Veenkoloniaal Museum)
Zeer zeldzame aan boord foto van Antje Zeven, vrouw van kapitein Jacob de Grooth uit Nieuwe Pekela (foto Veenkoloniaal Museum)

Van turfvaart naar Zeilzeevaart

Uit de turfvaart ontwikkelde zich een bloeiende zeilzeevaart. Schepen uit Veendam en de Pekela’s domineerden lange tijd de zeehandel op de Oostzee. De Groningers kwamen in contact met totaal andere werelden. Ze voeren op Rio de Janeiro en andere havensteden in Zuid-Amerika, en dichter bij huis op de Britse zeesteden en de Baltische landen. ,,Anders dan in de rest van Nederland werd in de veenkoloniën vaak in familieverband gevaren, van generatie op generatie. Vooral in de periode 1770 tot 1917 zag je veel zeevarende families’’, stelt Hachmer. ,,Vooral in de negentiende eeuw speelde de vrouw een belangrijke en actieve rol in de veenkoloniale zeevaart. De schepen hadden een bemanning van een man of zeven, acht. Stel de kapitein nam zijn vrouwen en kinderen mee als de stuurlieden. Dan heb je algauw zeker drie vrouwen per boot die meevoeren.’’

Binnenschippersvrouw Hendrina Bakker-Korper staat aan het roer van het 82 ton metende bolschip Nooitgedacht van schipper en turfhandelaar Jouke Bakker (foto Veenkoloniaal Museum)
Binnenschippersvrouw Hendrina Bakker-Korper staat aan het roer van het 82 ton metende bolschip Nooitgedacht van schipper en turfhandelaar Jouke Bakker (foto Veenkoloniaal Museum)

De vrouwen drukten hun stempel op de veenkoloniën

Het spreekwoord ‘Een vrouw en een kip is de pest op een schip’ deed in de veenkoloniën geen opgeld. Daarvoor waren vrouwen te hard nodig als extra paar handen aan boord. Hachmer: ,,Uit brieven en correspondentie die het museum en het Kapiteinshuis in Pekela bezitten, en uit publicaties van tijdgenoten zoals H.J. Top en Anthony Winkler Prins, blijkt dat het behalve ondernemende en geletterde ook goedgeklede vrouwen waren.’’ De vrouwen drukten hun stempel op de veenkoloniën. ,,Omdat er veel van die kleine schepen waren, was de invloed van al die varende vrouwen op het dagelijks leven in die kleine dorpjes groot. Andere vrouwen zagen dat de zeevarende vrouwen hun mannetje stonden. Ze waren zelfstandiger, wisten zich te redden. We hadden hier een weduwen- en wezenfonds, als sociaal vangnet. Door zelfstudie, want onderwijsmogelijkheden voor vrouwen waren er in de negentiende eeuw nagenoeg niet, wisten ze hun positie te verbeteren. In een oude brief schrijft een vrouw dat haar kennis van de Engelse, Franse en Russische taal goed is: omdat het zo knullig is als je in een havenstad met gebarentaal en aanwijzen duidelijk wilt maken wat je wenst.’’
De varende vrouwen bepaalden ook het modebeeld van deze streek. Ze namen kleding mee uit den verre. De floddermuts die tot de klederdracht behoorde, verdween hier veel eerder uit het straatbeeld dan elders in het land. Er werd veel meer stadse dracht gedragen. En wat de varende vrouwen droegen, wilden andere vrouwen ook. De horizon werd verbreed door internationale contacten en uitwisselingen. Zo lezen we in de Veendammer Courant dat stuurman Roelof K. Nieuwzwaag uit Nieuwolda op 31 december 1857 in Cardiff in het huwelijk zal treden met Louise Brasseur.

Rente Wester, zijn vrouw Arendina Valk en hun kind (l), Kapiteinsdochter Pauline Franken (r) (foto Veenkoloniaal Museum)
Rente Wester, zijn vrouw Arendina Valk en hun kind (l), Kapiteinsdochter Pauline Franken (r) (foto Veenkoloniaal Museum)

In de periode voor de opkomst van de strokarton- en aardappelzetmeelindustrie zat de helft van de bevolking op zee

De zeevaart bracht veel geld naar de regio. In de periode voor de opkomst van de strokarton- en aardappelzetmeelindustrie zat de helft van de bevolking op zee. De andere helft verdiende z’n geld direct of indirect in de landbouw. ,,Rond 1830 was in Amsterdam een op de drie mensen armlastig, twee keer zoveel als het Nederlandse gemiddelde. In Pekela was slechts één op de twintig armlastig’’, stelt Hachmer. ,,Om nog een beeld te geven: er waren in die jaren in de Groninger veenkoloniën liefst vijftig goud- en zilversmeden. Die verdienden een goede boterham. Hier was geld te verdienen en uit te geven.’’
Het was misschien gezellig samen op een niet al te groot schip. Maar het was ook vaak een moeilijk, hard bestaan. De vloot bestond vooral uit relatief kleine zeeschepen, variërend van 60 tot 150 ton. Man en vrouw zaten lang op elkaars lip en moesten veel doorstaan. Verveling lag op de loer, gevolgd door dagen en nachten hard werken om het schip op koers te houden. En altijd was er kans op storm met fatale gevolgen voor oud en jong. Zo blijkt uit het archief van Oude Pekela dat van de 24 personen die in 1866 op zee overleden, de helft jonger was dan 14 jaar.
Met de opkomst van schepen met een dieselmotor waren de gouden jaren voorbij. Grote rederijen kwamen op en de relatief kleine familiebedrijven konden de concurrentie niet aan. Veel bemanningsleden waren niet meer nodig en vaak ook te duur. De vrouw bleef vaker en vaker thuis. De zeevaart in de 20ste en 21ste eeuw is weer een mannenbusiness.

De tentoonstelling Voortvarende Vrouwen in het Veenkoloniaal Museum in Veendam wordt zondag 13 oktober om 15.00 uur geopend door Christien Bronda, directeur Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN).

Opgemerkt: Reactie op deze pagina
  • ?
  • (jpg,jpeg,bmp,tiff,zip,pdf,rar)
  • In ons Privacystatement kunt u nalezen hoe de SSRP met de op dit formulier verstrekte, privacygevoelige gegevens omgaat.

Terug naar overzicht