Boeieraak

Lemsteraken kennen een dubbele oorsprong, gescheiden van elkaar

Dirk Huizinga schrijft het volgende over de Boeieraak:

Toen HKH Prinses Beatrix in 1956 voor haar 18e verjaardag had gekozen voor een Lemsteraak als nationaal geschenk, schreef C.J.W. van Waning, mede-oprichter van het Stamboek, in De Waterkampioen (1956, p. 185-189) een lang artikel getiteld ‘De Lemsteraak. Hoewel het verjaarscadeau van de prinses helder en concreet aan het Nederlandse volk was gepresenteerd, een Lemsteraak, zat Van Waning daarmee aardig in z’n maag. Want wat was nu precies een Lemsteraak? De constatering van Philippona dat de deskundigen het niet met elkaar eens waren, werd door Van  Waning in 1956 nogmaals bevestigd. Zo schrijft hij: “Zelfs over de naam van dit scheepstype bestaat geen eenstemmigheid.” Om vervolgens uit te weiden over de bekende benamingen Lemmeraak/Lemsteraak en Lemmerjacht/Lemsterjacht. Hij zag dat Auke van der Zee ook de benaming Lemsterjacht gebruikte. De Nettie is in 1911 door Van der Zee voor de Marine gebouwd als ‘staalijzeren oefenvaartuig model Lemsterjacht’. Hij moest echter vaststellen, dat de benaming ‘Lemsterjacht’ nooit ‘burgerrechten had gekregen’.

C.J.W. van Waning

Een probleem voor Van Waning was ook de aanduiding ‘aak’, die in Friesland weliswaar werd gegeven aan vissersvaartuigen, maar buiten Friesland toch vooral de naam was voor een vrachtschip. Zijn betoog wordt vervolgd met een uiteenzetting over de ontwikkeling van de Lemsteraak als vissersschip bij De Lemmer. De benamingen Lemsterjacht en Lemsteraak werden reeds in de twintiger jaren ook wel eens gegeven aan grote schepen, die ook wel boeier of boeieraak werden genoemd (en die in vorm dan ook overeenkwamen met de boeiers uit die tijd).

In het begin van de twintigste eeuw was het gewoon om een groot rond pleziervaartuig een “Boeier” te noemen. Dat was namelijk het scheepstype dat men kende als pleziervaartuig. Je paste wel op om op zo’n groffe vissersboot te gaan recreëren. Nadat daar nog al eens kritiek op kwam o.a. vanuit het Friesche waar men inmiddels met een boeiercommissie bezig was de vormen en typering van de boeier vast te leggen noemden ontwerpers als Zijlstra en Kersken hun nieuwe grote pleziervaartuigen Boeieraken.

Voor Van Waning had het Lemsteraakjacht scheepsvormen en eigenschappen die afgeleid waren van de Lemsteraak als vissersvaartuig. Na een beschrijving van de vormkenmerken van de Lemsteraak stelt hij: “Bovenstaande kenmerken moet men zeker niet te dogmatisch opvatten. Aan de scheppingsdrang van scheepsbouwer en -ontwerper kan men geen dogmatische grenzen stellen. Deze vrijheid geeft hem of anderen nog niet het recht elke tjalk met een verhoogde boeg een Lemsteraak te noemen.” Van Waning was vooral ingenomen met de keuze van de Kroonprinses voor dit scheepstype. Hij zag daarin terecht een erkenning voor de activiteiten van zijn Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten.

Grote Lemsteraakjachten

Het lijkt onjuist om de grote Lemsteraakjachten louter te zien als ontwikkeling uit de visaak van de Lemster vissers. Deze jachten zijn primair een ontwikkeling uit de grote boeierjachten van de 19e eeuw.

Gescheiden van elkaar hebben zich twee soorten “Lemsteraken” ontwikkeld:

  • De ijzeren visaken van de gebroeders De Boer uit De Lemmer hadden een herkenbare vormgeving, waardoor ze als bijzonder scheepstype konden worden gezien.
  • Voor de pleziervaart werden de grote houten boeiers in de eerste decennia van de 20e eeuw vervangen door grote staalijzeren boeieraken. Pas vanaf de Tweede Wereldoorlog ging men die laatste aken Lemsteraakjacht noemen.

Doordat de boeieraakDe Groene Draeck’ de norm werd voor de vormgeving van een Lemsteraak, was er een gecompliceerde situatie ontstaan. Nu kon het gebeuren, dat een originele visaak uit De Lemmer bij het Stamboek werd afgekeurd, omdat de verhoudingen van het casco afweken van die van ‘De Groene Draeck’. Omgekeerd zorgden de grote boeieraken ervoor, dat een Lemsteraak niet alleen een eenvoudige visaak was van ca. 12 meter lengte, maar ook een luxe plezierjacht kon zijn van meer dan 17 meter lengte.

Zeeuwse boeieraak

In het gebied van de HolIandse IJssel, de Biesbosch en de noordelijke Zeeuwse wateren kwamen veel typen voor met heve. Hiervan vormden de biesboschaken een aparte groep, waarbij de zijden beneden de knik bestonden uit twee overnaadse gangen. Bij de scheepstypen van deze groep liep het vlak voor en achter tot bovenaan op. De zijden waren beneden de knik of het berghout gladboordig en dwarsscheeps enigszins rand. Boven het berghout was een breed boeisel dat een weinig naar binnen vie!. Van boven gezien waren voor- en achterschip nogal rond.

De Zeeuwse boeieraak is zo mogelijk nog zeldzamer en nog minder bekend dan de Zeeuwse schouw. Bronnen betreffende dit schip zijn dan ook uiterst schaars. Oude afbeeldingen of vermeldingen zijn ons niet bekend. Eerst op het einde van de negentiende eeuw treffen we het schip aan op enkele foto's van de Zeeuwse wateren, onder meer te Yerseke en Terneuzen. Op een potloodtekening van omstreeks 1880, door de Antwerpse tekenaar Henri Seghers, uit de verzameling van het Nationaal Scheepvaartmuseum te Antwerpen, staat eveneens een dergelijk schip afgebeeld.

De boeieraak is waarschijnlijk via de grote rivieren in Zeeland verzeild geraakt. Hoewel de naam doet vermoeden dat de boeieraak meer een boeier was, was het een echte aak. Het vlak is voor en achter hoogopgebrand en versmalt sterk. Voor ligt het tegen het boeisel aan en achter tegen een grote balk die het boeisel vervangt. De boeieraak heeft een ingewerkte voorsteven en een scheg. Het schip is gladboordig, het laagliggende berghout is vrij recht evenals het brede boeisel, alleen in het voorschip gaat het wat omhoog. Achter had het scheepje een scheg waaraan het roer vissend was opgehangen, zodat bij droogvallen of varen over een ondiepte het onder het schip uitstekende roer niet beschadigd kon worden, het schoof dan langs de roerpen omhoog. De gladboordig beplankte romp was voor de mast gedekt, daaronder was een kleine roef. De mast stond in een mastkoker en het tuig was bezaan. De boeieraak werd gebruikt als vrachtvaarder, maar voornamelijk werd het scheepje ingezet voor de oestercultuur.

Terug naar vorige pagina