Lemsteraak

De lemsteraak is in de tweede helft van de 19e eeuw ontwikkeld uit de visaak van de Friese binnenwateren voor de visserij op het noordelijk deel van de destijds open Zuiderzee, tussen Lemmer en Den Helder. Na 1900 werden zij als regel in staal gebouwd. In de grondvorm zijn de Friese ronde jachten te herkennen: kromme voorsteven, ronde lijnen met horizontaal een ei-vorm met de punt naar achteren. In de kop loopt het voordek sterk op.

Hoofdkenmerk is, dat het volume van het voorschip groter is dan dat van het achterschip. De oorspronkelijke lemsteraak was voor de mast overdekt en had als regel een bun, hoewel voor de haringvangst gebruik werd gemaakt van bijboten, de z.g. haringvletten, die werden gesleept. De vissersschepen waren meestal 10 - 12,50m lang; echter al vroeg werden ook grotere aken (tot 17,50m) als jacht gebouwd met een kajuit achter de mast, een hoger achterschip en een boeierroer. De (bemiddelde) eigenaars veroorloofden zich een schipper + een knecht, tevens kok, die tijdens de vaart op het voordek de zwaardlieren en voorzeilen bediende en in het vooronder kookte. Zij verzorgden ook het onderhoud van schip en tuigage.

Dirk Huizinga schrijft in zijn publicatie 'Lemsteraken voor de recreatie' het volgende:

Er kunnen redenen zijn om de veelvormigheid van scheepstypen te beperken en de naamgeving ietwat te uniformeren.Voor het organiseren van zeilwedstrijden is het functioneel als de schepen die tegen elkaar zeilen zoveel mogelijk gelijk zijn. Dat voorkomt een hoop gedoe. Ook iedere organisatie die schepen wil beschrijven, indelen, archiveren of wat dan ook, streeft naar uniformiteit en standaardisatie. De visaken uit De Lemmer bleven voor de vissers gewoon ‘aken’. De grote aken die De Boer bouwde voor de watersport, werden ‘pleziervaartuig, model Lemsterjacht’ genoemd of ‘plezieraak’ of gewoon ‘jacht’.

Toen HKH Prinses Beatrix in 1956 voor haar 18e verjaardag had gekozen voor een Lemsteraak als nationaal geschenk, schreef C.J.W. van Waning, mede-oprichter van het Stamboek, in De Waterkampioen (1956, p. 185-189) een lang artikel getiteld ‘De Lemsteraak. Hoewel het verjaarscadeau van de prinses helder en concreet aan het Nederlandse volk was gepresenteerd, een Lemsteraak, zat Van Waning daarmee aardig in z’n maag. Want wat was nu precies een Lemsteraak?

Pas met de bouw van 'De Groene Draeck' raakte de benaming ‘Lemsteraak’ echt ingeburgerd. Dat deze jachten weinig gemeen hebben met de traditionele visaken uit de Lemmer, was geen punt van discussie. De naamgeving kwam dus achteraf. De Lemsteraak is geen product dat als standaardontwerp van de tekentafel rolde, maar een gemeenschappelijke naam voor een verzameling van heel verschillende schepen die volgens de naamgevers echter wel gemeenschappelijke kenmerken hadden.

Cruciaal in deze ontwikkeling van scheepsbenamingen is de presentatie van ‘De Groene Draeck’ in 1957. Het prinsessejacht werd gepresenteerd als perfect voorbeeld van een ‘Lemsteraakjacht’. Bij het pas opgerichte Stamboek voor Ronde-en Platbodemjachten werd de ‘De Groene Draeck’ de norm bij de beoordeling of een schip een Lemsteraak genoemd mocht worden. Prinses Beatrix werd bovendien beschermvrouwe van het Stamboek, wat de discussie over de vraag of dergelijke schepen inderdaad kenmerkend zijn voor het scheepstypeLemsteraak’ compliceerde.

Er is echter geen reden heel krampachtig te doen over de naamgeving van dergelijke schepen. De benaming van een scheepstype drukt geen essentie uit, maar is een manier om binnen een taalgemeenschap iets duidelijk te maken. Zolang er voor de gebruikers van bijvoorbeeld de term ‘Lemsteraak’ geen onduidelijkheid ontstaat over wat er feitelijk bedoeld wordt, is er geen probleem. Enige verscheidenheid maakt zo’n Lemsteraak juist tot een interessant schip. Je kunt er nog vele kanten mee op en de schepen blijven verbazen.

De grote Lemsteraakjachten die voor de Tweede Wereldoorlog gebouwd zijn, spelen in die recente discussie over wat een Lemsteraak is, een belangrijke rol. Die zien er weliswaar heel anders uit dan de oorspronkelijke Lemster visaken, ze komen ook niet voort uit de visaken, maar dragen nu wel de naam ‘Lemsteraak’. Voorheen werden ze geregeld Lemsterjacht genoemd. Een aantal van die schepen was ook ontworpen en gebouwd bij De Boer in De Lemmer. Die grote aken hebben door hun extreme aanwezigheid onbedoeld mogelijkheden gecreëerd voor de ontwikkeling van de moderne (wedstrijd)aken uit onze tijd. Lemsteraken konden klein, maar ook groot zijn. Het bleven Lemsteraken.

Om die grote boeieraken beter te laten zeilen, hebben moderne ontwerpers zich mede laten inspireren door de functionele mogelijkheden die de traditionele Lemster visaak hun bood. De moderne wedstrijdaken in vissermanuitvoering bieden het beste uit twee werelden. Ze staan als zeilschip dichter bij de originele visaak, dan de oude boeieraken, terwijl ze door hun lengte een comfort bieden waar de eigenaren van de kleinere visaken slechts van kunnen dromen.

Door scheepstypen die historisch eigenlijk geen band met elkaar hadden als ‘Lemsteraak’ onder één noemer te brengen, werd in de praktijk ruimte gecreëerd om te experimenteren met de vormgeving. Het schip kon immers klein zijn als de LE10, een aakje van ruim 8 meter, maar ook zo groot als de Dolfijn, een boeieraak van 17.50 meter. De 17 meter lange Alcedo II werd voorzien van een midzwaard en twee masten, Kersken ontwierp aken als kielschip….eigenlijk was nu (bijna) alles mogelijk.

Op dit moment noemen we de volgende soorten schepen een Lemsteraak:

  • Originele, meestal gerestaureerde aken van Lemster vissers
  • Originele visaken die verbouwd zijn tot jacht, zoals de LE12 (Rosshouck) en de LE6. Ook de Zevija, de houten aak LE39, die Eeltje Holtrop van der Zee bouwde, hoort in deze groep.
  • Pleziervaartuigen van voor de Tweede Wereldoorlog, die veelal gebouwd zijn als boeier, als boeieraak of als Lemsterjacht. Later werden die schepen Lemsteraakjacht genoemd. Toen de Lemsteraak niet langer als werkschip werd gebruikt, verviel de aanduiding ‘jacht’ en zei men kortheidshalve Lemsteraak.
  • Lemsteraken die na de oorlog als modern jacht zijn ontworpen binnen de traditie van grote Lemsteraakjachten van voor de oorlog. Voorbeelden zijn ‘De Groene Draeck’ van HKH Koningin Beatrix, de ‘Visotter’ van A. Sterk en de aken die ontworpen zijn door H. Lunstroo.
  • Lemsteraken die vanaf ca. 1970 als jacht zijn gebouwd naar het model van de originele Lemster visaak. Vele als roefschip, maar ook diverse als ‘visserman’, half gedekt, met een ruime, open kuip. De scheepswerven van Blom in Hylpen en Stofberg in Enkhuizen hebben hierin een belangrijke voortrekkersrol in vervuld.

Watersportblad "Watersport" maart 1989 - De Lemsteraak 90 jaar ronde vormen

Alles is rond, geen recht stukje is eraan te bekennen - beter kun je de Lemsteraak eigenlijk niet typeren. In vergelijking met de botter, tjalk en schokker is het een jong type. In 1898 werd de eerste echte houten Lemsteraak gebouwd op de werf van De Boer in Lemmer. Daarvoor werden er al wel veel ronde schepen gebouwd, maar zij werden nog niet als Lemsteraak aangeduid. Overigens werd de naam 'aak' al veel langer voor vele soorten vaartuigen gebruikt, zoals visaken, botaken en mosselaken.
De gegevens over de eerste Lemsteraak konden niet worden ontleend aan archieven van de bouwer, maar komen uit de bewaard gebleven 'snijboeken' van de zeilmakers. In 1899 leverde zeilmaker De Vries de zeilen voor het door De Boer gebouwde schip, dat werd aangeduid als pleziervaartuig. Deze eerste Lemsteraak was trouwens bestemd voor een Belg, Gustaaf Steurbout uit Gent. Steurbout zeilde kennelijk veel en hard, want al in 1906 bestelde hij een derde tuig in Grouw, nu bij de zeilmaker Molenaar. Uit andere bronnen blijkt dat de eerste aak bij Croles gebouwd is. Tot 1930 werden er op de werven van De Boer in Lemmer, Bos in Echtenerbrug, Croles in IJlst en Eeltje Holtrop en Auke van der Zee in Joure regelmatig Lemsteraken gebouwd.

Terug naar vorige pagina