Visaak

Visaken waren in het begin van onze eeuw een bekende verschijning in het Friese waterland. Ze kwamen echter ook voor in de het noorden van Overijssel zij het met een iets andere vorm. Meestal was daar het voorschip iets slanker en de kop iets hoger. De doorgaans fraai gevormde scheepjes hadden voor de mast een tentvormige kajuit met een vlak dak. Dat dak was oorspronkelijk feitelijk het voordek dat met zijflappen aan de romp bevestigd was en omhoog gezet kon worden (een zgn harmonica- of blaasbalg dek). Later werd deze constructie wel geheel van hout met zeildoek bespannen gemaakt.

Hierin woonde soms de (armere) visser met zijn gezin. De strijkbare mast draaide door deze kajuit. Achter de mast had het schip een bun voor het bewaren van gevangen vis. Er werd vooral gevist op paling en snoekbaars met deze aakjes. Meestal hadden de visaken een min of meer vaste ligplaats bij een dichtzet. Dit is een dwars over een vaart gespannen visnet. Wanneer een schip moest passeren werd dit net, dat aan een kabel was gespannen, vanaf de wal neergelaten en na het passeren van het schip weer opgetrokken. Dit betekende dat zo'n dichtzet dag en nacht bewaakt moest worden. Doorgaans deed de visser dit laatste vanuit de visaak.

Een speciaal visaakje is de “Dolphijn” omdat dit scheepje als “plezier-/visvaartuig” voor een rijkere ingezetene van Friesland is gebouwd door Eeltje Holtrop van der Zee.

Spiegel der Zeilvaart november 2000 nummer 9 - De Visaak

Visaken, ook wel vissersaken, binnenaken en tentaken genoemd, zijn schepen die door Friese binnenvissers werden gebruikt bij het uitoefenen van hun beroep. De eerste visaakjes waren niet langer dan vijf meter, het waren open, ronde scheepjes met een bun. Deze bootjes hadden een scharnierend voordek, dat schuin omhoog kon worden gezet om wat beschutting te geven. Later werden er ook grotere schepen gebouwd, de lengte varieerde van 7 tot 12 meter. 

Visaken komen al in het begin van de negentiende eeuw voor en vermoedelijk ook in de tweede helft van de achttiende eeuw. Dit type schip werd voornamelijk gebruikt door binnenvissers uit het Friese merengebied, maar ook boven de lijn Harlingen-Leeuwarden waren ze in gebruik. Bij het bekijken van oude foto's van Friesland tref je heel vaak visaken aan. Veel aken waren voorzien van een 'tent', een opklapbaar, scharnierend voordek met driehoekige zijstukken van zeildoek. Deze zogenaamde tenten waren oorspronkelijk losse plechten, die opgeklapt konden worden. Later werden er losse zijstukken van hout gemaakt en toen de schepen nog groter werden, werden er vaste 'tenten' van hout op geplaatst. Bij de latere, stalen visaken werd deze tent direct bij de bouw er vast opgeklonken, als een soort roef voor de mast.

Op de grotere aken kon de visser er met zijn gezin op wonen. De grootste aken hadden ook slaapplaats in het achterschip onder het helmhout. De aken werden gebruikt als woonschip bij de `dichtzet', in de bun werd de paling bewaard. Een keer per week voer de visser naar de losplaats om de vis te verkopen. Veel gezinnen woonden alleen 's zomers aan boord.

Waarom men, voor een schip dat voornamelijk een lig-functie had, toch zulke mooie, rondgebouwde scheepjes bleef bouwen, is niet echt duidelijk. Houten visaken werden o.a. gebouwd in Workum, Drachten, IJlst en Joure. IJzeren visaken werden vooral in Joure en Drachten gebouwd.

Er zijn nog enkele visaken bewaard gebleven. Deze scheepjes zijn meestal verbouwd tot 'boeier'. De karakteristieke 'tent' is verdwenen en de aak is achter de mast voorzien van een opbouw. Er varen waarschijnlijk nog drie of vier visaken in originele staat rond.

Terug naar vorige pagina