Wieringer aak

De Wieringer aak is een zwaar, breed vissersschip, waarvan de ontwikkeling nog niet geheel duidelijk is. Het schip werd in de tweede helft van de vorige eeuw o.a. gebouwd bij Alkema en Zwolsman in Makkum, bij Zwolsman in Workum en in Hindeloopen bij Wijbrands. Op Wieringen zelf werd nimmer een Wieringer aak gebouwd! De schepen uit Hindelopen zijn over het algemeen wat platter en minder rond in kop en achterschip dan die uit Makkum en Workum.
Speciale geitouwen waren ten behoeve van deze manoeuvre aan de nok bevestigd terwijl het zeiloppervIak met behulp van een katval desgewenst nog verder kon worden verkleind. De Wieringer aak heeft daarenboven een vrij smalle stagfok, waarschijnlijk wegens de noodzaak goed te kunnen manoeuvreren in de smalle geulen van de Waddenzee; een brede fok zoals bij de Lemsteraak zou daarvoor te lastig zijn geweest.

Uit een enkel bewaard gebleven werfboek van AIkema blijkt dat deze werf tot 1865 nog geen Wieringer aken bouwde. In verband met deze bouwjaren en de uiterlijke vorm wordt wel een zekere relatie met de Lemsteraak aangenomen. De Wieringer aak is echter een platbodem, die korter en in verhouding breder is dan een Lemsteraak en een iets minder hoge kop heeft. Het boeisel is bij een Wieringer aak ook breder dan bij een Lemsteraak, zodat derhalve de verwantschap niet erg groot is. De afmetingen van een Wieringer aak varieren van 38 tot 43 voet (circa 10.80 - 12 meter), bij een breedte van omstreeks 4 meter.

Gebruik

Er werd mee gevist op platvis, sche!pen en wier (zeegras) op de Waddenzee en rondom Wieringen. Vanwege het dikwijls ondiepe viswater en de wenselijkheid op de zandplaten te kunnen droogvallen, was een breed, plat vIak een vereiste voor deze schepen. Doordat er dus dikwijls weinig water onder de kiel zat, kon het schip bijzonder wreed op het roer worden.
Het grootzeil werd echter - in tegenstelling tot bijvoorbeeld de botter en schokker - met twee vallen gehesen en door het laten zakken van de nok kon de druk op het roer worden verminderd en werd het schip  handelbaarder, Speciale geitouwen waren ten behoeve van deze maneeuvre aan de nok bevestigd terwijl het zeiloppervIak met behu!p van een katteval desgewenst nog verder kon worden verkleind. De Wieringer aak heeft daarenboven een vrij smalle stagfok, waarschijnlijk wegens de noodzaak goed te kunnen manoeuvreren in de smalle geulen van de Waddenzee; een brede fok zoals bij de Lemsteraak zou daarvoor te lastig zijn geweest.
Op de kluiverboom werd een kluiver gevaren, die veelal in drie grootten aan boord was. De middeIste kluiffok werd ook we! als bezaan bijgezet. De zware, grenen mast, die tamelijk naar voren staat, is ongestaagd en steunt in mastbank en koIsum. De mastbank wordt daartoe naar voren gesteund door een extra wegering tegen de spanten onder de dekbalken. De zwaarden hangen aan haken buiten het boeisel. Deze haken zijn op of tegen de waterlijst bevestigd; soms zijn deze haken om een bout draaibaar, teneinde de op- en neergaande beweging van het zwaard bij zeegang op te vangen.
Er is steeds een - grenen - voorp!echt met daarop de overloop voor de fok en het ankerspil. Achter de mast is het schip soms overdekt, doch meestal open. In het laatste geval kan een los dek van wegneembare planken, de zogenaamde stelling, worden geplaatst. Deze stelIing deed onder andere dienst bij het wiermaaien.

Terug naar vorige pagina