Boeiers

Reeds in het begin van de 15e eeuw waren er vrachtschepen die als kustvaarder in velerlei vormen en toepassingen in bedrijf waren, zelfs als oorlogsschip en sedert dien met boeier werden aangeduid. De veelheid aan vormen manifesteerde zich onder andere in ronde en vlakke spiegels, met gebogen en rechte stevens. De oudere boeiers waren overnaads, de latere, karveel. Specifiek voor de boeier is het hoge boeisel dat naar binnenvalt. In de 17e eeuw ontwikkelde men betere zeegaande vrachtschepen waaronder de smack en de galjoot en kwam er een binnenvaartschip met op de boeier gelijkende kenmerken zoals het naar binnen vallend boeisel. Dit binnenvaartschip kende ook velerlei vormen en toepassingen waaronder de pleziervaart. Combinaties waren er ook mogelijk en zo evalueerde de boeier tot het begin van de 20e eeuw naar plezierjacht. De huidige boeier is 5,5 tot meer dan 12 meter lang.

De boeier als pleziervaartuig - Boek Ronde en Platbodemjachten van Mr. Dr. T. Huitema

Mr. Dr. T. Huitema schrijft in het standaardwerk van de SSRP "Ronde en Platbodemjachten":
Evenmin als bij andere soorten`speeljachten' bestond bij de boeier een scherpe grenslijn tussen nut en genoegen. Zolang de waterweg de meest comfortabele en dikwijls zelfs de enige voor personen bruikbare verbinding was tussen steden en dorpen in Holland, Zeeland en Friesland, vervulde schier elk speeljacht tevens een nuttige functie als vervoermiddel vooral voor kooplieden en lichte koopmansgoederen. Het is bekend, dat op marktdagen in de zeventiende en achttiende eeuw langs de Zaan en in grotere en kleinere steden in Holland vaak evenveel grotere en kleinere speeljachten der bezoekers langs de kaden lagen als beurt- en vrachtschepen.
De aanleg der Napoleontische wegen maakte vooral het personenvervoer in het waterrijke Westen en in mindere mate ook in Friesland, minder afhankelijk van de waterwegen. Het nut van het privé-schip als vervoermiddel verloor hierdoor aan betekenis. Een gezicht op de oude jachthaven te Amsterdam door G. Lambers, getekend in 1816, vertoont slechts een tiental boeiers en andere speelvaartuigen, ogenschijnlijk in vrij verwaarloosde staat. In 1781 lagen in dezelfde haven, die in de wandeling ook `boeierhaven' werd genoemd, nog een vijftigtal jachten. Niettemin zijn er wel aanwijzingen, dat een nogal groot aantal achttiende eeuwse speeljachten de Franse tijd heeft overleefd, althans genoeg voor de vrij geringe behoefte van het eerste kwart der negentiende eeuw.

De boeier als pleziervaartuig 

 


 

Waterkampioen oktober 1965 nr1161 - Schepenschouw De boeier

De benaming boeier komt reeds in de vijftiende eeuw voor en werd toen en ook later nog waarschijnlijk gebruikt om een vaartuig aan te duiden, dat men boven het scheepsboord met gangen had opgehoogd om de geschiktheid voor open water te verbeteren. Op deze wijze werd een oorspronkelijk voor de binnenvaart bestemd type vaartuig bruikbaar voor de kustvaart. Reeds uit het begin van de zestiende eeuw zijn ons berichten bekend van reizen met boeiers naar Engeland en Schotland en ook van reizen naar landen aan de Oostzee. De boeier als kustvaartuig heeft naar men op grond van afbeeldingen en geschriften wel mag aannemen zijn hoogtepunt van bloei gekend in de tweede helft van de zestiende eeuw en zich tot in de achttiende eeuw kunnen handhaven in de vaart op de steden langs de Franse Kanaalkust, met name Rouen, getuige de benaming Rouaanse boeier, die men in de achttiende eeuw nog kan tegenkomen.
De vraag of er tussen deze zeegaande boeiers en de boeiers uit de negentiende eeuw, die voor het zeilen voor ontspanningsdoeleinden werden gebruikt, verwantschap bestaat, is niet gemakkelijk te beantwoorden. Het boekwerk „Ronde en Platbodemjachten", uitgegeven onder auspiciën van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten, neemt deze verwantschap met vrij grote stelligheid aan, doch moet zich hierbij bedienen van de redenering, dat men minder op de verschillen en meer op de overeenkomsten tussen de zeegaande handelsboeiers en de voor de binnenwateren bestemde „plezier"-boeiers moet letten. En die verschillen zijn toch vele en betreffen de grootte, de verhouding lengte tot breedte en ook bijvoorbeeld de vorm van het achterschip. 

pdf Waterkampioen 1965 nr1161 oktober - Schepenschouw De boeier