Fries jacht

In zijn boek "Het Friese Jacht" schrijft Dr. ir. J. Vermeer in zijn eerste hoofdstuk "Wat is een Fries jacht":
Het Friese jacht behoort tot de grote familie van traditionele Nederlandse ronde en platbodem-vaartuigen, bestemd voor onze ondiepe kust- en binnenwateren. Dit vaargebied veroorlooft slechts een geringe diepgang; deze schepen zijn dan ook gebouwd met een platte of ronde bodem zonder diepe kiel. Ter vermindering van de drift bij het (aandewindse) zeilen zijn zij voorzien van zijzwaarden. Het vaartuig, dat wij tegenwoordig 'Fries jacht' noemen, behoort tot de kleinere niet-overdekte zeilscheepjes, uitsluitend geschikt voor de binnenwateren. Met de boeier en de tjotter wordt het gerekend tot de groep van zogenaamde ronde jachten, die in ons land al op een geschiedenis van meer dan drie eeuwen kunnen bogen. Op schilderijen uit de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw vinden wij deze scheepjes veelvuldig afgebeeld, in vorm en inrichting vrijwel gelijk aan zoals ze heden nog bestaan. Een fraai voorbeeld hiervan is het bekende schilderij van Abraham Storck (1635-1710), voorstellende het spiegelgevecht op het IJ voor Amsterdam ter ere van tsaar Peter de Grote op 1 september 1697, aanwezig in het Rijksmuseum "Nederlands Scheepvaart Museum". Ook in musea en bij enkele particulieren bewaard gebleven oude scheepsmodellen leggen hiervan getuigenis af. In ons kader is interessant het door de kunstschilder Dirk Piebes Sjollema (1760-1840) gebouwde model van een open jacht. Het is gedateerd 1811 en bevindt zich nog steeds in het bezit van een directe nazaat van de maker.

Algemeen kan men het ronde jacht als volgt karakteriseren

  • Een op stevens karveelgebouwd zeilvaartuig met relatief brede zijzwaarden de voorsteven is gekromd;
  • de buitenomtrek is min of meer ei-vormig
  • de verhouding van lengte over de stevens tot grootste breedte ligt meestal tussen 2, 2 en 2, 8, gemiddeld op circa 2, 4;
  • de grootste breedte is gelegen op ongeveer één derde tot vier negende van de lengte over de stevens;
  • het is getuigd met een bezaantuig met kromme gaffel en losse broek;
  • de fok is gehalsd op een ijzeren botteloef.

De benaming Fries jacht als aanduiding voor een specifiek type zeilvaartuig is betrekkelijk nieuw. Eigenlijk pas sedert de opstelling van de schepenlijst van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten (opgericht in 1955) wordt deze benaming consequent gebruikt voor een rond jacht met de volgende kenmerken:

  • een open rond zeilvaartuig, in grootte te rangschikken tussen boeier en tjotter
  • voorzien van berghouten
  • met een lengte over de stevens van 5 meter of meer.

De aanwezigheid van een berghout, ingebouwd tussen de bovenste huidgang en de boeiselgang, is voor het verkrijgen van een hechte en stijve constructie vanaf genoemde lengte noodzakelijk en wordt tegenwoordig als het typerende kenmerk beschouwd. Evenals de boeier heeft een Fries jacht verder meestal kluisborden en beretanden aan weerszijden van de voorsteven, voorts een smal roer, bekroond met een leeuw of ander symbolisch dier. Deze laatste kenmerken zijn evenwel niet doorslaggevend voor de typering; er komen open ronde jachten voor zonder beretanden en kluisborden en/of met een breed roer (zoals bij tjotters), die zonder voorbehoud tot het type gerekend worden.

Evenals het Friese jacht is de tjotter voortgekomen uit de rondgebouwde bedrijfsboot, die vooral in het Friese waterland eeuwenlang in gebruik geweest is bij vissers, boeren en kleine handelaren. Voor zover wij hebben kunnen nagaan was de typische ronde vorm van voor- en achterschip nergens anders zo populair als juist in Friesland. Toen men zich bij stijgende welvaart een wat luxueuzere uitvoering meende te kunnen veroorloven heeft zich hieruit uiteindelijk het typische pleziervaartuig dat wij heden ten dage tjotter noemen ontwikkeld. Zijn definitieve gestalte verkreeg de tjotter in de tweede helft van de negentiende eeuw. In hoofdstuk 3 gaan wij hier dieper op in, waarbij zal blijken, dat het ontstaan van wedstrijdklassen van kleine boten in doorslaggevende mate is bepaald door de negentiende-eeuwse wijze van belastingheffing op schepen. In eerste instantie ontstond een klasse van boten met een lengte over de stevens van 4,40 meter, in de tweede helft van de eeuw gevolgd door een wedstrijdjachtje met een lengte van 4,80 meter; uitgedrukt in de oude namen, die na de in de vorige eeuw nieuw-ingevoerde metrische maten nog lang in gebruik bleven: 4 el 8 palm. Vandaar dat deze boot in het Fries "fjouweracht" werd genoemd

Onderscheid tussen Fries jacht, Boeier en Tjotter

De boeier onderscheidt zich van het Friese jacht door de aanwezigheid van een kajuit. Er zijn echter ook constructieve verschillen, die mede het gevolg zijn van de functionele inrichting. Bij de boeier staan met name de boeisels wat minder schuin en zijn zij in voor- en achterschip wat breder dan bij het Friese jacht. Een van oorsprong open jacht, dat later van een roef is voorzien, mag daarom niet zonder meer een boeier genoemd worden.
Met tjotter wordt tegenwoordig het kleinste type open ronde schepen aangeduid, met een lengte over de stevens van minder dan 5 meter. In afwijking van het Friese jacht heeft de tjotter geen berghout. In plaats daarvan is de bovenkant van de bovenste huidgang voorzien van een ijzeren of koperen halfrond, dat als stootrand dienst doet. Ook ontbreken kluisborden en beretanden.
De naam tjotter is - in tegenstelling tot wat men zou denken - niet van Friese oorsprong. Hij duikt voor het eerst op in 1847 bij zeilwedstrijden in Amsterdam. Buiten Friesland werd het gewoonte om elk open rond jacht met deze naam aan te duiden, ongeacht lengte en zonder onderscheid in kenmerken, wat zich handhaafde tot ver in de 20ste eeuw. Bijvoorbeeld, in het reglement voor zeilwedstrijden, opgenomen in het "Handboekje der Verbonden Zeilvereenigingen" (opgericht in 1890 en voorloper van het huidige KNWV) uit 1922, vindt men in Deel V, Klassen van Ronde en Platbodemjachten, vermeld:
"In de klassen OD, OE en OF worden alleen opgenomen tjotters (waarbij ook zgn. "Friesche jachten") . . . , die voldoen aan de volgende maximum afmetingen:

Grootste lengte over de stevens gelijk aan of kleiner dan 7,- 5,60 4,80 M
Grootste breedte buitenwerks (over berghout indien aanwezig) 3,- 2,75 2,50 M
Zeiloppervlak gelijk aan of kleiner dan - - 35 M2

Opvallend is, dat open ronde jachten tot de grootst voorkomende (c.q. -toegelaten) lengte van 7 meter tjotter worden genoemd. In tijdschriften als "De Watersport" (vanaf 1912), "Ons Element" (vanaf 1920) en "De Waterkampioen" (vanaf 1927) komt men in verslagen van zeilwedstrijden voortdurend deze betiteling tegen. Vaak worden de klassen aangeduid als `Groote tjotters', 'Middel tjotters' en 'Kleine tjotters'.
In Friesland werden van oudsher alle open zeilvaartuigen boot genoemd, ook de grotere tot circa 7 meter lengte. In de bewaard gebleven werfboeken van de vermaarde negentiende-eeuwse Friese scheepsbouwer Eeltje Holtrop van der Zee komt de aanduiding tjotter in het geheel niet voor. De vele tientallen door hem gebouwde open zeilschepen worden meestal met boot aangeduid. Pas bij zijn zoon Auke van der Zee verschijnt in 1916 voor het eerst de aanduiding tjotter voor een jachtje van 4,80 m. Daarentegen vinden wij in de werfboeken enkele malen de benaming jagt gebruikt, in totaal acht maal op een productie tussen 1853 en 1918 van in totaal 27 open vaartuigen die aan onze eerdere definitie beantwoorden.

Het onderscheid tussen boot en jagt

Het onderscheid dat tussen boot en jagt wordt gemaakt, moeten we naar alle waarschijnlijkheid zoeken in het gebruiksdoel. De benaming boot duidt er ons inziens op, dat het betreffende vaartuig in overwegende mate was bestemd voor dagelijks gebruik, dus voor personenvervoer of voor bedrijfsdoeleinden. Het waterrijke gedeelte van Friesland kende immers in de 19de eeuw over het algemeen meer goede waterwegen dan landwegen. Het gebruik van het woord jagt zou dan betekenen, dat het een echt pleziervaartuig betrof, waarbij de opdrachtgever zich een wat duurdere en daarmee luxueuzere uitvoering veroorloofde.
We vinden bevestiging van deze veronderstelling de eerste keer dat we bij Eeltjebaas de benaming jagt tegenkomen. Dat is in 1861, en wel twee maal. Beide keren betreft het opdrachtgevers van buiten Friesland, C. Kunst te Dordrecht en de heer Kistmaker te Amsterdam. Deze jachten waren respectievelijk 24 voet (6,80 m) en 21 voet (5,95 m) lang en er staat bij genoteerd, dat ze waren versierd met snijwerk en koper. Het zullen dus zeker pleziervaartuigen geweest zijn. Nog zesmaal komt in de werfboeken van de Van der Zee's de aanduiding jagt voor. Het is opmerkelijk, dat van deze zes jachten er vijf nog bestaan, zij het dat één ervan, de grootste, later door Auke van der Zee tot een echte boeier is verbouwd. Wij komen hierop bij de bespreking van de door de Van der Zee's gebouwde jachten terug. 
Ook in wedstrijdaankondigingen in Friesland vinden we de open typen van ronde schepen vroeger bijna uitsluitend aangeduid als jachten en boten. Bijvoorbeeld: Bij de Zeilvereeniging "Oostergoo" is in 1882 de 2de klasse opengesteld voor "Jagten en Boeijers", de 3de klasse voor "Booten boven 4,8 meter tot 6,2 meter". Nog in 1919 vermeldt het programma in de 5de klasse "Jachten en Booten (bestuurd door heeren liefhebbers)". Bij de Zeilvereeniging "Frisia" vindt men nog tot 1924 deze benamingen. Alleen de Zeilvereeniging "Sneek" gebruikte al vroeg de aanduiding "tjotter" in de klasse-indeling en wel voor het eerst in 1882. In het wedstrijdreglement van de Noord-Nederlandsche Watersportvereenigingen, zoals dat werd vastgesteld in de vergadering van 7 juni 1921 in Hotel "De Wijnberg" te Sneek, werden de klassen van ronde jachten als volgt omschreven:

  • Boeiers, lengte t/m 9 M
  • Jachten lengte t/m 7 M
  • Jachten lengte t/m 5,60 M
  • Jachten lengte t/m 4,80 M breedte t/m 2,50 M.

Alle open ronde zeiljachten worden "jacht" genoemd, ook de kleinste beneden 4,80 meter. Opvallend is, dat de grenzen tussen de klassen in dit reglement dezelfde zijn als die welke in het "Handboekje der Verbonden Zeilvereenigingen" voor de tjotterklassen OD, OE en OF in 1922 werden vastgesteld. Kennelijk is op het punt van de klasse-indeling overleg geweest en overeenstemming bereikt tussen de beide organisaties. Dat blijkt ook uit de toevoeging in het "Hollandse" reglement achter tjotters: "waarbij ook zgn. Friesche jachten". Het feit, dat dezelfde typen ronde jachten in "Holland" tjotter en in "Friesland" jacht werden genoemd vormt een duidelijk bewijs, dat de naam tjotter niet van Friese oorsprong is.
Een streven naar uniforme aanduiding wordt nu merkbaar. In 1923, bij haar 75-jarig bestaan Koninklijk geworden, vinden wij bij de Z.V. "Oostergoo" in haar deelnemerslijsten de klassen open schepen nu "Friesche jachten" genoemd. Ook het gebruik van de naam tjotter dringt in Noord Nederland door. In 1925 schrijft de K.Z.V. "Oostergoo" twee klassen open ronde jachten uit en wel: Klasse 2 "Friesche jachten (lengte t/m 7 M)" en Klasse 3 "Tjotters (lengte t/m 5,2 M)". De benaming "Booten" komen we vanaf 1925 niet meer tegen.

Van der Zee Joure

Opvallend is, dat zes van de negen "Friesche jachten" afkomstig zijn van de Jouwster werf van Eeltje en Auke van der Zee. Dit wijst er wel op, dat de door de Van der Zee's gebouwde jachten in de ontwikkeling van het type een bijzondere plaats innemen.

Samenvattend

Samenvattend concluderen wij als volgt: Het onderscheid, dat wij tegenwoordig (terecht) maken tussen Fries jacht en tjotter, is van betrekkelijk recente datum. Alle open ronde jachten werden in Friesland boot genoemd, elders heetten ze tjotter. In Friesland was de naam tjotter aanvankelijk onbekend. Onderscheid in grootte of bouwwijze kwam in de benaming niet tot uitdrukking. Met het opkomen van de ge-organiseerde watersport na 1890 vond de naam tjotter echter ook verbreiding in Friesland. De oorsprong van het gebruik van de aanduiding Fries jacht is niet met zekerheid aan te wijzen. Waarschijnlijk heeft dit te maken met de dominerende positie in de jachtbouw van Feitje Holtrop van der Zee aan het einde van de vorige eeuw. Deze gebruikte voor enige van zijn wat grotere en meer luxueus uitgevoerde, uitsluitend voor pleziervaart bestemde "boten" de betiteling "jagt". Buiten Friesland werden deze schepen dan "Friesch jacht" genoemd. Pas na het ontstaan van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten werden de typenamen Fries jacht en tjotter systematisch gebruikt in de zin als aan het begin van dit hoofdstuk beschreven.

Vorm, constructie en inrichting van een Fries jacht

Het Friese jacht als pleziervaartuig is ontwikkeld uit de Friese boot, zoals ronde zeilvaartuigen in Friesland werden genoemd. Deze boten werden in het waterrijke gedeelte van deze provincie in grote aantallen gebruikt door boeren, kruideniers, fouragehandelaren e.d. voor het vervoer van goederen en personen. Een voorbeeld van een dergelijke bedrijfsboot is de hier afgebeelde "Aaltje" van de fouragehandelaar Harm Speerstra te Warns. De foto, uit omstreeks 1905, toont een scheepje met een lengte van ongeveer 5 meter, met de kenmerken van een Fries jacht, compleet met berghout, echter eenvoudig uitgevoerd zonder kluisborden, snijwerk en koper. Uit de bewaardgebleven werfboeken van Van der Zee blijkt, dat op de Jouwster werf talloze van deze boten zijn gebouwd voor vissers, boeren, schippers en handelaren.
De eenvoudigste bedrijfsboten hadden een plat vlak en daarboven een romp van slechts één of twee gangen. Ze werden IJlster-boten genoemd. De bouwwijze uit slechts enkele brede gangen was bepalend voor de hoekige vorm die de dwarsdoorsnede van de scheepjes te zien gaf. De toepassing van meerdere smallere gangen maakte het mogelijk een meer elegante rondere scheepsvorm te verkrijgen, in het bij-zonder in voor- en achterschip. Het jachtje "Aaltje" behoort tot deze laatste categorie. Deze bouwwijze, tot elf gangen toe, werd toegepast bij de overwegend voor pleziervaart bestemde luxueus uitgevoerde zgn. jagten.
In de tweede helft van de negentiende eeuw, toen pleziervaart nog een tijdverdrijf voor enkelen was en de vraag naar plezierjachten betrekkelijk gering, was het vooral Eeltje Holtrop van der Zee, die zijn stempel heeft kunnen drukken op het houten ronde jacht. Eeltjebaes was behalve een zeer bekwaam scheepsbouwmeester ook een man met een uitgesproken artistieke visie, het kenmerk van de ware kunstenaar. Zijn vele malen aangehaalde gezegde: ... it leyt d'r al . . . wijst erop, dat hij het nog te bouwen schip in de geest reeds exact voor zich zag. Bij de bouw van zijn jachten en boeiers schijnt hij, voor zover wij weten, nooit gebruik gemaakt te hebben van ontwerptekeningen. Alle door hem gebouwde ronde jachten zijn dan ook `op het oog' ontstaan. De rompvormen die hij nastreefde konden alleen bereikt worden door ze op te bouwen uit een groot aantal in de vereiste vorm gebrande smalle gangen. Eeltje Holtrop van der Zee en ook zijn zoon en opvolger Auke van der Zee bouwden hun jachten bijna altijd met een gepiekte bodem en ronde kimmen. Een uitzondering hierop vormt het jacht "Dolphijn", dat meer de vorm heeft van een visaak met (bijna) plat vlak en hoekige kimmen. Alle andere in Joure gebouwde jachten en ook de aldaar ontstane `fjouwerache-tjotters' hebben een gepiekte bodem, waarin het hoofdspant de vorm van een accolade benadert.

Spantvormen van Friese jachten a. gepiekte bodem b. ronde bodem c. (bijna) vlakke bodem met hoekige kim
Spantvormen van Friese jachten a. gepiekte bodem b. ronde bodem c. (bijna) vlakke bodem met hoekige kim

Afb. a toont een tekening 6 waarin voor- en achteraanzicht van het Friese jacht "Argo" zijn gecombineerd. Deze tekening laat de vorm van het gepiekte grootspant duidelijk zien, alsmede het verloop van de naden tussen de gangen in voor- en achterschip. Een typerend kenmerk van de Friese jachten en `fjouwerachten' van de Van der Zee's, vooral van de later gebouwde, is het verloop van de gangen in het voorschip. De bovenste gangen buigen, alvorens tegen de voorsteven aan te sluiten, iets terug, waardoor de typische bolle konen ontstaan. Een haast extreem voorbeeld hiervan is het door Auke van der Zee gebouwde jacht "Neptunus", zoals blijkt uit de tekeningen die zijn opgenomen in 7 en in het aanhangsel gereproduceerd. Ook bij andere bouwers, soms in navolging van Van der Zee, komt men gepiekte jachten tegen, zoals in het volgende hoofdstuk zal blijken. Bij een aantal jachten treffen wij een zuiver rond grootspant aan. Hiervan geeft afb. b een mooi voorbeeld. Het betreft het Friese jacht "Roeland", vermoedelijk gebouwd door Brandsma. Een dergelijke vorm is iets eenvoudiger te bereiken dan een bodem met piek. De onderste gangen behoeven minder scheluw gebrand te worden.
De eenvoudigste, dus goedkoopste wijze van bouwen is die, waarbij het vlak dwars op de scheepsas plat of bijna plat is. De hoger liggende huidgangen sluiten hier met een hoekige kim op aan. Kostenbesparing is inderdaad de reden waarom de meeste jachten afkomstig van de werf van Lantinga te IJlst deze wijze van bouwen vertonen. Immers, de nog bestaande Lantinga-jachten zijn waarschijnlijk alle ontstaan na 1900, toen in toenemende mate geconcurreerd moest worden met het populair wordende en betrekkelijk goedkoop te bouwen scherpe jacht. Dat dwong bij de traditionele ronde jachten tot kostenbesparing door eenvoudiger constructie en minder luxueuze uitvoering. Een typisch voorbeeld van de bouw zoals door Lantinga uitgevoerd, toont afb. c, met het voor- en achteraanzicht van het jacht "De Rode Leeuw". Het zwak gekromde vlak bestaat uit enkele brede delen, waarop boven de hoekige kimmen vier huidgangen aansluiten. Voor zover kon worden nagegaan, zijn alle aan Feike Lantinga toegeschreven Friese jachten op deze wijze gebouwd. Deze bouwwijze sluit dicht aan bij die van de eenvoudige bedrijfsvaartuigen. Dat ook het hiervoor genoemde door Van der Zee gebouwde jacht "Dolphijn" deze bouwwijze vertoont, spruit zeker niet voort uit kostenoverwegingen, maar uit de eis van de opdrachtgever, dat een bun moest worden ingebouwd. Een uitvoerige bouwbeschrijving van dit jacht werd elders door ons gepubliceerd.

Constructie en inrichting

Hoewel de vorm van de romp van Friese jachten, met name tot uiting komende in de vorm van het grootspant, dus nogal kan verschillen, wijken de eigenlijke constructies slechts weinig van elkaar af. De verschillen die er verder nog zijn hebben betrekking op de mastkokerondersteuning en op de inrichting van het voorschip, zoals hierna zal worden besproken. In een aantal publicaties gewijd aan opmetingen van bestaande Friese jachten is een min of meer uitvoerige beschrijving gegeven van de opbouw en inrichting van de betreffende jachten. Het standaardwerk van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten bevat met name de bouwbeschrijving van het jacht "Neptunus", in 1918 gebouwd door Auke van der Zee. Wij zullen ons daarom hier beperken tot een algemene samenvatting. Overigens verwijzen wij ter illustratie van het hierna besprokene naar de diverse lijnen-, aanzicht- en constructietekeningen die achterin het boek "Het Friese jacht" zijn opgenomen.
Romp, inhouten, roer en zwaarden zijn van eikehout. De romp is karveel gebouwd, dus gladboordig. De verschillen in rompvorm blijken uit afb. 1: Gepiekte of zuiver ronde bodems worden meestal gebouwd met behulp van een vrij groot aantal smalle gangen, die alle van voor-tot achtersteven doorlopen. De min of meer platte bodems worden gebouwd van brede bodemplanken, naast de kielgang meestal twee, waarvan de buitenste als zgn. verloren gang een opvulfunctie vervult; deze loopt niet door tot de stevens. De boven de kimmen gelegen huidgangen zijn daar omheen aangebracht. De dikte van de gangen bedraagt tussen 2 en 2,5 cm. Voor de kielgang wordt veelal iets dikker hout gebruikt, 3 tot 5 cm, waardoor hij iets uitsteekt onder de naastliggende zandstroken. De kielgang sluit aan bij de voorsteven en is daarin over een zekere lengte ingelaten. Vanaf het voorschip loopt hij onder de scheg door tot aan het achtereinde van de achtersteven. De scheg, die op de kielgang staat, heeft aan de teen een dikte van soms meer dan 20 cm en is naar achteren toe verjongd tot op de dikte van de achtersteven. Voor- en achtersteven zijn, afhankelijk van de grootte van het jacht, 6 tot 8 cm dik. Bij sommige gepiekte jachten is de voorsteven ter hoogte van de waterlijn over een zekere lengte afgeschuind; het stevenbeslag is dan op de waterlijn driehoekig uitgesmeed.
Bij de traditionele bouw werden om de vorm van de romp te bepalen slechts enkele mallen gebruikt. Het oog van de bouwmeester bepaalde de rondingen van de vorm. Na het opzetten van stevens, kielgang en scheg, werden eerst de gangen van vlak en huid tot aan het berghout aangebracht. De inhouten, die de huiddelen omwrikbaar met elkaar moeten verbinden, werden - hierbij passend - later aangebracht. Men onderscheidt ligger, spanten en oplangers. De liggers worden dwars over de bodemdelen aangebracht. De spanten verbinden de bodem met de huidgangen in de kim en daarboven tot aan het boeisel. Zij worden in model gezaagd, zo mogelijk uit kromgegroeid hout. De dikte van de inhouten varieert uiteraard met de grootte van het jacht. Bij kleinere jachten zijn de liggers vaak ongeveer 7 cm dik; de hoogte is afhankelijk van het bodemprofiel. Spanten en oplangers zijn meestal circa 5,5 cm dik. Bij grotere jachten zijn de spanten evenredig zwaarder. De afstand hart op hart bedraagt vaak ongeveer 1 Amsterdamse voet, ruim 28 cm. De oplangers, verlengstukken van de eigenlijke spanten, steunen het (meestal) gedubbelde boeisel, dat afgedekt is met een potdeksel. Daar waar de zwaarden zijn opgehangen zijn de boeisels aan de binnenkant over een lengte van enige spantafstanden extra versterkt met een 4 tot 5 cm dikke klamp. In voor- en achterschip zijn de gangen, berghouten en boeisels van beide boorden door zware bandstukken met elkaar verbonden. Bovendien geven ter plaatse de bedelbalk en de hennebalk met het achterschot extra versteviging in het dwarsverband van de boegen.
Ongeveer ter plaatse van de grootste breedte, op circa 0,4 van de lengte van voren, is het zgn. zeilwerk ingebouwd. Dit dient als steunconstructie voor de mast en om de krachten die de wind op de zeilen uitoefent via de mast over te brengen op de romp van het schip. De onderdelen waaruit het zeilwerk bestaat zijn: Een viertal zware hoofdspanten, twee in beide zijden van het schip, die de doft of mastbank dragen, alsmede de mastkoker met zijn draagconstructie. Deze draagconstructie is niet bij alle jachten gelijk. Bij sommige is de ruimte tussen de voorste en de achterste zeilwerkspanten geheel opgevuld door een zware ligger, die in het midden even hoog is als de spanten. Bovendien is aan de voorkant tegen de voorste zeilwerk-spanten nog een zware ligger aangebracht. Op deze liggers en spanten rusten de mastkoker-wangen en zijn hierin verkeept (zie bijv. de tekeningen van het jacht "De Rode Leeuw"). Andere jachten hebben een mastspoor, dat midscheeps in de lengterichting wordt gedragen door de hoofdspanten en door een of meer liggers daarvoor en (of) daarachter. De koker-wangen vinden hun steun en zijn verkeept in dit mastspoor, dat in de liggers en hoofdspanten is ingelaten, zodanig dat een onwrikbaar geheel ontstaat (zie bijv. de tekeningen van het jacht "Dolphijn"). De noodzakelijke steun zowel in zijdelingse als in lengterichting van het schip vinden de kokerwangen (en daarmee de mast) doordat ze zijn ingelaten in een rechthoekige uitsparing aan de voorkant van de doft en hieraan zijn verbonden door middel van zware bouten. Alle Friese jachten hebben een strijkbare mast, waarvan het gewicht boven het draaipunt wordt gecompenseerd door (meestal loden) contragewichten bevestigd onder aan de voet. Voor de constructie van het draaipunt bestaan twee verschillende oplossingen. Bij vele jachten, met name bij die van Van der Zee, is dwars door de mast een vierkante ijzeren as aangebracht, waarvan de enkele centimeters uitstekende uiteinden rond zijn afgedraaid. Deze rusten in komvormige lagers boven op de kokerwangen. In gestreken toestand kan de mast dan gemakkelijk worden weggenomen. Bij een aantal jachten van Lantinga komt een iets andere constructie voor: De mast draait om een zware bout dwars door de kokerwangen. Deze bout wordt ondersteund door in de kokerwangen ingelaten vierkante ijzeren plaatjes, waarvan de zijden een hoek van 45 ° maken met de verticaal. Bij deze constructie worden de zijdelingse krachten, die bij het zeilen optreden, opgevangen door beide kokerwangen.
Het berghout is ingebouwd tussen de bovenste huidgang en de boeiselgang. Het heeft zijn grootste dikte ongeveer ter plaatse van de grootste breedte. Naar de stevens toe vermindert de dikte tot op bijna de helft. Ter weerszijden van de voorsteven bevinden zich bij de meeste jachten de soms fraai versierde kluisborden en beretanden. Deze ontbreken bij jachten, die vroeger in de eerste plaats een gebruiksfunctie hadden en waarbij daarom een luxe uitvoering werd vermeden. Een voorbeeld hiervan is het hiervoor afgebeelde jachtje "Aaltje". Voorbeelden van nog bestaande jachten zonder kluisborden en beretanden zijn: "Njord", "Nut en Nocht", "Hommel", "Reiddomp II" en "Waldfûgel".
De ruimte vóór de mast is als regel overdekt met een plecht. Grotere jachten hebben meestal een vast voordek, met over de uitwip een los luik voor de strijkbare mast. Bij de meeste jachten ligt het voordek laag, aansluitend bij het niveau van de mastbank. In het voorschip staat de bedelbalk boogvormig over het dek. Enkele jachten zijn ingericht voor een langer verblijf aan boord, met slaapkooien in het vooronder. De voorplecht kan dan schuin omhoog gezet worden, scharnierend in het voorschip, waardoor woonruimte ontstaat; de zijwanden zijn afgesloten met zeildoek. Deze inrichting bestaat nog bij de jachten "Neptunus", "Njord" en "Tsjibbe Gearts". Ook het jacht "Dolphijn" moet vroeger zo'n 'tent' hebben gehad. Een andere manier om meer ruimte in het vooronder te creëren is het dek hoger aan te brengen, bijna op het niveau van de bovenrand van het boeisel. Het dek loopt dan door tot achter de mastkoker, rustend op de eveneens hoger geplaatste mastbank, en is daar afgesloten met een waterlijst. De bedelbalk ontbreekt dan. Bij weer andere jachten is de ruimte in het voorschip afgedekt met losse luiken. Enkele kleinere schepen tenslotte hebben een geheel open voorkuip met losse zitbanken.
De inrichting van de kuip achter de mast is bij praktisch alle jachten gelijk. Langs de boorden bevinden zich van voor tot achter zitbanken, die tevens als bergruimte dienen. Deze kunnen meestal worden weggenomen, zodat het achterschip tussen doft en stuurbank geheel leeggeruimd kan worden. De vloeren zijn veelal van geverfd vurenhout. Achterin het schip bevindt zich de traditionele constructie met een dwars-geplaatste stuurbank en het achterhuisje met de hennebalk. Dit huisje is van boven afgedekt met het zgn. `skûtmakkersproefstik'. Een schuifluik in de stuurbank geeft toegang tot de eronder gelegen bergruimte.
De meeste jachten hebben een zgn. jachtenroer, smal van boven, onder water voorzien van een brede hak. De iets naar voren hellende bovenzijde is beklampt, zodat een dikke kop ontstaat. De ijzeren helmstok steekt door een vierkant gat in de kop en is aan de achterzijde geborgd. Een aantal jachten heeft een breed tjotterroer, waarbij de houten helmstok over de van boven rond afgewerkte klik heen valt. Het is opmerkelijk, dat dit voorkomt bij die jachten die vroeger als bedrijfsvaartuig hebben dienst gedaan, nl. bij "Nut en Nocht", "Njord" en "Reiddomp II". Echter ook de jachten "Bestevaer", "Sylnocht" en "Waldfûgel", die van den beginne af als plezierjacht waren bedoeld, hebben een dergelijk breed roer.
De zijzwaarden van Friese jachten zijn aan de buitenkant meestal vlak en aan de binnenkant enigszins bol. De verhouding van hoogte tot grootste breedte verschilt van jacht tot jacht nogal: de uitersten die wij aantroffen bedroegen 1,75 en 1,40. Bij een aantal schepen bestaat de mogelijkheid om, ter verbetering van de trim, de draaipunten van de zwaarden in lengterichting te verplaatsen, hetzij doordat voor de zwaardbout een aantal gaten door het boeisel aanwezig zijn, hetzij doordat de zwaardbout is voorzien van een oog, dat langsscheeps versteld kan worden langs een aan de buitenkant van het boeisel bevestigde as.

Tuigage

Een Fries jacht is, zoals alle ronde jachten, getuigd met een bezaantuig, met de volgende typische kenmerken:

  • Grootzeil en fok zijn vervaardigd uit vertikale banen.
  • Het grootzeil heeft
    • een gebogen gaffel
    • een rondgesneden losse broek
    • is door middel van rakbanden met kralen aan de mast bevestigd.

De meeste van de hier beschreven bijzonderheden zijn af te lezen in het hierbij afgebeelde zeilplan van het jacht "De Rode Leeuw".

Zeilplan van een Fries jacht, schaal 1 : 50
Zeilplan van een Fries jacht, schaal 1 : 50

De zeilen worden gedragen door een meestal vrijstaande mast, hoewel ook enkele Friese jachten uit veiligheidsoverwegingen zijstagen voeren. De fok is gehalsd op een ijzeren botteloef, aan welks uiteinde de voorstag is bevestigd. Tijdens wedstrijden werd vroeger veel gebruik gemaakt van bijzondere zeilen, zoals bijvoorbeeld een kluiver. Op ruime en voordewindse rakken zette men dan een halfwinder of jager bij, een driehoekig bol zeil van licht doek. Dit werd bij ruime wind gehalsd aan de nok van de kluiverboom; voor de wind werd het dwars uitgeboomd met de zgn. jagerspier.
De mastvoet draagt een contragewicht, waar-door de mast is uitgebalanceerd en strijken en zetten heel eenvoudig mogelijk is. De top van de mast boven de zeskantige hommer draagt twee hanepoten, de bovenste voor het kraan-lijnblok, de onderste voor het blok van het grootzeilval, of - als het grootzeil met twee vallen gehesen wordt - van het piekeval. Op de hommer rust een mastring. Aan het voorste oog hiervan is een blok opgehangen, waardoorheen de voorstag gevoerd is, het achterste oog draagt (eventueel) het klauwvalblok. Bovenop de top bevindt zich het vleugelhekje met de rode vleugel.
Bij de meeste jachten heeft de fok een oppervlakte, die iets groter is dan de helft van het grootzeil. Aan de hijs bevindt zich soms een smeedijzeren gaffeltje, ook wel kopbeugel genaamd, van circa 10 cm lengte, dat de lijken gespreid houdt en door zijn gewicht snel strijken helpt bevorderen. De zeilen kunnen verkleind worden door middel van bindreven; met een smeerreep kan dan de nieuwe schoothoek tegen de giek getrokken worden. Vaak is een aparte stormfok aanwezig. Het trimmen van het groot-zeil geschiedt voornamelijk met behulp van de halstalie. De grootzeilschoot is geschoren door twee zware tweeschijfsblokken met buitenbeslag. Het bovenste blok is bevestigd ongeveer halverwege de giek; het hakblok heeft soms een korvijnagel, waarop de schoot belegd kan worden. De fokkeschoten zijn dubbel geschoren.
Aan de schoothoek van de fok bevindt zich vaak het voor ronde jachten karakteristieke dubbel fokkeschootsblok. Vallen en andere lijnen worden op of nabij de knecht belegd op korvijnagels en een aantal halve en hele klampen tegen de mastkoker.

Versieringen en afwerking

Vanouds is het gebruikelijk geweest zeilschepen te versieren met houtsnijwerk en kleurig verfwerk. In de zeventiende eeuw nam deze ver-sierkunst overdadige vormen aan, vooral bij zeegaande handels- en oorlogsschepen. Als teken van welstand van de eigenaar bleef deze gewoonte bij pleziervaartuigen, zij het op betrekkelijk bescheiden schaal, in zwang tot het einde van de negentiende eeuw. De door Eeltje Holtrop van der Zee gebouwde boeiers, jachten en `fjouweracht'-tjotters zijn alle, zowel inwendig op bedel- en hennebalk, als uitwendig op boeisels, kluisborden en beretanden met zeer fraai uitgevoerd houtsnijwerk versierd. Bovendien zijn verschillende onderdelen van het schip, zoals de bovenkanten van de bedelbalk en de hennebalk, de achterkant van het roer en de koppen van de zijzwaarden met geel bladkoper beslagen.
Met de popularisering van de watersport, die omstreeks 1900 inzette, verloor het zeiljacht zijn functie van statussymbool, zodat de behoefte aan opvallende pronk verdween. Wij zien dan ook, dat het scherpe jacht, dat vanaf die tijd zijn opmars begon, praktisch geheel verstoken is van `nutteloze' versieringen. Zoals reeds eerder geconstateerd, leidde de toenemende vraag naar pleziervaartuigen tot een, zij het kortstondige, opleving van de bouw van houten ronde jachten. Vooral de werf van Lantinga kon door goedkoper te bouwen nog enige tijd van deze opleving profiteren. Uit een oogpunt van kostenbesparing werd het kostbare houtsnijwerk bijna volledig achterwege gelaten. Zo er heden Friese jachten van Lantinga rondvaren voorzien van houtsnijwerk, dan is dat voor het merendeel later aangebracht, zoals wij bij de beschrijving van de betreffende jachten zullen vaststellen. De enkele jachten die aan de werven van Brandsma (Franeker, resp. Rohel) worden toegeschreven, vertonen nog wel fraai oorspronkelijk houtsnijwerk; het is echter bij de bouw van in totaal slechts vier kleinere jachten gebleven.
De toepassing van kleur bij schepen dient om een overigens effen geverfde of blank gelakte romp te verlevendigen, het verloop van lijnen te accentueren en bijzondere onderdelen te doen uitkomen. Bij ronde jachten is de toepassing van kleur zeer sterk door traditie bepaald. Er heeft zich een bepaald kleurenschema uitgekristalliseerd; afwijkingen hiervan leiden, naar ervaring leert, tot onbevredigende resultaten. Het hier besproken schema vindt men, op kleine variaties na, bij alle Friese jachten terug.
Het bovenste gedeelte van het boeisel, het berghout, de verdikte koppen van de zwaarden en de kop van het smalle roer zijn zwart geverfd in contrast met de blank gelakte romp. Witte biezen begrenzen de zwarte vlakken en accentueren daardoor de zeeg. Ter verlevendiging van het zwarte gedeelte van het boeisel zijn hier twee, soms drie, biezen ingeschaafd, die meestal helder groen zijn geverfd, soms wit, een enkele keer rood. De koppen van de spanten (oplangers) zijn vaak wit, aan de bovenkant afgewerkt met een rood vlakje. Het binnenboeisel is soms blank gelakt, maar meestal blauw geverfd; de versterkingsklamp ter hoogte van de zwaardophanging is soms groen, met een rode bovenrand. De stuurbank en het voorschot van het achterhuisje zijn meestal blank gelakt, soms wit gemarmerd. Een vast voordek is altijd blank gelakt met zwart geverfde persennings (voor zover een dergelijke afdichting nog voorkomt). Als het voordek uit wegneembare losse delen bestaat, zijn deze soms grijs geverfd. In de kuip zijn de langsbanken blank gelakt, de buikdenning heeft vaak een gedekte kleur, grijs of ossebloed. De top van de mast wordt meestal zwart geverfd, soms wit. Het ijzerwerk van botteloef en helmstok werd vroeger blank geschuurd, tegenwoordig gebruikt men meestal aluminium verf.
Houtsnijwerk, voor zover aanwezig, is meestal verhoogd met bladgoud op een witte of zwarte ondergrond. In plaats van bladgoud wordt ook wel kleur gebruikt. In het bijzonder op kluisborden en beretanden zijn vaak fraaie kleurcombinaties toegepast. Een smal roer wordt meestal bekroond met een vergulde leeuw of een ander toepasselijk dier, soms verband houdende met de naam van het jacht. De klik van een breed roer is vaak versierd met een uitgesneden vogel, de kop neerwaarts gebogen, met in zijn snavel een bladertakje; mogelijk een verwijzing naar de duif die Noach na de zondvloed de olijftak brengt.
Tenslotte, het is al terloops vermeld, treffen wij bij vele jachten koperbeslag aan op de bovenkanten van de bedelbalk en de hennebalk, de achterkant van het roer en op de koppen van de zwaarden, soms ook op delen van het potdeksel. Op de zwaardkoppen bevindt zich rondom de zwaardbout vaak een veelpuntige koperen ster. Bij verschillende jachten zijn de scepters van (gegoten) geelkoper.

Meer informatie in de Stichtingsmonografieën

Tussen 1977 en 1990 verscheen een reeks artikelen die gebundeld werden in twee ringbanden, in totaal 465 's tekst + illustraties, de z.g. Stichtingsmonografieën. Ze werden aan de toenmalige donateurs toegezonden maar zijn verder niet in de boekhandel verkrijgbaar.

16 271 - 281 Beschrijving van de Nut en Nocht
17 284 - 302 De scheepswerf Lantinga te IJlst
18 303 - 309  Ronde jachten van Visser - Paterswolde
19 310 - 315   Het Friese jacht 'Argo’
22 333 - 344   De geschiedenis van de visaak 'Dolphijn’
23 345 - 354  Beschrijving van lijnenplan, constructie en inrichting van de visaak 'Dolphijn’
29 423 - 450   Het Friese jacht 'Mercurius’
30 451 - 453 Eeltje Holtrop van der Zee en zijn familie
31 454 - 465     Kenmerken van de Friese Jachten gebouwd door Jan Visser - Paterswolde

Literatuur