Hoogaars

In ons standaardwerk 'Ronde en Platbodemjachten' van Mr. Dr. T. Huitema staat het volgende geschreven:

Het meest bekende vissersvaartuig van Zeeland is ongetwijfeld de hoogaars. vroeger ook wel "Hoogaarts" of Hoogaerts" genoemd. Hoe oud dit scheepstype mag zijn is niet uitgemaakt. De naam hoogaars of hoogaerts of hoogeers komt reeds voor in de zestiende eeuw. Hiermede werd echter geen vissersvaartuig aangeduid, maar wel een vrachtschip van de Bovenmaas, het zogenaamde Overland. Deze hoogaars was een open vrachtschip met een laadvermogen van circa zeshonderd zak ken zout en twee it drie last (last = ongeveer twee ton) andere goederen.

Het waren lichtgebouwde schepen zonder dek en met geringe diepgang waarmede de vaart op de woelige, waterarme bovenloop van de Maas onder alle omstandigheden mogelijk was.Het is mogelijk dat toen reeds een vissersvaartuig van het hoogaarstype bestond, maar een overtuigend bewijs is hiervoor niet over te leggen. Wel staat op een anonieme prent van 1515 "Antverpia Mercatorium Emporium"" een overnaads gebouwd vissersvaartuig afgebeeld, met rechte overhangende steven en schuine achtersteven, met een roef in het achterschip en getuigd met een sprietzeil. Het blijft echter een loutere veronderstelling, dat dit misschien een voorvader van de latere hoogaars of hengst kan geweest zijn.

Een andere aanwijzing geeft een bodemvondst in Zeeland, waarbij een oud, doch niet juist te dateren overnaads gebouwd, platboomd vissersvaartuig aan het licht kwam. En welk soort schepen zouden de door Smallegange genoemde mosselscheepjes geweest zijn. In rekeningen uit 1655 die werden bijgehouden in verband met de dijkwerken in de Koningspolder te Kieldrecht (België) worden herhaalde malen hoogaarsen genoemd. Dit is eveneens het geval in de afrekeningen van de penningmeester van de Alblasserwaard waaruit blijkt dat talrijke hoogaarsen werden gebruikt voor het vervoeren van materiaal voor de dijkwerken.

Benamingen

De hoogaars was bekend onder verschillende benamingen. Zo spreekt men van de reeds genoemde Kinderdijkse hoogaars, een Arnemuidense hoogaars of een Arnemuidenaar, een Oostduivelander of platte Duivelander, waarmee men doorgaans de hoogaars van Bruinisse bedoelt en de Tholense hoogaars. Het is een algemeen verspreide mening dat de geografische bepaling die aan de soortnaam vooraf gaat wel bepaalde kenmerken dekt, maar dit is slechts ten dele waar. Zo kan tussen een zogenaamde Tholense hoogaars en een Oostduivelander geen enkel onderscheid bestaan om de eenvoudige reden, dat ze van een zelfde werf komen en volgens hetzelfde bestek gemaakt werden. Aan de andere kant kunnen er merkelijke verschillen bestaan tussen twee zogenaamde Tholense hoogaarsen, omdat bijvoorbeeld de ene gebouwd is in Tholen zelf en de tweede op een andere werf of om de simpele reden dat de opdrachtgever bepaalde wensen ten aanzien van de uitvoering had

De geografische aanduiding doet dus weinig ter zake als men de werf niet kent. Hieruit vloeit dus voort, dat feitelijk de bouwplaats van belang is voor de typering van de soorten, wat overigens voor alle schepen het geval is. En dan nog zal men onderlinge verschillen bij schepen van een zelfde werf aantreffen, die onder meer ontstaan door de verschillende eisen van de onderscheiden opdrachtgevers. In het algemeen mag echter aangenomen worden, dat schepen van een zelfde werf hetzelfde 'aangezicht' hebben. Dit is zo waar, dat insiders reeds op grote afstand kunnen zeggen dat dit schip van die werf komt, laat er dan nog bijvoorbeeld Arnemuiden (ARM) of Bergen op Zoom (BZ) op staan. Dit neemt niet weg, dat de bepaling 'Tholense', 'Arnemuidense' enzovoort wel degelijk een specifiek karakter aanduidt, vooropgezet, dat de betreffende schepen dan ook respectievelijk in Tholen, Arnemuiden enzovoort gebouwd zijn.

Kenmerken

In het algemeen hebben de hoogaarsen gemeenschappelijke kenmerken die men met kleine nuances op ieder type terugvindt. Het vlak van de hoogaars is druppelvormig met de ronde kant naar voor. Deze ronde kant is bij de grote hoogaars vrij bot, bij de kleinere types scherper. De aanzet van de kimlijn tegen de voorsteven is bij de grote hoogaars vrijwel haaks en het vlak heeft op die plaats reeds een grote breedte. De boegen buigen in een korte bocht naar achter toe en het vlak bereikt ter hoogte van de mastbank zijn grootste breedte. Naar achteren toe versmalt het in een flauwe bocht en bereikt tegen de achtersteven een breedte die met deze laatste gelijk is. In de langsdoorsnede bestaat heel wat variatie. Bepaalde soorten hebben een geheel recht vlak, dat slechts opgebrand is aan de achterkant (Zeeuws- Vlaamse hoogaarsen). Onder het opgebrande deel wordt een lange scheg geplaatst. Andere schepen hebben een opgebrand vlak in voor- en achterschip, waarbij het diepste punt nabij de mastbank valt (Arnemuidense hoogaars). Een derde variatie is het lichtjes opbranden van het vlak in voor- en achterschip (Tholense hoogaars).

Ten slotte is er nog een bouwwijze van jongere datum, waarbij het vlak en het boord nogal ingrijpende veranderingen ondergaan hebben, namelijk het rond bouwen van het achterschip, waardoor de zogenaamde Lemsterhoogaars ontstaan is. Hierbij wordt het vlak in het achterschip voorzien van een scheg, waartegen het vlak en de boorden geplaatst werden, zoals bij een rond schip. Men spreekt hier dan van een 'ronde konte', een 'Lemmergat', of een 'boeiergat' en de schepen worden ook nog als 'rondgatters' aangeduid.
Deze ronde bouwwijze werd ook toegepast in het voorschip, waar het vlak en de boorden ook rond gebouwd werden. Dit soort hoogaarsen is gekend onder de benaming 'jachtboot'. Zowel de Lemsterhoogaars als de jachtboot werden overnaads, doch ook gladboordig beplankt.

Tuigage

Het verhaal gaat dat de oude vissers die nog leven, vaak niets meer met die schepen te maken willen hebben, want ze herinneren aan armoe, angst en kou. In 1924 vergingen er bij een storm voor Westkapelle vier hoogaarzen en vijftien vissers uit Arnemuiden verdrinken daarbij. De schepen hadden een spriettuig. Het zeil werd natuurlijk opgedoekt toen de mannen die storm zagen naderen, het grootzeil werd op de spriet gebonden. Maar dan heb je nog steeds veel gewicht en veel windvang hoog aan de mast. Daarom zijn de vissers na die ramp allemaal op gaffeltuig overgestapt. Tegenwoordig noemen we dat innovatie.

Klassieke en Jachthoogaarsen

De klassieke hoogaars is steeds overnaads beplankt en wel met drie boorden: kimboord, middelboord, bovenboord. Hierbij moet ook nog als vierde boord een boeisel gerekend worden. Gladboordige hoogaarsen werden ook aangeduid als 'jachthoogaars'. De wijze van beplanking heeft wel enig verschil in bouwwijze als gevolg. Zo is bij een overnaadse hoogaars steeds een dol boom tegen de binnenbovenzijde van het bovenboord aangebracht over de ganse omtrek van het schip en wel om voldoende nageling te hebben voar het boeisel. Het berghout wordt bovenop het boeisel gelegd.
Bij een gladboordige hoogaars wordt geen dolboom gebruikt en wordt het berghout rechtstreeks op de spanten vastgemaakt, zoals bij de meeste andere schepen gebruikelijk is. Het verloop van de beplanking van een hoogaars vertoont enkele eigenaardigheden. De kimplank, die midscheeps tegen het vlak ligt, buigt in de boegen naar boven en raakt de voorsteven een heel eind boven het vlak. Hierdoor wordt een driehoekige opening gevormd: steven, kim en kimboord. Deze ruimte noemt men 'soldatengang' en zij wordt gladboordig beplankt.

In het achterschip doet zich hetzelfde voor op kleinere schaal. De eigenaardigheid zit hier in de vorm en de beplanking van het achterschip. Van achter bekeken heeft het berghout, en dus de onderzijde van het boeisel een uitgesproken liggende s-vorm, bij het ene type al meer geprononceerd dan bij het andere. Het bovenboord moet deze s-vorm volgen en is daarom op die plaats aanzienlijk breder gesneden.

Het boeisel kenmerkt zich door de puntige vorm in het voorschip, die snel verbreedt en ter hoogte van de mast bank zijn grootste breedte bereikt om dan weer stilaan te versmallen tot aan de reeds genoemde s-vorm die in de boegen een aanvang neemt.

De vorm van het grootspant van een hoogaars is vrij eenvoudig. De lijn kim-berghout maakt met het vlak een stompe hoek en verloopt doorgaans recht, alhoewel bij sommige schepen deze lijn ook licht gebogen (bol) is. De lijn berghout-bovenkant boeisel is recht maar helt sterk naar binnen. De vorm van dit spant verloopt echter in voor- en achterschip, zoals op tekeningen kan worden nagegaan. Men merkt hierbij op dat de span ten in het achterschip lichtjes gepiekt zijn, waardoor een holle spantvorm verkregen wordt. Naar boven toe waaiert het geheel open, zodat ruime breedte op het berghout verkregen wordt. Dit brede achterschip biedt plaats aan een stuurkuip. In de boegen buigt de omtreklijn kort naar de stevens toe en in plan gezien valt het boeisel en het berghout bijna haaks tegen de achtersteven.

Een schoonheidsfout, die men bij sommige hoogaarsen kan opmerken, wordt soms veroorzaakt door het verloop van het berghout, dus onderkant boeisel, in het voorschip. Hier behoort deze lijn een doorlopende bocht naar boven te nemen, en niet een neiging om terug naar beneden te buigen. Men zegt dan dat zo'n hoogaars 'druppelt'.


 

Spiegel der Zeilvaart april 1986 nummer 3 - De Hoogaars: Liefde op het eerste gezicht

Voor die heel erg grote haven van Drimmelen - nu - bestonden toen nog maar nauwelijks de plannen. Op die bewuste avond lag daar in dat kleine gezellige haventje een voor ons totaal onbekend schip, een hoogaars, te koop. En voor hoogaarzen hadden wij grote genegenheid zonder dat we ooit hebben kunnen vaststellen waarop die sympathie nu eigenlijk steunde, want wij hadden nog nooit één stap op het dek van zo'n schip gezet. Om kort te gaan, diezelfde zondagavond was de koop gesloten. En nu, na bijna 28 jaar, is diezelfde 'Turc' op haar ruim zestigjarige leeftijd nog steeds een "kostbaar" troetelkind. Een bijzonderheid is wel, dat zij nog steeds haar tweede eigenaar heeft. 
Op een gegeven moment komt er dan een punt, dat je álles van Zeeuwse schepen wilt weten. Dan blijkt er maar één man te zijn, die álles weet: J. van Beylen, de nu gepensioneerde conservator van het scheepvaartmuseum "Het Steen" in Antwerpen. Hij publiceerde en vertelde erg veel over schepen van de Schelde. Een van zijn boeken heeft als titel: "De Hoogaars". Van Beylen heeft ook erg veel verzameld en bewaard, wat stellig anders al verloren zou zijn. 

SdZ 1986 nr03 april - De Hoogaars: Liefde op het eerste gezicht met de aanvulling van Jules van Beylen

De oudste ijzeren Hoogaars (SdZ nr 5)

Jules van Beylen heeft dit artikel in de Spiegel der Zeilvaart twee nummers (nr 5) later aangevuld met meer informatie over de YE46 'La Gaffe'. De Hoogaars heeft een aantal jaren in Almere gelegen bij scheepswerf Sondij, om als voorbeeld te dienen voor een serie Hoogaarzen, die door Sondij zijn gebouwd rond 1980. Oud-visserman Glerum wist te vertellen dat de YE46 de eerste ijzeren Hoogaars was, die ooit gebouwd werd. Dit schip heette dan ook "den ierste ieseren". Dit schip is in 1886 gebouwd in Alkmaar of door de Gebroeders Paans te Moerdijk.

Reactie van de eigenaar van de Yerseke 46: 'Den Iersten lesere' in SdZ nr 8 1986

Met belangstelling heb ik in de SdZ Nr 3 1986 het artikel over de Hoogaars gelezen. Als eigenaar van de YE46 bericht ik U het volgende:

De ijzeren hoogaars YE46 is over een afstand van ca. 500 kilometer door de verschillende kanalen naar Lohnde in de omgeving van Hannover gebracht. Daar zal het schip door mijzelf in een periode van ca. 2 jaar geheel gerenoveerd worden. Zowel de huid als de bodem moeten vernieuwd worden. Onder de naam "Den lesere van Jan de Rooy" zal deze hoogaars straks ligplaats krijgen in de museumhaven van Bremerhaven en van daaruit onder zeil gaan. Het schip is in 1896 naar alle waarschijnlijkheid in Alkmaar gebouwd. De thuishaven was Ierseke. In het schip bevindt zich nog een Belgisch ijkmerk No. BR 1219 B uit Brussel, gedateerd 15-2-1909. Het ijknummer is er nu uitgehaald, omdat dat stuk plaat vernieuwd moest worden. De eerste eigenaar was Jan de Rooy. Hij heeft de ijkbrief mede ondertekend. Met de vorige eigenaars: Jan van der Ree en Roland d'Ieteren, de zoon van Pierre d'Ieteren heb ik reeds contact opgenomen. Ik ben er zeer in geïnteresseerd meer over de YE46, vroeger 'Zeehond', daarvoor 'La Gaffe' te vernemen en ben uiteraard ook geïnteresseerd in foto's en andere documenten. Mij is er veel aan gelegen de YE46 als fraai voorbeeld van Hollandse scheepsbouwkunst te behouden en in originele staat te herstellen, zowel wat betreft de romp, als de tuigage en ook zo veel als mogelijk wat de inrichting aangaat. Wanneer er lezers zijn die meer van de 'YE46 - Zeehond - La Gaffe' weten, of over documentatie beschikken, verzoek ik hen vriendelijk mij daarvan in kennis te stellen.
Jürgen Prasse Berlinerstrasse 8 D-3008 Garbsen (D).

Naschrift: B. van Gils: De in het Duits gestelde brief van Jürgen Prasse heb ik ten behoeve van de lezers in het Nederlands vertaald. Ik wil er nog aan toevoegen, dat wij, in de periode toen wij de 'Turc' pas in bezit hadden, zo rond 1960 meerdere malen met de 'La Gaffe' hebben opgevaren. Nadat hel schip in het Thoolse Gat bij een zware storm op een zaterdagavond is omgeslagen, heb ik haar nog jaren op de helling van de werf in Veere zien liggen. Daarna was het schip nergens meer te vinden, totdat wij haar in Almere de Vaart bij de werf Sondy hebben teruggevonden. Achterop het boeistel stond nog, weliswaar overgeschilderd maar goed leesbaar Uitwellingerga. Dat doet vermoeden, dat het schip daar in Friesland in de buurt van Sneek geruime tijd is geweest. Maar de levensloop van de YE46 tussen Veere en Almere heb ik nog niet kunnen reconstrueren. Na Jan de Rooy (er waren meer Jannen de Rooy, daardoor ontstaat op dit punt nogal eens verwarring) deze met de bijnaam de Roeter heeft Cornelis de Rooy het schip in bezit gehad. Op 15 november 1921 is zij naar België verkocht en droeg toen de naam 'Christina'. De mededeling van de heer J. van Beylen, dat zij op een werf in A lkmaar is gebouwd intrigeert heel erg. Een Zeeuws schip in 1898 in Noord-Holland gebouwd. Dat roept vraagtekens op! De schepen die door de werf Sondy volgens het lijnenplan van de YE46 zijn gebouwd, zijn (alle met een lengte van ca. 13.40 meter):

​In Zierikzee wordt verteld dal de YE46 ook nog heeft gevaren onder het registratienummer YE91. Daar in Ierseke is zo'n ijzeren hoogaars rond de eeuwwisseling stellig een zeer vreemde eend in de bijt geweest. Dal blijkt wel uit het feit dat ze toen al "Den Iersten lesere" werd genoemd. Rond die tijd 1902/1903 is de YE38 gebouwd en dat moet dan de tweede "Iesere" hoogaars zijn geweest, 14.81 m lang en 4.80 m breed, nu nog varend als 'Maaike II' met als thuishaven Veere. De eerste eigenaar van dit schip was ook Jan de Rooy, maar een andere. Merkwaardig is dat er dan geen ijzeren of stalen hoogaars meer wordt gebouwd tot 1925. In dat jaar werd de 'Turc' op de werf Cesar van Damme in Baasrode aan de Schelde in België meteen als jacht gebouwd in opdracht van E. Crahay te Antwerpen (zie S.d.Z. No 3 1986).
Bernard van van Gils, Tholen


 

Vervolg Hoogaarzen: Reactie van D.W. Postma uit Heiloo

Het artikel dat ik op verzoek van Thedo Fruithof over hoogaarzen heb geschreven en dat in No. 3 1986 in de SdZ is verschenen, heeft tegen mijn verwachting een groot aantal zeer plezierige reacties opgeleverd. De meest waardevolle kwam, in prachtig handschrift, van de 82-jarige D.W. Postma uit Heiloo:

Geachte Heer Van Gils,
Met zeer veel nostalgisch genoegen uw artikel over de hoogaars gelezen in SdZ nr. 3. Wat zal ik zeeziek geweest zijn, als ik als jongen van 8-9 jr. mee mocht te vissen. Ik logeerde bij mijn grootouders in Breskens en ik heb er ook nog vier maanden gewoond toen mijn moeder ziek was. Maar als je dan 's nachts uit bed gehaald werd, kreeg je geen boterham. "Die krijgje aan boord wel," maar aan boord was het: "Ja, zo meteen, als we de haven uit zijn." Maar dan hoefde het al niet meer. Een week daarna deden mijn ribben nog zeer. Ook ben ik eens mee geweest op zeehondenjacht, de Schelde op, met enige notabelen van het dorp. Ik geloof niet dat er een schot gelost is. We liepen vast op een zandbank in 't zicht van de haven en ik duvelde over boord. Een oom van me kreeg me nog te pakken. Ik spreek van de jaren '13-'14. Ik ben van 1904. Toen stond er nog een premie van f 2,50 op een zeehond. Toen zag je ze nog volop en b.v. tuimelaars. Ik woonde toen in Westkapelle en zat ook altijd aan de dijk en daar zag je ook geregeld die tuimelaars. Mooi! Eén ding mis ik in uw artikel en ook in SdZ nr. 3. Het verschil in tuigage. In Breskens hadden ze allemaal een gaffeltuig en in Arnemuiden een spriettuig. Als kinderen spraken we altijd een beetje geringschattend over de Arnemuiers. Met de Pinkster had ik een nicht op bezoek, ook een vissersdochter uit Breskens en waar praatje dan over hé. Ik liet haar uw artikel zien met de foto van de hoogaarzenrace. "O," zei ze, "maar da zien Aernemuienaars é. Weet je wel dat die altijd zo gemakkelijk omsloegen en dan verdronken ze é." Nog dat geringschattende. Het zullen nog wel kinderverhalen geweest zijn, denk ik. Ik weet wel, zo'n spriettuig vonden we zo kinderachtig. Een echt schip had een giek en een gaffel. Wat konden ze je pesten als je zeeziek was, dan moest je bij de kokende garnalenpot komen ruiken, daar knapte je dan van op. Of, "Oh, jongens daar komt een grote stoomboot over ons heen." "O, was ik maar dood." Daarna kwamen de motoren erin en daarna weer de houten kotters en nu de grote 'kotters. SdZ nr. 6 is ook prachtig. Ik heb een goede kennis, Mr. Gerard van Duivendijk. oud-kantonrechter, opgebeld en gezegd. "Ik heb hier een heel familieregister van je." Hij is meen ik van de Lekerkerkse kant. Die verwacht ik dus ieder ogenblik. Ik vind SdZ een fantastisch blad. Hier en daar wel eens al te technisch voor een volslagen leek, want dat ben ik, al heb ik nogal eens wat gerotzooid aan en op 't water. Zowel vloeibaar als in gestolde vorm. Zo wordt er geschreven over ronde kimmen. Nooit van gehoord, wel van kimkielen. Dat was het dan. Nogmaals mijn hartelijke dank.
D.W. Postrna, Heiloo

Naschrift. Dank voor uw reaktie die we van u mochten plaatsen. Ronde kimmen horen bij tjalken. In tegenstelling tot de knik zoals die bij b.v. botters tussen vlak en huid voorkomt. 


 

Een Hoogaars is een Hoogaars, is een Hoogaars, of toch niet .....?

In de gezamenlijk uitgave CONSENT nr. 28 van de Stichting Behoud Hoogaars, Tolerant vzw en Stichting Museumhaven Zeeland uitgegeven in het voorjaar 2012 is een artikel geplaatst over het onderscheid tussen de diverse Hoogaarstypen:

Het onderscheid tussen de diverse hoogaarstypen is nog altijd omstreden. Diverse auteurs en deskundigen benoemen de Oost-Duivelander, de Kinderdijkse, Arnemuidsche, en Thoolse hoogaarzen. Maar ze wagen zich doorgaans niet aan de definitie van wat de verschillen precies zijn. Ze komen niet verder dan subjectieve beschrijvingen als een stoerder uiterlijk, meer of minder zeeg, rand vlak en wat aanpassingen hier en daar naar gelang de ideeen van de werfbaas en de schipper.
De vraag is: zijn die verschillen ook meetbaar en kunnen we ze benoemen?

Lees daarover het verhaal van Peter Hamer.

Consent voorjaar-2012 nr28: Een Hoogaars - is een Hoogaars is een Hoogaars of toch niet .....?

Historische werf Meerman weer in gebruik

Zie ook het verhaal van de Historische werf Meerman.

Terug naar vorige pagina