Punter

De Giethoornse punter - van oudsher in Giethoorn en omliggende binnenwateren in groten getale gebruikt - heeft een lengte over de stevens van 6.30 meter en een breedte van 1.45 meter. Het vlak meet 5.10 bij 1 meter en heeft een 'stapeling' van 13 cm. De boeisels zijn 12 cm hoog en vallen nauwelijks naar binnen; dit om de laadruimte van het schip zoveel mogelijk te benutten. Met het oog hierop is de mastdoft nogal voorlijk geplaatst.

De voorlijke positie van de mastdoft brengt met zich mee dat een Giethoornse punter geen fok voert, alleen een sprietzeil zonder giek, bevestigd aan een steekmast. Het zeil is opgehangen aan een om de mast draaiend hoepeltje. De Beulakermeerpunter is een wat stoerdere Gieterse punter in jachtuitvoering.

Voor echt ruw water is de Giethoornse punter wegens zijn lage boeisel ongeschikt. Dit bezwaar is er niet bij de Overijsselse punter, in de wandeling 'zeepunter' genoemd.

Definitie in het boek "Gieters gevaer van botje tot bok - Sporen van een puntercultuur" van Niek van den Sigtenhorst

Vaak werden punters naar hun functie aangeduid: termen als zegenpunter, kaarpunter en dekenpunter duiken herhaaldelijk op in werfboeken, maar ook waren zij bij vissers veel gebruikelijker dan de hoofdstukaanduidingen (van BOTIE t/m BOK) in dit geschrift. Met het puntertype als zodanig hebben deze vetgedrukte termen weinig van doen. Vooral ten tijde van de recreatiepuntermakerij zijn functiebenamingen wat uit de mode geraakt en deden typebenamingen hun intrede. Wie met punters zijn brood verdiende maakte zich over het puntertype niet druk. Wellicht zelfs was hij zich daarvan totaal niet bewust, al wist hij precies aan welke eisen zijn vaartuig moest voldoen. De Huismannen gaven die details vaak summier weer: vlak een duim breder dan gewoon; boeisel net zo hoog als van die en die, enz. Ieder die zich theoretisch met punters bezig houdt dient zich voortdurend van deze mogelijkheden tot begripsverwarring bewust te zijn: historische punteristiek is een serieuze en delicate tak van wetenschap. Voorts zij in dit kader verwezen naar een opmerking in § 20.2 naar aanleiding van tekeningen door M. Kaak (1988) van boerenschuiten bij St.-Omer.
Punters werden dus vóór de recreatieperiode naar functie aangeduid. In onderhavig verhaal is echter de moderne type-aanduiding steeds uitgangspunt naar het verleden geweest. Dat gebeurde uit overwegingen van gemakzucht: huidige bekende typen leven nu eenmaal meer dan de minipunter van Jan Spikkers in 1807, en uitgaan van het bekende is een beproefd middel tot kennisvergaring. Er is anderzijds veel voor te zeggen alvast enige uitdrukkingen uit een nog recentelijk verleden te verklaren, temeer daar die in lijsten, ontleend aan werfboeken, regelmatig boven water komen.
Vissers hadden een hekel aan natte voeten, maar vis moest zo lang mogelijk zwemmen. Daartoe was een bun het geëigende middel. Een bun (in Giethoorn spreekt men ook van bon) was een waterbak in de punter om vis levend te houden. Die bak werd gevormd door het vlak, door ter plaatse van gaatjes voorziene zijden, en door twee dwarsschotten (er bestonden overigens ook losse drijvende bunnen). De bun bevond zich op het laagste gedeelte van het immers gestapelde vlak. Met een vast deksel of deken werd de bun afgesloten. Omdat de bun naar boven toe niet al te ver boven de waterlijn uitstak was, door gewicht van bemanning en netten en eventuele slagzij, het risico van lekkage van onder de deken en dus van vollopen van de droge delen groot. Tegelijkertijd moest de bun van boven toegankelijk blijven. Al dit ongerief werd verholpen door een trog boven een opening in de deken te plaatsen. Die trog had een afneembaar deksel of bedekking met losse plankjes.
Een kaar was een hogere bun, waarbij de kaarschotten reikten tot de overgang van zijde naar boeisel of zelfs tot halverwege de boeiselhoogte. Een kaar had geen vaste deken, maar een los kaardeksel. Soms werd ook daarbovenop nog een laag trogje, het mondje op het kaar, bevestigd. Kleinere visserijpunters, bijvoorbeeld van Gieters en Kamper model (Kamper punters waren 7-spanters en dus vrij kort) hadden het kaar nogal voorin, tot bijna tegen de achterkant van de doft. Kamper punters bezaten soms niet eens een doft. Mast en mastspoor stonden dan direct tegen het voorschot van het kaar. In dit geval vormden kaardeksel, doft en roeibank één multifunctioneel geheel. De voorlijke plaatsing van het kaar gaf bij kortere punters de vissers toch enige ruimte achterin.

Geen punter was en is aan de andere gelijk. Klandizie en puntermaker bepalen de uiteindelijke vorm. Bovendien kunnen thans Gieterse punters van Wildeboer en Schreur van elkaar worden onderscheiden. Maar in het algemeen kan wat duidelijker onderscheid worden gemaakt tussen punters uit Giethoorn en uit Kalenberg, of misschien liever: bestemd voor Kalenberg. De Gieterse punter is al lang de meest vermaarde Nederlandse tweepunter, getuige Bos (1904, p. 58, hiervoor geciteerd; eens waren punters aardrijkskundig onderwerp, zij het in uiterst bescheiden mate).
Op een lengte van ongeveer 6,40 m bedraagt de breedte rond 1,40 m, wat een lengte-breedteverhouding geeft van ruim 4,5 : 1. Deze modale Gieterse punter anno 2000 wordt doorgaans jagend, bomend of punterend, truilend of wegerend en zeilend voortbewogen. Hoewel het voorschip wat voller is dan het slank verlopende achterschip zijn die verschillen toch vrij klein: in smalle grachtjes kan niet altijd op het gewenste moment worden gedraaid en simpel achteruit is dan het eenvoudigst. Bovenvermelde maten waren al gebruikelijk omstreeks 1975, maar er bestonden toen nog boerenpunters die niet verder kwamen dan een meter of zes, wat de maten van Berk (1984) voor jollen of zevenspanters benaderde.
Enig inzicht rond het naast elkaar bestaan van kleinere en grotere punters geven de werfboeken van Pieter en Barteld Huisman uit het derde kwart van de 19e eeuw en van Peter Huisman uit de eerste vier decennia van de 20e eeuw. Het werfboek van Pieter en Barteld meldt tot 1869 een overvloed aan punters. Alle worden ter reparatie aangeboden. Gegevens over verkoopprijzen en afmetingen ontbreken tot dat jaar volledig. Na 1869 vindt in enkele gevallen nieuwbouw van "punters" plaats, soms met vermelding van maten, maar steeds met die van prijzen. Tegelijkertijd is sprake van "kaarpunter", "dekenpunter" en vooral van "achtspantpunter" oftewel "achtspanter". Die achtspanters gaan na 1869 de voornaamste positie innemen waar het bouw betreft van alles met punter als achtervoegsel. Dat wijst op eerder genoemde trend van vergroting van het punterformaat. Toch is de werkelijkheid wat ingewikkelder. "Punter" is namelijk, ook bij de Huismannen, een meerduidig begrip. Niet elke kaarpunter is gelijk aan de andere. Er zijn grotere en kleinere dekenpunters. Helaas ontbreekt heldere informatie over de achtspanters in dit werfboek, zodat de grootte nauwelijks kan worden vastgesteld.

Terug naar vorige pagina