Zalmschouw

In ons standaardwerk 'Ronde en Platbodemjachten' van Mr. Dr. T. Huitema staat het volgende geschreven:

Met het woord zalmschouw wordt thans gewoonlijk een boot aangeduid waarvan de voornaamste kenmerken zijn: het opgebogen vlak in het voorschip, de rechtstandige of bijna rechtstandige achterstevenbalk, uitwaaiende onderboorden en naar binnen hellende bovenboorden. Het scheepje, dat in de meest voorkomende uitvoering 6 a 7 meter lang is, wordt gebruikt bij de zegen-, fuik- en drijfwantvisserij op de Boven- en Beneden-Merwede, het Hollands Diep en de riviermonden.

Het gebruik van het woord 'schouw' is uiteraard voor deze vissersboot minder juist. Het bepalend kenmerk van een schouw is immers de vlakke bodem en de platte voor- en achterspiegel. Deze kenmerken heeft het bovenomschreven scheepje niet en wanneer we nagaan hoe de talrijke variaties van dit type door de gebruikers worden genoemd, dan beschikken we spoedig over een staalkaart van namen: drijfschuit, drijverschuit, vlouwschuit, schuit en stevenschouw. Alleen in de laatste woordsamenstelling komt 'schouw ' voor, doch de toevoeging 'steven ' houdt eigenlijk een contradictie in.

Ook de aanduidingen Werkendammer boot, schokkerschouw, zalmhengst, Lekse schouw, Puttershoeker, Bergenaar, Hartjesvelder en vooral Woerkommer, komen voor.

Echte Zalmschouw

Er komt echter ook nog een echte zalmschouw voor, dus met voor- en achterspiegel, en wel in Woudrichem en in de omgeving van Heerewaarden. Het is een vissersboot van de volgende afmetingen: lengte 6 meter, grootste breedte 2. JO meter, holte 1.04 meter en grootste breedte op het vlak 1.20 meter. Reeds op de zeventiende eeuwse schilderijen kan men deze boot aantreffen. Zo werd bij het vissen met de zalmsteek, onder andere afgebeeld op een schilderij van Willaerts uit de eerste helft der zeventiende eeuw en voorsteIlende een gezicht op de stad Dordt, gebruik gemaakt van een dergelijke boot.

Aanvankelijk had deze zalmschouw geen bun; de gevangen zalm werd doodgeslagen en op de buikdenning gelegd. Later werden ze ook met bun gebouwd. Het verspreidingsgebied van deze schouw besloeg het gehele westelijke rivierengebied. Daar echter het in de eerste alinea omschreven boottype bepaalde voordelen bood voor de drijfwantvisserij, werd de originele zalmschouw bijna geheel door deze drijfschuit-met-achtersteven verdrongen. Overigens is de zalmdrijfnetvisserij thans praktisch geheel verdwenen ten gevolge van de watervervuiling der rivieren. Hieronder volgt een overzicht van de verschillende benamingen voor 'zalmschouw' en van het verspreidingsgebied der betreffende typen.

Drijverschuit

Wanneer we dus thans spreken van een zalmschouw bedoelen we eigenlijk een drijverschuit. De eerste ijzeren schepen verschenen ongeveer zeventig jaar geleden. Dit waren de 'Puttershoekers', herkenbaar aan de constructiewijze van de huidgangen. Deze waren namelijk niet over elkaar, maar tegen elkaar aan gelegd, waarna over de aldus gevormde naad een strip werd geklonken. Na de Puttershoekers kwamen de Bergenaars die in Geertruidenberg werden gebouwd. Ongeveer terzelfdertijd verschenen de boten die 'aan den Bout' werden gemaakt bij Gebroeders Van der Hoff.

Bouwwijze

De zalmschouw, om deze aanduiding nu maar te gebruiken, werd dus aanvankelijk van hout, later uitsluitend van ijzer gebouwd; aanvankelijk zonder, later met bun. De vorm van het slanke, vloeiende achterschip hangt samen met de eisen van de visserij voor het gemakkelijk binnenhalen van het net. De rechtstandige achtersteven was om tweeërlei redenen gewenst, ten eerste omdat bij een schuine spiegel, zoals bij de schouw, het net onder deze spiegel zou komen en men dus diep zou moeten reiken om het te pakken. Een tweede reden was het gemakkelijk aan de grond kunnen zetten van de boot. Als de visser kort onder de wal een fuik wil lichten draait hij de achtersteven naar de wal, stapt met een been buitenboord, pakt met een hand de boot onder de klapmuts (dat is de driehoekige plaat achterin tussen steven en boorden) en tilt de steven op een kei van de krib of op een perkoenpaal. Onder zitten tegen het vlak vaak twee langsscheepse ijzers, zodat de boot 's winters zo nodig als slede kan dienen.

Het tuig

Het tuig is altijd een spriettuig zonder giek. Van de nok van de spriet loopt een lijn, een gaarde of 'gert', naar beneden, die bij het voor de wind zeilen wordt gebruikt. De fok reikt tot achter de mast, ongeveer tot de ophanghaak van het zwaard. Boven in de fok zat soms een loden kogel, zodat de fok, als de slipsteek van de kikker was losgetrokken, snel naar beneden viel. De vissers voerden geen wimpel, die zou te snel stuk gaan bij het vele maststrijken. Zowel de zwaarden als het roer worden scheep gehaald wanneer het net wordt binnengehaald. De zwaarden hangen gewoonlijk met een oogbout om een haak op het opboeisel. De schuurlijst dient als strijkklamp. Voor het makkelijk binnenhalen van het roer zit daarin ongeveer halverwege een opening, die als handgreep dienst doet. De zalmschouw heeft de reputatie van grote zeewaardigheid. Dit was voor de vissers uiteraard een vereiste, omdat zij zich niet konden permitteren om voor een buitje binnen te blijven. Het zeiloppervlak is aan de kleine kant en bij gebruik als jacht kan een groter zeil worden gevoerd. Dan is het echter gewenst de lage achterboorden wat op te boeien, omdat bij harde wind een zalmschouw anders over deze boorden licht zou vollopen.

Waterkampioen maart 1966 nr1171- Schepenschouw De Zalmschouw

De Zalmschouw is één van de vele Nederlandse op een speciaal gebruik toegespitste typen van vaartuigen. In dit geval op de visserij op onze benedenrivieren en wel in het bijzonder op die van de zalm. Deze werd uitgeoefend met een drijfnet, en kwam in onze jongensjaren - dat is voor 1935 - nog voor. Deze visserij dan, geschiedde met een drijfnet, dat dwars in de rivier werd uitgezet, waarna net en boot met de stroom afdreven en zodoende een goede kans maakten de tegen stroom rivieropwaarts zwemmende zalm te bemachtigen. Aan het einde van de drijfpartij werd dan het net met de buit over het achterschip binnengehaald. Dit is daaraan volledig aan gepast. Het is laag en zonder uitsteeksels, waaraan een net kan blij¬ven hangen en eindigt in een verticaal of vrijwel verticaal staande achtersteven, waaronder een net zou kunnen schuil gaan. Op grond van dezelfde overwegingen heeft de zalmschouw losse zwaarden, die binnenboord gehaald kunnen worden. Het roer, dat diep onder de romp uitsteekt, kan eveneens scheepgehaald worden. De in langsrichting gebogen platte bodem van de romp loopt voor geheel door tot aan de bovenkant van het boeisel, zoals bij een aak. Ter versiering of ter bescherming is een voorsteven aangebracht. De zalmschouw is een open boot. Wij hebben deze merkwaardige vaartuigjes alleen nog maar van staal gekend. De tuigage bestond uit een steekmast met sprietzeil en fok, van welke laatste de hals zich op de voorsteven bevond. Veel doek voert een zalmschouw niet - kan hij niet voeren, daar wegens het lage vrijboord het water bij enige helling al binnenboord zou komen. De meeste zalmschouwen waren ongeveer 6 meter lang bij een breedte van circa 2 meter.
Hoewel het type niet bijzonder geschikt lijkt om als jacht te worden gebruikt telt onze pleziervloot toch enkele zalmschouwjachten. Deze zijn soms van aanmerkelijk grotere afmetingen dan hierboven genoemd, tot wel 9 meter lengte over alles, en zij zijn dan veelal van een tjottertuig voorzien.

Terug naar vorige pagina