Zeeuwse schouw

Nederlands vissersvaartuig van de Ooster- en Westerschelde waar ze voor de oester- en mosselvisserij en voor de botvangst (Tholen) werd gebruikt. Het platte vlak liep voor en achter in een heve op tot aan de koppen, waar het met het boeisel samenviel. De romp was overnaads met twee of drie gangen en een naar binnenvallend boeisel beplankt. Het voorschip was tot aan de mast met een los of vast dek gedekt. Achter de strijkende mast lag het ruim dat eindigde tegen de roef die op een stuurkuip na was gedekt tot aan de achtersteven. De ver naar voren staande mast was getuigd met een breed grootzeil, smalle stagfok en kluiver. Smalle zeezwaarden. Sommige van deze schouwen hadden een rond achterschip en werden daarom ook lemsterschouw genoemd. Sommige hadden een valse steven tegen de voorheve. Lengte 11,30m en breedte  3,30m.
 

Voordracht op de Winterreünie in Muiden in de sociëteit van de KNZ&RV in 1997

Op het programma van deze Winterreunie stonden een voordracht van de heer Jules van Beylen, voormalig conservator van het Nationaal Scheepvaart Museum te Antwerpen over "De schouwen van Zeeland" en een toelichting op de aanvullende criteria voor Zeeuwse schouwen namens de Werkgroep Criteria Schouwen in de persoon van de heer G. de Jong.

Uit het betoog van de heer Van Beylen werd spoedig duidelijk, waarom hij als titel van zijn voordracht "De schouwen van Zeeland" had gekozen: er is in dat verband sprake van verschillende typen platbodem vaartuigen met als enige overeenkomst, dat de historische gegevens over herkomst, ontstaanswijze en gebruik van deze vaartuigen, klein in aantal en in betekenis steeds overvleugeld door de hoogaarzen en de hengsten, uitermate schaars en weinig concreet zijn. Het was alleen in Zeeland algemeen gebruikelijk om een scheeptype te noemen naar zijn thuishaven, ook al bestond tussen beide geen enkele verband. Hij waagde het desondanks, om aan de hand van foto's en tekeningen op dia een beschrijving te geven van de kenmerken van enkele subtypen als de Tholense schouw, de Bergense schouwen en de Phillippiense schouw.

De heer G. de Jong zette hierna uiteen, hoe de Werkgroep schouwen aan de hand van onderzoek ter plaatse, literatuuronderzoek en overleg met de heer Van Beylen gekomen was tot aanvullende criteria voor Zeeuwse schouwen in het algemeen met omschrijving van de specifieke kenmerken van resp. de Tholense schouw, de Philippiense Schouwen en de Bergense schouw.

Als belangrijkste conclusie uit dit onderzoek kan gelden, dat de meer recent gebouwde "Tholense" schouwen met een rechte achterspiegel, zoals bekend bij de Friese schouwen, als niet authentiek dienen te worden beschouwd.

Terug naar vorige pagina