Poon

P.J.V.M. Sopers schrijft in 'Schepen die verdwijnen' het volgende:De poon is geen uitsluitend Zeeuwsch type, immers op de Zuid-Hollandsche eilanden en in West-Brabant kwamen ze ook voor en werden ze gebouwd. Als bewijs, dat men in West-Brabant ook poonen bouwde, althans haar bouworde toepaste, dient een door mij gezien schip van 72 ton met een poonachtigen bouw. De afmetingen waren 20-40 bij 4-46 bij 1.50 m. Het was gebouwd te Raamsdonk bij Geertruidenberg. Ik trof het te Terneuzen aan.
Le Comte geeft als plaatsen, waar ze gebouwd worden, op: IJsselmonde, langs den IJssel, Dordrecht, Willemstad, Alblasserdam, Boskoop, Capellen, enz. De grootte was van 16-60 ton. Hij noemt de drie soorten: Paviljoenpoonen, Draai-overboords- en Staatsie-poonen. Wanneer men de lijnen nauwkeuriger onderzoekt, komt men tot de conclusie, dat de naam Poon een verzamelwoord was. Ik meen, dat met name de eerstgenoemde soort tamelijk veel van haar andere zusters verschilde, en leid dit af uit mij ten dienste staande afbeeldingen van modellen en voorts uit de teekeningen in het werk van Van Konijnenburg.

In de Prinsengracht te Amsterdam bij de Westerkerk lag vroeger ook een vaartuig, dat een paviljoenpoon geweest moet zijn. De vorm onder water der poonen was zeer verschillend. Bij den laatstgenoemden schrijver zijn dwarsdoorsneden met breed vlak aangegeven. Niet alle poonen hadden dit. Toch zal deze bouworde wel van invloed geweest zijn op de lijnen der meer normaal gevormde. Het door mij weergegeven exemplaar vond ik te Breda, waar het als aardappelbergplaats dienst deed.

Nog meer dan bij de Zuid-Hollandsche tjalk het geval is, vertoont het berghout, waar het den boeg nadert, een sterk oploopende lijn. Dit is in zoo sterke mate het geval, dat het boord onmiddellijk eronder met zijn bovenkant nog iets naar binnen valt. Waar als regel het berghout het meest uitstekende deel van het schip is, is het hier als het ware iets naar boven geschoven, waardoor het de breedste plaats van het schip verlaten heeft. Aan de voorzijde ter weerszijden van den steven is dit ook het geval.

De steven staat zeer steil, loopt puntig en hoog op en valt achterover, zoodat hij wijst in de richting van den Juans om den mast. Onder het berghout zijn ter hoogte der boegen een tweetal blokjes aangebracht, mogelijk met het doel om de beplanking eenige bescherming te geven, waarvoor bet berghout te hoog ligt. Het berghout, dat bij andere schepen tusschen de boegen een afgerond profiel heeft, is bij de poon vierkant. Het opboeisel van het voorschip geeft een lichtere constructie te zien, dan bij gewone tjalken, het bestaat bij bet dek en de bovenzijde uit twee evenwijdig loopende, zware, gekromde stukken hout, met bouten sa men verbonden. Tusschen die bouten ligt een lichter vulstuk. Deze constructie van het opboeisel wordt op andere Nederlandsche kleinere schepen ook wel toegepast, b.v. bij jachten, maar dan achter de boegen voor tot aan het zwaard.

Inwendig

De inwendige constructie is vrijwel gelijk aan die der tjalk. De slaper komt en in voor- en in achterscbip voor, wat men vermoedelijk nuttig oordeelde, om de sterk uitspringende hoekige boegen te versterken. De mast was vast (dit was echter geen speciaal kenrnerk der poon), de zeilbalk was met ijzeren knieën in de zijden bevestigd.

Het logies voor den schipper was het vooronder; het achterschip was van binnen niet betimmerd. Inplaats van de gewone luiken had de poon ronde, die van den eenen tot den anderen kant liepen, gesteund door gekromde merkelingen. In de achterplecht was een klein stuurkuipje, waarin de roerganger stond en tegen welks zijden hij zich met den voet schrap kon zetten, met de heup tegen den helmstok.

Weerbare schepen

Bij aIle schrijvers over poonen lezen we, dat het zeer weerbare schepen waren, waar zeer stout mede gezeild werd, het bovenste jufferblok van het hoofdwant soms onder water. Het schip hield bet wel uit en wanneer men zeil rninderde deed men dat omdat men bang was voor het tuig zelf. Van den anderen kant laadden ze in den regel wat minder dan ze wel hebben konden, om beter zwaar weer te kunnen doorstaan.

"Meer dan in eenig ander van de door mij beschreven leden der tjalkenfamilie leeft in de poon voort het oeroude model. In oude keuren vindt men genoemd "drimmelaars" (ook wel "dremmelaars" of "drommelaars" geheeten) oftewel "kromstevens". Die kromsteven is vermoedelijk de voorvader van onze poon en het woord drimmelaar kan kornen van het dorpje Drimmelen bij Geertruidenberg. In die streek was en is nog veel scheepsbouw. De hooge roerkop, waaromheen de helmstok lag, de hoog oprijzende voorsteven (in mijn exernplaar nog 80 cm boven het opboeisel uit) herinneren aan den tijd, waarin de scheeprnaker nog zijn fantasie kon laten gelden; de vaste bruggen waren toen hoog genoeg om ze door te laten en het publiek was nog niet zoo verwend, dat het pruttelde als het over zoo'n "hooge sluis" moest klimmen.

Het berghout vond zijn voortzetting, bij wijze van sieraad, ook tegen den achtersteven. Bij andere tjalktypen deed men dat niet meet. Tegen den voorsteven had de voortzetting nog zin en deed dienst als kettingklamp, om den voorsteven tegen het schuren van den ketting te bescherrnen. Men behield dus daar bet oude sieraad. Het geheele voorkomen der poon heeft iets naiefs. Onbewust heeft men een effect bereikt, De lijnen wringen en draaien, of men niet goed wist waarheen en hoe het schip in elkaar te krijgen, maar toch kornt alles behoorlijk tezamen, al is het dan niet met die zekerheid en dat overleg als bij de Friesche tjalk. Het contrast met het vroeger door mij beschreven jacht, dat er niet ver aflag, was wel opvallend.

De poon met haar dikken hoogen kop, platte berghouten, enz., herinnerde levendig aan de schepen van een paar honderd jaar terug. Het ontstaan en de veltooiing van de tjalk zijn hier aanschouwelijk voorgesteld. Niet ten onrechte noemt Van Loon de poon het sieraad der Zeeuwscbe wateren en uit wat ik er over medegedeeld heb zal bet duidelijk zijn, dat deze schepen er onder alle omstandigheden tbuis beboorden, aanpassend aan alle eigenaardigheden, die aan de vaarwaters daar eigen waren, als zwaar weer, zandbanken, tijstroomen, enz. Ze was dus niet slechts fraai uit schildersoogpunt, maar ook uit dat van den practicus.

Waterkampioen februari 1966 nr1167 - Schepenschouw De Poon

Wij hebben het over de poon en niet over een poon. De poon behoorde eertijds naast de tjalk tot de in ons land meest verbreide typen van binnenschepen, dat vooral in het zuidwesten, de provincies Zeeland, Brabant en Zuid-Holland werd gebruikt als beurt- en vrachtvaarder. Korter, gedrongener en met veel meer zeeg dan de tjalk waren het zwaargebouwde schepen met platte bodem en enigszins invallende zijden. Het opvallendste kenmerk van de poon is echter wel de puntig eindigende voorsteven, die boven sterk naar binnen valt. Zoals reeds gezegd, was het type eertijds zeer verbreid. E.W. Petrejus twijfelt er zelfs niet aan in zijn bijzonder interessante boekje Scheepsmodellen (binnenschepen) - dat als wij in de tijd van de opstand tegen Spanje lezen over „kromstevens" in de smalle vlote van de Prins, deze verwanten van de latere poon zijn. De poon was hecht gebouwd en lag zo zegt Petrejus - vast op het water, waardoor hij bij een aanwinnende koelte lang van top kon zeilen en een weerbaarheid bezat, die die van de meeste schepen overtrof.
Uit eigen aanschouwing kennen wij slechts één poon, namelijk de 'Ouderhoek' en een - hedendaags - jacht, dat door zijn ontwerper een poon wordt genoemd en dat - hoewel ongebruikelijk klein - inderdaad aan het type doet denken. Oorspronkelijk waren de ponen getuigd met een spriettuig, maar - als eerste, zegt Petrejus - reeds in de 17-de eeuw gingen zij tot het bezaantuig over, waarbij de mast op die exemplaren die geen vaste bruggen behoefden te passeren een steekmast was, en op de andere een strijkbare. Welgestelde schippers voerden het zeil met een kleine gebogen gaffel, minder welgestelde met een eenvoudige rechte gaffel.

Terug naar overzicht