Tjalkjachten

Een bekende verschijning op de binnenwateren is de tjalk. Men komt ze als motorvrachtschip tegen, als jacht met luxueuze kajuit opbouw en als woonschip met kistvormige opbouw als oeverstoffering. De tjalk is het meest verbreide vrachtvarende zeilschip in Holland en Friesland geweest en dat is ook de reden dat er tegenwoordig nog zoveel exemplaren van over zijn, alleen van ijzer.
Houten tjalken zijn uitgestorven. De naam tjalk vindt men al in beschrijvingen van drie eeuwen geleden. Men verzuimde er echter een duidelijke beschrijving van te geven en de voornaamste maten. Pas later toen er iets van de scheepsbouw op papier werd gezet krijgt het type meer vorm. De 17e en 18e eeuwse tjalken waren soms van achteren opgeboeid met een hek- of staats die een eind boven de helmstok samenkwam. In de open driehoek, het hennegat kon de helmstok bewegen.

De tjalken hadden aanvankelijk een spriettuig dat op zee zeer lang in gebruik is geweest maar op de binnenwateren te onpraktisch in het gebruik werd door de onhandelbaarheid van de lange spriet. De schippersfamilie woonde doorgaans aan boord, in de oudere tjalken onder het iets verhoogde achterdek, het paviljoen. Het aangezicht over dek was dus helemaal vlak. Licht kreeg men in dit piepkleine woninkje door een schijnlicht, een klein vierkant kastje met een puntdak met glas voor het licht, en twee poorten in het achterschip.
In deze behuizing zijn vele schippersgeneraties groot geworden. Dit waren de zogenaamde paviljoentjalken met een laadvermoqen rond de vijftig ton. Achter de woning volgde het grote open laadruim en voor de mast was het vooronder, de bergplaats voor scheepsspullen, onderhoudsmaterialen, zeilen en tevens slaapplaats voor de kinderen. Latere tjalken kregen een woning tussen het achterdek en het ruim, en toen het zeiltuig werd vervangen door de motor kwam achter de woning een stuurhut.

Scheepstypologieën: Spiegel der Zeilvaart 1986 nummer 4, 5, 6 en 7 - Scheepstypologie Tjalken (4 delen)

Tjalken zijn het product van een eeuwenlange evolutie in de scheepsbouw. Reeds in de zeventiende eeuw voeren er schepen waarin trekken van de huidige tjalken te herkennen zijn. Tot in de vorige eeuw werden de schepen in hout gebouwd; omstreeks 1880 kwam de ijzerbouw in gebruik, die begin deze eeuw geheel door staalbouw werd verdrongen.
Deze tjalkachtige schepen waren aan het eind van de vorige en het begin van deze eeuw de meest voorkomende zeilende vrachtschepen op de Nederlandse binnenwateren. Ze zijn herkenbaar aan de rechthoekige vorm, de gekromde voorsteven, de invallende boeisels bij voor- en achterschip en het aangehangen roer. De bodem is vlak, zoals bij de meeste grotere binnenvaartschepen. De lengte varieerde meestal tussen de 15 en 25 m; het tonnage tussen de 20 en 150 ton. De breedte was 1/4 tot 1/5 van de lengte.
Zoals reeds gezegd waren tjalken vrachtvaarders die alle soorten lading vervoerden. In enkele gevallen werden de schepen ook als winkelschepen gebruikt (bijv. potscheepjes) of voor vervoer van kermisattrakties. De meeste tjalken werden door het schippersgezin bewoond.
De grotere tjalken van de landelijke vaart hadden naar toenmalige begrippen een betrekkelijk grote roef. De kleinere tjalken hadden een lage roef (vaak vrijwel even hoog als de luikenkap) in verband met de kruiphoogte om onder bruggen door te varen. Bij sommige tjalken was de woning onder het achterdek.

Waterkampioen juli 1965 nr1156 - Schepenschouw De tjalk

Tjalken zijn in de jaren na de oorlog zeer in trek gekomen als zeiljacht, motorjacht of varend woonschip. De naam tjalk is - voor zover bekend - eerst tegen het einde van de zeventiende eeuw in gebruik gekomen en zou - volgens het boek „Ronde en Platbodemjachten" - mogelijk afgeleid zijn van het oud-friese woord kiâl = kiel. Volgens G.C.E. Crone (in „Nederlandse Binnenschepen") moet men de Nederlandse, voornamelijk Friese, hektjalk uit de negentiende eeuw, dus voor de ijzeren bouw een aanvang nam, als standaardmodel aanmerken. Daarnaast bestonden echter talrijke varianten, die per provincie of zelfs per streek afwijkingen vertoonden, als de Groninger en Overijsselse tjalken enzovoort.
Toen ijzer en even later scheepsstaal het hout als bouwmateriaal verdrongen, bleven de verschillende modellen vrijwel ongewijzigd bewaard. Merkwaardig is dat, ondanks het feit dat de tjalk - misschien kunnen wij in navolging van P.J.V.M. Sopers (in „Schepen die verdwijnen") beter spreken van het „tjalkachtige schip" - het meestverbreide binnenvaartuig was (volgens de statistiek bestonden er op 9 mei 1940 nog 2785 schepen van dit type), er in de litteratuur toch maar zo weinig over te vinden is.
Alle auteurs prijzen de tjalk als een vaartuig, bekwaam om zowel de wijde als de nauwe en ondiepe wateren te bevaren en geven als hoofdkenmerken de vlakke brede bodem met kiel, die met een ronde kim in de zijden overgaat, de fraaie ronding aan de uiteinden, de flauw gebogen voorsteven en de nagenoeg rechtstandige achtersteven. Het tjalkachtige schip paarde een groot laadvermogen aan een toch alleszins voldoende snelheid.

pdf Waterkampioen 1965 nr1156 juli - Schepenschouw De tjalk

Met Zeil en Treil, het boek van Frits Loomeijer

Met zeil en treil; een achttiende eeuwse advertentietekst als titel van een boek over tjalken. Een schip werd in die tijd te koop aangeboden al dan niet met zeil en treil, dat wil zeggen, geheel compleet en vaarklaar. Aanvankelijk was het de opzet om in dit boek een compleet beeld te geven van het scheepstype tjalk. Dit is in zekere zin ook wel gebeurd, maar het onderwerp bleek te omvangrijk om in het kader van een boek volledig uit te werken. Met het woord tjalk wordt een bepaald scheepstype aangeduid. Tegelijkertijd echter is het de verzamelnaam van een aantal aan elkaar verwante schepen die te beschouwen zijn als 'leden van de tjalkenfamilie'. In dit boek heb ik het woord tjalk in de uitgebreide zin van het woord opgevat. Een korte schets van de ontwikkeling van de houten tjalken, smakken en koffen is de inleiding van de beschrijving van de tjalk zoals hij sinds circa 1880 voer en nog vaart. Hierbij heb ik mij niet beperkt tot de technische kant van de zaak zoals de bouw, de verschillende modellen en de tuigage. De functie van deze schepen, de lading die zij vervoerden en het water dat zij bevoeren, krijgen eveneens aandacht.

Met Zeil en Treil - De tjalk in binnen- en buitenvaart


De 'Navigator', een uit 1892 daterende stalen en ijzeren tjalk van reder Jonker uit Wildervank, hield zich voornamelijk bezig met (wilde) vaart op en in het Oostzeegebied. Hier bracht ze ook het grootste deel van het jaar door. Eind 1917 is de „Navigator" met een lading hout bestemd voor Nederland onderweg van Västervik in Zweden naar Amsterdam. De ochtend van 22 februari wordt geconstateerd dat de „Navigator" lek is geslagen en water maakt. Op een gegeven moment begint de deklading te drijven. Een deel hiervan wordt overboord gezet, maar dit biedt geen soelaas en de „Navigator" begint zelfs slagzij te maken. Dit is voor de vier koppen tellende bemanning aanleiding om van boord te gaan en in de sloep te stappen. Eerst wordt er nog door middel van een lijn met de „Navigator" verbinding gehouden, maar toen deze brak gingen tjalk en sloep ieder een eigen koers volgen. Een etmaal later zetten de bemanningsleden ongedeerd voet& aan land op het Duitse waddeneiland Borkum, terwijl de „Navigator" zichzelf vastzet op de oostpunt van Schiermonnikoog. Mede naar aanleiding van de dubbel-stranding „Navigator"/„Eben-Haëzer" kwam de Raad voor de Scheepvaart tot de uitspraak dat dergelijke tjalken, die normaal gesproken alleen langs de kust voeren en nu, door oorlogsomstandigheden daartoe gedwongen, een deel van hun reis ver de Noordzee op moesten, daarvoor niet zeewaardig genoeg waren.

De laatste tocht van de tjalk 'Navigator'


Ronde Zeeuwen - Houten vracht- en veerschepen in Zeeland door Gerrit J. Schutten

Gerrit Schutten is al tientallen jaren bezig met het verzamelen en bestuderen van gegevens over oude, bijna vergeten, scheepstypen en het gebruik ervan. In dit artikel geeft hij een opsomming van de vele scheepstypen die in Zeeland werden gebruikt. Achtereenvolgens komen de tjalken, steenschuiten, ponen, pleiten en zelfs de boeierschuiten aan bod. Dankzij zijn gesprekken met informanten, zo mogelijk opmetingen, reconstructies en oude foto's wordt telkens weer een deel van de historie gedegen vastgelegd.
Mijn voornaamste informant over de houten vrachtschepen in Zeeland was Jan A. Neve, woonachtig te Rotterdam. Hij is in 1881 geboren als zoon van de beurtschipper van Walsoorden op Rotterdam. Zijn vader had een poon. Toen hij 13 jaar was, voer hij elke week met vader en knecht naar Rotterdam. Toen hij 15 jaar was, bleef vader wel eens thuis. Later werd hij sleepbootkapitein op de Rijn. In die hoedanigheid heeft hij meegewerkt aan een loodsboekje over de Rijn. In zo'n boekje waren alle stroomgeulen, zandplaten en andere navigatiemoeilijkheden op de Rijn beschreven.

Ronde Zeeuwen - Houten vracht- en veerschepen in Zeeland

Terug naar vorige pagina