Skûtsje

Skûtsje is de oorspronkelijke Friese benaming voor een tjalkachtig schip bestemd voor de vrachtvaart onder zeil, met name gebouwd in Fryslân voor de noordelijke binnenwateren. Oorspronkelijk was het de benaming voor een veerscheepje van zo'n 10 tot 14 meter en een laadvermogen van 10 tot 20 ton. Deze skûtsjes onderhielden meestal een vaste dienst tussen een dorp van herkomst en een bepaalde stad of een aantal steden waar een belangrijke markt was, zoals in Leeuwarden, Sneek en Bolsward.
Deze vroegere skûtsjes verschilden op een aantal belangrijke punten van de onze. Ze hadden een ronde luikenkap in plaats van de tegenwoordige platte, ze hadden een stuurkuip (bollestâl) in plaats van 'ons' vaste achterdek en tenslotte hadden ze een zgn. vissermansroer: de helmstok viel over de kop van het roer en die kop stak boven de achtersteven uit. Het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen bezit nog het oude beurtschip 'Hoop op Zegen' van it Heidenskip dat in 1904 bij Wildschut in Gaastmeer is gebouwd voor Wiebe de Jong. Het is ook bekend als 'it Blommeskip'.

Het oude beurtschip 'Hoop op Zegen' [S1166N]
Het oude beurtschip 'Hoop op Zegen' [S1166N]
Het oude beurtschip 'Hoop op Zegen' [S1166N]
Het oude beurtschip 'Hoop op Zegen' [S1166N]

Na 1900 werden de 'kleine en oude' skûtsjes langer, ze konden dus meer vracht meenemen (dit varieerde van zo'n 15 tot 35 ton), maar wat veel belangrijker was: ze werden voorzien van een vast achterdek, een gewoon tjalkenroer en een platte luikenkap. Zo was het huidige 'nieuwe' skûtsje geboren. De naam werd nu algemeen gebruikt voor grotere schepen, tot ongeveer 55 ton, rond 20 meter lengte en 4 meter breedte. De holte werd beperkt, tot maximaal 1,28 m.

Skûtsjes zijn in de jaren 1889-1933 in zgn. staalijzer gebouwd voor de beurt- en vrachtvaart op vaarten, kanalen en op de grote meren in de Zuidwesthoek. Maar ook op de Zuiderzee werd er mee gevaren. Na 1950 is een groot aantal tot jacht verbouwd door de luikenkap te vervangen door een kajuitopbouw.

Spiegel der Zeilvaart februari 2015 nummer 1 - De ijzeren-skûtsjewerven in Friesland "Booming Business"

Jelmer Kuipers schrijft:
De bouw van ijzeren skûtsjes kwam in Friesland maar aarzelend op gang. De Groningers hadden al een voorsprong van tien jaar op de Friezen. Bijvoorbeeld het schip 'De Rot' is in 1887 door scheepsbouwer Jacob Mulder in Vierverlaten voor twee Rottevalster kasteleins gebouwd. Het is van het type 'beurtscheepje', dat grote gelijkenis vertoont met houten voorgangers. 
Op de vraag of er wel eens twee identieke skûtsjes zijn gebouwd is het antwoord: nee. Wel werden meerdere skûtsjes naar eenzelfde lijnenplan gebouwd, maar in uitvoering verschilden ze soms toch aanmerkelijk. In het staatje hieronder zien we een overzichtje van 8 skûtsjes, waarvan de afmetingen dichtbij elkaar liggen, zeker bij de eerste drie genoemde schepen. Mochten de afmetingen praktisch hetzelfde zijn, dan verschillen ze toch in tonnage.
Slechts 7 van de ruim 30 werven die skûtsjes bouwden hebben kunnen overleven. Een paar zijn doorgegroeid. Ze bouwen en onderhouden nu grote binnenvaartschepen. Barkmeijer Stroobos heeft zich doorontwikkeld en bouwt zeeschepen evenals in zekere zin Bijlsma Wartena, nu in Lemmer. Andere zijn met de bouw van pleziervaartuigen doorgegaan, soms in combinatie met het exploiteren van een jachthaven en soms een huurvloot. Sommige probeerden het nog als staalconstructiebedrijf en hielden het zo nog enige tijd vol, maar werden in de slechte jaren tussen 1920 en 1940 opgeheven. Vier werven zijn, soms met een omweg, teruggekeerd naar de houtbouw. Zo kwam er een einde aan een korte, maar roemruchte periode van Friese skûtsjebouw.

Het Skûtsje 'De Rot' tijdens MusSAILkanaal in 2015
Het Skûtsje 'De Rot' tijdens MusSAILkanaal in 2015

In 1889 bouwde Berend Barkmeijer uit Briltil (Gr.) voor zijn zonen Gerrit en Jan een nieuwe ijzerwerf in Sneek. Zij bleven de eerste zes jaren de enige ijzeren Skûtsjebouwers in Friesland. Scheepsbouwer J. Mulder te Vierverlaten in Groningen bouwde ook voor Friese rekening. Tot het jaar 1900 volgden er 9 Friese houtwerven die overschakelden op ijzer. Tussen 1901 en 1910 kwamen er nog eens 13 bij en tot 1915 nog 7 stuks.
In 1915 waren er in Friesland in totaal 105 scheepswerven, waarvan zo'n 30 in ijzer. Bijna de helft van de houtwerven waren kleine één of tweemans bedrijfjes. Niet van alle ijzerwerven in Friesland is met zekerheid bekend of daar inderdaad skûtsjes zijn gebouwd. Een paar van deze werven zijn: Van Manen in Berlikum, Zwolsman in Workum, Jan Barkmeijer in Birdaard en D. Boomsma in Sneek.
In het algemeen waren het de (oudste) zonen die de aanzet gaven tot de omschakeling. Zij waren het ook die zich bekwaamden in het theoretische gedeelte, het rekenen en tekenen. Veelal leerden ze dit op Groninger werven. Ze leerden daar ook de praktische kant van het werk. Enkele jongens uit de buurt van Franeker kregen les van dhr. Alta, directeur van de Harlinger werf "Welgelegen", waar overigens geen skûtsjes zijn gebouwd. Ook kwam het voor dat "nomadische" ijzerwerkers hun diensten aanboden op de werven. Zij brachten zo hun praktische vaardigheden over op de Friese werfmedewerkers. In de beginjaren waren dit mannen van Groninger afkomst.
De bouwperiode van de ijzeren skûtsjes in Friesland viel tussen 1889 en 1931. Vanaf 1897 t/m 1901 werden per jaar gemiddeld 5 skûtsjes in de hele provincie gebouwd. Daarna, t/m 1914, is de productie gemiddeld 36 schepen per jaar, met als uitschieters de topjaren 1907 t/m 1910 met respectievelijk 51, 54, 40 en 48 schepen. In 1905 bouwden alleen de Gebroeders Barkmeijer te Sneek al 12 skûtsjes en in 1907 zelfs 15 stuks. Alle werven hadden voldoende werk, maar dat werd snel anders. Na 1910 werd het aantal werven snel kleiner; er waren er toen nog 17 over. In 1915 waren er zelfs nog maar 7 skûtsje bouwende werven. De laatste was J.O. van der Werff aan het Bûtenstvallaat te Drachten. Hier ging men door tot 1931 met in de laatste jaren nog 2 skûtsjes per jaar. Molle van der Werf van Sneek vertelde me eens dat het bouwen van een `casco' 4 tot 6 weken duurde, naargelang het aantal mensen dat er aan werkte. Het casco werd te water gelaten en daar werd het afgetimmerd en getuigd.

Het boek "Van Ambulant tot Zwaluw"

In het in 2007 verschenen boek "Van Ambulant tot Zwaluw" zijn van circa 870 unieke Friese skûtsjes, gebouwd tussen 1900 en 1932, de basisgegevens verzameld. Gegevens over de werf waar het schip gebouwd werd, de opdrachtgevers van de metingen en de belangrijkste maten, afkomstig uit de officiële meetliggers, zijn daarin te raadplegen. Talloze mensen zijn op zoek naar informatie over een specifiek schip, zoals mensen die familieonderzoek doen of die een schip hebben gekocht. De archieven van de Scheepsmetingsdienst zijn een belangrijk aanknopingspunt. Daarin is te vinden wie de eigenaar was, waar het schip is gebouwd en in welk jaar. Dat biedt aanknopingspunten voor verder onderzoek in bijvoorbeeld notariële archieven. Het archief van de Scheepsmetingsdienst is echter beperkt toegankelijk. Wat betreft de 'Friese skutsjes' is daar nu verandering in gekomen.

Het boek "Troch de Wyn - Skûtsjes"

De vraag wat een skûtsje is en vele andere vragen komen aan de orde in deze 'skûtsjebijbel'.
Nog steeds strijden zo’n tachtig Friese skûtsjes om de hoogste eer bij SKS en IFKS. Prachtig ontworpen binnenschepen zijn het, speciaal gebouwd voor de Friese wateren. Tot de Tweede Wereldoorlog beheersten deze schepen het transport op klein water. Aan boord voeren schippersfamilies, die betere tijden gekend hadden, maar ook een diepe crisis hadden overleefd. Over die mensen, de schepen, de bouwers en de wateren waar de skûtsjes voeren gaat dit prachtige, kloeke naslagwerk. De kundigste auteurs hebben eraan meegewerkt. En het boek staat vol prachtige, unieke foto’s.
De eer staat op het spel, niet meer en niet minder. Achter de spectaculaire sport ligt het boeiende verhaal van duizend Friese bedrijfsschepen. Schippers, hun families, de lading, het vaargebied en de bouwers: er is veel over te vertellen. Het boek ‘Troch de Wyn’ (‘door de wind’, ‘overstag’) bevat die verhalen en duizenden illustraties. Ook de jongste geschiedenis van het skûtsjesilen is op de 576 pagina’s beschreven.

Skûtsjesilen

Van Oossanen Naval Architects schrijft in één van haar rapporten:
In de 19e en begin 20ste eeuw werden er wedstrijden voor vracht en beurtschepen georganiseerd, door verschillende zeilverenigingen. Deze wedstrijden hadden twee doelen: ten eerste vermaak en ten tweede konden er, gedurende de magere periode van het jaar prijzen worden gewonnen door de schippers. Om de wedstrijden zo eerlijk mogelijk te maken, werden de schepen onderverdeeld in verschillende klassen naar tonnage, mits er voldoende aanmeldingen waren. In deze periode werden in het Fries de woorden "skíp" en "skûte" twee woorden van gelijke betekenis, door elkaar gebruikt om de verschillende type vracht- en beurtschepen onder een noemer te kunnen vangen. Dit was een benoeming van de toeschouwers. De schippers duidden de schepen wel naar specifieke karakteristieken aan. Voor de kleinste houten vracht- en beurtschepen, tot 18 ton, wat kleinere schepen waren dan de huidige skûtsjes, werd het woord skûtsje gebruikt als verkleinvorm van skûte, of wel "Lytse Skûte". Deze begrippen zijn gebruikelijk voor tjalken en tjalkachtigen.
De woorden "skip" en "skûte" werden door het volk gebruikt ongeacht het type lading die werd vervoerd. Elke skûte werd echter wel gebouwd voor een specifiek doel en vaargebied. Hierbij speelde de smaak en de herkomst van de schipper ook een belangrijke rol. Elke skûte had kenmerken afhankelijk van de bouwer, streek, vakmanschap, smaak en trend. In de basis hebben al deze schepen echter gemeenschappelijke kenmerken waardoor zij allen vallen onder de tjalkachtigen: Ronde kop en kont, een kromme voorsteven en rechte achtersteven met aangehangen roer, afgeronde kimmen, ronde bodem of plat vlak en op het boord staande, enigszins naar binnen vallend boeisel. Eind 19e begin 20ste eeuw werden de houten schepen vervangen door ijzeren. Met dit materiaal was het mogelijk om langere schepen te bouwen. Omdat de breedte en de holte van het schip waren beperkt door de breedte van de sluizen en de hoogte van de bruggen, groeiden de schepen alleen in de lengte. De aanduiding "skûtsje" bleef echter voor deze schepen in gebruik. Zij deden immers allen mee aan het skûtsjesilen. Deze aspecten brengen ons tot de hedendaagse aanduiding van "skûtsjes" voor een bepaald schip. het woord "skûtsje" is een verzamelnaam voor verschillende soorten schepen.

Terug naar vorige pagina