Tjotters

De tjotter is de kleinste van de open ronde Friese zeilscheepjes met een lengte over de stevens van ten hoogste 5,40m, zonder berghouten, kluisborden en beretanden en met een breed roer waarvan de kop vaak versierd is met een klik, waarin een vogel is uitgestoken. Oorspronkelijk waren ze in Friesland universeel in gebruik voor het kleinschalige vervoer van goederen en personen in de tijd, dat wegverbin-dingen goeddeels ontbraken. De groep tjotters van 4.80 x 2.40m heten in Friesland “fjouwerachten”. Ze zijn na 1852 populair geworden, vooral als wedstrijdboot, doordat ze vanaf dat moment net buiten de belasting op binnenvaartuigen vielen.

In Friesland werden in de 19e eeuw alle open ronde zeilvaartuigen aangeduid als “boat”, verkleinwoord “boatsje”. Deze laatste term wordt in het Stamboek, in navolging van Vermeer, voorbehouden aan tjotters < 4.50m met ten hoogste twee zonder versieringen. Deze definitie is arbitrair: er zijn vele tussenvormen.

Een wyldsjitter is een boatsje, dat speciaal is ingericht voor de jacht op waterwild. Sommige boeiereigenaren hadden als volgboot een sierbootje met de basiskenmerken van een boeier, rond, ± 4m lang, voorzien van berghouten, kluisborden, beretanden en een smal roer met een leeuwtje, veelal uitgerust als roeiboot en soms tevens voorzien van zeilen: een boeierke.
 


 

Waterkampioen juli 1965 nr1154 - Schepenschouw De tjotter

De tjotter wordt gerekend tot de ronde jachten te behoren, al is dit volgens het boekwerk Ronde en Platbodemjachten, uitgegeven onder auspiciën van de Stichting Stamboek Ronde- en Platbodemjachten, niet geheel en al juist, omdat tot de groep tjotters ook het Friese „boatsje" wordt gerekend, waarbij de zijden met een hoek tegen het vlak aansluiten. Hoewel vaartuigjes van het type tjotter waarschijnlijk reeds enige eeuwen geleden voorkwamen, is de benaming tjotter veel minder oud. In een zeilwedstrijd gehouden te Sneek in 1847 spreekt men nog van jagten en booten en van kleine jagten en booten. Wij zijn - maar wij hebben daaromtrent geen uitvoerige studie verricht - de naam tjotter het eerst tegengekomen bij de Hollandia-wedstrijd op het Braassemermeer in 1882. In het hierboven reeds genoemde boekwerk Ronde- en Platbodemjachten wordt echter vermeld, dat de naam tjotter al in 1847 bij een wedstrijd te Amsterdam werd gebruikt. Verder vonden wij ergens vermeld, dat tjotter een Friese verbastering van het woord kotter zou zijn, zoals het woord kerk tot tjserke werd. Wat daarvan waar is kunnen wij niet beoordelen.
Bij de tjotters onderscheidt men gewoonlijk de „echte" tjotter en het bootje. De eerste is groter en breder dan de laatste, terwijl de dwarsdoorsnede ook verschilt. Als maten van enige (echte) tjotters vonden wij: 4,80 bij 2,30 meter, 4,80 bij 2,45 meter, 4,85 bij 2,20 meter en 5,30 bij 2,60 meter. Het vlak van de tjotter is in dwarsdoorsnede licht gebogen en de zelf als regel ook lichtgebogen zijden sluiten daartegen met een nauw merkbare hoek aan. Gepiekte tjotters schijnen ook voor te komen. 

pdf Waterkampioen 1965 nr1154 juli - Schepenschouw De tjotter

Terug naar vorige pagina