Tjotter

Karakterisering

In zijn boek "Tjotters en Boatsjes" schrijft Dr. ir. J. Vermeer in zijn eerste hoofdstuk "Wat is een Tjotter":
Het type zeilvaartuig, dat in dit boek aan de orde komt, behoort tot de uitgebreide familie van traditionele Nederlandse ronde en platbodemvaartuigen, bestemd voor onze ondiepe kust- en binnenwateren. Dit vaargebied veroorlooft slechts een geringe diepgang; deze schepen zijn dan ook gebouwd met een platte of ronde bodem zonder diepstekende kiel. Ter vermindering van de drift bij het (aandewindse) zeilen zijn zij voorzien van zijzwaarden.
Het vaartuig dat wij tegenwoordig "tjotter" noemen, behoort tot de kleinste niet-overdekte zeilscheepjes, uitsluitend geschikt voor de binnenwateren. Met het Friese jacht en de boeier wordt het gerekend tot de groep van zogenaamde ronde jachten, die in ons land al op een geschiedenis van meer dan drie eeuwen kunnen bogen. Op tekeningen en schilderijen uit de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw vinden wij deze scheepjes veelvuldig afgebeeld, in vorm en inrichting vrijwel gelijk aan zoals ze heden nog bestaan. Een fraai voorbeeld hiervan is te zien op een reproductie van een olieverfschilderij uit omstreeks 1695 van Abraham Storck (1644-1704), voorstellende "Admiraalzeilende jachten op het IJ voor Amsterdam". Ook in musea en bij enkele particulieren bewaard gebleven oude scheepsmodellen leggen hiervan getuigenis af.

In deze publicatie gaan wij niet uitvoerig in op de geschiedenis van dit scheepstype. Daarvoor zij verwezen naar het standaardwerk "Ronde en Platbodemjachten", dat in 1962 onder auspiciën van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten onder redactie van mr dr T. Huitema voor het eerst verscheen en waarvan in 1995 een zevende herziene druk uitkwam. De geschiedenis van de pleziervaart in Nederland is uitvoerig beschreven door F. Jorissen, J. Kramer en J. Lengkeek in het gedenkboek dat in 1990 ter gelegenheid van het eeuwfeest van het Koninklijk Nederlands Watersport Verbond (KNWV) in samenwerking met het Rijksmuseum "Nederlands Scheepvaart Museum" is uitgegeven onder de titel "Het water op, 400 jaar pleziervaart in Nederland".

Algemeen karakteriseren wij het houten ronde jacht hier als volgt:

  • een op stevens gladboordig gebouwd zeilvaartuig met relatief brede zijzwaarden
  • de voorsteven is gekromd
  • de buitenomtrek is min of meer ei-vormig
  • voorzien van een naar binnen vallend boeisel
  • de verhouding van lengte over de stevens tot grootste breedte ligt meestal tussen 2,0 en 3,0
  • de grootste breedte is gelegen op ongeveer één derde tot vier negende van de lengte over de stevens, van voren af gerekend
  • het is getuigd met een bezaantuig met kromme gaffel en losse broek
  • de fok is gehalsd op een ijzeren botteloef.

De karakterisering "rond" heeft dus uitdrukkelijk geen betrekking op de vorm van de dwarsdoorsnede (het grootspant), zoals wel wordt gedacht, maar op de buitenomtrek.
Met de naam Friese tjotter wordt tegenwoordig het kleinste type open ronde jachten aangeduid met een lengte over de stevens van ongeveer 4,80 meter of minder. In tegenstelling tot de boeier en het Friese jacht' heeft de tjotter over het algemeen geen berghout. In plaats daarvan is de bovenrand van de bovenste huidgang voorzien van een ijzeren of koperen halfrond, dat als stootrand dienst doet. Ook ontbreken de bij boeiers en Friese jachten gebruikelijke kluisborden en beretanden. De tjotter heeft altijd een breed roer met een kop, meestal versierd met een in snijwerk uitgevoerde vogel.

Evenals het Friese jacht is de tjotter voortgekomen uit de rondgebouwde bedrijfsboot, die vooral in het Friese waterland eeuwenlang in gebruik geweest is bij vissers, boeren en kleine handelaren. Voor zover wij hebben kunnen nagaan was de typische ronde vorm van voor- en achterschip nergens anders zo populair als juist in Friesland. Toen men zich bij stijgende welvaart een wat luxueuzere uitvoering meende te kunnen veroorloven heeft zich hieruit uiteindelijk het typische pleziervaartuig dat wij heden ten dage tjotter noemen ontwikkeld. Zijn definitieve gestalte verkreeg de tjotter in de tweede helft van de negentiende eeuw. In hoofdstuk 3 gaan wij hier dieper op in, waarbij zal blijken, dat het ontstaan van wedstrijdklassen van kleine boten in doorslaggevende mate is bepaald door de negentiende-eeuwse wijze van belastingheffing op schepen. In eerste instantie ontstond een klasse van boten met een lengte over de stevens van 4,40 meter, in de tweede helft van de eeuw gevolgd door een wedstrijdjachtje met een lengte van 4,80 meter; uitgedrukt in de oude namen, die na de in de vorige eeuw nieuw-ingevoerde metrische maten nog lang in gebruik bleven: 4 el 8 palm. Vandaar dat deze boot in het Fries "fjouweracht" werd genoemd

De naam Tjotter

Merkwaardig is overigens, dat de naam tjotter - in tegenstelling tot wat men zou denken - niet van Friese oorsprong is. Voor zover bekend duikt deze benaming voor het eerst op in 1847 bij zeilwedstrijden in Amsterdam. Buiten Friesland werd het gewoonte om elk open rond jacht zonder roef met deze naam aan te duiden, ongeacht de lengte en zonder onderscheid in kenmerken, hetgeen zich handhaafde tot ver in de 20ste eeuw. Bijvoorbeeld, in het reglement voor zeilwedstrijden, opgenomen in het "Handboekje van de Verbonden Zeilvereenigingen" (opgericht in 1890 en voorloper van het huidige Koninklijk Nederlands Watersport Verbond KNWV) uit 1922, vindt men in Deel V: "Klassen van Ronde en Platbodemjachten", vermeld:

In de klassen OD, OE en OF worden alleen opgenomen tjotters (waarbij ook zgn. "Friesche jachten")....
De maximum lengte in de klasse OD bedroeg 7 meter, in de klasse OE 5,60 meter en in de klasse OF 4,80 meter.


De naam tjotter is hier dus inderdaad een verzamelnaam voor alle open ronde jachten tot de grootst voorkomende (c.q. toegelaten) lengte van 7 meter. In tijdschriften als "De Watersport" (voor het eerst verschenen in 1912) en "Ons Element" (vanaf 1920) komt men in verslagen van zeilwedstrijden voortdurend deze betiteling tegen. Vaak werden de klassen aangeduid als "Groote tjotters", "Middel tjotters" en "Kleine tjotters".

In Friesland werden van oudsher alle open ronde zeilvaartuigen boot genoemd, ook de grotere. In de bewaard gebleven werfboeken van de vermaarde negentiende-eeuwse scheepsbouwer Eeltje Holtrop van der Zee (1823-1901) komt de aanduiding "tjotter" in het geheel niet voor. De vele tientallen door hem gebouwde open zeilschepen heten meestal eenvoudig "boot", uiteraard vaak nader gespecificeerd als "vissersboot", "schippersboot" of "boereboot". Pas bij zijn zoon Auke van der Zee (1853-1939), die de werf na de dood van zijn vader voortzette, verschijnt in 1916 voor het eerst de aanduiding tjotter voor een plezierjachtje van 4,80 m. Daarentegen vinden wij in de werfboeken van Van der Zee enkele malen de benaming jagt gebruikt. Dit blijft echter beperkt tot vaartuigen met een lengte van ongeveer 6 meter of meer, hoewel voor volstrekt vergelijkbare schepen evengoed de algemene benaming boot voorkomt. De benaming "boot" duidt er ons inziens op, dat het betreffende vaartuig in overwegende mate was bestemd voor dagelijks gebruik, dus voor personenvervoer en/ of voor bedrijfsdoeleinden. Het waterrijke gedeelte van Friesland kende immers in de 19de eeuw over het algemeen meer goede waterwegen dan landwegen. In die streken werden destijds snelvarende beurtvaarders wel met de term "jagt" aangeduid. Het gebruik door Van der Zee van het woord "jagt" voor luxueus uitgevoerde grotere vaartuigen zou dan betekenen dat de eigenaar, vaak een vermogende fabrikant of handelaar, zijn snelvarend schip ook wel gebruikte voor langere zakenreizen. Buiten Friesland werden deze schepen dan "Friesch jacht" genoemd.

Friese benaming Boot

De Friese benaming van het in dit boek behandelde scheepstype was in de negentiende eeuw dus algemeen boot, in Friese spelling boat. Een boatsje is dus een kleine "boat", d.w.z. een kleine tjotter. De benaming "boatsje" is tot op de huidige dag in gebruik gebleven voor de kleinste ronde jachtjes, in het bijzonder voor die met een eenvoudige bouwwijze, waarbij de huid boven het vlak uit slechts één of twee betrekkelijk brede gangen bestaat, die hoekig op het vlak aansluiten; in het volgende hoofdstuk stellen wij de bouwwijze uitvoeriger aan de orde. Naast de voornamelijk voor het hardzeilen bestemde grote wedstrijdtjotters, de zgn. "fjouwerachten", was er, zoals we later bij de analyse van de tjotterproductie van enkele Friese scheepsbouwers zullen zien, ook altijd vraag naar een categorie van kleinere ronde zeilbootjes. Deze werden soms zeer fraai versierd met snij- en koperwerk. Dergelijke sierbootjes werden in vroeger dagen wel gebruikt door (oudere) kinderen van ver-mogende of adellijke lieden om zich op vijvers van landhuizen met spelevaren te vermaken. Een fraai voorbeeld van zo'n sierbootje, in 1883 gebouwd door Eeltje Holtrop van der Zee, zullen we in dit boek nog tegenkomen. Ouder nog zijn de sierbootjes in de vijver achter het Paleis Soestdijk op de foto uit 1865; zij moeten hebben toebehoord aan Prins Hendrik de Zeevaarder.
Zijn dergelijke kleine scheepjes uitgerust met berghouten, beretanden, kluisborden en een smal roer met leeuwtje, dan wordt zo'n sierbootje een boeierke genoemd. Deze scheepjes waren meestal slechts ingericht om mee te roeien, bijvoorbeeld als bijbootje bij een grote boeier (zie foto), soms kon er ook mee gezeild worden. Als voorbeeld hebben hiervoor ongetwijfeld de professionele schippersbijboten gediend. Achter het moederschip gesleept, moesten deze beschermd worden tegen vaak onzachte aanraking met andere schepen of met vaste objecten als palen en beschoeiing in of langs het vaarwater; zij werden daarom rondom met een stoot- of berghout uitgerust. Een voorbeeld van een dergelijk luxueus uitgevoerd boeierke dat als bijbootje heeft gediend, wordt bewaard in het Fries Scheepvaart Museum. Het werd in 1921 gebouwd door Auke van der Zee, Eeltjes zoon.

Zoals we reeds zagen was dus in Friesland in de vorige eeuw de benaming "tjotter" aanvankelijk onbekend. Bij het hardzeilen verschenen aan de start behalve vracht- en beurtschepen vaak de volgende klassen: "Boeijers" (met roef), "Jagten", "Booten" en "Bootjes" in volgorde van afnemende grootte. Onder invloed van de toenemende contacten met pleziervaarders uit "Holland" verschijnt dan in 1882 voor de eerste maal de naam "tjotter" in de deelnemerslijst van de Zeilvereeniging "Sneek". Bij andere Friese zeilverenigingen blijft de betiteling "boot" nog lang gehandhaafd. Bijvoorbeeld: Bij de Zeilvereeniging "Oostergoo" is in 1882 de 2de klasse opengesteld voor "Jagten en Boeijers", de 3de klasse voor "Booten boven 4,8 meter tot 6,2 meter". Nog in 1919 vermeldt het programma van deze vereniging in de 5de klasse "Jachten en Booten (bestuurd door heeren liefhebbers)". Bij de Zeilvereeniging "Frisia" vindt men deze benamingen nog tot 1924. In het wedstrijdreglement, dat de Noord-Nederlandsche Watersportverenigingen in hun vergadering van 7 juni 1921 vaststelden, onderscheidde men een klasse van "Boeiers" (lengte t/m 9 meter) en drie klassen open schepen, die als "Jacht" worden aangeduid (lengten tot resp. 7 m, 5,60 m en 4,80 m).
In dit reglement worden alle open ronde zeiljachten dus "jacht" genoemd, ook de kleinste beneden 4,80 meter. Opvallend is, dat de grenzen tussen de klassen dezelfde zijn als die welke in het Handboekje van de Verbonden Zeilvereenigingen in 1922 voor de tjotterklassen OD, OE en OF werden vastgesteld. Dat wijst er op, dat op dit punt overleg heeft plaats gehad tussen de beide organisaties. Dat blijkt ook uit de toevoeging in het "Hollandse" reglement achter tjotters: "waarbij ook zgn. Friesche jachten". Het feit, dat dezelfde typen ronde jachten in Holland "tjotter" en in Friesland "jacht" genoemd werden, vormt een duidelijk bewijs ervoor, dat de naam tjotter niet van Friese oorsprong is.

Fjouweracht

Geleidelijk aan werd de naam tjotter ook in Friesland geaccepteerd, maar de naam bleef daar beperkt tot de klasse van boten van 4,80 meter en daaronder. De grootsten daarvan, die met een lengte van 4,80 meter net vrij van belasting bleven, werden zoals we zagen "fjouwerachten" genoemd. Deze hadden soms een breedte van circa 2,40 meter, dus een lengte-breedte verhouding van ongeveer 2 : 1.
Tot de ontwikkeling van dit type heeft met name de reeds genoemde scheepsbouwer Eeltje Holtrop van der Zee in hoge mate bijgedragen. In later jaren onderscheidt men dan in Friesland twee klassen van wedstrijdtjotters, en wel grote tjotters (deze fjouwerachten) en kleine tjotters, een in 1923 door de Noord Nederlandsche Watersport Bond (NNWB) formeel ingestelde klasse met maximale afmetingen van 4,70 x 1,70 meter. De 19de-eeuwse klasse van boten met een lengte van 4,40 meter was omstreeks de eeuwwisseling uitgestorven.
In Holland is de benaming tjotter nog lang in gebruik gebleven voor alle typen open ronde jachten, zoals blijkt uit wedstrijdverslagen uit de jaren twintig en dertig van bijvoorbeeld de K.Z.M.V. "De Kaag", de Rotterdamsche Z.V., de Z.V. "Hillegersberg" en de W.V. "Loosdrecht". Dit komt ook duidelijk tot uitdrukking in het Nederlandsch Jachtregister van 1924-25, een gezamenlijke uitgave van de Toeristenbond voor Nederland (ANWB) en de Koninklijke Verbonden Nederlandsche Watersportvereenigingen (KVNWV). Met dit register poogden deze organisaties een inventarisatie te geven van alle op dat moment in Nederland in gebruik zijnde pleziervaartuigen, zowel zeiljachten als motorjachten. In totaal staan in dit Jachtregister 1395 zeiljachten vermeld, waaronder 231 houten ronde jachten. Van deze laatste hebben er 69 de typeaanduiding "boeier", 3 staan als "open boeier" vermeld, 9 als "Friesch jacht" en 150 als "tjotter". De naam "tjotter" is hier dus nog geheel dominerend, want meer dan de helft van deze tjotters heeft een lengte van 5 meter of meer, tot 7,8 meter toe; naar hedendaagse norm zouden deze schepen tot de Friese jachten gerekend moeten worden.

Samenvattend concluderen wij als volgt:

Het onderscheid, dat wij tegenwoordig (terecht) maken tussen Fries jacht en tjotter, is van betrekkelijk recente datum. Alle open ronde jachten werden eertijds in Friesland boot genoemd, elders heetten zij tjotter. In Friesland was de naam tjotter aanvankelijk onbekend. Onderscheid in grootte of bouwwijze kwam door deze uniforme benaming niet tot uitdrukking. Met het opkomen van de georganiseerde watersport na 1890 vond de naam tjotter echter ook verbreiding in Friesland. Zij bleef daar echter beperkt tot de kleinste onder de ronde jachten.
Pas na het ontstaan van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten in het begin van de jaren vijftig werd deze Friese gewoonte overgenomen en maken wij systematisch onderscheid in de typenamen Fries jacht en tjotter.
Onder tjotter verstaan wij dus heden ten dage een open rond jacht met een lengte over de stevens van niet meer dan ongeveer 4,80 meter, zonder berghouten, kluisborden en beretanden en met een breed roer. De grootste daarvan met een breedte van 2,20 tot 2,40 meter worden in Friesland nog steeds "fjouweracht" genoemd.
Daarnaast kent de schepenlijst van het Stamboek Ronde en Platbodemjachten een categorie boatsjes , waarmee de kleinere meer eenvoudig gebouwde ronde scheepjes worden aangeduid. Onderscheid tussen een "kleine tjotter" en een "boatsje" is echter nauwelijks te maken; wij zullen in het vervolg dan ook beide benamingen door elkaar gebruiken.
Kleine ronde sierbootjes met berghoutjes, kluisborden, beretanden, veelal met een smal roer, staan te boek als boeierkes.

Bouwwijzen en rompvormen

Wij zagen al, dat de tjotter als pleziervaartuig is voortgekomen uit de Friese "boot", zoals ronde zeilvaartuigen in Friesland werden genoemd. Deze boten werden in de waterrijke gedeelten van deze provincie in grote aantallen gebruikt door vissers, boeren en handelaren voor het vervoer van goederen en personen. De eenvoudigste bedrijfsboten hadden een romp bestaande uit een breed plat vlak, waarop één of twee gangen hoekig aansloten met daarboven een enigszins schuin naar binnen vallend boeisel. Ze werden wel Ulster-boten genoemd'. De heer Gj. Schutten te Vries heeft deze bedrijfsboten uitvoerig bestudeerd en verschillende ervan opgemeten en in tekening gebracht. Hij was zo welwillend enkele van deze tekeningen ter illustratie in dit boek af te staan.
De bouwwijze waarbij slechts enkele brede gangen werden toegepast is bepalend voor de hoekige vorm van de dwarsdoorsnede van deze scheepjes. Afb. 2.1 toont het grootspant van een ééngangs boot. Deze is opgebouwd uit een breed plat vlak met daarboven één enkele brede huidgang. Om voldoende ronding in voor- en achterschip te krijgen wordt het vlak, smal uitlopend, hoog tegen voorsteven en scheg opgetrokken. De meeste ééngangsboten waren zeer eenvoudig uitgevoerd, zonder enige versiering. Dat deze bouwwijze in handen van een bekwame bouwmeester niettemin tot een zeer fraai resultaat kan leiden, bewijst het model van een zgn. grasboot, dat zich bevindt in het Fries Scheepvaart Museum in Sneek. Met name draagt hiertoe ook bij de vormgeving van het boeisel en de verdeling hiervan in een blankgelakt en een geverfd gedeelte, waarbij in het geverfde deel eenvoudige versieringen ter plaatse van de gillingen zijn aangebracht.

Door toepassing van meer en smallere gangen was de scheepsbouwer in staat een meer elegante, rondere vorm te bereiken, niet alleen op het grootspant, maar vooral ook in voor- en achterschip. Een voorbeeld van een driegangsboot is de omstreeks 1840 door Feitje Teadzes Holtrop gebouwde tjotter "Stêdflecht": Afb. 2.2 toont een tekening waarin voor- en achteraanzicht zijn gecombineerd. Dit is een voorbeeld van een fraai uitgevoerde bedrijfsboot, met een lengte van 4,35 m tevens een vroeg voorbeeld van een zgn. fjouwerfjouwer. Bij overwegend voor pleziervaart bestemde boten werden nog rondere vormen nagestreefd. Afb. 2.3 toont de geheel ronde spantvorm van de in 1907 door, Lolke Lantinga gebouwde tjotter "Vrouwe Anna Beatrijs". De huid boven het hier geheel rondgebouwde vlak is bij deze tjotter opgebouwd uit vijf betrekkelijk smalle gangen. In de negentiende eeuw, toen pleziervaart nog een tijdverdrijf voor enkelen was en de vraag naar plezierjachten betrekkelijk gering, was het vooral de Jouwster scheepsbouwer Eeltje Holtrop van der Zee die zijn stempel heeft kunnen drukken op het houten ronde plezierjacht. De rompvormen die deze artistieke bouwmeester wist te realiseren, konden alleen bereikt worden door ze op te bouwen uit een groot aantal in de vereiste vorm gebrande smalle gangen. Eeltje Holtrop van der Zee en ook zijn zoon Auke van der Zee bouwden hun boeiers en jachten bijna altijd met een gepiekte bodem, dat wil zeggen dat de doorsnede ter plaatse van het hoofdspant de vorm van een accolade benadert. Ook de op hun werf in Joure ontstane fjouweracht tjotters hebben alle zo'n gepiekte bodem.

Afb. 2.4 toont de spantvorm van de in 1891 gebouwde tjotter "Albert en Nelly", waaruit een en ander duidelijk blijkt. Een typerend kenmerk van de Friese jachten en fjouwerachten van de Van der Zee's is het verloop van de gangen in het voorschip. De bovenste gangen buigen, alvorens tegen de steven aan te sluiten, iets terug, waardoor de typisch bolle konen ontstaan. Het is evident, dat dergelijke vormen alleen te bereiken zijn met smalle gangen.
De ronde plezierjachten van Van der Zee, esthetisch zeer fraai van vorm en met houtsnijwerk van hoge kwaliteit, vormen in feite het eindpunt van een ontwikkeling. Immers, na omstreeks 1900, toen door stijgende welvaart de vraag naar kleine pleziervaartuigen toenam, werden de bouwers van traditionele ronde jachten in toenemende mate geconfronteerd met het populair wordende en betrekkelijk goedkoop te bouwen scherpe jacht. Om te kunnen concurreren werden zij gedwongen tot kostenbesparing door eenvoudiger constructie en minder luxueuze uitvoering. De vele tjotters en kleine Friese jachtjes, die de Lantinga-werf in IJlst in de eerste twee decennia van deze eeuw voornamelijk voor Hollandse rekening bouwde, zijn dan ook eenvoudiger, dus goedkoper gebouwd dan die van Van der Zee. Het vlak dwars op de scheepsas is plat of bijna plat en de hoger liggende vrij brede huidgangen sluiten hier met een hoekige kim op aan. Zoals we zagen, ontstaat na omstreeks 1920 in Friesland een opleving van de belangstelling voor een kleiner type wedstrijdtjotter met maximum afmetingen van 4,70 x 1,70 meter. De bouwwijze van deze boten was over het algemeen zeer eenvoudig met één of twee gangen tegen een plat vlak, zoals in afb. 2.1.

Hoewel de rompvormen, tot uiting komende in de diverse vormen van het grootspant als hierboven getoond, nogal kunnen verschillen, wijken de eigenlijke constructies niet wezenlijk van elkaar af. De bouwwijze van de grotere tjotters met een meer verfijnde vormgeving vormt een logische ontwikkeling van die van de eenvoudige ééngangsboot. Wij zullen ons daarom beperken tot de beschrijving van een fjouweracht met gepiekte bodem. Deze bouwwijze is al zeer oud. Men vindt ze al toegepast bij Noormannenschepen. Het voordeel van een gepiekte bodem ten opzichte van een vlakke bestaat uit een relatief groter lateraal oppervlak, wat de drift beperkt.

De 19de-eeuwse bouwers van binnenvaartuigen maakten nog geen gebruik van ontwerptekeningen. Hoogstens werd, nadat de voor- en achtersteven waren geplaatst, een model van het grootspant "losvast" opgezet, zoals J. Hoogeveen vertelt in zijn minutieuze beschrijving van de bouw van een boeier op de Jouw-ster werf, waar hij enige jaren medewerker was van scheepsbouwer Auke van der Zee. Slechts met hulp van deze drie steunpunten, de beide stevens en het hulp-grootspant werd de beplanking van onder naar boven opgebouwd. De inhouten, die de huiddelen onwrikbaar moeten verbinden, werden - hierbij passend - later aangebracht. De scheepsvorm ontstond dus "op het oog", waarbij ervaring en artisticiteit van de bouwmeester bepalend waren voor het resultaat. Hierna volgt de beschrijving van de eerder genoemde tjotter "Albert en Nelly" (ex "Marnocht"), waarvan in 1934 opmetingstekeningen verschenen in het tijdschrift "De Golfslag"'. De hier gegeven beschrijving geschiedt aan de hand van opmetingstekeningen die de auteur van dit boek in 1973 heeft gepubliceerd.

Tuigage

Voorheen waren kleinere tjotters en bedrijfsbootjes wel getuigd met een spriettuig, waarbij de fok zonder voorstag werd gevaren . Zoals alle ronde jachten is de hedendaagse tjotter getuigd met een bezaantuig met de volgende typische kenmerken:

  • Grootzeil en fok zijn vervaardigd uit verticale banen
  • Het grootzeil heeft een gebogen gaffel en een rondgesneden losse broek en is door middel van rakbanden met kralen aan de mast bevestigd.
  • De fok, verbonden aan een voorstag, is gehalsd op een ijzeren botteloef.

De meeste van de hierna te beschrijven bijzonderheden zijn af te lezen in het hierbij afgebeelde zeilplan van de "Albert en Nelly" (afb. 2.14).

Afb. 2.14
Afb. 2.14

De zeilen worden gedragen door een vrijstaande mast. De fok is gehalsd op een smeedijzeren botteloef met opsteker (zie ook afb. 2.13). Het achterste gedeelte, de eigenlijke botteloef, is bevestigd aan de voorsteven, gestoken door een rechthoekig gat in het boveneinde hiervan. De opsteker is op ingenieuze wijze, gestoken door een vierkant gat vooraan de botteloef, met slechts één moer bevestigd aan het oog voorop de steven. Het bevestigingspunt van de voorstag, wanneer de grootste fok wordt gevoerd, bevindt zich dan op 1,20 m vóór de voorsteven, d.w.z. op 3 m voor de mast. De water- en boegstagen, die de opsteker steunen, bestaan uit ijzeren staven met een dikte van 1,5 resp. 1,0 cm. Al dit ijzerwerk is nog origineel.
De totale lengte van de mast van onderkant voet tot de top bij de vleugel bedraagt 9,20 m. Het gedeelte tussen het draaipunt en de krans (ook hommer genaamd, het verdikte achtkantige gedeelte onder de top) is 7,25 m. De 13 cm vierkante voet is onderaan verzwaard met loden contragewichten van in totaal 100 kg. Boven het draaipunt neemt de diameter eerst slechts langzaam af en is halverwege de hommer nog altijd 12 cm. De ruim 1 m lange top draagt twee hanepoten, de bovenste voor het kraanlijnblok, de onderste voor het tweeschijfs zeilvalblok. Helemaal op het topje van de mast bevindt zich het vleugelhekje met rode vleugel.
Het oppervlak van grootzeil plus fok, de rondingen van de lijken meegerekend, bedraagt 26,4 m2 en is vèrdeeld als volgt: grootzeil 17,7m2 en fok 8,7 m2. Het oppervlak van de fok is ongeveer de helft van dat van het grootzeil; dit is in overeenstemming met een voor ronde jachten veel voorkomende regel. In het grootzeil bevinden zich drie rijen knuttels, waarmee het drie maal steeds met ongeveer 1/6 gedeelte kan worden verkleind. Behalve de getekende grootste fok zijn nog aanwezig een middelfok van ca. 6,7 m2, die nog een keer gereefd kan worden en een stormfok.
De giek is 4,20 m lang. Halverwege de lengte is de diameter het grootst, nl. 11,5 cm, aan de uiteinden teruglopend tot 5 cm. De onderkant is recht, de bo-venkant bol. Het aangrijpingspunt voor de zeilschoot ligt nog vóór het midden gerekend vanaf de lummel. De schoot is geschoren door zware tweeschijfs blokken. Het bovenste blok heeft een hondsvot, het hakblok een korvijnagel, waarop de schoot belegd kan worden.
Het grootzeil is met 6 rakbanden voorzien van kralen aan de mast bevestigd. Elke middelste kraal heeft een afwijkende vorm en is doorboord, zodat hier een katteval doorheen gevoerd kan worden. Het grootzeil wordt gehesen met een enkele val. Bijzetten en strijken kan daardoor snel plaatsvinden; vooral het laatste is van belang om rustig aan wal te kunnen schieten. Het trimmen van het grootzeil moet geheel met de halstalie worden gedaan. Het onderste halstalieblok (met hondsvot) heeft zijn bevestigingspunt op het mastspoor aan de voet van de mastkoker on¬der de mastbank. In deze laatste zijn in een rechthoek vier gaten geboord waar de halstalie doorheen gevoerd wordt. Tegen de achterzijde van de doft is een messing kikker bevestigd waarop de halstalie wordt belegd.
De fok is met leuvers aan de voorstag verbonden en met een kettinkje nabij het einde van de opsteker gehalsd. Het bovenste stagtalieblok heeft de vorm van een zwanenhals.
De beide fokkenschoten zijn dubbel geschoren. Aan de schoothoek van de fok bevindt zich het voor ronde jachten karakteristieke dubbele fokkeschootblok. Het vaste part wordt op de voorste, horizontaal doorboorde, doftknie bevestigd, het halende part loopt door een bronzen leioog, dat op de mastbank is aangebracht. Het fokkeval is uitgevoerd als dubbele jol met twee enkele blokken. Voor het beleggen van zeilvallen, kraanlijn en katteval zijn aan de mastkoker aangebracht twee halve klampen en een knecht met twee korvijnagels. Voor de vlaggenlijn is bovendien nog een klein metalen klampje aanwezig.
Vermeld zij nog, dat vroeger tijdens wedstrijden veel gebruik gemaakt werd van bijzondere zeilen, zoals bijvoorbeeld een kluiver. Op ruime en voordewindse rakken zette men dan een voordewinder of jager bij, een driehoekig bol zeil van licht doek. Dit werd bij ruime wind gehalsd aan de nok van de kluiverboom, voor de wind werd het dwars uitgeboomd met de zgn. jagerspier. De "Albert en Nelly" heeft nooit een kluiverboom gehad. Of er ooit een jager op gevoerd is weten we niet.

Versieringen en afwerking

Vanouds is het gebruikelijk geweest zeilschepen te versieren met houtsnijwerk en kleurig verfwerk. De toepassing van kleur bij schepen dient algemeen om een overigens blank gelakte of geverfde romp te verlevendigen, het verloop van lijnen te accentueren en bijzondere onderdelen te doen uitkomen. In de zeventiende en achttiende eeuw nam deze versierkunst overdadige vormen aan, vooral bij zeegaande handels- en oorlogsschepen. Als teken van welstand van de eigenaar bleef deze gewoonte bij pleziervaartuigen, zij het op betrekkelijk bescheiden schaal, in zwang tot het einde van de negentiende eeuw. De door Eeltje Holtrop van der Zee en Auke van der Zee gebouwde boeiers, jachten en tjotters zijn alle, zowel inwendig op bedel- en hennebalk, als uitwendig met zeer fraai uitgevoerd houtsnijwerk versierd. Dit snijwerk werd meestal verguld met bladgoud op een witte ondergrond. In plaats van bladgoud werd ook wel kleur gebruikt. Overigens is de toepassing van kleur bij ronde jachten zeer sterk door traditie bepaald. Er heeft zich in de loop van de tijd een bepaald kleurenschema uitgekristalliseerd; afwijkingen hiervan leiden, naar ervaring leert, tot onbevredigende resultaten. Het hierna te beschrijven kleurenschema, zoals we dit op de "Albert en Nelly" aantreffen, mag met kleine variaties als een voorbeeld gelden.
Het bovenste gedeelte van het boeisel is zwart geverfd in contrast met de blank gelakte romp. Een witte kraal begrenst het zwarte vlak en accentueert daardoor de zeeg. Ter verlevendiging van het zwarte gedeelte van het boeisel zijn hierin drie biezen ingeschaafd, die helder groen zijn geverfd. De kop van de voorsteven en de verdikte koppen van de zwaarden zijn eveneens zwart geverfd met een witte afzetting. De koppen van de spanten (de oplangers) zijn wit, aan de bovenkant afgewerkt met een rood vlakje. Het binnenboeisel is helder blauw geverfd, de versterkingsklamp ter plaatse van de zwaardophanging is groen met een rode bovenrand. De stuurbank en het voor¬dek zijn blank gelakt. In de kuip zijn de kistbanken en de buikdenning in grijze kleur geverfd. De top van de mast is zwart. Het ijzerwerk van de botteloef en zijn verstaging is in de aluminium verf gezet.
We wezen er bij de bespreking van afb. 2.12 reeds op, dat de gillingen aan de boeiselrand functioneel begeleid worden door in een krul uitlopende blader-takken die tot dicht bij de stevens doorlopen. Ook de bedel- en hennebalk zijn van snijwerk voorzien. Op de hennebalk ontspringen eikelooftakken met eikels uit een midscheeps geplaatst mandje, op de bedelbalk vinden we hetzelfde patroon van door elkaar slingerende takken en bloemen, dat ook voorkomt op andere door de Van der Zee's gebouwde jachten en tjotters. In de kop van het roer is, zoals bij de meeste andere tjotters, aan weerszijden de traditionele vogel gesneden, de kop neerwaarts gebogen met in zijn snavel een takje; een verwijzing naar de duif die aan Noach de olijftak brengt na de zondvloed. In de zijkanten van de helmstok zijn takken uitgesneden, het uiteinde heeft de vorm van een druiventros. Het meeste snijwerk is niet verguld, maar geel geschilderd, met accenten in rood, blauw en groen (het mandje op de hennebalk, de takken op roer en helmstok).
Tenslotte treffen wij bij deze tjotter, zoals bij alle ronde jachten van Van der Zee, op verschillende plaatsen koperbeslag aan: Op de koppen van de zwaarden, de bovenkanten van de boeisels in voor- en achterschip tot en met de gillingen, de bovenkanten van bedel- en hennebalk, de bovenkant van de roerkop en de achterkant van het roer en de helmstok. Op de zwaardkoppen bevindt zich rondom het draaipunt een achtpuntige koperen ster.

Slotopmerkingen

In onze eerdere publicatie over het Friese jacht hebben wij betoogd, dat voor Friese jachten het berghout van essentieel belang is voor het verkrijgen van een hechte en stijve constructie. De afwezigheid hiervan bij de tjotter, overigens een kenmerkend onderscheid ten opzichte van het Friese jacht, blijkt bij de grotere exemplaren, met name bij de "fjouwerachten" een zwak punt te zijn. Met deze toch betrekkelijk kleine schepen werd in vroeger dagen tijdens wedstrijden zeer fel gestreden, waarbij gevaren werd met zeiloppervlakten tot soms meer dan 35m2 en het gebruik van kluivers en jagers regel was. De constructie werd daarbij vaak aan te grote krachten blootgesteld, waartegen zij eigenlijk niet bestand was. De gevolgen werden later zichtbaar, vooral bij slecht onderhoud. Doordat het verband onder invloed van deze grote krachten te lijden had, werd de constructie slapper. Op twee plaatsen kwam dit tot uiting: Bij het zeilwerk (de mastbank met de hoofdspanten), dat onderworpen is aan de enorme zijdelingse krachten die de mast erop uitoefent, en in de kop, waar de voorzeilen via de voorstag grote krachten op de voorsteven uitoefenen. Het gevolg is, dat bij veel grote tjotters door dit slapper wordende verband op den duur de kop wat is gaan uitzakken. Wij zullen hiervan nog voorbeelden tegenkomen.
 



Friesch bootje

In 1909 heeft W.K. Versteeg een gouache gemaakt van een 'Friesch bootje' (waarschijnlijk het Wilhelminabootje), met op de achterzijde een aantekening van Nanne Ottema: 'Zie catalogus Tentoonstelling Scheepsbouw Delft 1907 (E. v. Konijnenburg - De Nederlandse Scheepsbouw). Een bootje als dit lag vroeger in den vijver in den Prinsen Tuin te Leeuwarden'.

Afbeelding van een tjotter, waarschijnlijk het Wilhelminabootje. Gouache W.K. Versteeg, assistent E. van Konijnenburg.
Afbeelding van een tjotter, waarschijnlijk het Wilhelminabootje. Gouache W.K. Versteeg, assistent E. van Konijnenburg.

Meer informatie in de Stichtingsmonografieën

Tussen 1977 en 1990 verscheen een reeks artikelen die gebundeld werden in twee ringbanden, in totaal 465 's tekst + illustraties, de z.g. Stichtingsmonografieën. Ze werden aan de toenmalige donateurs toegezonden maar zijn verder niet in de boekhandel verkrijgbaar.

2 19 - 29 De 'Fjouwerachten' van Eeltje Holtrop van der Zee en Auke van der Zee
3 30 - 39 Beschrijving van de tjotter 'Albert en Nelly’
17 284 - 302  De scheepswerf Lantinga te IJlst
30 451 - 453 Eeltje Holtrop van der Zee en zijn familie

Literatuur