Sabijn

Sabijn

De 'Sabijn' is in een reeks van meerdere Lemsteraken ontworpen en gebouwd door Siep van Houten uit Westerbroek (Gr.) op zijn werf Phoenix bv. Vanaf 1982 heeft de 'Sabijn' vrijwel elk jaar een zeereis(je) gemaakt. Haar romplengte meet ruim 13 m. (sluismaat 14,5 m.), een ideale maat vinden (oud-eigenaren) Marina (52) en Jan (57) Ufkes: "Niet te groot, zodat meestal nog een ligplaats te vinden is in een (vissers)haventje, maar groot genoeg om er dagenlang comfortabel mee te zeilen". 

Een punt van discussie is nog altijd het gedrag van een lemsteraak in zeegang. Schepen met een plat- of een rondvlak vertonen een tamelijk onrustig gedrag (schommelen) en zullen bovendien weinig koersstabiel zijn. De zeetjalken van vroeger losten dit probleem op door altijd met vracht of anders met vervangende ballast te varen, waardoor hun diepgang fors toenam (met soms wel een meter) hetgeen (koers)stabiliteit garandeerde. Bovendien was het dan niet nodig een (op zee kwetsbaar) zwaard te steken bij een aan-de-windse koers. De 'Sabijn' heeft een onder het hele vlak doorlopende, 10 cm brede, massief stalen scheg van ongeveer 30 cm hoog, waardoor de uiteindelijke diepgang 1,20 m. is. Niet alleen de koersstabiliteit is daardoor aanzienlijk beter, maar door het gewicht is ook de kenterhoek groter dan 90°.

Eigenschappen

Plaquette nummer:1473 Zeil nummer: VA94
Categorie:D Tekening nummer:
Type:Lemsteraak

Bouw

Bouwjaar:1978 Ontwerper:Siep van Houten
Werf:Phoenix bv Werf plaats:Westerbroek
Motor:Inbouw Motor type:
Materiaal romp:Staal Materiaal kajuit:Staal
Materiaal zeil:Dacron
Onderwaterschip:Rond Kiel:Kielbalk

Afmetingen

Lengte stevens:13,25 m Breedte berghout:4,25 m
Diepgang:1,20 m Masthoogte water:17,50 m
Oppervlakte grootzeil:56,00 m2 Oppervlakte fok:34,00 m2
Oppervlakte botterfok:0,00 m2 Oppervlakte kluiver:18,00 m2
Oppervlakte totaal:108,00 m2 Oppervlakte overig:0,00 m2

Tot nu toe bekende eigenaren en namen van het schip

1978 – 1979 S. van Houten ( Sabijn)
1979 – 2010 J.G.R. Ufkes ( Sabijn)
2010 – Nu (laatst bekend) O.B.N. Klazinga, Bussum ( Sabijn)

Geschiedenis

1978

1978

1978: Advertentie Scheepsbouw Phoenix Westerbroek (Gn) in "De Watersport"

2004

maart 2004

maart 2004: SdZ april 2004 nummer 3 - De Lemsteraak Sabijn, een ontwerp van Siep van Houten

Aanvankelijk werd met een ruime bemanning gezeild, waaronder vaak trainees die op navigatiegebied en het zeilen op zee de nodige ervaring op wilden doen. De laatste tien jaar wordt het schip doorgaans alleen door het echtpaar bemand. Een dergelijke minimale bemanning noodzaakt voor de oversteken die meerdere dagen en nachten kunnen duren, in ieder geval de aanwezigheid van een betrouwbare stuurautomaat (Robertson AP45), vinden zij. "Op de hand sturen op een knobbelige zee, houd je niet lang vol", benadrukt Marina. Daarbij is het erg belangrijk onder alle omstandigheden de zeilvoering dusdanig te kunnen trimmen dat de stuurautomaat alleen kleine correcties hoeft uit te voeren. Het schip dient zichzelf dus te sturen. Wat de zeewaardigheid betreft, zijn er volgens Jan weinig scheepsvormen die het van een lemsteraak winnen. "Het probleem is wél dat de kuip van een aak vaak veel te groot is. Als die zou vollopen, gaat het schip zich heel anders gedragen en dan heb je echt een probleem. Bij de Sabijn is dat opgelost door de gangboorden naar achteren te laten doorlopen, waardoor de kuip relatief klein is", aldus Jan. "Overigens hebben wij in al die jaren op zee nog nooit vast water in de kuip gehad".

Een Lemsteraak in zeegang

Een ander punt van discussie is nog altijd het gedrag van een Lemsteraak in zeegang. Schepen met een plat- of een rondvlak vertonen een tamelijk onrustig gedrag (schommelen) en zullen bovendien weinig koersstabiel zijn. De zeetjalken van vroeger losten dit probleem op door altijd met vracht of anders met vervangende ballast te varen, waardoor hun diepgang fors toenam (met soms wel een meter) hetgeen (koers) stabiliteit garandeerde. Bovendien was het dan niet nodig een (op zee kwetsbaar) zwaard te steken bij een aan-de-windse koers.

pdf SdZ april 2004 nr03 - De Lemsteraak Sabijn Ontwerp Siep van Houten

2009

augustus 2009

augustus 2009: Spiegel der Zeilvaart augustus (en 4 volgend) 2009 nummer 6 - Zeilend door Zweden - Lemsteraak 'Sabijn' door het Götakanaal

In de zomer van 2007 zeilen Jan en Marina Ufkes met hun lemsteraak 'Sabijn' naar de Oostzee. Hun geplande eindbestemming is Hanzestad Tallinn in Estland. Door het extreme weer pakt een en ander echter heel anders uit. Ze komen niet verder dan het Zweedse eiland Gotland en de Oost-Zweedse scherenkust. Ze varen terug door het Götakanaal.
Door de aanhoudende stormachtige westenwind is het waterpeil in de Alter Hafen van Wismar maar liefst één meter gezakt. "Zo'n extreme verlaging hebben we al bijna dertig jaar niet meer meegemaakt", aldus de vriendelijke havenmeester. De afgelopen dagen zijn we echter door de elementen veroordeeld ons - gehuld in regenpakken en zuidwesters - in deze Hanzestad te vermaken.
Ruim een week daarvoor waren we met de 'Sabijn' uit Marken vertrokken met aanzienlijk beter weer. Voor het eerst hadden we als nieuwbakken pensionado's totaal geen haast. Tijd genoeg om ons reisdoel Talinn in Estland te bereiken. Een tussenstop op West-Terschelling, waar net het Oerol-festival was begonnen, leek een goed begin voor een maandenlange zwerftocht op de Oostzee. Helaas hadden we ons niet gerealiseerd dat Oerol dusdanig populair en massaal was geworden dat topacts al maanden van tevoren moeten worden geboekt. Al na een paar dagen, diverse fietstochtjes en slechts enkele, kleinere voorstellingen besloten we naar de Elbe-monding te varen. We zouden er rechtstreeks heen varen, omdat de langetermijn weersvooruitzichten niet al te best waren.
Hoewel we ons in Wismar geen moment ver-velen, zijn we na drie dagen blij dat we verder kunnen varen. Zij het voorlopig niet erg veel verder. Het weer is weliswaar voorzichtig aan het verbeteren, maar buitengaats waait het nog steeds stevig en staat er een enorme deining als gevolg van de langdurige storm. We besluiten op de fok naar Kirchdorf op het eiland Poel te zeilen, slechts zes mijl verderop.
Het Deense eiland Bornholm zouden we in elk geval moeten aandoen volgens de vele ervaringsdeskundigen uit onze kennissen-kring. Vanuit Kiihlungsborn is dat ongeveer honderdtwintig mijl verderop, dus een dag en een nacht varen. De vooruitzichten zijn goed, dus niets let ons van wal te steken. Met een zuidoostelijk briesje zeilen we langzaam langs de kust naar het noordoosten. Ter hoogte van de aanloop van Warnemünde - de voorhaven van Rostock - begint de wind wat aan te trekken en langzaam te krimpen naar oost. De 'Sabijn' is geheel in haar element, de snelheid is toegenomen tot vijf knopen en de zee is rustig. Ondertussen is de wind flink aan het toenemen en wat vervelender is, hij krimpt verder naar het noordoosten. Een rechtstreekse koers naar Bornholm lijkt er voorlopig niet in te zitten. Een aandewindse koers naar het Deense eiland Mön is nu het maximaal haalbare. Na een knobbelige tocht over een zee die gaandeweg onrustiger wordt door de toenemende wind, bereiken we vlak voor donker Klintholm Havn. We meren af in de, vrijwel lege, voormalige vissershaven, die tegenwoordig bestemd is voor zeilende charter-schepen.
Erg vrolijk worden we niet als we de volgende ochtend naar buiten en op de barometer kijken, waarna onze Weatherman ons ook nog eens informeert over onbestendig en stormachtig weer de komende dagen. Bornholm kunnen we voorlopig ook wel schudden, omdat de toenemende zuidoostelijke wind een tegenwindse koers zou betekenen.

Richting de oostkust van Zweden

De meedenkende havenmeester adviseert ons de beschutting van de hoge wal van de Han-bukten op te zoeken om minder last te hebben van de te verwachten harde westelijke winden.
De dagen daarna varen we via Simrishamn, een saai plaatsje met een prachtige, ruime jacht- en vissershaven, naar het rotseilandje Hanö dat ons meteen aanstaat. En dat is maar goed ook, want we verwachten er minstens een paar dagen verwaaid te liggen. Onderweg er naar toe begon het al flink te waaien en diezelfde avond wordt het stormachtig. In het schilderachtige, maar kleine haventje liggen we redelijk beschut.
Via Sandhamn, een ruim bemeten ex-marinehaven met niet al te veel faciliteiten, varen we vandaag op de Kalmarsund. Dit is het water tussen het vasteland en het langgerekte eiland Ölland. Later zeilen we een stukje verder noordwaarts. Langs de kust van het eiland, verscholen tussen het groen, ontwaren we prachtige landhuizen en af en toe op een wat hoger gelegen gedeelte een 'Hollandse' molen. Er zouden ongeveer 400 van deze oude molens op het eiland staan, de meeste in goede staat van onderhoud. We meren af langs een klein vissersschip in het schilderachtige haventje van Byxelkrok.
Een paar dagen later is het mooi zeilweer. De barometer is de afgelopen dagen uit een diep dal eindelijk weer opgekrabbeld. We bevinden ons nu in een gebied waarin het - volgens ervaringsdeskundigen - in deze maanden doorgaans zeer aangenaam, zacht weer dient te zijn. Zelfs op het subtropische af. Daar was tot nu toe bitter weinig van te merken en ook nu is het nog tamelijk koud. Gelukkig is het rustig en droog en laat de zon zich regelmatig zien. Met een gezapig gangetje van vier knopen zeilen we richting Gotland, dat zo'n 45 mijl verder naar het noordoosten ligt.
Het is rustig weer als we uitvaren. De zuid-oostenwind, de dalende barometer en de hoge sluierbewolking geven aan dat er wel wat gaat veranderen. Als Gotland bijna uit het zicht is, begint de wind in korte tijd fors toe te nemen en te ruimen naar zuid. In een uur tijd neemt de wind toe tot zes Beaufort met in de vlagen uitschieters van zeven à acht Beaufort. Aan de noordoostzijde van Gränso, een eilandje aan de overkant van Västervik, zoeken we een door hoge rotsen beschutte plek en laten het anker vallen. De volgende ochtend is de wind nauwelijks afgenomen en is naar het zuidwesten geruimd. Omdat we het gebied hier niet kennen en we naar verwachting kruip-door-sluip-door tussen de scheren zullen varen, hijsen we alleen de fok. De hoofdroute is weliswaar goed betond, maar als je een nevenroute volgt, wordt het meteen een stuk onduidelijker en loop je de kans dat je een verkeerde afslag neemt. Om de kans uit het roer te lopen uit te sluiten - zelfs met alleen een fok - in een nauwe vaargeul met aan weerszijden rotsen, besluiten we bij Fyrfjärden voor anker te gaan. Er zijn hier trouwens overal prachtige ankerplekken te vinden waar je, van alle kanten beschut, de nacht kunt doorbrengen.
De langetermijn weersverwachting van dien aard dat voorlopig een oversteek naar Helsinki of Tallinn er nog steeds niet in zit. We besluiten dan ook naar Nyköping te varen, de 'Sabijn' daar achter te laten en via Stockholm naar Schiphol te vliegen.

Het Götakanaal

trein van Stockholm naar NykOping ontmoeten we een Nederlands zeilersechtpaar, dat ons enthousiaste verhalen vertelt over hun tocht dwars door Zweden. Vanuit Göteborg kwamen ze via het Trollhättekanaal, de grote meren en het Götakanaal naar hier, de oostkust. Het is al hun derde passage en nog steeds zijn ze verrukt over wat ze hebben meegemaakt en zijn tegengekomen. Terug aan boord van de Sabijn pallaveren we onderling wat af. De huidige, ruige weersomstandigheden in aanmerking genomen is het nog steeds geen optie naar Helsinki of Tallinn over te steken. Bovendien is het al bijna augustus en willen we begin september terug zijn in Nederland, maar dit keer wel mét de 'Sabijn'. Dus moeten we zo langzamerhand aan de terug-reis gaan denken. Dezelfde vaarroute nemen als op de heenreis lijkt ons niet zo aantrekkelijk. Temeer daar we geattendeerd zijn op een heel aantrekkelijk alternatief: het Götakanaal. Een paar dagen later zeilen we door het scherengebied naar Mem, het beginpunt van het kanaal. Bij het sluiswachtershuisje moeten we het sluizengeld gaan betalen voor alle 58 sluizen die ons te wachten staan. Een snel rekensommetje leert ons dat uitgaande van de 21 beschikbare havens langs het kanaal we dan maximaal 105 dagen geen havengeld meer hoeven te betalen. Zo bekeken is het dus niet duur, vinden we. 
Bovendien krijgen we ook nog een heel pakket papier van haar mee met onder meer waterkaarten en uitvoerige instructies hoe je een schip in de sluizen moet afmeren tijdens het schutten. Nou zeg, dat hoef je varende Hollanders niet nog eens duidelijk te maken, vinden wij, die zijn er bij wijze van spreken mee groot gebracht. Toch blijkt de werkelijkheid wat weerbarstiger. Als we de lege sluiskolk van Mem binnenvaren, lijkt het alsof we een waterval tegemoet varen. Het water aan de andere kant van de sluis heeft duidelijk een hoger niveau dan de gesloten sluisdeuren, waardoor het water met donderend geraas over de sluisdeuren naar beneden stort de sluiskolk in, vier meter lager. 
Een paar dagen later arriveren we bij de zeventrapssluis van Berg. Voor het eerst in het traject moeten we enige tijd wachten voor we geschut kunnen worden. Een en ander is het gevolg van een brug die enkele uren defect was, zodat zich hier een flinke kluit boten heeft verzameld. Gelukkig is men hier nog ouderwets beleefd en gedisciplineerd, dus elk schip wordt hier op volgorde van aankomst geschut. Ook hebben zich hier vele honderden toeristen verzameld om het spektakel in de zeven sluizen gade te slaan en van commentaar te voorzien. Zeven sluizen achter elkaar en weer 25 meter hoger boven zeeniveau. Na in totaal 58 sluizen en diverse bruggen bruggen en zijn we in Sjötorp, aan het einde van het kanaal. 

Het vervolg en thuisreis

We maken ons op voor een aantal dagen op het Vänern, het grootste meer van Zweden en het grootste drinkwaterreservoir van Europa. Na onze prachtige zeiltocht over het Vänern is het voorlopig gedaan met het mooie weer in Zweden. Meteen na ons vertrek uit Vänersborg is het vanochtend hard gaan regenen. De eerste sluis van het Trollhättekanaal - dat in tegenstelling tot het Götakanaal nog steeds intensief door de beroepsvaart wordt gebruikt - bevindt zich een paar mijl zuidelijker bij Brinkebergskulle. Alle zes sluizen in het Trollhättekanaal zijn tegenwoordig geschikt voor schepen met een maximum lengte van 88 men 13,2 m breedte, dus van een geheel andere orde dan die in het Götakanaal. In totaal moeten ze een hoogteverschil overwinnen van 44 m. De laatste sluis ligt bij Lilla Edet, halverwege het kanaal. Aan het eindpunt liggen we enige dagen verwaaid in Göteborg. Hoewel het nog stevig waait - west 6 Bft, zo laat de windmeter weten - en het nog steeds erg gezellig is in Göteborg, bereiden we ons voor op onze thuisreis. De nodige riffen gaan in de zeilen, alles wordt weer eens na vele weken zeevast gemaakt, de reddingskragen en lifelijnen gaan om, de reis kan beginnen. We willen in één keer naar de Kleine Belt, Denemarken en vandaar uit onder de beschutting van Jutland naar Kiel-Holtenau. Dan is de cirkel rond, ons eerste en laatste rondje Zweden met de 'Sabijn'.

2013

We zijn zeer geïnteresseerd in uw opmerkingen en/of vragen over dit schip. Stuur ze ons!

Terug naar het overzicht