Op de werf Paans in Roode-Vaart werden houten binnenschepen gebouwd, zoals aken, tjalken en ponen en sinds de oprichting in 1847 was dat zo geweest en zo was het goed. Maar twee jongens Paans, Arie van twintig en zijn vier jaar oudere broer Willem, leverden in 1897 een zeer oorspronkelijk werkstuk. Het werd een boeiertje van maar vijf meter (groter zou te duur zijn geworden en het was immers maar een aardigheidje, een experiment zouden wij tegenwoordig zeggen) maar van uitzonderlijke kwaliteit. De jongens zeilden ermee op het Hollands Diep,  werkelijk geen water voor een slecht schip. Zij bezorgden hun ouders menig spannend uur wanneer zij pas na donker de smalle Roode-Vaart weer opkoersten.

Dr. Ir. J. Vermeer schrijft in zijn boek "Het Friese jacht":
Tweemaal hebben scheppingen van Eeltje Holtrop van der Zee andere bekwame scheepsmakers geïnspireerd tot navolging en merkwaardigerwijze, op twee zo ver uiteen liggende locaties als Paterswolde en Roode Vaart nabij Moerdijk aan het Hollands Diep.
In 1895 kwam de directeur van de suikerfabriek te Zevenbergen, Mr N.M. Lebret, bij de werf Paans aan de Roode Vaart vragen of zijn nieuwgebouwd Fries jacht "Hou Moed" ligplaats kon krijgen aan de werf en of er een botenhuis voor gebouwd kon worden. Ongeveer vijftig jaar eerder had de familie Paans haar bedrijf daarheen verplaatst om de mogelijkheid te hebben grotere schepen te bouwen.
Toen de "Hou Moed" aan de werf arriveerde, waren de zoons van Willem Paans (1833 - 1907), Arie en Willem, gefascineerd door de fraaie lijnen en het vakmanschap, dat dit jacht van Eeltjebaes uitstraalde. Daartoe uitgedaagd door de Friese schipper van de "Hou Moed", Douwe Nooitgedacht, wilden zij een poging doen te bewijzen, dat ook zij in staat waren een dergelijk werkstuk tot stand te brengen. Van hun vader kregen zij toestemming een Fries jacht te bouwen, zij het in hun vrije tijd.
Ruim 55 jaar later schreef de inmiddels 77-jarige Arie Paans (1875 - 1954), de eigenlijke scheepsbouwer, aan de secretaris van de Commissie Stamboek Friese Ronde Jachten: . . . Toen we de Hou Moed" gedurende de ijsperiode moesten hellingen, hebben wij zorgvuldig alle maten genomen en deze in tekening gebracht . . .. Het werd een scheepje van 5 meter over de stevens met een gepiekte bodem. In 1897 kwam het gereed en werd "Drie Gebroeders" gedoopt. De bouwers hebben zich wel enige vrijheid voorbehouden te opzichte van hun voorbeeld.

Eigenschappen

Plaquette nummer:482 Zeil nummer:
Categorie:M Tekening nummer:
Type:Fries jacht

Bouw

Bouwjaar:1897 Ontwerper:Gebr. Paans
Werf:Gebr. Paans Werf plaats:Roodevaart
Motor: Motor type:
Materiaal romp:Eikenhout Materiaal kajuit:
Materiaal zeil:Dacron
Onderwaterschip: Kiel:Kielbalk

Afmetingen

Lengte stevens:5,02 m Breedte berghout:2,05 m
Diepgang:0,00 m Masthoogte water:0,00 m
Oppervlakte grootzeil:19,10 m2 Oppervlakte fok:0,00 m2
Oppervlakte botterfok:0,00 m2 Oppervlakte kluiver:0,00 m2
Oppervlakte totaal:19,10 m2 Oppervlakte overig:0,00 m2

Tot nu toe bekende eigenaren en namen van het schip

1897 – onbekend Gebr. Paans, Roodevaart ( Drie Gebroeders)
onbekend – onbekend De heren Lebret en Van Twist, Dordrecht ( Drie Gebroeders)
1924 – onbekend Mr D.A. Kley, 's Gravenhage ( Petertje)
1952 – 1974 W. Paans, Moerdijk ( Drie Gebroeders)
1974 – Nu (laatst bekend) Nederlands Scheepvaartmuseum, Amsterdam ( Drie Gebroeders)

Geschiedenis

1967

23 december 1967

23 december 1967: Het droomschip van opa Paans

Na een halve eeuw stond de “Drie Gebroeders” model voor een nieuwe boeier

Artikel uit het “Algemeen Dagblad” van zaterdag 23 december 1967

Door P. van der Weel

De man uit Friesland die in l895 aan wal stapte in Roode-Vaart, niet ver van Moerdijk, en de daar wonende en werkende scheepsbouwers Paans hadden in elk geval één ding gemeen. Zij waren koppig en trots. De Fries, meneer Lebret. die directeur zou worden van de suikerfabriek, had zijn Fries jacht door zijn schipper laten overvaren naar Roode-Vaart. In die tijd had een herenjacht nog een vaste schipper, die ervoor zorgde maar er ook mee voer. terwijl de eigenaar genoegen nam met een ondergeschikte rol als fokkemaat en braaf zijn schippers orders opvolgde, al had hij ook jacht en schipper duur betaald.

Het was meneer Lebret of zijn schipper die, voor het eerst de werf van de heren Paans betredend, en wijzend op zijn jacht, de woorden sprak; “Bekijk dit schip maar eens heel goed. Hier bij jullie in het zuiden maken ze zoiets niet”. Nu was dit Fries jacht (dat is een boeier, maar dan zonder kajuit, een open scheepje dus) werkelijk een juweel, de vrucht van één van Frieslands beroemdste werven: die van Eeltje Holtrop van der Zee. Jachten van die werf - er bestaan er nog van, al meer dan honderd jaar oud maar nog steeds in de vaart - golden als fraaiste en snelste in hun soort. Het wilde er bij de oude heer Paans niet in, dat zijn werf niet een even goed product zou kunnen bouwen, maar hij had geen belang bij jachtbouw. Zijn werf bouwde houten binnenschepen, zoals aken, tjalken en ponen en sinds de oprichting in 1847 was dat zo geweest en zo was het goed.

Maar twee van zijn zoons, die de Friese uitdaging hadden gehoord. waren het niet met hem eens. Niet zonder moeite verkregen zij vaders instemming om de Fries de les te lezen. Zij mochten een Fries jacht ontwerpen en bouwen - in hun vrije tijd wel te verstaan. Zo zouden zij Lebret en diens schipper bewijzen dat men aan de Roode-Vaart in Noordwest Brabant, niet onderdeed voor de werf van Eeltjebaas in het verre Friesland. Het jacht van Lebret, de Hou Moed (dat nog altijd bestaat : in 1967 JAvH) was het uitgangspunt, maar de twee jongens Paans, Arie van twintig en zijn vier jaar oudere broer Willem, leverden toch een zeer oorspronkelijk werkstuk. Het werd een boeiertje van maar vijf meter (groter zou te duur zijn geworden en het was immers maar een aardigheidje, een experiment zouden wij tegenwoordig zeggen) maar van uitzonderlijke kwaliteit. De jongens zeilden ermee op het Hollands Diep,  werkelijk geen water voor een slecht schip. Zij bezorgden hun ouders menig spannend uur wanneer zij pas na donker de smalle Roode-Vaart weer opkoersten.

De Drie Gebroeders verkocht

De oude Paans, schoon heimelijk trots op hun prestatie, had het niet erg op de zeilavonturen van zijn jongens. En toen Arie en Willem op een goede dag met hun boeier, die ondertussen De Drie Gebroeders was gedoopt, naar het toen nog verre Dordt (Dordrecht – JAvH.) vertrokken, volgde hij hen heimelijk. In Dordt aangekomen bleek hem dat er een grote zeilwedstrijd werd gehouden. De Hou Moed van meneer Lebret deed mee. De Drie Gebroeders ook. Tot grote verbazing en trots van de vader wonnen de twee jongens de eerste prijs.

Hij keerde meteen naar Roode-Vaart terug, benieuwd wat Arie en Willem te vertellen zouden hebben bij hun terugkeer. Het werd die dag laat eer zij terugkwamen. En ze kwamen, zoals hun vader een paar uur tevoren: met de trein. Niet in de Drie Gebroeders. “Waar zijn jullie geweest?” vroeg hij stug, “Dordt” was het even stugge antwoord. “Waar is de boeier?”. De jongens aarzelden even eer zij met hel verhaal over de brug kwamen: de gewonnen wedstrijd, de vreugderoes en daarna, in die tijd heel gebruikelijk, een hoog bod van een koper dat zij niet hadden willen afslaan. Zij hadden de Drie Gebroeders uit de hand verkocht. “Hier hebt u het geld'', zeiden zij. En daarmee was de zaak voor de oude Paans zowel als voor zijn zoons afgedaan.

De Drie Gebroeders teruggevonden

Arie kreeg later de werf en bouwde er schepen, zoals dat altijd was gedaan. Het jacht De Drie Gebroeders wisselde een paar maal van eigenaar, zoals dat met jachten gaat, en vaak vroeg Arie zich af waar zijn troetelkind gebleven kon zijn. Naarmate hij ouder werd, groeide het verlangen. Zijn zoon Willem, de huidige directeur van de werf, begreep zijn vader en besloot hem te helpen. Telkens wanneer hij voor de werf op reis moest zocht hij in havens, vaarten en sloten, naar de oude Drie Gebroeders, wetend dat een hecht eiken schip een lang leven beschoren kan zijn. Zo kwam hij erachter dat het jacht eigendom was geweest van een advocaat in Den Haag, die er zelden mee voer. De man was in de oorlog overleden en zijn nabestaanden hadden het verkocht voor een paar honderd gulden.

In 1949 stond Willem Paans op het terrein van de werf aan de Kaag om zich heen te kijken. De eigenaar vroeg of meneer Paans iets zocht. “Een Fries jacht van vijf meter met het plaatje van onze werf erop”, zei Paans. “Die heeft hier jarenlang gelegen”, zei de werfbaas. “Maar ik weet niet waar de boot is gebleven. Erg ver weg kan ze niet zijn, daarvoor was ze al te slecht.” Advertenties brachten uitkomst. In hel Haagse Verversingskanaal, half gezonken, sterk verwaarloosd, op vele plaatsen verrot, lag de boeier De drie Gebroeders op zijn einde te wachten, meer dan een halve eeuw na de uitdaging die aanleiding werd tot zijn bouw. Het lang gezochte schip wal gevonden. Wat nu? Willem Paans bedacht een week later een dringende boodschap in Den Haag, zette zijn vader in de auto en reed regelrecht naar het Verversingskanaal zonder een woord te zeggen over het doel van de reis. De confrontatie tussen de scheepsbouwer en zijn werkstuk van vijftig jaar geleden was roerend. “Daar ligt ie”, riep de oude Arie opgewonden uit, “De Drie Gebroeders”. En na een paar tellen: “Geen cent meer waard. Kapothakken”. Na dit doodvonnis reden vader en zoon zwijgend terug naar de Moerdijk. Maar omdat spoedig bleek dat de ontmoeting aan het Verversingskanaal nieuw leven had gewekt in de plannen om toch nog eens een boeier te bouwen, kocht Willem heimelijk voor een paar honderd gulden het wrak terug en liet het naar de werf brengen, waar zijn vader iets bromde over geldverspilling. Helemaal ongelijk had hij niet, het was een wrak. Ze hadden het gebreeuwd, zodat het tenminste kon drijven en oude Arie had er zo waar nog een klein tochtje in gemaakt, hozend voor zijn leven, want het breeuwen kon niet voorkomen dat het water de romp binnenspoot door gaten en scheuren.

Uitgezakt en vermolmd, met scheuren waardoor het daglicht dringt ligt De Drie Gebroeders in een loods op de werf Paans te Roode-Vaart. Maar zelfs nu nog kan ieder zien hoe fraai de lijnen zijn van dit historisch scheepje, dat meer dan zeventig jaar lang de levens heeft beheerst van drie generaties van de familie Paans.

Woorden als slopen, verbranden en de bijl erin werden in die dagen veel gehoord, maar op zeker ogenblik stond Arie, inmiddels ver in de zeventig en grootvader, weer gebogen over het tekenbord om een nieuwe boeier op papier te zetten. Het zou een groter schip worden, meer geschikt voor het ruwe water van het Hollands Diep, bijna zeven en een halve meter over de stevens en met een comfortabele kajuit, maar even mooi van lijn als destijds De Drie Gebroeders en de Hou Moed van meneer Lebret. In het jaar van de grote watersnood, 1953, was de tekening bijna voltooid. Alleen het zeilplan was nog niet gereed. Toen stierf de oude Arie. Twee uur voor zijn plotselinge dood had hij nog aan de tekentafel gestaan. Willem volgde zijn vader op en het ontwerp bleef onaangeroerd.

De Drie Gebroeders als voorbeeld

Tot de tweede uitdaging in het bestaan van de werf de herhaling bracht van het verhaal uit 1895. In de winter van 1966 toen er weinig werk was, bood Willem Paans aan casco's voor jachten te gaan bouwen voor een grote jachtwerf. De werf antwoordde in de trant van Lebret of diens schipper: “Dat kunnen jullie niet. Jullie zijn gewend zware schepen voor de beroepsvaart te bouwen. Jachten bouwen is heel iets anders. Bedankt”. Zoals opa Arie in de vorige eeuw, koppig en trots, zo besloot Willem de uitdaging aan te nemen. Met vereende krachten werd de uitdaging ter hand genomen. Het zeiljacht dat de familie Paans had werd verkocht en het hele gezin leefde zich in op de bouw van de boeier, opa's vermaarde ontwerp. Ze bouwden de hele winter door, telkens wanneer het andere werk dat mogelijk maakte. In januari 1967 werden de eerste spanten opgezet. Er werd gerekend, getekend, gebrand en gelast en langzaam verrees het schip dat opa zijn hele leven lang voor de geest had gestaan: een boeier van ras, van vloeiende lijnen, snel en gemakkelijk wendbaar, sportief maar comfortabel.

Het bouwen van een vaartuig van deze lijnen is een moeilijk en langdurig werk en het duurde tot 10 juli eer het schip te water kon worden gelaten. De kraan kon het gewicht maar net torsen. De dag daarop kwam de zeilmaker uit Dordt met het tuig - dezelfde zeilmaker die een zeventig jaar tevoren het tuig had geleverd voor De Drie Gebroeders. Er volgde nog een dag voor bet opknappen van honderden kleine werkjes en toen, in veel te ruw weer, werd de boeier, nog ruikend naar verse verf, naar Hellevoetsluis gesleept om te tonen wat hij waard was. Daar werd op 14 juli, de reünie gehouden van het Stamboek van Ronde en Platbodemjachten, de organisatie, die probeert het oud-Nederlandse jacht in ere en aanzien te doen houden. Hoewel geen van de Paansen enige ervaring had in het zeilen met de nieuwe boeier, won het gloednieuwe schip meteen een tweede prijs, terwijl er toch beroemde jachten aan de wedstrijd op het Haringvliet deelnamen. Ook hier scheen de geschiedenis zich te moeten herhalen. Alleen was er ditmaal niemand die een bod deed op het zegevierende nieuwe schip. De hoofden stonden trouwens ook niet naar verkopen. De zomervakantie, met een reis naar Friesland, bewees dat de Petrèl, zoals de boeier was gedoopt, een ideaal schip was geworden, een droomschip zoals mevrouw Paans zegt.

Er is de laatste jaren in de kleine scheepsbouw heel wat veranderd. De werf te Roode-Vaart ziet nog maar weinig orders in het verschiet voor kleine binnenschepen, zoals zij die sinds 1847 heeft gebouwd. De nieuwe boeier, die gesierd wordt door het koperen plaatje dat de oude Drie Gebroeders droeg en door de met de hand gesneden houten leeuw die de helmstok van de oude boeier troonde, luidt misschien een nieuw tijdperk in voor de oude werf aan de Roode-Vaart, waar men twee maal het bewijs leverde dat een gewone scheepswerf ook heel goed jachten kan bouwen die kunnen concurreren met het beste wat men elders maakt.

1974

1974

1974: Restauratie door Erik Slagmoolen

Restauratie door Erik Slagmoolen op de museumwerf 't Kromhout te Amsterdam.

Fries jacht 'Drie gebroeders' tijdens de restauratie
Fries jacht 'Drie gebroeders' tijdens de restauratie

1988

21 november 1988

21 november 1988: Aanmelding Stamboek door Nederlands Scheepvaart Museum

1992

1992

1992: Het Friese jacht 'Drie Gebroeders" in het boek "Het Friese jacht" van Dr. Ir. J. Vermeer

Het jacht "Drie Gebroeders" bleek een snelle zeiler te zijn. Zoon Arie, die later de werf voortzette, zeilde er veel mee op het Hollands Diep en won er direct prijzen mee. Omdat men het jachtje toch wat te klein vond voor het grote water, werd het vrij spoedig verkocht aan de heren Lebret en Van Twist te Dordrecht. Wie nadien de "Drie Gebroeders" in eigendom hebben gehad, weten we niet. Slechts één naam is bekend: Het Nederlandsch Jachtregister van 1924-25 vermeldt een 'tjotter' genaamd "Petertje" met een lengte van 5,04 meter, gebouwd door W. Paans te Roode Vaart; eigenaar is dan Mr. D.A. Kleij te 's-Gravenhage. Dit moet ons jachtje zijn, want bij Paans is ooit maar één dergelijk scheepje gebouwd.

Historie

In 1952 vindt Willem, zoon van Arie, het jachtje totaal verwaarloosd in het Verversingskanaal in Den Haag. Na meer dan 50 jaar keert de "Drie Gebroeders" bij zijn bouwer terug. Dan ontstaat bij Arie de gedachte naar de oude tekeningen een stalen boeier te bouwen voor zijn zoon en kleinzoons. Deze boeier, de "Petrel", werd inderdaad gebouwd en liep in 1967 van stapel. De voltooiing maakte Arie Paans helaas niet meer mee.
Wat de opmetingstekeningen van de "Hou Moed" betreft, uit correspondentie in het archief van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodem-jachten blijkt, dat de heer Paans aan de heer Van Waning heeft beloofd deze tekeningen te zullen afstaan aan het Fries Scheepvaart Museum. Bij navraag aldaar bleek, dat daar geen opmetingstekeningen van het jacht "Hou Moed" aanwezig zijn. Ook weet de huidige directie niets van deze ooit aan de heer Van Waning gedane toezegging. Wij hebben niet kunnen achterhalen of deze tekeningen nog bestaan.
De "Drie Gebroeders" bleef op de werf bewaard, tot in 1974 een complete restauratie plaats vond op de museumwerf "'t Kromhout" te Amsterdam, uitgevoerd door Erik Slagmoolen. De familie Paans schonk het scheepje daarna aan het Nederlands Historisch Scheepvaart Museum, waar het thans te pronk staat. De directie van het museum heeft ons toegestaan de afmetingen van het jachtje vast te stellen.

Technische gegevens

Hoofdafmetingen

  • Lengte over de stevens   5,02 m
  • Grootste breedte over de berghouten   2,05 m
  • Holte op het grootspant   0,79 m
  • Zeiloppervlak: Grootzeil + fok   19,1 m2

Bijzonderheden

  • kielbalk, hoog 11 cm, dik 10 cm
  • gepiekt, vooral in voor- en achterschip vlaktilling 11 °
  • kielgang + 7 huidgangen
  • open voorkuip met dwarsbank onder de bedelbalk
  • snijwerk op boeisels, kluisborden, beretanden, bedel- en hennebalk
  • roer bekroond met leeuwtje.

Opmerkingen

Zoals reeds opgemerkt, de bouwers van de "Drie Gebroeders" zijn wel geïnspireerd door het jacht "Hou Moed", hebben echter geen kopie op kleinere schaal gemaakt. De lengte/breedte-verhouding laat een slanker schip zien; ook is de kop duidelijk minder vol dan die van het voorbeeld. Een vast voordek ontbreekt, wat voor een scheepje van dit formaat wel zo geriefelijk lijkt.

We zijn zeer geïnteresseerd in uw opmerkingen en/of vragen over dit schip. Stuur ze ons!

Terug naar het overzicht