Heiltje

Heiltje Niet actief

Dit schip heeft een plaquette van de SSRP aan boord van een eerdere inschrijving, maar staat nu "geregistreerd" in Categorie X in het Stamboek en wordt dus gekenmerkt als 'Inactief'. Schip en eigenaar zijn op dit moment NIET "actief" aangesloten bij de SSRP als Behoudsorganisatie. De huidige eigenaar is (nog) niet in onze administratie opgenomen. Deelname aan Evenementen waarbij de eis wordt gesteld, dat het schip en de eigenaar zijn aangesloten bij dezelfde Behoudsorganisatie als onderdeel van de FVEN, is vanuit de SSRP daarom NIET mogelijk.

Dit betekent dat het schip nog onderdeel is van de Aanmeldingsprocedure (her-inschrijving) of, en dat geldt voor de meeste schepen, de eigenaar heeft het schip niet her-aangemeld en betaalt dus ook geen jaarlijkse bijdrage aan de SSRP voor Inschrijving in het Stamboek. Eventueel vermelde gegevens van schip en oud-eigenaren dateren meestal uit de periode van eerdere 'actieve' Inschrijvingen en zijn waarschijnlijk niet volledig en mogelijk niet correct. Voor dit schip kan, omdat het niet aantoonbaar voldoet aan de Criteria van de SSRP, geen Meetbrief door de KNWV worden afgegeven.
Vanwege de doelstelling van de SSRP om alle historie van de in het Stamboek opgenomen schepen vast te leggen, worden in de Schepenlijst wel de in het stamboekarchief beschikbare gegevens van dit ooit geregistreerde schip en summiere gegevens van de (oud-)eigenaren getoond.
Heeft u informatie over dit schip of bent u eigenaar en wilt u het graag weer 'activeren'? Laat het ons weten!

De 'Heiltje' werd als zgn. Hagenaar gebouwd in 1895, op de scheepswerf van P. en A. Ruytenberg te Waspik (N.Br.). Zo'n schip was ingericht voor de vaart tot in het centrum van Den Haag. Hiervoor moest in Den Haag o.a. de Wagenbrug worden gepasseerd, die slechts 4.20 meter breed was. De opdrachtgever was Th. Rutjes, schipper te Pannerden, die haar de naam "Pexilium Mariae" (De Hulp van Maria) gaf. Rutjes was blijkbaar een katholieke schipper en uit de naam van het schip mag men afleiden dat de Rooms-katholieke kerk het schip gefinancierd heeft, zoals in die tijd wel meer voorkwam. Over de tijd dat Rutjes het schip bezat, is niet bekend wat er met het schip gebeurde.

De stichter van de scheepswerf te Waspik (aan de Maas) was Johannes (Jan) Ruijtenberg, waarschijnlijk rond 1747. Bijna 150 jaar lang bouwden en repareerden generaties van deze familie Ruijtenberg hier houten schepen als tjalken, schuiten, ponen, aken, kenen, roeiboten en veerponten. Rond 1795 nam de zoon van Johannes, Adrianus de werf over. Na het overlijden van Adrianus in 1801 kreeg zijn jongste broer Johannes de leiding over de werf. Zijn weduwe zet het bedrijf in 1827 voort tot het in 1829 openbaar verkocht wordt aan Gerrit Vermeulen van Eethen en Drongelen. De familie Ruijtenberg huurt de werf tot ze deze in 1835 weer kunnen kopen. Vanaf 1884 vond nieuwbouw van ijzeren en stalen schepen plaats. De familie Ruijtenberg had enige tijd twee werven in Waspik, tot in 1891 de twee broers Adriaan en Pieter besloten tot de oprichting van een firma, genaamd Firma P. en A. Ruijtenberg. Het bedrijf lag aan de haven van Waspik, bereikbaar via de Oude Maas. In 1884 ging Adriaan Ruijtenberg over op het bouwen van ijzeren schepen en werden er tjalken, klippers, stevenaken, aken, hevelaken en sleepschepen gebouwd. In 1909 wordt een werf in Raamsdonkveer gekocht. De Firma P. en A. Ruitenberg wordt dan gevormd door Pieter Adriaan en zijn zoon Jan Adriaan Ruitenberg. In 1912 wordt de firma omgezet in een NV, de "N.V. Scheepsbouwwerven v/h P. en A. Ruijtenberg". De directie wordt gevoerd door Jan Adriaan en zijn 4 broers. Aan het bestaan van de werf kwam in 1970 een einde als gevolg van het sluiten van de Haringvlietdam.

In 1944/45 lekgeschoten. Na de bevrijding is de Hagenaar 'Heiltje' gelicht en voor reparatie naar Dodewaard gebracht. Daar is een nieuwe plaat ingeklonken in de stuurboordsboeg. Totale restauratie door H. Dessens in de jaren 1982-1987.

Eigenschappen

Plaquette nummer:1540 Zeil nummer:
Categorie:X Tekening nummer:
Type:Hagenaar

Bouw

Bouwjaar:1895 Ontwerper:P. en A. Ruytenberg
Werf:P. en A. Ruytenberg Werf plaats:Waspik
Motor:Inbouw Motor type:
Materiaal romp:Staal Materiaal kajuit:
Materiaal zeil:Dacron
Onderwaterschip: Kiel:

Afmetingen

Lengte stevens:22,07 m Breedte berghout:4,18 m
Diepgang:0,00 m Masthoogte water:17,80 m
Oppervlakte grootzeil:0,00 m2 Oppervlakte fok:0,00 m2
Oppervlakte botterfok:0,00 m2 Oppervlakte kluiver:0,00 m2
Oppervlakte totaal:0,00 m2 Oppervlakte overig:0,00 m2

Tot nu toe bekende eigenaren en namen van het schip

1895 – 1915 Th. Rutjes, Pannerden ( Auxilium Mariae ( De hulp van Maria))
1915 – 1953 Gerrit Hendriks, Dodewaard ( Heiltje)
1953 – 1960 Mw. Hendriks, Doodewaard ( Heiltje)
1960 – 1970 Dhr. Warnas ( Diogenes)
1970 – onbekend A. Kaldenberg (sloper), Zestienhoven
onbekend – 1982 Piet de Boer, Krimpen a/d lek
1982 – 2013 H.J.A. Dessens, Almere ( Heiltje)

Geschiedenis

1987

1987

1987: Geschiedenis Hagenaar 'Heiltje'

1895-1915

De 'Heiltje' werd gebouwd in 1895, op de scheepswerf van P. en A. Ruytenberg te Waspik (N.Br.). De bouw geschiedde in opdracht van Th. Rutjes, schipper te Pannerden. De naam van het schip werd: "Pexilium Mariae." (De Hulp van Maria)'. Rutjes was blijkbaar een katholieke schipper, en uit de naam van het schip mag men afleiden dat de Rooms-katholieke kerk het schip gefinancierd heeft, zoals in die tijd wel meer voorkwam.

Over de tijd dat Rutjes het schip bezat, is niet bekend wat er met het schip gebeurde. Ik ben wel in contact gekomen met iemand die genealogisch onderzoek deed naar de familie Rutjes (die vnl. voorkwam in de omgeving van Nijmegen), maar ook die kon mij geen bijzonderheden over deze Th. Rutjes meedelen. Gezien de casco-maten van dit schip is het niet onwaarschijnlijk dat hij met zijn schip op Den Haag voer.

Het archief van de werf Ruytenberg kwam, na het beëindigen van dit bedrijf enkele jaren geleden, via het Zuiderzeemuseem uiteindelijk terecht in het Maritiem Museum "Prins Hendrik" te Rotterdam. In het archief bevonden Zich onder andere bestekken, en tekeningen. Ook werd een manuscript overgedragen, geschreven door dhr. Jan Ruytenberg, met een tamelijk uitgebreide geschiedenis van de werf en de familie Ruytenberg.

Hoewel diverse bestekken van Hagenaars bewaard bleven, was er helaas geen bestek van de 'Heiltje' meer aanwezig, en evenmin een scheepstekening. Volgens dhr. Theo Ruytenberg, de laatste eigenaar van de werf en nu expert bij de Onderlinge verzekeringsmaatschappij. "De Eensgezindheid" in Hasselt, werd het archief gered terwijl men het al aan het vernietigen was. Mogelijk zijn daardoor bestekken verloren gegaan.
In hetzelfde jaar ais de "Aexilium Mariae" werd een bijna identieke Hagenaar gebouwd voor schipper Langendam, genaamd "De Heere Regeert". Ook dit schip bestaat nog. Het is nu eigendom van Jaap van den Burg en ligt, voor restauratie, afgemeerd in de museumhaven in 'het Galgewater' te Leiden. Het bestek van dit schip is wel bewaard gebleven, evenals een notitieboekje waarin alle maten van de rondhouten en zwaarden waren vermeld.

De 'Auxilium Mariae' kwam wel voor in een "lijst van gebouwde schepen", samengesteld door Jan Ruytenberg. Mogelijk is deze lijst samengesteld toen het archief nog compleet was. Het schip kwam ook voor in enkele Assurantiehoekjes, boekjes waarin de schepen genoteerd waren, die via de werf waren verzekerd. De "Aexilium Mariae" was verzekerd voor f 3500.- . Het laatste Assurantieboekje waarin het schip vermeld werd dateerde van 1915, In dat jaar werd het schip verkocht.

Na 1915

Vanaf die tijd weten we meer over het schip. De nieuwe eigenaar werd Gerrit Hendriks, schipper uit Dodewaard. Nadat wij de "Heiltje" in het voorjaar van 1982 aankochten, slaagden wij erin om nog enkele van zijn zoons en dochters op te sporen, en het hierna volgende is voor een groot deel op hun verhalen gebaseerd.

Zoals zoveel Gelderse schippers was ook Hendriks steenschipper. De stenen werden geladen bij de talloze steenfabrieken die langs de grote rivieren. lagen. Grote afnemers waren met name Den Haag, en Rotterdam, steden die vanaf het einde van de vorige eeuw snel groeiden. Hét schip van de Gelderse schipper was de Hagenaar, die geheel ingericht was voor deze specialistische vaart. Met een Hagenaar konden de stenen gelost worden tot in het centrum van Den Haag. Hiervoor moest in Den Haag o.a. de Wagenbrug worden gepasseerd, die slechts 4.20 meter breed was. (Zie over het scheepstype de Hagenaar verder het boek "Scheepstypologieën", uitgave van De Boer Maritiem).
Gerrit Hendriks noemde zijn nieuwe schip naar zijn vrouw, 'Heiltje' en ging de 'Heiltje' gebruiken voor de vaart met stenen. Uit deze beginperiode dateert een foto, aanwezig in het Gemeente-archief van Rotterdam, gemaakt omstreeks 1915-1920. Op deze foto, van de wachtplaats voor de sluis in Delfshaven, ligt de 'Heiltje' afgemeerd, naast de Hagenaar 'Eben Haezer' van een zwager van Gerrit. De oudste zoon van Gerrit Hendriks, eveneens Gerrit geheten, en nu (1989) 75 jaar oud, heeft het stenen-varen van jongsaf meegemaakt. Hij vertelde dat met de 'Heiltje' tot de tweede wereldoorlog heen en weer gevaren werd tussen de steenfabrieken langs de Waal, in de omgeving van Nijmegen, en de steden Den Haag en Rotterdam. Per keer werden 50.000 stenen geladen. In het begin ging dat nog met de hand, later werden de stenen in het schip gehesen. In de den van de 'Heiltje' bevinden zich nog twee "laadschotten', die met bouten vastzitten en weggenomen kunnen worden. Aldus hoeven de stenen minder hoog getild te worden om ze aan te kunnen geven. Het laadvermogen van de 'Heiltje, was 89 ton. Gerrit herinnert zich nog dat hij met zijn broertjes en zusjes boven op de stenen speelde die in het ruim gestapeld lagen. Vanwege het hoge s.g. van de stenen, lag het ruim niet tot aan de den gevuld, als het schip aan de ijk lag. Kinderen konden dan nog onder de luiken door lopen, over de stenen heen.
Eenmaal geladen aan de steenfabriek werd de Waal afgevaren, Vanwege de overheersende westelijke winden moest dan nogal eens gelaveerd worden. Tot Gorinchem had men bijna altijd de stroom mee, daarna moest rekening gehouden worden met het tij. Via de Beneden-Merwede, de Noord en de Nieuwe Maas ging het op Rotterdam aan. Bij de Maasbruggen wachtte de zog. 'kosteloze boot', een sleepbootje van de Gemeente Rotterdam die bestemd was om zeilschepen onder de bruggen door te slepen. Hendriks vertelde dat schippers meestal een fooi gaven aan de bemanning van deze boot, omdat anders ogenblikkelijk na het passeren van de bruggen losgegooid werd, ook al stonden mast en zeilen nog niet overeind, Zo kosteloos was deze boot dus ook weer niet. Tot de aanleg van de Coolhaven en de Parkhaven in de jaren dertig, moest geschut worden door de Aelbrechtskolk in Delfshaven. Zo mogelijk werd naar Den Haag gezeild, maar dit kon niet altijd. Vaak nam Gerrit Hendriks een sleep aan van de vaste sleepdienst die op Den Haag voer. Maar dochter Tini Bendervoet-Hendriks vertelde dat zij het schip ook wel langs de Schie getrokken hebben.

Om Den Haag in te kunnen moest bij het binnenvaren van de stad een drempel worden gepasseerd, die op 1.60 mtr. diepte lag- Die drempel moest voorkomen dat geladen schepen vastliepen in de ondiepe Stadsgrachten van Den Haag. 

De 'Heiltje' stak geladen iets dieper dan 1.60 mtr, zodat hier eerst gelicht moest worden. Vervolgens ging het via het "Zieken" op de Wagenbrug aan. Het passeren van deze Wagenbrug was iedere keer weer een gigantische operatie, zeker als men in aanmerking neemt dat het karwei geklaard meest werden door het gezin van de schipper. Om te Wagenbrug door te kunnen, moesten de zwaarden van het schip worden verwijderd. De cascobreedte was nl. 4.18 mtr. en de Wagenbrug was 4.20 breed. De zwaarden werden bij de kop omhoog gedraaid en van de zwaardbouten gelicht tot de tuiglier. Waarschijnlijk is de zwaardboutconstructie van de 'Heiltje' oorspronkelijk geweest zoals nu ook nog op de bovengenoemde 'De Heere Regeert". Hierbij hing de zwaardbout aan de den, en ging niet door het boeisel, maar rustte op bet potdeksel. Het weghalen van de bout tijdens het ophijsen van het zwaard ging dan eenvoudiger. Aan het potdeksel van de 'Heiltje' is te zien dat dit een keer veranderd is. Ook bij de 'Heiltje' hangt de zwaardbout aan twee zware ogen in de den, maar de bout gaat door het boeisel, dus onder het potdeksel. Waarom dit zo veranderd is, is niet bekend.

Na het uittillen van de zwaardkoppen liet men de zwaarden in het water zakken, en sleepte ze gewoon aan de zwaardvallen achter het schip aan. Ook de aanvaringsklampen en de schildpadblokken waren wegneembaar, en werden verwijderd. Uiteraard moest de mast worden gestreken. De Mastkoker van een Hagenaar was extreem laag . Hij kwam niet uit boven de denkbeeldige lijn die gevormd wordt tussen de bovenkant van de kop, en de bovenzijde van de roef. Soms moest de mast zelfs naast de koker, werden gelegd. De twee tuiglieren, naast de mastkoker, werden opzij geklapt, en plat op het mastdek gelegd.
Ook de bokkepoten werden weggenomen en plat op de luiken gelegd.

Oorspronklijk had de 'Heiltje' tot omstreeks 1915-20 een iets hogere kop, en een houten braadspil, met daarachter geplaatst een kleine strijklier (de dichtgemaakte klinknagelgaten zijn nog gemakkelijk terug te vinden). Rond 1920 heeft Hendriks een verbouwing aan het schip laten doen, op de werf Hendriks te Dodewaard (inderdaad familie van hem). Hij vond de 'Heiltje' nl. toch nog iets te hoog, om de Wagenbrug gemakkelijk te kunnen passeren. Op de eerste plaats liet hij de kop van het schip enkele centimeters verlagen. De sporen van deze wijziging zijn nog te zien onder de schanddeksels in de kop. De huidige bovenrand van het boeisel laat verschillende klinknagelgaten zien, waar dwars doorheen de boeiselplaat is afgesneden. De kop is hiermee hoogstwaarschijnlijk minder plat geworden, zoals op de "De Heere Regeert" nu nog het geval is. De 'Heiltje' is daarmee een Waspikse Hagenaar, met een Dodewaardse kop !

Omdat de kop verlaagd werd, moest net braadspil werden verwijderd. In plaats hiervan werd een anker-strijklier geplaatst, en wel zodanig dat deze achterover geklapt kon worden, Omdat de mastkoker verlaagd werd, zakte het draaipunt van de mast, en moest ook de knecht worden verlaagd. Dit was een zgn. "schuifgalg", (galg= zuidelijke benaming voor knecht). De lummelbout van de giek kon hierdoor opzij worden geschoven, zodat de gestreken mast naast de giek kon liggen. Maar omdat de knecht omlaag ging, meest ook het schild van de luikenkap haar achteren worden gebracht, anders was er geen ruimte voor de knecht, Dit is nog duidelijk te zien: het mastdek is van zgn. "lange-ruitenplaat" gemaakt, maar aan de achterkant is een strip ingeklonken van gladde plaat.

De mast kon nu in de koker blijven liggen bij het passeren van de Wagenbrug, maar de ankerstrijklier stak een eind boven de kop uit. Deze -zware- lier (ong. 200 kg.) kon echter vrij gemakkelijk door twee personen achterover werden geklapt. Zoon Gerrit legde het ons uit, en me hebben het een aantal keren in praktijk gebracht . De bouten waarmee de lier aan dek vastzat, werden losgemaakt, behalve de achterste twee, die als scharnieren dienst deden. Door de kettingschakel die vlak buiten het kluisgat uitstak werd een ijzeren staaf of zware bout gestoken. Hieraan kwam de lier tijdens het achteroverklappen te hangen. De lier werd in het 'dubbele werk' gezet en achterover gedraaid door de lier tegen de pal in achteruit te draaien. Men drukt de lier dus op de pal achterover, en de lier komt na het 'dode punt' te hangen aan de ketting, die geborgd is in het kluisgat met de ijzeren staaf. Voorzichtig draaiend kan men de lier verder laten zakken, tot hij plat op het dek ligt. Hij steekt dan niet boven de kop uit. Natuurlijk moet voor deze operatie wei eerst de mast gestreken zijn, de bokkepoten verwijderd, evenals de strijkblokken.

Aldus kon de Wagenbrug worden gepasseerd. Na het lossen was het schip natuurlijk omhoog gekomen. Daarom moest op de terugweg water als ballast ingenomen worden. De 'Heiltje' had nog de oorspronkelijke koperen kraan in het vlak, met twee-bijpassende sleutels, waarmee water ingenomen kon worden. Tijdens de inbouw van een motor in 1984 is deze kraan verwijderd. Hij werd in 1986 aangebracht in het nieuwe vlak van de kraak 'Lena" (1878) van het Maritiem Museum 'Prins Hendrik'.
Men liet het waternivo stijgen tot aan de bovenkant van de kattesporen, dan was het schip voldoende ingezakt om door de brug te kunnen. Na de brug moest al het water er weer met de hand worden uitgepompt. Hiertoe konden twee lenspompen door twee pompkokergaten in het mastdek worden gestoken. Een hiervan is nog op het schip aanwezig.

De Wagenbrug was een hefbrug. De bediening van de brug gebeurde alleen 's nachts. Hagenaars die leeg waren, gingen 's nachts de stad uit, geladen schepen voerende stad in. De sleepdienst naar Rotterdam was hierop ingesteld. Na middernacht vertrok de sleepboot naar Rotterdam.
Op de foto van omstreeks 1920 is duidelijk te zien dat de 'Heiltje' terugkwam van zo'n reis naar Den Haag. De mast ligt gestreken, de bokkepoten ernaast.

Volgens Gerrit jr. voer de. 'Heiltje' meestal leeg terug "naar boven", maar een enkele keer kon een lading graan werden meegenomen, voor een Boerenbond in bijv. Noord-Brabant. Bij die gelegenheid werd dan ook over de Zuid-Willemsvaart gevaren.

Vertrok men uit Rotterdam dan Moest na het uitvaren van de sluis in Delfshaven gewacht worden op de vloed, Met de overheersende westenwinden was de reis stroomopwaarts vaak bezeild. Als er geen wind was werd wel een sleepje gevraagd van een van de grote stoomsleepboten, die de grote Rijnkasten naar Duitsland sleepten.

Voor een fooi nam de sleepbootkapitein dan zoals dat genoemd werd 'een Hagenaartje mee op de middenbolder'.

Volgens Gerrit jr. had de "Heiltje" een korte boegspriet, die niet diende om een kluiffok te varen, maar om de fok gemakkelijker te loevert te houden, als men gedurende tientallen kilometers de wind mee had op de Waal. Hoewel wij betrekkelijk veel oude foto's van de 'Heiltje' kregen van de schippersfamilie, is deze boegspriet helaas op geen enkele opname in beeld.

Het gezin Hendriks telde zes kinderen. In het vooronder waren twee slaapkooien. De roef was klein (lang 1.60 mtr.) Het roefje was betimmerd zoals gebruikelijk bij Hagenaars. In de zijkanten banken, met daarboven kastjes. In het voorschot een schouw, die dus gedeeltelijk in het ruim zat, waarin het fornuisje kon staan. Onder het achterdek kooien, waar vader, moeder en vier kinderen moesten slapen. Aan de hand van Gerrits relaas heb ik een plattegrondje kunnen schetsen. (De oorspronkelijk betimmering hebben wij nl. niet meer aangetroffen, die is in 1945 verwijderd).

Op een van de foto's van de 'Heiltje' onder zeil, ca. 1934, is te zien dat de kachelpijp van het fornuisje uit het achterherft steekt. In de zomer werd het fornuisje nl. aldaar geplaatst, omdat het in de roef anders te warm zou werden. Er werd dan aan dek gekookt. De schoorsteen, die vanuit het schouwtje kwam, stak niet door het (houten) roefdek heen, maar kwam tussen de twee achterherften naar buiten.

De foto's van de 'Heiltje' uit de jaren dertig hebben we te danken aan Gerrit jr., die, zoals hij vertelde, na zijn militaire dienst een nieuw pak kocht, en hierbij een fototoestel cadeau kreeg. Hiermee heeft bij div. plaatjes van het schip en de familie geschoten. Zelf was hij toen niet meer aan boord. Hij voer als knecht op een sleepschip op de Rijn.

Wat betreft de grootte en het tonnage had de 'Heiltje' zich best geleend voor motorisering in de jaren twintig of dertig. Volgens Gerrit jr. wilde zijn vader echter van geen motoren weten, en was hij hier zelfs bang van. Veel Hagenaars zijn volgens hem in die jaren wel gemotoriseerd met een tweedehands motor uit een T-Ford. Die kocht men op de markt voor f25,-, en werd op een Hagenaar vaak ingebouwd onder de tafel in de roef !
Zover is het op de 'Heiltje' dus niet gekomen. Tot in de oorlog is met het schip gezeild. In de oorlog is Gerrit Hendriks sr, op betrekkelijk jonge leeftijd overleden. Hij was nog geen zestig jaar. Eind 1944 lag het schip afgemeerd nabij Nijmegen. Tijdens de oorlogshandelingen is de weduwe met de kinderen van boord gegaan, en bij familie in Dodewaard ingetrokken. De 'Heiltje' is toen, met vele andere schepen lekgeschoten en gezonken. In de winter 1944/45 heeft het schip maanden lang onder water gelegen.

Na de bevrijding is de 'Heiltje' gelicht en voor reparatie naar Dodewaard gebracht. Daar ie een nieuwe plaat ingeklonken in de stuurboordsboeg, waar het Schip lek geschoten was. Het roer, evenals alle luiken, waren weggedreven. Er kwamen nieuwe luiken op, evenals een nieuw houten roer, met een stalen helmstok, met een houten handgreep.

In plaats van een tonnetje werd op de helmstok een messing handvat aangebracht, dat 'van een andere Hagenaar afkomstig was. Het houten roefdek is vervangen door staal. De betimmering van roef en vooronder is vernieuwd, De 'Heiltje' heeft toen nog een reis op de zeilen gemaakt, Maar het gemis van de ervaren schipper heeft het gezin doen besluiten dit niet weer te doen, en het schip af te tuigen. De mastkoker werd verwijderd evenals alle rondhouten, De 'Heiltje' heeft tot 1953 als sleepschip gevaren, nu niet meer met stenen, maar o.a. steenkool en kunstmest. Als schipper stond nu een van de zoons geregistreerd (Rien Hendriks) Met name deze jaren is voor het gezin financieel een bijzonder moeilijke tijd geweest, omdat het kleine scheepje lage verdiensten opbracht.

In 1953 is mevr. Hendriks gestopt met varen. Het schip heeft enige tijd in het Boerengat gelegen te Rotterdam en kreeg daarna een ligplaats in het Haagse Veer, achter het politiebureau. Daar heeft mevr. Hendriks wrsch. tot 1940 nog aan boord gewoond, met haar jongste dochter Tini. Daarna kreeg mevrouw Hendriks een woning aan de wal, en is het schip verkocht aan ene hr. Warnas die het schip liet inrichten tot woonschip en de naam veranderde "Diogenes". Aan het casco van de 'Heiltje' werd overigens vrijwel niets veranderd. Dat bleef grotendeels in de oude staat. Omstreeks 1970 moest de 'Heiltje' de ligplaats aan het Haagse Veer verlaten, omdat het sluisje tussen het Hang en de Leuvehaven werd gedempt. Het schip is daar Warnas voor de sloop verkocht aan A. Kaldenberg, sloper te Zestienhoven. Naar zijn mededelingen heeft hij het schip doorverkocht aan een 'onderwijzer'. Daarna is het schip gekocht door Piet de Boer, eigenaar van een scheepsreparatiebedrijf in Krimpen aan de Lek. Aldaar, in de Sliksloot, troffen wij het schip aan in maart 1982, in erbarmelijke staat.
Het vlak moest voor ong. een derde worden vernieuwd. Het casco moest vrijwel geheel worden ontroest. De luikenkap was verrot in het ruim was afval gestort. Afgezien van het versleten vlak was het casco echter in redelijk goede staat, Ondanks de roest.

De woonbotenbetimmering was nog aanwezig, en bruikbaar (als men geen hoge eisen stelt aan wooncomfort). Met enige aanpassingen konden wij aan boord gaan wonen, om de woonkosten zo laag mogelijk te houden, en in de restauratie te kunnen investeren. In 1982 werd een begin gemaakt met het casco aan de buitenzijde te ontroesten en schilderen. Tevens werd in dat Jaar de mastkoker geplaatst. Vervolgens werd in de winter 82/83 het ruim voor de mastkoker geconserveerd en betimmerd. In 1983 en '84 werden oa. alle luiken vernieuwd, en een machinekamer gemaakt. De woonbotenbetimmering werd gesloopt. In de zomer van 1984 werd een motor ingebouwd (DAF 575, 102 pk), en kan met het schip worden gevaren, In het najaar van 1994 werd het roefje weer betimmerd, en kon het als woonruimte worden gebruikt. In 1985 werd de rest van het ruim ontroest, geconserveerd en betimmerd. In 1985 werden de zijzwaarden en zwaardlieren aangeschaft, evenals de giek en de bokkepoten. In 1986 volgden de mast, de tuiglier, en werd de ankerstrijklier gereviseerd. In 1987 werd het schip verder getuigd, in februari 1988 was het schip weer zeilklaar.

1995

mei 1995

mei 1995: Spiegel der Zeilvaart nummer 4: 100 jaar Hagenaar Heiltje deel 1

In 1895 - dit jaar dus precies honderd jaar geleden - liep op de scheepswerf P. & A. Ruijtenberg te Waspik een nieuwe ijzeren hagenaar van stapel. Spiegel der Zeilvaart-redacteur Henk Dessens kocht dit oude schip in 1982 aan en beschreef de geschiedenis van de honderdjarige hagenaar Heiltje.
De doopnaam van de honderdjarige was oorspronkelijk niet Heiltje. De firma P. & A. Ruijtenberg te Waspik (aan de Maas) bouwde de nieuwe hevelaak voor schipper Th. Rutjes uit Nijmegen, genaamd Auxilium Mariae (Maria's Hulp). De naam wees erop dat Rutjes Rooms-Katholiek was en het schip liet bouwen met financiële steun van de kerk. Het was toen gebruikelijk, dat de pastoor van de parochie waar de schipper domicilie had, een toepasselijke naam voor het schip bedacht. 
Het woord 'aak' wordt in de volksmond gebruikt als een algemene aanduiding van een vrachtschip voor de binnenvaart. Toch had dit woord in vakkringen van scheepsbouwers en schippers een veel specifiekere betekenis. Onder een aak verstonden zij een schip, waarbij de planken van het vlak in het voorschip tot ver boven de waterlijn omhooggebogen waren (dit deel van de boeg noemde men de "heve"), waar de gangen van de boorden aan waren bevestigd. Met deze bouwwijze kon op eenvoudige en goedkope wijze een rond voorschip worden gemaakt. Een constructie met een zware voorsteven, waar de gangen tegen aansloten, was ingewikkelder, zwaarder en dus duurder. De bouwwijze met heve werd in geheel Europa toegepast bij het bouwen van rivierschepen.5 Met de heve-constructie kon een betrekkelijk goedkoop en vlotgaand schip worden gebouwd, geschikt voor vlak en stromend water. Waarschijnlijk ontstond uit de woorden 'heve' en 'aak' in kringen van scheepmakers en schippers de type-aanduiding hevelaak'. Dit woord kwam in negen-tiende- en twintigste-eeuwse werf-bestekken, alsmede door de Scheepsmetingsdienst uitgegeven meetbrieven, veelvuldig voor. Een specifiek type hevelaak was de hagenaar. Andere hevelaken waren bijvoorbeeld de hasselteraak, en diverse aakjes van ongeveer 50 tot 60 ton, die in Zuid-Holland werden gebouwd, bijvoorbeeld op de scheepswerven van de familie Boot. Onder een hagenaar verstond de binnenschipper van omstreeks 1900 een zeilschip van het type hevelaak, met afmetingen waarmee de wateren van de binnenstad van Den Haag konden wor-den bereikt. Het grootste struikelblok in de route naar het centrum was de Wagenbrug, die maar 4,20 m breed was. Met hagenaars van 4,40 m breed voer men binnendoor naar Scheveningen. Na 1920 werden ook grote sleepschepen van 600 ton gebouwd die de schippers hagenaars noemden. Deze schepen waren bestemd voor de Laakhaven in Den Haag. Het is mij herhaaldelijk opgevallen dat oud-schippers en oudere brug- en sluiswachters het vaak hadden over een `hagenaartje', als ze het over het zeilschip hadden. Ik verklaar het gebruik van dit verkleinwoord uit de behoefte, om de 'kleine' zeil-hagenaar te onderscheiden van de grote sleep-hagenaar.

pdf SdZ 1995 nr04 mei-juni - 100 jaar Hagenaar Heiltje deel 1

juli 1995

juli 1995: Spiegel der Zeilvaart nummer 5: 100 jaar Hagenaar Heiltje deel 2

Talloze malen voer de 'Heiltje' diepgeladen tot aan het gangboord over de Waal, de Boven Merwede, de Noord en de Nieuwe Maas, naar Rotterdam. De tuigage bestond uit een grootzeil aan een rechte gaffel en een fok. Een kluiffok werd niet gevoerd, hoewel er wel een korte boegspriet gevoerd werd. Die werd gebruikt bij het voor de wind varen. Op deze koers werd een fokkegiek gezet, en met behulp van een verhaalkop op de ankerlier, trok men deze giek buitenboord. Op deze route moesten een paar vaste spoorbruggen worden gepasseerd. Met half gestreken mast en zeilen voer de hagenaar onder de brug door. Stroomafwaarts leverde dit meestal weinig problemen op, maar de andere kant uit kon de tegenstroom wel eens problemen geven, zeker als de wind het liet afweten. Dan moest met de roeiboot eerst een draad worden uitgebracht, zodat men het schip met behulp van de grote lier op het voordek onder de brug doortrok.
In Rotterdam vormden de Maasbruggen een obstakel voor de zeilschepen. Hiervoor kon de zeilschipper gebruik maken van de 'kosteloze boot', een sleepboot van de gemeente Rotterdam die de zeilchepen met gestreken masten onder de bruggen doortrok. Voor de aanleg van de Parksluizen in de jaren dertig moest worden geschut in Delfshaven. Via de Aelbrechtskolk bereikte de 'Heiltje' de Schie, die naar Den Haag leidde. Bij een zuidelijke wind redde Hendriks zichzelf op de zeilen, anders kon hij gebruik maken van de sleepboot tussen Rotterdam en Den Haag. Uiteraard kostte dit geld, dat van het vrachtloon afging. De kinderen-Hendriks konden zich nog goed herinneren, dat ze de 'Heiltje' ook wel zelf getrokken hadden, lopend over het jaagpad!

pdf SdZ 1995 nr05 juli - 100 jaar Hagenaar Heiltje deel 2

We zijn zeer geïnteresseerd in uw opmerkingen en/of vragen over dit schip. Stuur ze ons!

Terug naar het overzicht