HL33

HL33

De laatste telg van het geslacht de scheepsbouwers Wildschut te Gaastmeer, bouwde een jaar nadat 'de dijk dicht was' een houten Staverse jol. Nu niet meer voor de visserij maar voor de pleziervaart. De Staverse jollen van de Wildschuts hebben een karakteristieke vorm. Dit geldt zowel voor het ijzer waar de broers Wildschut als één van de eerste innovatief mee waren begonnen rond 1900, als voor het traditionele hout. Nu de Zuiderzee langzaam zoet en stilstaand geworden was, werd het moeilijk een stuk droog brood te verdienen in de visserij. Een Amsterdamse onderwijzer, de heer E. Vingerhoets, was in staat bij Wildschut een nieuwe Staverse jol te laten bouwen. Hij wilde een roef op het schip, omdat het schip puur voor het plezier zou dienen. Dit is één van de drie Staverse jollen met roef die door de werf Wildschut gebouwd zijn in de periode 1930-1940.

Het werd een stevig schip en het was curieus genoeg om melding van te maken in de Waterkampioen van 1933. De koperen nagels in de spanten boven water en de houten pennen onder water zijn nu nog terug te vinden. Er liep over de romp een dun berghout dat steeds het breedste punt volgde en daardoor een enorme zeeg had. Het schip werd zonder motor gevaren. Het tuig was enigszins afgeleid van het boeiertuig. De mast was iets hoger dan gebruikelijk en de gaffel was gekromd. De heer Vingerhoets doopte het schip 'Meerkol', wat zoveel betekent als heks van het water. Hoewel in Friesland gebouwd, was het vaargebied de Zuidhollandse plassen ten zuiden van Amsterdam.

SdZ juni 2003
SdZ juni 2003

Eigenschappen

Plaquette nummer:141 Zeil nummer:
Categorie:B Tekening nummer:
Type:Staverse jol

Bouw

Bouwjaar:1933 Ontwerper:Wildschut
Werf:Gebr. Wildschut Werf plaats:Gaastmeer
Motor:Inbouw Motor type:Yanmar
Materiaal romp:Eikenhout Materiaal kajuit:
Materiaal zeil:Clipper canvas
Onderwaterschip: Kiel:

Afmetingen

Lengte stevens:6,85 m Breedte berghout:2,60 m
Diepgang:0,70 m Masthoogte water:8,50 m
Oppervlakte grootzeil:35,00 m2 Oppervlakte fok:0,00 m2
Oppervlakte botterfok:0,00 m2 Oppervlakte kluiver:0,00 m2
Oppervlakte totaal:35,00 m2 Oppervlakte overig:0,00 m2

Tot nu toe bekende eigenaren en namen van het schip

1933 – onbekend E. Vingerhoets, Amsterdam ( Meerkol)
onbekend – 1946 E. Clemens , Bussum ( Meerkol)
1946 – 1950 J.H. Evenhuis, Amsterdam ( Meerkol)
1950 – 1954 Notaris Dragt, Amsterdam ( De Vrouw Guurtje)
1954 – 1972 G.T. de Bijl Nachenius ( Elisabeth Jacoba AM33)
1972 – 1987 N.R. van der Vloed, Hauwert ( Elisabeth Jacoba AM33)
1987 – 1991 H. Kotter ( Elisabeth Jacoba AM33)
1991 – 2003 W. van Dongen, Amsterdam ( Elisabeth Jacoba AM33)
2003 – onbekend R.J. du Rieu, Zelhem ( Elisabeth Jacoba AM33)
onbekend – Nu (laatst bekend) D. Strijker, Warns ( HL33)

Geschiedenis

1933

21 juli 1933

21 juli 1933: De Waterkampioen nummer 342

Rubriek nieuwe jachten voor 1933

Voor wij van de kajuitzeiljachten afstappen, dienen wij nog te vermelden een Stavorensche jol, bij de werf J. Wildschut te Gaastmeer (Fr.) gebouwd voor den heer E. Vingerhoets te Amsterdam. Dit vaartuig is 6.85 M. lang en 2.60 M. breed en voert een zeiloppervlak van 28 M.2 in zeil en stagfok, zoomede een kluiver van 7.75 M.2 De beplanking is van eikenhout, 22 m.M. dik, het voordekje van oregonpine, de kajuit van teak, met een stahoogte van I.40 M. Zulke scheepjes worden zwaar gebouwd; de spanten zijn eiken krommers van 7 c.1\71. in 't vierkant!

1949

juni 1949

juni 1949: De Waterkampioen nr655-656 juni-juli - Een saluut aan de Staverse jol 'Meerkol'

Ons schip, een zeer solide Staverse jol met een 16-jarig roemrucht verleden, de 'Meerkol' (eigenaar E.L. Evenhuis), logeerde sedert enige weken in deze deftige omgeving. Het was een kille avond, maar in onze gezellige kajuit was het aangenaam vertoeven en het was erg laat toen de kapitein zich zijn inkwartierings-adres herinnerde. Voor alle zekerheid hebben we hem over de Willemsluizen gebracht. Mijn vrouw en ik deelden samen de kajuit en de sergeant-majoor zocht vergetelheid in het vooronder, om daaruit zeer wreed en erg vroeg gestoord te worden, omdat ik de klok twee uur vooruit had gezet. De sergeant-majoor is mijn jongste broer en wij noemen hem gewoon Kor. Het was even dóór vier en het regende. De Y-pont braakte zijn roet uit in de richting van onze dure haven, dus gunstige wind. Er heerste al een zekere bedrijvigheid op en om de pont, zodat het tijdbedrog niet opviel.
We gooiden vlot los en gleden op de fok langs de Piet Hein, om snel de Sixhaven achter ons te laten en daarmede de goeie zorgen van havenmeester Leyenaar. De overkappingen van het Centraal station glommen van het spattende regenwater. Voor de Oranjesluizen voeren we wat heen en weer, aangezien ik een grondige afkeer heb van een lege sluis, draalden we met binnenvallen. Daar echter geen oplopers kwamen opdagen, gooiden we de zeilen neer en dreven de sluis binnen, waar we met de stoptros nog vrij sterk af moesten remmen, om niet door de laatste sluisdeuren heen te rammen. De gedienstige sluis-wachter deelde mede, dat nog niet „op de klok" geschut werd, want „dat begint pas na 6 uur", waarop Kor met een kreun vroeg, hoe laat het dan was. Onze scheepsklok wees half acht aan. Dat er opzet in het spel was, drong pas later tot zijn gepijnigde hoofd door.

Het hele verhaal over de tocht van Amsterdam naar Friesland en weer terug naar Aalsmeer in 1949

1953

16 september 1953

16 september 1953: De Waterkampioen nummer 927

Westeinder Zeilwedstrijden voor Platbodems en R.O.R.C.-jachten

De op 30 Augustus op de Westeinder Plas gehouden zeilwedstrijden voor Ronde en Platbodemjachten, Staverse jollen en R.O.R.C.-jachten, waarvoor 55 deelnemers hadden ingeschreven tegen 40 in 1952, troffen het zeer slecht met het weer. Regen en steeds aanwakkerende, stormachtige ZW-wind deden vele oudere jachten aan de wal blijven, zodat slechts een klein aantal schepen de strijd met de elementen aanbond. Het ging bar toe op de Westeinder en averij bleef niet uit; een vijftal jachten verspeelde de mast, terwijl het aantal gescheurde zeilen nog veel groter was. De overgebleven ronde jachten boden een prachtige aanblik in hun strijd met de hoge golven en de oude rivalen „Piet Hein" en „Jan Klaassen" speelden het zelfs klaar steeds bij elkaar te blijven en met een berekend verschil van slechts 6 sec. de finish te passeren.
Een imposant gezicht was ook de „Frans Naerebout", dit jaar in andere handen overgegaan, met volle zeilen onder bergen buiswater de baan te zien afleggen op enige afstand gevolgd door de „Vryheid", terwijl de overige jachten of niet waren gestart dan wel de strijd hadden gestaakt. 

De uitslagen waren:
Klasse 1 (gemeten ronde jachten): Piet Hein II (v. Wingerden) 2.14.10; Jan Klaassen (Scheffer) 2.14.16;
Klasse 4 (grote ongemeten ronde jachten): Frans Naerebout (de Haas); Vryheid (van Beenen).
Klasse 5 (middelsoort ongemeten ronde jachten): niemand gestart.
Klasse 5a (kleine ongemeten ronde jachten): Madriga gestart, doch mast verspeeld.
Klasse 6 (schouwen): Joke (Ketelaar); Zeeridder (Oosterhagen).
Klasse 7 (Staverse jollen): De Vrouw Guurtje (Dragt); Schollevaar (van Ee); Vrouwe Jacoba (Voss), Bragi (Schneider):

1998

oktober 1998

oktober 1998: Tijdens de visserijdagen in Workum

Voorplaat SdZ 1998-09 (foto Pieter Nijdeken)
Voorplaat SdZ 1998-09 (foto Pieter Nijdeken)

2003

februari 2003

februari 2003: Spiegel der Zeilvaart februari-september 2003 nummer 1 tm 7 - De Staverse jol AM33 'Elisabeth Jacoba' in 6 delen

Deel 1 februari: De bouw van een jol als jacht, de eigenaren en restauratie

Wieke van Dongen beschrijft in een aantal afleveringen de geschiedenis van de Staverse jol 'Elisabeth Jacoba' die de laatste jaren onder de naam AM33 deelneemt aan de Visserijdagen in Workum. Het is een vrij gedetailleerd verhaal geworden, vooral omdat eerdere eigenaars al veel over de jol hadden opgeschreven.
In 1946 kocht de heer J.H. Evenhuis, vertegenwoordiger uit Amsterdam, de jol van E. Clemens te Bussum, de tweede eigenaar van de 'Meerkol'. De heer Evenhuis voer op de Westeinder-plassen met als thuishaven Aalsmeer. Er bestond toen een treintje van Amsterdam naar Aalsmeer. Hij maakte een tocht naar Friesland met zijn vrouw en zijn broer Kor. Een verslag hiervan verscheen in twee delen in de Waterkampioen in 1949.
Na een vroeg vertrek uit de Sixhaven van Amsterdam als begin van de tocht: "We voeren gelijk op met een hoog met pakken stro opgeladen tjalk. De schipper troonde bovenop de lading en bestuurde van die plaats met een soort verhoog-verleng-knuppel zijn schip, terwijl de zware motor over het stille water van het Buiten-Y tjoekte. Wij genoten. Vooral nadat Kor zo actief was om de kluiver bij te zetten. De zeilen stonden bolstrak en we liepen de tjalk uit. De schipper groette ons goedmoedig. Ons stevig ontbijt maakte het leven volmaakt. Diezelfde middag aangekomen in Enkhuizen op weg naar Friesland."

pdf SdZ 2003 nr01 februari - De bouw van een jol als jacht, de eigenaren en restauratie

Deel 2 maart: De eigenaren en restauraties

In deze tweede aflevering beschrijft Wieke van Dongen het vervolg van de geschiedenis van de Staverse Jol 'Elisabeth Jacoba'. Het was door de jaren heen niet eenvoudig om de jol letterlijk boven water te houden. Uiteindelijk wordt het schip gerestaureerd en verdwijnt de kajuit. Achteraf blijkt dat dit een van de weinige jollen is geweest die met kajuit
zijn gebouwd...
Meneer Evenhuis senior verkocht de jol in 1950 aan notaris Dragt te Amsterdam. Hij was voorzitter van de Watersport Verenigingde Nieuwe Meer in Amsterdam en wilde het schip gebruiken als admiraalschip tijdens zeilfestiviteiten. Hij heeft zelf ook aan zeilwedstrijden op de Westeinderplassen meegedaan en met succes, gezien de publicatie met actiefoto in de Waterkampioen uit 1953. De wedstrijd was voor Ronde en Platbodemjachten, Staverse jollen en R.O.R.C.-jachten." Het is opvallend dat de Staverse jollen als aparte categorie wordt aan-gegeven. Blijkbaar voeren er meerdere op de Westeinderplasssen en vielen ze niet onder de Ronde en Platbodem jachten.
Er was inmiddels een buitenboordmotor aan de spiegel gehangen om ook te kunnen manoeuvreren zonder of tegen de wind. Notaris Dragt heeft de naam van het schip veranderd in 'De Vrouw Guurtje' als eerbetoon aan zijn vrouw. Hij is ook degene die het schip heeft ingeschreven in het Stamboek Ronde en Platbodemjachten waarbij het plaquettenummer 141 kreeg. Ook tijdens de reünie in Enkhuizen in 1957 had hij, gezien de Nederlandse vlag in de mast, de taak van admiraal.
Na zeven jaar wordt de 'De Vrouw Guurtje' in 1958 verkocht aan de heer mr. C.T. de Bijl Nachenius, toenmalig directeur van de Nederlandse Bank, wonende in Broek in Waterland. Deze voer ook op de Hollandse plassen en vernoemde het schip opnieuw, naar zijn vrouw 'Elisabeth Jacoba'. Zo heet het schip nog steeds. Zijn vrouw moest in de loop der tijd een hersenoperatie ondergaan en mocht op doktersadvies alleen met een helm op mee aan boord in verband met het gevaar voor stoten en overvliegende gieken.
Dit bleek het zeilplezier te verminderen en na vijftien jaar verkocht de heer de Bijl Nachenius de Elisabeth Jacoba aan zijn neef N.R. van der Vloed uit Hauwert, die al regelmatig meevoer. Hij werd, samen met de heer ir. E Erkelens bedrijfsingenieur te Velp, eigenaar in 1972. De vrouw van Klaas van der Vloed is de zus van Frans Erkelens, dus het schip bleef een familie aangelegenheid.
De jol was nu veertig jaar oud en het koste moeite haar boven water te houden. In 1975 wordt advies gevraagd aan Jacht- en Scheepswerf `Hollandia' uit Woubrugge over het oplossen van de lekkage die vooral van boven kwam. De oplossing was zo ingrijpend dat gewacht werd. Henk en Carla Kotter zeilden er ook regelmatig mee. De jol was, tijdens hun vakantie op de Zeeuwse wateren, zo lek als een mandje.
Door sterke uitdroging en verwaarlozing zonk de jol uiteindelijk in 1976 in het Schiekanaal te Overschie. Zij werd gelicht door W Smit, bergingsbedrijf uit Rotterdam en in 1977 naar Hoorn getransporteerd. In de onzekerheid of ze verkocht moest worden of gerestaureerd kwam Carla met het idee dat zij deeleigenaar zouden worden en van dat aandeel kon de jol gerestaureerd worden. Er zouden na de restauratie dan drie eigenaren zijn.
Nu moest er rigoureus geïnvesteerd worden en waren de middelen er ook. In Hoorn was met Cees Droste de afspraak gemaakt om een grondige restauratie uit te voeren. De belangrijkste ingreep die daarbij plaatsvond was het verwijderen van de roef. Cees Droste was van mening dat Staverse jollen geen roef hoorden te hebben, het waren vissersschepen geweest met een open kuip. Om de restauratie af te maken hebben Henk en Carla Kotter in 1979 nieuwe zeilen geschonken van donkerbruin dacron.
Het vaargebied van de familie Kotter en de andere eigenaren werden de Zeeuwse wateren en de rest van Nederland. Er werd met name op zout en stromend water gezeild. In 1978 kwam er een derde eigenaar bij, de heer Henk Kotter, rijksambtenaar uit Zoetermeer. Hij was al veel langer actief bij het schip betrokken en was nu officieel mede-eigenaar. Door de afstemming van het gebruik per eigenaar was het mogelijk grote en lange tochten te maken, waarbij ieder een deel van het traject zeilde en met de auto van de volgende zeiler weer naar huis kon. Zo was ook het onderhoud verdeeld tussen de eigenaren in onderwaterschip, bovenwaterschip en alle losse zaken. Dit is lange tijd harmonieus verlopen. De verhoudingen veranderden nog tweemaal. Mr. Titus van der Tonen kwam er in 1983 bij en in 1986 trad Mr. Ad Stok toe, waarbij Van der Torren en Van der Vloed eruit gingen. Klaas van der Vloed zeilde toen meer wedstrijden op de 'Hestia', een klassiek gelijnd wedstrijdjacht, op zee. Henk Kotter was vanuit zijn enthousiasme hoofdverantwoordelijke en heeft alles bij elkaar 25 jaar met de E.J. gevaren. Hij had altijd mensen aan boord en heeft velen de verrukkingen van het 'pure zeilen', ongeacht het tijdstip, het weer en de wind ('de jol kan alles'), en de charmes van een houten schip ('Hout is goud') overgedragen. Henk Kotter wilde op een gegeven moment de zee op, Ad Stok was naar de Verenigde Staten vertrokken en Frans Erkelens zeilde veel minder. Zo heb ik (Wieke van Dongen) het schip gekocht in 1991.

pdf SdZ 2003 nr02 maart - De eigenaren en restauraties

Deel 3 april: Vissen met de Staverse jol

Wieke van Dongen beschrijft in deze derde aflevering de geschiedenis van de Staverse jol 'Elisabeth Jacoba' die de laatste jaren onder de naam AM33 heeft deelgenomen aan de Visserijdagen in Workum.
Twee perken gezet, duidelijk is dat we er nog een beetje moeten inkomen. Alles ging wel met een mooi beheerst vaartje, want we moeten alles op zeil doen en een bijboot is niet voorhanden. Als we daar goed en wel mee klaar zijn, komen de eerste schepen van de strontrace 't Soal uitzeilen. Tot onze ontzetting gaan ze deels onder onze netten door, maar er deels ook overheen. Het zal toch niet waar zijn dat, net begonnen, we nu al schade hebben aan de netten? Hoe maak je dat dan weer heel? Het blijft het wel een fascinerend gezicht, een prachtig veld dat zo dicht bij je langs zeilt en dat in de mooiste belichting die je maar kunt bedenken; we liggen frontloge. Later zo mogelijk nog mooier, maar zo mogelijk ook nog hoger varende klippers, ze lijken wel allemaal over onze netten te zijn heengegaan, hoe hebben we ook zo stom kunnen zijn, waarom niet even overstag gegaan en wat dichter onder de wal gekropen.... Ook nog een hoekwantje gezet, bij gebrek aan jonen worden daar stootwillen voor gebruikt. Het hoekwantje heeft Wieke deze zomer in Normandië gekocht, maar dat schijnt maar dan ook werkelijk geheel niet aan de eisen te voldoen, bij de keuring gisteren was slechts sprake van smadelijke blikken en ingehouden hoongelach (haken om de 25 cm aan lijntjes van 30 cm), een wantje dat mogelijk slechts geschikt is als botwantje dat je rond laagwater uitzet op getijdewater.
Het visserij nummer wat nodig was om aan de zeilende visserij mee te kunnen doen is samengesteld uit AM (Amsterdam) en het bouwjaar 1933 (AM33). Toen mijn moeder dit zag zei ze: 'Heb je het schip naar mij vernoemd?' Haar voorletters zijn A.M. en haar geboortejaar is 1933. Samenloop van omstandigheden? Het is een bestaand visserijnummer geweest. In 1927 heeft een tjalkje uit Amsterdam het nummer gebruikt, waarschijnlijk om naast het vrachtvervoer ook wat te vissen, een merkwaardige combinatie maar voorstelbaar.
In 1995 konden wij met de jol mee te doen aan het evenement Sail Amsterdam. We wilden er een reeks van maken, elke keer met een ander schip. Als aanbrengtocht kozen we ditmaal voor de Palingrace ook vanuit Friesland naar Amsterdam. Deze tocht was georganiseerd in de vorm van een wedstrijd voor de grotere schepen over het IJsselmeer. De baan was via een aantal tonnen richting Noord-Zuid van Lemmer naar Lelystad en vandaar naar Amsterdam We hebben dankzij de forse bries erg hard gevaren en zijn glorieus tweede geworden toen we over de finishlijn bij Durgerdam stoven. 
Het mooiste moment tijdens dit mega evenement was de commercie. Op de derde ochtend wandelden we langs de kade en viel mijn oog op de standaard met ansichtkaarten bij een verkooptent. Er was een kaart met een blank houten schip en een uitzonderlijk groot bruin zeil wat vergelijkbaar was met ons tuig. Getroffen door de robuustheid van het beeld keek ik beter. Ik voelde me bevestigd in de schoonheid van ons nationaal varend erfgoed en herkende dat dit precies was wat Sail voor me betekende. Daarom deden we mee, dit keer met de jol. Toen drong het tot me door dat het ons schip was, wat bijna te indrukwekkend was voor die ansichtkaart. Ik herkende de grote fok, onze sailvlag en mijn knieën onder het grootzeil. Ons schip was gefotografeerd tijdens de intocht van de Tallships vanuit IJmuiden naar Amsterdam. Wij hadden gezeild, geheel onwetend dat dit via de kranten verboden was.

pdf SdZ 2003 nr03 april - Vissen met de Staverse jol

Deel 4 mei: De jol wordt opgemeten en in tekening gebracht

Als een schip mooi van vorm is, een tegendraadse geschiedenis heeft als cultureel erfgoed, ontstaat er een groot besef dat het verloren kan gaan, zeker als het van hout is. Vanuit dit besef kreeg ik de behoefte het te laten vastleggen door een opmeting. Er zijn helemaal geen tekeningen van. Wildschut bouwde op het oog en bij dit schip is dat zeer elegant uitgevallen. Als één van de laatste jollen en één van de drie jachtjollen is het een unicum.
Om dit cultureel erfgoed op meerdere manieren te bewaren heb ik aan de HTS scheepsbouwkunde in Haarlem gevraagd of het als onderdeel van het lesprogramma opgemeten zou kunnen worden. Op deze manier wordt het vastgelegd voor in de toekomst en hebben onze toekomstige scheepsbouwers een Staverse jol 'door de vingers gehad'. Dhr. Lantau van de HTS Haarlem heeft dit binnen het onderwijs georganiseerd en ik hoefde alleen te zorgen dat de jol op een afgesproken moment in Haarlem op het droge stond. Hij heeft het lesonderdeel scheepsopmeten hierop aangepast. Zonder elkaar ooit persoonlijk ontmoet te hebben is dit gerealiseerd en ik heb nu twee lijnenplannen van de jol met verschillende uitgangspunten als referentie.
De leerlingen zijn in twee groepen een dag lang bezig geweest het schip in tekening te brengen. De ene groep zorgde voor het achterschip de andere voor het voorschip. De indeling van de afstanden voor de meetspanten gebeurde in onderling overleg. Beide groepen moesten een compleet schip tekenen en de waterverplaatsing berekenen. Beide lijnenplannen zijn afgebeeld en bij zorgvuldige vergelijking worden verschillen zichtbaar. Met deze tekeningen kan ooit eens een replica gebouwd worden, wat ik een geruststellend en leuk idee vind. De verantwoording van het behoud is hierdoor breder gefundeerd.

pdf SdZ 2003 nr04 mei - De jol wordt opgemeten en in tekening gebracht

Deel 5 juni: Partnershipping

Na meer dan tien jaar zeilen met de 'Elisabeth Jacoba' ontstond de behoefte de verantwoording voor het behoud en het plezier van het zeilen met de Staverse Jol te delen. We hebben hiervoor het initiatief Partnershipping' in het leven geroepen.
Het idee is ontstaan vanuit de eigen ervaring dat we steeds min-der intensief de verschillende schepen die we hebben (Amsterdams stadsbootje, varend woonschip, zeilboot) gebruikten. Zelfs als je één schip hebt, worden meestal bij lange na niet de mogelijke vaardagen door het jaar heen benut. Veel eigenaren 'willen ook wel eens iets anders' in het weekend. Het is voor een schip goed dat het regelmatig gebruikt wordt. Het is fijn als de financiële lasten en het onderhoud niet helemaal alleen gedragen hoeft te worden en daarnaast is het leuk een band met mensen op te bouwen waar je iets gezamenlijks mee doet en een interesse mee deelt. Er vindt vanzelfsprekend een overdracht plaats van het varen met platbodems, juist voor mensen die geen schip kunnen hebben of hebben gehad. Mensen met een vaarbehoefte, maar zonder bemanning kunnen onderling kennis maken tijdens het werken aan het schip en vervolgens samen gaan zeilen. Al deze aspecten komen samen in `partnershipping'.
Voor ons schip hebben we, door het idee op allerlei manieren bekend te maken, een groep `partnershippers' opgebouwd die samen met ons het schip onderhouden en ermee zeilen. De planning doen we centraal en iedereen wordt met E-mail op de hoogte gehouden van de wederzijdse zeilplannen. Er is geen moment geweest dat het overlapte en we hebben toch tegelijk vijf actieve partners gehad. Eén ervan is Hans Evenhuis wiens vader het schip gehad heeft tussen 1946 en 1950. Hij vaart samen met ondermeer zijn dochter met het schip waar hij als 4 tot 8-jarige jongen ook mee gevaren heeft. Voordat een schipper kan deelnemen gaan we één of meerdere dagen samen zeilen om alle handigheden over te dragen en wederzijds vertrouwd te raken. Hierbij is het meestal de nieuwe schipper die aangeeft of het verantwoord is als hij of zij alleen met de jol het water op gaat. Tijdens de individuele tochten worden de zeilervaringen en opmerkingen over het schip vastgelegd in het logboek, zodat er allerlei praktische uitwisseling en amusement ontstaat. Een mooi voorbeeld daarvan is het verhaal van meerdere partnershippers over hun zeiltochten over de Fluessen en de Morra.

pdf SdZ 2003 nr05 juni - Partnershipping

Deel 6 september: De laatste ontwikkelingen

Het beschrijven van de geschiedenis van de Staverse jol 'Elisabeth Jacoba' heeft het nodige in beweging gebracht. De cirkel sluit zich weer, we eindigen met: "Bij toeval zijn we in contact gekomen met degene die de eerste tocht in 1933 heeft gemaakt."
Toen Roelof van der Werff een voettocht naar Noorwegen ondernam, werd het voor ons tijd de winterstalling van Workum naar Amsterdam te verplaatsen. Het schip kon op de wal overwinteren bij jachthaven Twellegea in Amsterdam-Noord. Na publicatie van het eerste artikel over de Elisabeth Jacoba komt Molly op ons af. Ze is vaste gast in de haven met haar houten zeilsloep. Ze zegt: 'Ik heb je artikel gelezen in de Spiegel. Ik heet ook Vingerhoets, mijn vader was onderwijzer in Amsterdam en heeft eens een houten boot laten maken. Ik geloof dat het deze jol is.' Als dat geen toeval is! Toen Molly in 1939 werd geboren had haar vader de jol al verkocht. Het huwelijk van haar ouders heeft geen stand gehouden en ze heeft daarom weinig over de jol te horen gekregen. Bovendien zijn haar ouders enkele jaren geleden overleden. Wat wil echter het geval? Molly herinnert zich dat de jongste broer van haar moeder, de thans 91-jarige heer Frans Verhofstad, de eerste tocht met het schip heeft meegemaakt. Dus heb ik met hem een afspraak gemaakt, waar hij mij de volgende bijzonderheden over deze 'maiden trip' kon vertellen. "Ik heb in 1933 mijn zuster en zwager vergezeld toen zij de jol in Gaastmeer gingen ophalen. De prijs van het schip was meen ik 1300 gulden. (Ter vergelijking: een grote BM kostte toen 400 gulden). We voeren over de Fluessen via Stavoren naar de Oranjesluizen in Amsterdam. Direct al bleek hoe perfect de jol geschikt was voor de korte golfslag op het IJsselmeer. "
Huib de Vries zond een kopietje uit een oud rekeningenboek van Scheepswerf `De Vlijt' uit 1938 en 1939. Het betreft een reparatie voor de `Stavoorsche' jol "Meerkol". Wat er precies gerepareerd werd is niet meer te achterhalen.

pdf SdZ 2003 nr07 september - De laatste ontwikkelingen

Aanvulling deel 6 september: Een nieuwe eigenaar voor de Staverse jol

Mijn ouders waren het klassieke voor-beeld van man en vrouw wat betreft voorkeuren t.a.v. varen; vader zeilde het liefst op groot water, moeder vond een motorvlet in kleine slootjes meer uitzicht bieden. En zo verzeilde ik motorend in mijn eerste jaren in het groene hart; prachtig overigens. Later kwamen daar scherpe jachten voor in de plaats en bevoeren we het IJsselmeer en Friesland. Zelf werd ik groot met een HVM-jolletje, een Vaurien, een Laser en een Vrijheid.
Toen ik ging studeren in Amsterdam, en mijn beste vriend op zee bleef tijdens de storm die de Fastnet race in 1979 teisterde, liet ik het varen links liggen. Wel zeilde ik af en toe mee met vrienden met platbodems, en bemande ik tijdens de visserijdagen in Workum.
In 1995 kocht ik een Drascombe Drifter, waar we veel plezier mee beleefden omdat je er overal mee kon komen. In 1998 kwam daar mijn ultieme droomschip voor in de plaats, een kitsgetuigde Breewijd. Stoer, sterk, zwaar en helemaal uitgerust voor het grote werk. Toch vond ik het schip in de praktijk te groot. De menselijke maat miste, hoewel ze niet echt groot was. Het water was te ver weg, je kon er niet even je hand in steken. Niet je mast kunnen strijken en je moest in de vaargeul blijven. En, inmiddels met twee kinderen, word je gedwongen je eisen bij te stellen. Najaar 2002 keek ik naar een 8 meter lange stalen Staverse Jol in roefuitvoering. Mooi, maar ook net een maatje te groot naar mijn idee. Mijn eisen: groot genoeg voor ons gezin, klein genoeg om alleen mee te kunnen varen, weinig diepgang, eenvoud, grote kuip en bovenal schoonheid en karakter. Niet zo makkelijk dus. De Romilly bijvoorbeeld, van Nigel Irens, is prachtig maar (ook daardoor) beperkt qua ruimte.
De jol AM33 bleek wonderwel aan alle wensen tegemoet te komen. Vooral de doordachte eenvoud spreekt me aan, de authenticiteit. Ik wil er alle uithoeken van Nederland mee bevaren, en wellicht de Oostzee. Mijn kinderen liefde voor het water meegeven, de rust, ruimte en vrijheid, die er is als je er oog voor hebt!
Rob du Rieu, Doorn

We zijn zeer geïnteresseerd in uw opmerkingen en/of vragen over dit schip. Stuur ze ons!

Terug naar het overzicht