Ingeltsje

Ingeltsje

In zijn boek "Tjotters en Boatsjes" schrijft Dr. Ir. J. Vermeer:
In de jaren 1918-1920 zijn op de werven Brandsma in Franeker en Rohel in totaal vier Friese jachten met een lengte van 5,20 meter zijn gebouwd. De werf in Franeker werd reeds in 1933 geliquideerd, die in Rohel (bij Augustinusga) bestaat heden nog. Daar wordt de houten jachtbouw tot in de perfectie beheerst. Naast verschillende kleine en grotere houten schouwen (met of zonder kajuit) en andere houten jachten heeft de werf tot nu toe twee kleine tjottertjes gebouwd.
De 'Ingeltsje' is daar één van en werd in 1965 gebouwd. Dit bootje is uitgerust als een boeierke, compleet met berghout, kluisborden, beretanden en een smal jachtenroer. De huidige eigenaar deelde ons mee, dat Brandsma dit bootje voor eigen rekening op stapel had gezet. Enkele dagen na de tewaterlating werd het gekocht door Mr C. Plet te Pijnacker, vader van de huidige eigenaar. Het bootje heeft boven een plat vlak drie betrekkelijk smalle gangen en is daardoor mooi rond van vorm. 

Eigenschappen

Plaquette nummer:449 Zeil nummer:
Categorie:C Tekening nummer:
Type:Tjotter

Bouw

Bouwjaar:1965 Ontwerper:M. Brandsma
Werf:Jachtwerf Brandsma Werf plaats:Rohel
Motor: Motor type:
Materiaal romp:Eikenhout Materiaal kajuit:
Materiaal zeil:Dacron
Onderwaterschip: Kiel:

Afmetingen

Lengte stevens:4,00 m Breedte berghout:1,60 m
Diepgang:0,20 m Masthoogte water:5,80 m
Oppervlakte grootzeil:0,00 m2 Oppervlakte fok:0,00 m2
Oppervlakte botterfok:0,00 m2 Oppervlakte kluiver:0,00 m2
Oppervlakte totaal:0,00 m2 Oppervlakte overig:0,00 m2

Tot nu toe bekende eigenaren en namen van het schip

1965 – 1977 C. Plet, Pijnacker ( Ingeltsje)
1977 – Nu (laatst bekend) M.Ph.J. Plet, Oldeouwer ( Ingeltsje)

Geschiedenis

1965

juni 1965

juni 1965: Waterkampioen 1965: Een bijzonder tjottertje

De tjotter Ingeltsje voor de tewaterlating op de werf van Brandsma in Rohel (foto J.D. de Jong)
De tjotter Ingeltsje voor de tewaterlating op de werf van Brandsma in Rohel (foto J.D. de Jong)

Zaterdag 15 mei gleden er bij Brandsma in Rohel twee scheepjes in het water: een schouw en een tjotter. De schouwen van deze bouwer hebben al een zekere bekendheid, maar het gaat nu om die tjotter. Het is de eerste die aan het brein van Brandsma is ontsproten na een pauze van 45 jaar. Wat hij er als jongen van zag komt nu boven, aangevuld door 's mans liefde en begrip. Daarom is dit zo interessant. Je kunt een scheepje dat je mooi vindt natuurlijk kopiëren, eventueel met eigen variaties, en dat kan heel mooi werk zijn, waarin een originaliteit uitkomt, die positief van doen heeft met kunst en kunde. Het behoeft geen eigenwijsheid te zijn om de andere weg te bewandelen: het schaars en onvolledig bezonkene tot leven te wekken vanuit eigen hart en handen. Een „orthodoxe" tjotter is dit niet. Hij is te smal, zijn kont is te vol. Ik heb hem zien bouwen en verschillende constructies zijn wat „geïmproviseerd". Ik verklap daarmee geen geheim: hij heeft open en bloot als kale romp op de tentoonstelling in Zuidlaren gestaan en Brandsma weet dit zelf ook. 't Is gewoon een eerlijk stuk werk, en een volgende wordt anders.

Dat ik hierover met enthousiasme schrijf heeft zo zijn oorzaken. De algemene: een man van tegen de zestig begint er weer aan en zijn zoon doet mee. Iemand van dit geslacht van serie en confectie brandt weer eiken boegen. Maar het bijzondere dat iedere ronde en platboomde bouwer kenmerkt, omdat hij eigen kunstwerken produceert, verheugt mijn hart zoals dat anderen geraakt wordt door een schilderij of een muziekstuk of een ballet. U kunt wèl zeggen: ik vind b.m.'s of valken mooi of lelijk, maar u kunt nièt zeggen: ik hou van Nachtwachten en van Venussen van Milo en van Czardas vorstinnen: daar is er altijd maar één van!

En daarom: ook deze tjotter. Ik heb hem mogen varen en hij zeilt. En daarom gaat het allereerst. Ik vind hem nog mooi óók. De maten zijn: lengte vier meter, breedte 1,60 meter en er staat zo'n elf vierkante meter tuig op.
J. Matzer van Bloois

1997

1997

1997: De 'Ingeltsje' in het boek 'Tjotters en Boatsjes' van Dr. Ir. J. Vermeer

1998

1998

1998: De 'Ingeltsje' in het boek "Honderd jaar Brandsma Rohel"

Bein Brandsma schrijft in zijn jubileumboek "Honderd jaar Brandsma Rohel" over de 'Ingeltsje':
In 1961 werd de werf te Rohel door het gezin Brandsma opnieuw betrokken en begon Murk hier weer boten te bouwen, nu met zijn zoon Bein (1945) die de L.T.S. had doorlopen en liever zijn vader wilde helpen dan, zoals zijn leraren adviseerden, verder te leren. De oudste zoon Jan had geen belangstelling voor de scheepsbouw en kreeg aanvankelijk in Canada een betrekking bij een bank. De moeilijke tijden van crisis, oorlog en de naoorlogse hoge belastingen waren nu definitief voorbij. Een periode van opbouw en vooruitgang diende zich aan en de komende twintig jaren kunnen misschien wel de beste genoemd worden die de werf heeft doorgemaakt. In deze periode werden niet alleen een tiental 16m2 gebouwd, maar ook ongeveer tweehonderd schouwen in alle soorten en maten. Roeischouwen, open zeilschouwen, schouwen met voordek en kajuitschouwen. De schouw was door de toenemende welvaart en door zijn betrekkelijk goedkope bouw bereikbaar geworden voor veel watersporters die gecharmeerd waren van het traditionele Nederlandse vaartuig, maar niet de middelen bezaten om een rond jacht te laten bouwen. In de jaren zeventig kwam er wat meer verscheidenheid in de typen schepen die gebouwd werden, nadat in de jaren zestig vooral schouwen werden afgeleverd. In 1965 ging Bein naar het Fries Scheepvaart Museum in Sneek en nam daar de maten op van het boeierke 'Jannetje'. Volgens die (hoofd)maten en met daarnaast een flink stuk eigen idee bouwden hij en zijn vader een soortgelijk scheepje voor eigen rekening. Dit was het eerste eikenhouten bootje dat Bein ontwierp en met toestemming van vader Murk op stapel mocht zetten. Al spoedig na het gereedkomen van de 'Ingeltsje' zoals het bootje werd genoemd, werd het verkocht aan Nots Plet in Pijnacker, wiens zoon nu na drieëndertig jaar nog eigenaar is.
Twee jaar na 'Ingeltsje' tekende Bein een Fries jacht van vijf meter. Het eerste exemplaar dat volgens deze tekening werd gebouwd was niet naar zijn zin. Pas het tweede jacht volgens deze tekening, gebouwd in opdracht van houthandelaar D.J. Schuilenga van Surhuisterveen, kreeg de vormen die Bein voor ogen had, toen hij aan zijn ontwerp begon. Helaas heeft de opdrachtgever, als gevolg van een ernstige ziekte, zelf nooit in zijn schip kunnen varen en werd het door de familie naar het buitenland verkocht.

We zijn zeer geïnteresseerd in uw opmerkingen en/of vragen over dit schip. Stuur ze ons!

Terug naar het overzicht