Jacob van Zalinge

Jacob van Zalinge

Zunderdorper Floor van Dusseldorp is mede-oprichter en voorzitter van Stichting de Waterlandse Melkschuit. Hij schreef in 2011:
Een paar jaar geleden ontdekte ik bij toeval dat er honderden jaren Waterlandse melkschuiten hebben gevaren en dat ze belangrijk waren voor de economie van Waterland. Ik wilde er meer over weten. Het bleek dat de Waterlanders vroeger hun melk met zulke scheepjes vanuit de dorpen naar de stad brachten. De laatste melkschuit werd al meer dan 100 jaar geleden gesloopt. Met een paar andere liefhebbers van traditionele schepen besloten we toen dat we een replica wilden bouwen. ‘De kennis over de Waterlandse melkschuit is de laatste tijd enorm toegenomen. Vroeger wist maar een enkeling van het bestaan en de rol van de melkschuiten, maar de mensen herkennen er nu hun lokale geschiedenis in. Het is als het ware een focuspunt in de kennis over het verleden van Waterland'.

Tekening van Peter Dorleijn

Maritiem-historicus Peter Dorleijn maakte deze fraaie tekening van een Waterlandse melkschuit. Omdat de laatste melkschuit in 1909 van het water verdween moest hij aan de hand van oude foto’s, schilderijen en tekeningen proberen om een betrouwbaar beeld te geven van zo’n vaartuig.

Een kleine melkschuit bij het Tolhuis op het IJ, ca. 1700

Detail uit een schilderij van Ludolf Backhuysen. Opmerkelijk is de extreem voorlijke stand van de kleine mast. Later verschuift die meer naar achteren. (Particuliere collectie).

De replica van de Waterlandse Melkschuit: Jacob van Zalinge

De historicus Gerrit Schutten was de eerste die in de afgelopen jaren aandacht had voor de verdwenenen Waterlandse melkschuiten. In zijn lijvige proefschrift over houten bedrijfsvaartuigen in Nederland noemt hij de schepen nog Zaanse of Waterlandse boeiers. De naam boeier werd voornamelijk in Oostzaan en Landsmeer gebruikt. In Amsterdam en de rest van Waterland sprak men eeuwen lang over melkschuiten, vandaar dat wij voor die naam kiezen. Schutten heeft twee sets tekeningen gemaakt van deze schepen, waarbij hij zich baseerde op de algemeen gehanteerde scheepsbouwmethoden in Noord-Holland voor dergelijke platbodems. Voor de verhoudingen gebruikte hij vooral enkele oude foto‘s. Originele tekeningen bestaan niet van Waterlandse melkschuiten, ze werden vroeger ‘op het oog’ gebouwd.
De reconstructie tekeningen van Schutten zijn door Earik Wiersma van Maritime Identity omgezet in een digitale versie. Dat heeft als voordeel dat je het schip ook onder allerlei verschillende hoeken kunt bekijken alsof het er al is. Voor het bestuur van de stichting zijn deze tekeningen een waardevolle aanvulling op de kennis die we hadden door het onderzoek van Schutten. Nu we besloten hebben om het schip ook werkelijk te gaan bouwen komen we in een laatste definitieve fase. De vorm van het uiteindelijke schip moet worden vastgelegd, vòòr dat de bouwer aan de slag kan. De tekeningen van Earik Wiersma laten zelfs toe dat we het model van Schutten kunnen vergelijken met melkschuiten op de schaars bekende foto’s. Dan valt op dat de reconstructie van Schutten nog enige kleine aanpassingen nodig heeft. Zo blijkt dat voor en achterkant net iets meer oplopen ten opzichte van het midden van de boot. Om die reden heeft het bestuur van de stichting gevraagd of de bekende ontwerper van zeilende rond- en platbodems Martijn van Schaik een definitief ontwerp wil maken op basis van alle nu bekende gegevens. Ook zal hij een stabiliteitsberekening maken, zodat we in de toekomst veilig zullen kunnen varen. 

Eigen website

Eigenschappen

Plaquette nummer:2268 Zeil nummer:
Categorie:C Tekening nummer:
Type:Waterlandse melkschuit

Bouw

Bouwjaar:2013 Ontwerper:Gerrit Schutten en Martijn van Schaik e.a.
Werf:Replica door Peter van Lieshout en Jochem van Rhoon e.a. Werf plaats:Amsterdam
Motor: Motor type:
Materiaal romp:Eikenhout Materiaal kajuit:
Materiaal zeil:Dacron
Onderwaterschip:Knikspant Kiel:

Afmetingen

Lengte stevens:9,60 m Breedte berghout:2,60 m
Diepgang:0,00 m Masthoogte water:0,00 m
Oppervlakte grootzeil:0,00 m2 Oppervlakte fok:0,00 m2
Oppervlakte botterfok:0,00 m2 Oppervlakte kluiver:0,00 m2
Oppervlakte totaal:0,00 m2 Oppervlakte overig:0,00 m2

Tot nu toe bekende eigenaren en namen van het schip

2015 – Nu (laatst bekend) Stichting de Waterlandse Melkschuit, A. Wegman, Durgerdam ( Jcob van Zalinge)

Geschiedenis

1996

maart 1996

maart 1996: Spiegel der Zeilvaart maart 1996 nummer 2: Gerrit Schutten - Een puzzel van een boeier

Gerrit Schutten schrijft in zijn artikel "Een puzzel van een boeier":
Bij de naam "boeier" wordt steevast gedacht aan pleziervaartuigen: bij voorbeeld de prachtige, ronde, glad-boordige Friese boeiers. Er waren ooit Dordtse en Zaanse boeiers, ook mooie en ronde pleziervaartuigen maar met overnaadse zijden. Er hebben echter meer typen boeiers bestaan. In de 17e eeuw waren er zeegaande boeiers die o.a. naar Rouaan voeren. In de tweede helft van de vorige eeuw kon men in Zwolle, Zwartsluis, enz., turfboeiers of boeierpramen aantreffen: paviljoenpramen van ca. 20 x 3,8 meter bij ca. 70 ton. In Overijssel werden opgeboeide zompen gebruikt; hun boeisel waren boven het berghout met oplangers vast aan het schip bevestigd. Verder kennen we boeieraken en wel als Zeeuws vissersschip maar ook als vrachtscheepje van 25 ton en groter gebruikt door de schippers uit de dorpen rondom de Biesbos.
Boeien is opboeien. Boeien is het verhogen van het schip met een vast boord, het boeisel, zodat er in het schip meer kon worden geladen of om het beter geschikt te maken de golven buiten boord te houden. De boeier waar het hier over gaat, had bovenop de overnaadse, schuinstaande zijden een verticaal boeisel. Vandaar de naam.
 

Vier boeiers op een rij. Op het voordek van elke boeier ligt een smal zijzwaard. Collectie Gemeentearchief Amsterdam, Topografische Atlas.
Vier boeiers op een rij. Op het voordek van elke boeier ligt een smal zijzwaard. Collectie Gemeentearchief Amsterdam, Topografische Atlas.

In de jaren zestig werd ik op het bestaan van deze boeier geattendeerd door J. van Zijtveld te Amsterdam

Toen hij merkte dat ik mij bezig hield met verdwenen houten binnenschepen, vertelde hij mij over de jollen en spiegelpramen van Watergang, zijn geboortedorp. Ook vertelde hij over de melkboeren uit de dorpen ten noorden van het IJ die elke dag naar Amsterdam roeiden met volle melkbussen of met "bommen" vol met melk: dichte tonnetjes die van onderen breder waren dan boven. Onderaan was een gat in de bom met daarin een houten kraan. Aangekomen bij de Melkmarkt tegenover het Centraal Station werden deze bommen op de kade in handkarren geplaatst. De melk werd door deze melkboeren uit-gevent door Amsterdam. Ze hadden twee soorten melk: volle en halve. De halve melk was aangelengd met water; deze was goedkoper. Er waren vele Amsterdammers die de volle melk niet konden betalen. Het verhaal Van Zijtveld was voor mij voldoende om naar de Amstel te gaan, naar het Gemeentearchief. In die schitterende schatkamer van de Topografische Atlas trof ik de foto's aan, die hierbij zijn afgedrukt.

De Melkmarkt van Amsterdam. Deze was gelegen op de westpunt van de Prins Hendrikkade tegenover het Centraal Station waar het Singel uitmondt. Collectie Gemeentearchief Amsterdam, Topografi¬sche Atlas.
De Melkmarkt van Amsterdam. Deze was gelegen op de westpunt van de Prins Hendrikkade tegenover het Centraal Station waar het Singel uitmondt. Collectie Gemeentearchief Amsterdam, Topografi¬sche Atlas.

De geschiedenis van Landsmeer, een boekje van D.H. Goede

Deze melkschuiten zijn nooit beschreven. Wel heeft D.H. Goede in zijn boekje over de geschiedenis van Landsmeer enige bladzijden gewijd over deze schuitevaart. In de 17e en 18e eeuw werden met deze melkschuiten beurtdiensten onderhouden vanuit de dor-pen in Zaanland en Waterland op Amsterdam. Aan boord bevonden zich meestal handelaren met hun waar: vis, paling, eieren, kippen en natuurlijk melk. Goede heeft in zijn jeugd deze melkschuiten nog gezien en er misschien nog mee gevaren. Hij geeft hen de naam boeier.

pdf Sdz 1996 nr02 maart - Een puzzel van een boeier

2013

januari 2013

januari 2013: Reconstructies in drie dimensies en de tekening

Het ontwerp is gebaseerd op tekeningen, die Gerrit Schutten in twee versies heeft getekend. Vervolgens maakte Earik Wiersma van Maritime Identity in CAD een virtueel model dat in elke gewenste richting kon worden gedraaid. Zo konden we de tweede versie van Schutten vergelijken met de schaarse foto's die er van melkschuiten bestaan. De volgende fase was het maken van een definitief ontwerp. Hiervoor werd Martijn van Schaik benaderd die als ontwerper en zeiler een grote kennis heeft van de Nederlandse ronde en platbodems. 

Reconstructie Zaanlandse/Waterlandse boeier door Gerrit Schutten
Reconstructie Zaanlandse/Waterlandse boeier door Gerrit Schutten

april 2013

april 2013: De bouw

De bouw van de boot werd vervolgens uitgevoerd door Peter van Lieshout en Jochem van Rhoon, bijgestaan door twee studenten van het Amsterdamse Hout- en Meubilerings College. Bij de bouw ging het vooral om de betrouwbare vorm. 

6 september 2013

6 september 2013: De doop van de Waterlandse melkschuit 'Jacob van Zalinge'

Op vrijdag 6 september is onder grote belangstelling de Waterlandse melkschuit gepresenteerd in Nieuwendam. Onder applaus voer de melkschuit vanuit de sluis langs de verzamelde belangstellenden. Vervolgens werd de naam van het vaartuig bekend gemaakt. De boot gaat Jacob van Zalinge heten. De dochter van Jacob van Zalinge, Marja van Zalinge en haar echtgenoot Jos Dreesens onthulden de naamborden. Daarna werd de melkschuit gedoopt door de burgemeesters van Amsterdam, Oostzaan, Landsmeer en Purmerend, bijgestaan door de stadsdeelvoozitter van stadsdeel Amsterdam Noord. De doop werd uitgevoerd door melk over de boeg van de Jacob van Zalinge te werpen.

De replica van de Waterlandse melkschuit ligt tot 1 oktober aan de steiger bij het Scheepvaartmuseum
De replica van de Waterlandse melkschuit ligt tot 1 oktober aan de steiger bij het Scheepvaartmuseum

2016

februari 2016

februari 2016: Spiegel der Zeilvaart februari 2016 nummer 1: De Waterlandse Melkschuit - Een verdwenen scheepstype herbouwd

Anton Wegman schrijft in Spiegel der Zeilvaart februari 2016 nummer 1:
Het maken van een reconstructie van een vaartuig is niet hetzelfde als het bouwen van een replica, hoewel deze woorden vaak verwisseld worden. Bij een replica is er een bestaand schip of is een gedetailleerde tekening het uitgangspunt voor een zo nauwkeurig mogelijke kopie. Vorm en materiaal dienen daarbij gelijk te zijn aan het origineel. De makers van een reconstructie staan echter voor een andere opgave. Juist het ontbreken van een model is het vertrekpunt. Vandaar dat aan een zorgvuldige reconstructie een uitgebreid en intensief onderzoek vooraf gaat om zoveel mogelijk gegevens over het verdwenen vaartuig boven water te krijgen. Daarna moeten de uitgangspunten voor de reconstructie worden geformuleerd, want wat is het doel? Dat is het moment waarop je keuzes moet maken. Bouw je met de originele materialen en technieken, of pas je bijvoorbeeld moderne materialen, zoals lijmen, kitten en conserveringsmiddelen toe om de duurzaamheid van het vaartuig te waarborgen? Het voornaamste uitgangspunt bij de reconstructie van de Waterlandse melk-schuit was om onderzoek te doen naar de vaareigenschappen. Daarnaast wilden we (Stichting de Waterlandse Melkschuit - red.) een object maken dat de geschiedenis van de regio levend zou houden.

Vorm en tuigage

Het belangrijkste kenmerk van de melkschuit was eenvoud. Letterlijk. Het waren vrijwel open scheepjes met een vlakke bodem en overnaadse zijden van drie brede gangen. Geen boeisel, maar wel een berghout, meer een stevige schuurlat, dat langsscheeps voor versteviging zorgde. De brede vlakke bodem waarborgde een maximale laadcapaciteit in de ondiepe wateren rond de dorpen. Bij voorkeur werd er met de schuiten gezeild. En die tuigage maakt de scheepjes volkomen uniek binnen het brede spectrum van de vele zeilende binnenvaartschepen van ons land. De twee ongestaagde masten met driehoekige zeilen hielden het zeilpunt laag. De masten waren eenvoudig plat te leggen, omdat er -vooral in de stad - vaste bruggen gepasseerd moesten worden. De zeilen werden dan om de masten gerold en deze lagen gewoonlijk tussen de vier of zes roeiers die de melkschuiten vervolgens voortbewogen. Door de eis om de zeilen gemakkelijk weg te kunnen nemen was het noodzakelijk om gaffels achterwege te laten, maar het grootste zeil aan de achtermast kreeg wel een giek. Koersen aan de wind zouden zonder een giek onmogelijk zijn, omdat anders de schoot een zeer ongunstige hoek zou krijgen en het zeil niet voldoende vlak getrokken kon worden. De giek werd aan de mast bevestigd met een zeer simpel lummelbeslag: een haak en een oog. Eenvoudiger kon het niet en in een oogwenk was de giek weg te nemen. De allereerste speeljachtjes hadden een vergelijkbare tuigage, met extreem hellende masten waardoor de schoot van het grootzeil wel zonder giek kon worden gevoerd. In feite hadden de melkschuiten en de speeljachten een schoenertuig, misschien wel de oudste vorm van deze tuigage.
 

Oprichting Stichting de Waterlandse Melkschuit

Stichting de Waterlandse Melkschuit werd opgericht met als doel om dit karakteristieke vaartuig weer op het water te krijgen als belangrijk icoon uit de geschiedenis van Waterland. Gerrit Schutten komt de eer toe de eerste steen in de vijver te hebben gegooid. Hij publiceerde over de melkschuiten uit Landsmeer en Oostzaan in Spiegel der Zeilvaart. (Zie SdZ 2/1996) Schutten heeft een langjarig onderzoek gedaan naar de laatste houten Nederlandse bedrijfsvaartuigen. De oprichters van de stichting werden door de tekeningen van Schutten wakker geschud. Ze hadden zelf nog nooit van het scheepstype gehoord. En ze waren niet de enigen die verbaasd waren, want zelfs maritiem historici en ontwerpers van traditionele Nederlandse schepen reageerden aanvankelijk verrast op het bestaan van dit bijzondere, maar totaal vergeten scheepje. De eerste tekeningen van Schutten riepen echter ook vragen op. Vooral aan de zeewaardigheid werd getwijfeld. Het IJ, een zijarm van de Zuiderzee, was vroeger veel breder dan nu en bovendien hadden eb en vloed er nog vrij spel, wat bij wind tegen stroom tot een aanzienlijke golfslag kon lijden. Ook zagen wij op schilderijen en in prenten wat forsere scheepjes met hoger vrijboord en een grotere breedte dan Gerrit Schutten had getekend. Hij maakte daarop een aangepaste tekening. Vervolgens maakte Earik Wiersma van Maritime Identity in CAD een virtueel model dat in elke gewenste richting kon worden gedraaid. Zo konden we de tweede versie van Schutten vergelijken met de schaarse foto's die er van melkschuiten bestaan. Hieruit volgde de conclusie dat het scheepje een wat geprononceerdere zeeglijn moest krijgen dan door Schutten was verondersteld.

Definitief ontwerp

De volgende fase was het maken van een definitief ontwerp. Hiervoor werd Martijn van Schaik benaderd die als ontwerper en zeiler een grote kennis heeft van de Nederlandse ronde en platbodems. De bouw van de boot werd vervolgens uitgevoerd door Peter van Lieshout en Jochem van Rhoon, bijgestaan door twee studenten van het Amsterdamse Hout- en Meubilerings College. Bij de bouw ging het vooral om de betrouwbare vorm. Voor het onderwaterschip werden moderne bevestigingsmaterialen gebruikt, zoals RVS-schroeven in combinatie met hedendaagse conserveringsmaterialen. De zeilen werden gemaakt door Schokker, volgens een uitgebreide instructie van Floris Hin. Bij de doop werd de melkschuit vernoemd naar Jacob van Zalinge, de oud-dorpsdichter van Zunderdorp, die een gedicht schreef over de melkschuit. Als jongetje had hij die nog met eigen ogen gezien.

pdf SdZ 2016 nr01 februari - De Waterlandse Melkschuit, een verdwenen scheepstype herbouwd klein

2017

27 mei 2017

27 mei 2017: De 'Jacob van Zalinge' vaart uit in Durgerdam

We zijn zeer geïnteresseerd in uw opmerkingen en/of vragen over dit schip. Stuur ze ons!

Terug naar het overzicht