KH44 Jansje Johanna

KH44 Jansje Johanna Niet actief

Dit schip heeft een plaquette van de SSRP aan boord van een eerdere inschrijving, maar staat nu "geregistreerd" in Categorie X in het Stamboek en wordt dus gekenmerkt als 'Inactief'. Schip en eigenaar zijn op dit moment NIET "actief" aangesloten bij de SSRP als Behoudsorganisatie. De huidige eigenaar is (nog) niet in onze administratie opgenomen. Deelname aan Evenementen waarbij de eis wordt gesteld, dat het schip en de eigenaar zijn aangesloten bij dezelfde Behoudsorganisatie als onderdeel van de FVEN, is vanuit de SSRP daarom NIET mogelijk.

Dit betekent dat het schip nog onderdeel is van de Aanmeldingsprocedure (her-inschrijving) of, en dat geldt voor de meeste schepen, de eigenaar heeft het schip niet her-aangemeld en betaalt dus ook geen jaarlijkse bijdrage aan de SSRP voor Inschrijving in het Stamboek. Eventueel vermelde gegevens van schip en oud-eigenaren dateren meestal uit de periode van eerdere 'actieve' Inschrijvingen en zijn waarschijnlijk niet volledig en mogelijk niet correct. Voor dit schip kan, omdat het niet aantoonbaar voldoet aan de Criteria van de SSRP, geen Meetbrief door de KNWV worden afgegeven.
Vanwege de doelstelling van de SSRP om alle historie van de in het Stamboek opgenomen schepen vast te leggen, worden in de Schepenlijst wel de in het stamboekarchief beschikbare gegevens van dit ooit geregistreerde schip en summiere gegevens van de (oud-)eigenaren getoond.
Heeft u informatie over dit schip of bent u eigenaar en wilt u het graag weer 'activeren'? Laat het ons weten!

Op 23 april 1900 liep de “Stavorensche Bomboot” bij de werf W.F. Stoel & Zoon te Alkmaar van stapel. De werf, die door Willem Frederik Stoel in 1863 werd opgericht, droeg later de naam “Nicolaas Witsen”. Een burgemeester van Amsterdam, die ook bekendheid verwierf als onderzoeker van technische ontwikkelingen in de scheepsbouw. Onder werfnummer 186 werd de jol in opdracht van Pieter Bood IJz. uit Kolhorn in de winter van 1899/1900 gebouwd. Pieter Bood heeft zijn jol, met visserijnummer KH44, de naam “Jansje Johanna” gegeven (vernoemd naar zijn jongste dochter, geboren op 21 oktober 1891). 

Voor de drooglegging van de Wieringermeer en de aanleg van de Afsluitdijk lag Kolhorn direct aan de Zuiderzee. Kolhorn heeft daardoor een lang maritiem verleden achter de rug. Zo had Kolhorn in de vorige eeuw een respectabele vissersvloot die voor het meerendeel bestond uit Staverse Jollen. 
In de wetenschap dat in bijna alle voormalige Zuiderzeehavens nog wel schepen liggen die aan het visserijverleden herinneren, is men in Kolhorn in 1999 actief op zoek gegaan naar nog overgebleven exemplaren van de Kolhorner vissersvloot. Na een zoektocht van meer dan een jaar door heel het land werd uiteindelijk een jol teruggevonden met een visserijgeschiedenis uit Kolhorn. Het bleek te gaan om een ijzeren geklonken “Stavorensche Bomboot”,die in 1899 in opdracht van de Kolhorner visser Pieter Bood was gebouwd en waarmee onder het visserijnummer KH44 op ansjovis werd gevist. Vervolgens is de Stichting “Varend Erfgoed Kolhorn” (VEK) in het leven geroepen, met als doel om het schip voor Kolhorn te behouden en haar zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat van 1900 terug te brengen.

Eigenschappen

Plaquette nummer:951 Zeil nummer:
Categorie:X Tekening nummer:
Type:Staverse jol

Bouw

Bouwjaar:1900 Ontwerper:
Werf:Stoel & zn Werf plaats:Alkmaar
Motor:Inbouw Motor type:
Materiaal romp:Staal Materiaal kajuit:Staal
Materiaal zeil:Dacron
Onderwaterschip: Kiel:

Afmetingen

Lengte stevens:6,40 m Breedte berghout:2,80 m
Diepgang:0,80 m Masthoogte water:0,00 m
Oppervlakte grootzeil:0,00 m2 Oppervlakte fok:0,00 m2
Oppervlakte botterfok:0,00 m2 Oppervlakte kluiver:0,00 m2
Oppervlakte totaal:0,00 m2 Oppervlakte overig:0,00 m2

Tot nu toe bekende eigenaren en namen van het schip

1900 – 1906 Pieter Bood IJz, Kolhorn ( KH44 'Jansje Johanna')
1899 – 1912 Cornelis IJsbrand Bood, Kolhorn ( KH44 'Jansje Johanna')
1912 – 1919 Pieter Warnaar, Broek op Langedijk ( Bol7)
1913 – 1916 Pieter Warnaar, Kolhorn ( KH41)
1916 – 1919 Abraham Schoon, Broek op Langedijk ( KH41)
1919 – 1932 A.C. de Graaf, Winkel ( WIN2 'Jonge Jan')
1936 – 1957 J.C. Kossen, Zaandam ( ZA1 'Trijntje')
1957 – 1958 F. Zuber, Hoogvliet ( Trijntje)
1958 – 1971 R. van Lier, Castricum ( Trijntje)
1971 – 1977 H. Staalsmid, Joure ( Reuzen Jan)
1977 – 19879 R. Wagter, Soest ( Reuzen Jan)
1989 – onbekend W. Maas, Hoofddorp ( Trijntje)
1995? – 2000 Janneke Boonstra, Haarlem ( Trijntje)
2000 – 2000 C. Roding, Wannerperveen ( KH44 'Jansje Johanna')
2000 – onbekend Stichting “Varend Erfgoed Kolhorn” (VEK), Kolhorn ( KH44 'Jansje Johanna')

Geschiedenis

1900

1900

1900: Jollenbouw aan de Hollandse kust

Kolhorn, begin 1900. De jollen (met veelal kromme gaffels) en twee aakjes varen uit.
Kolhorn, begin 1900. De jollen (met veelal kromme gaffels) en twee aakjes varen uit.

Dirk Huizinga schrijft in zijn boek 'Staverse jollen':
In 1900 werd bij de scheepswerf ‘Nicolaas Witsen’ van W.F. Stoel & Zoon te Alkmaar “de eerste van staal of ijzer gebouwde Stavorensche Bomboot” te water gelaten (Alkmaarsche Courant, 25 april, 1900). Het scheepje kreeg het model van een Wildschutjol, dat in 1900 blijkbaar meer indruk maakte dan het model dat Roosjen in Stavoren bouwde. Het schip is geheel open, heeft dus geen voordek, wat aan de hoge wal blijkbaar geen probleem was en wel veel ruimte aan boord gaf. In 1936 ging de jol over naar de recreatie en na jaren, in 2000, kwam het schip in handen van Klaus Roding uit Wanneperveen die de jol terugbracht naar Kolhorn voor restauratie. Daartoe werd de Stichting Varend Erfgoed Kolhorn opgericht die een en ander finacieel mogelijk maakte. Vervolgens kreeg het scheepje een functie voor ‘Oud Kolhorn’ en kan ondermeer de jeugd getoond worden hoe er in het verleden vanuit Kolhorn met jollen is gevist. In Kolhorn werden vanaf 1896 een vijftal jollen gebouwd op de werf van Jan Jonk & Zn. De vissersjollen van Kolhorn waren voorzien van een strijkbare mast, omdat ze een vaste brug moesten passeren om in de haven te komen.

1950

maart 1950

maart 1950: Waterkampioen maart 1950 nummer 867 - Over zeewaardigheid van de Staverse jol 'Trijntje'

Als eigenaar en gebruiker van een tot pleziervaartuig verbouwde Stavorense jol, die vóór het afsluiten van de Zuiderzee werd gebruikt voor de haring- en ansjovis-visserij, ging een rilling door me, toen ik het vergaan van een dergelijk vaartuig op 23 October 1949 hoorde. Was dan toch de zeewaardigheid van bovengenoemd soort vaartuig niet zo groot als vele vissers beweren? Of was die zeewaardigheid zelfs klein te noemen? Mijn ondervinding, die ik opdeed in het twaalfjarig gebruik van zo'n scheepje, is steeds goed geweest. Ik heb meermalen met ruw weer op het IJsselmeer gezeild.
Met ruime wind en met half wind en ook bij-de-wind. Ik krijg met ruw weer en hol water steeds het gevoel een zeewaardig scheepje onder mijn voeten te hebben. Voor de wind, in hol water, is steeds opletten geboden, opdat het zeil niet omslaat, maar.... bij welk vaartuig is het dat dan niet? Bij half wind stuurt het wat zwaar, vooral als de watertank, die 180 liter water kan bevatten en voorin ligt, pas gevuld is. Door de zeilschoot wat te vieren en de fokkeschoot wat door te zetten, is dat euvel wel wat te verlichten. Bij de wind ligt het vaartuigje vrij goed op het roer, doch blijft bij ruw weer wat loefgierig. Bij laveren op het IJsselmeer bij ruw weer is het mij nog niet overkomen, dat ik niet kon winnen. Het is dan geen snel schip, doch het is altijd nog gekomen waar ik het wilde hebben. In hol water wenden is mij nog nimmer mislukt. Hoe het zou .gaan als het werkelijk stormweer was weet ik niet; daarover kan ik niet oordelen, daar ik nog niet met zulk weer met mijn vaartuig op het IJsselmeer was.
Nu komen bij mij, na bovenvermeld ongeval, allerlei vragen op. Wat is er met dat scheepje gebeurd? Bezaten de opvarenden voldoende kennis van het vaarwater waarop zij zich begaven en waarop het drama zich heeft afgespeeld? Hadden zij behoorlijk ankergerei aan boord? Heeft motorpech of vallenbreuk hun parten gespeeld? Allemaal vragen die voor mij wel onbeantwoord zullen blijven.

pdf Waterkampioen 1950 maart nr867 - Over zeewaardigheid van de Staverse jol 'Trijntje'

1954

20 mei 1954

20 mei 1954: Waterkampioen november 1955 nummer 963 - Een ruwe koude en toch mooie reis met de 'Trijntje' door eigenaar J.C. Kossen

De 20ste Mei 1954 begonnen wij, mijn vriend en ik, beiden 78 jaar, met de Staverse jol „Trijntje" een reis op het IJsselmeer en de Waddenzee. Toen we buiten het IJvuur waren vroegen wij ons af hoe we het in onze oude hersenen konden halen om op onze leeftijd met zulk weer het IJsselmeer op te gaan. Wij vroegen ons af wat ons er toe dreef om ons de spot van ieder (wel) denkend mens aan de wal op de hals te halen met zo'n koude en gure, harde wind voor plezier te gaan varen. Ja, wat dreef ons daartoe? Och, in onze geest waren wij een halve eeuw terug, toen we samen met een botter op de Waddenzee visten. Toen bekommerden wij ons ook nauwelijks om het weer. Toen ging het om den brode en was het een heilig moeten dat ons aanzette. Nu was het de gedachte van - wat let ons - we kunnen er nog wel tegen al hebben we de leeftijd van de heel sterken bijna bereikt. Een leeftijd waarop velen zich tevreden moeten stellen met - zalig? - nietsdoen. Met af en toe een wandelingetje op een beschut plekje in een park en een zitje op een bankje. We kwamen dus buiten het IJvuur.
Op de 29ste Mei des namiddags, omstreeks 2 uur, vertrokken wij van Den Oever. Een mooi koeltje uit Westelijke richting bracht ons in 4 1/2 uur in de haven van Enkhuizen. De volgende dag was er weinig wind maar uit de goede richting. Over bakboord liep het de haven van Edam aan. Dwars van die haven werd het bladstil en moest de motor ons helpen om in de Volendammer haven te kunnen komen. De volgende dag bracht een Westelijk koeltje ons in korte tijd voor de Oranjesluizen. We maakten vast aan de Noordzijde van de Noordelijkste remming met het doel daar die nacht te liggen. Toen we ongeveer een kwartier vast lagen kwam er een sluisbeambte met de boodschap dat we daar niet mochten liggen. Na wat over en weer gepraat kregen we toestemming om voor één nacht te mogen blijven liggen. Terwijl wij daar lagen deed zich een vreemd verschijnsel met het water voor. In ongeveer een half uur rees dit ongeveer 25 centimeter. Weer een half uur later was de stand van het water weer als daarvoor. Ons was het een raadsel. Er was niet zoveel wind, dat het water onder de opperwal weg kon waaien. Er waren ook geen buien te zien, het was kalm weer. We konden de stand van het water nauwkeurig controleren daar naast ons een gordingbalk was, waarvan de onderkant juist het water raakte en toen het water op het hoogst was stond die balk er juist even onder. Weet een der lezers daar een verklaring voor?
De volgende dag bracht de motor ons in ruim twee uur naar onze thuishaven Zaandam. Hiermede was de reis, die zo koud en guur begon maar die ons toch veel genoegen verschafte door het stoere zeilen in het begin en verder door de mooie visvangst bij Den Oever, beeindigd.
Wij hopen dat de ouderdom ons ook in 1955 niet zal beletten weer zo'n tocht met de „Trijntje" te maken.
J. C. Kossen, Schipper-eigenaar 

pdf Waterkampioen november 1955 nr963 - Een ruwe koude en toch mooie reis met de 'Trijntje'

2012

2012

2012: Staverse jol KH44 "Jansje Johanna" in het FONV-bestand

7 mei 2012

7 mei 2012: SchagenTV: 'KH44 Jansje Johanna' weer in de vaart

KH44 weer in de vaart

KH44 weer in de vaart

2017

april 2017

april 2017: Spiegel der Zeilvaart april 2017 nummer 3 - Zeilend verleden van de KH44 in Kolhorn

Kolhorn ligt nu zo'n beetje in het midden van de Kop van Noord-Holland, maar vroeger was dat anders. Kolhorn (toen Colhorn) is ontstaan rond 1300 aan de 126 kilometer lange Westfriese Omringdijk welke in die periode werd aangelegd. Kolhorn lag toen direct aan de Zuiderzee. Na de aanleg van de Zijpe- en later de Wieringerwaardpolder rond 1600 werd de Zuiderzee ten westen van Kolhorn een stukje kleiner, maar het lag nog steeds aan zee. Deze ligging zorgde door de eeuwen heen uiteraard voor maritieme bedrijvigheid. Zo hebben Kolhorners als Groenlandvaarders nog de walvisvaart bedreven. Dichter bij huis werd er op zeegras gevist. Het zeegras of 'wier' werd in die tijd gebruikt bij de aanleg van dijken, de zogenaamde `wierdijken'.
In de tweede helft van de negentiende eeuw gingen de Kolhorners zich steeds meer toeleggen op de visserij. Door de groeiende bevolking in de Hollandse steden maakte de Zuiderzeevisserij na 1850 een sterke groei door en ook Kolhorn profiteerde hiervan. 
De vissers uit Kolhorn visten in de zomer op paling en in de winter op bot en schar. Ook viste men op ansjovis en deze visserij zou uitgroeien tot de belangrijkste visserij. Er werd op meerdere manieren op ansjovis gevist: met de zegen, fuik, kuil of het (dure) handgebreide staandwant. In 1883 kwamen er massaal goedkope, machinaal gebreide netjes op de markt. De visserij op ansjovis kwam hiermee voor veel mensen binnen bereik en nam flink toe.
Er bleek één type schip uitermate geschikt voor de visserij op ansjovis en dat was de Staverse jol. De gebreide staande netten waren heel kwetsbaar en de platbodem schepen met de zwaarden, klampen, berghout en andere "uitsteeksels" waren dus minder geschikt. Volgens de site van het Stamboek (SSRP) is de Staverse jol rond 1860 voor het eerst gebouwd. Vooral na 1883 (toen machinaal gebreide netten hun intrede deden) nam de bouw een enorme vlucht en zijn er maar liefst 200 stuks gebouwd in dertig jaar tijd. 
Net als in andere havens rond het IJsselmeer vaart ook in Kolhorn nog een gerestaureerde herinnering aan het visserijverleden rond. In Zoon kwam Hans Evenhuis uit Kolhorn toevalligerwijs op het spoor van een originele ansjovis jol uit die plaats. Deze stalen jol liep op 23 april 1900 van stapel bij de werf Nicolaas Witsen van de firma W.F. Stoel & Zoon te Alkmaar. De lengte was 6,72 m en de grootste breedte 2,82 m. Opdrachtgever was Pieter Bood IJz. uit Kolhorn en de jol kreeg KH 44 als visserijnummer.

pdf SdZ 2017 nr03 april - Zeilend verleden van de KH44 in Kolhorn

5 april 2017

5 april 2017: Alkmaarsche Courant

Een Staverse jol op de Schuitenhelling van Nico Vader bij het Broeker sluisje

Nico Vader heeft, als altijd, wel een verhaal bij dit schuitje.

Van onze verslaggever

Op de Museale Schuitenhelling van Nico Vader aan de Sluiskade in Broek op Langedijk ligt sinds vrijdag 'een vreemde eend'. Het is de KH44, de laatste ansjovisjol uit Kolhorn. Echt vreemd is deze eend ook weer niet. In een eerder leven was de jol onderdeel van de Langedijker vissersvloot: de BOL7. Het zwarte, wat bolle schuitje werd behoedzaam de scheepshelling opgetrokken. Dat dit allemaal zonder problemen verloopt is vooral ook te danken aan Koos. Deze bewoner van Oosterheem (een samenwerkingsproject van Scorlewald en de stichting Veldzorg) is zoals iedere vrijdag aanwezig om Nico met raad en daad bij te staan. Koos houdt het touw mooi strak, terwijl de KH44 langzaam maar zeker hoger op de helling komt te liggen.

Vissersvloot

Nico Vader is erg in zijn sas is met de komst van de Sta-verse jol naar zijn schuitenhelling: „Het is misschien moeilijk voor te stellen, maar Langedijk had ooit een vissersvloot met zelfs een eigen visserijnummer. Dat nummer werd voorafgegaan door de letters BOL." Naast tuinbouw was visserij vroeger een belangrijke bron van bestaan voor Langedijkers. „Kloetend in hun bunschuitjes voeren zij ver het Geestmerambacht binnen om daar fuiken en netten uit te zetten in de talrijke sloten. Dit werden dan ook binnenvissers genoemd. De ruilverkaveling rond 1970 maakte een eind aan de visserij." 
Ansjovisvangst vond plaats vanuit Kolhorn, gelegen aan de zoute Zuiderzee. Ansjovis is een klein soort haring, dat goed bewaard kon worden, gedroogd of ingemaakt in zout. Dit visje trok jaarlijks in groten getale de Zuiderzee op. De aanleg van de Afsluitdijk maakte in 1930 een einde aan deze vorm van visserij. Broeker schippers trokken in mei, juni en juli naar Kolhorn om daar een welkome aanvulling op hun inkomen bij elkaar te vissen. „De schippers laadden hun huisraad in hun schip en gingen naar de haven van Kolhorn, waar ze al die tijd met hun gezin aan boord woonden. Behalve dat de ansjovisserij lucratief was, was het ook noodzakelijk voor de schippers om een bijverdienste te hebben. Immers, de groenten stonden nog op het land en bij de veiling was nog geen aanvoer, dus ook geen aanbod van vracht voor schippers."

Stoel & Zoon

De KH44 is een in 1900 in Alkmaar gebouwde jol. Het schuitje werd gebouwd op de werf W.F. Stoel & Zoon, later bekend als de werf Nicolaas Witsen. Het is de enige nog overgebleven jol van de ooit omvangrijke Kolhorner vloot. Het schuitje is eigendom van de stichting Varend Erfgoed Kolhorn. Vrijdag zijn er drie leden van de stichting aanwezig: voorzitter Hans Evenhuis, hoofdschipper Frans Schepers en schipper Ingo Wilcker. Evenhuis is de initiatiefnemer geweest achter de 'redding van de jol. Tot 2000 dobberde het rond als plezierjacht, met een kajuit erop. „Doodzonde", zegt hij. „De kajuit was er in 1937 opgebouwd. Uit de papieren bleek dat het om de KH44 ging." 
De boot wordt nu vaarklaar gemaakt voor het komende vaarseizoen. Als straks het werk achter de rug is, zit de jol weer knap in de verf. Evenhuis: „De jol ligt aan de Westfriesedijk in Kolhorn, tegenover het museum. Vorig jaar hebben we er 35 keer mee gevaren, ook op afspraak. We varen dan het Kolhornerdiep op, liefst zonder gebruik te maken van de motor."
Nico Vader, enthousiast als altijd, heeft 'voor het plaatje' de Langedijker Koftjalk vlakbij de jol vastgemaakt. Met dit oudste vrachtscheepje van Langedijk, gebouwd in 1893, werd ook jaarlijks ter ansjovisvangst gegaan. En een plaatje is het: twee knap onderhouden stukjes varend erfgoed, in het zonnetje, met het Oosterdelgebied op de achtergrond.

We zijn zeer geïnteresseerd in uw opmerkingen en/of vragen over dit schip. Stuur ze ons!

Terug naar het overzicht