NN

NN

De Wyldsjitter is in 1937 door Hans Bijl te Oppenhuizen gebouwd. In 1956 ging de heer A. ten Cate uit Oudemirdum akkoord met verplaatsing van de wyldsjitter uit het Wilhelminapark naar het museum. Deze boot had Ten Cate in 1937 laten bouwen door Hans Bijl te Oppenhuizen en geschonken aan de Gemeente Sneek. De boot werd gelegd in het Wilhelminapark in een schiphuis. Toen dat schiphuis verviel, zonk de wyldsjitter. Het plan in 1956 was de wyldsjitter uit het park te restaureren en dan in het museum te plaatsen. De boot was echter te zeer verrot. Daarom werd de verrotte boot afgedankt en werd een andere wyldsjitter gekocht van A. Smeding. De boot van Smeding was ook in 1937 door Hans Bijl gemaakt.

Eigenschappen

Plaquette nummer:19 Zeil nummer:
Categorie:M Tekening nummer:
Type:Wyldsjitter

Bouw

Bouwjaar:1937 Ontwerper:H. Bijl
Werf:H. Bijl Werf plaats:Oppenhuizen
Motor: Motor type:
Materiaal romp:Eikenhout Materiaal kajuit:
Materiaal zeil:Dacron
Onderwaterschip:Rond Kiel:

Afmetingen

Lengte stevens:3,88 m Breedte berghout:1,17 m
Diepgang:1,20 m Masthoogte water:3,00 m
Oppervlakte grootzeil:3,60 m2 Oppervlakte fok:0,00 m2
Oppervlakte botterfok:0,00 m2 Oppervlakte kluiver:0,00 m2
Oppervlakte totaal:3,60 m2 Oppervlakte overig:0,00 m2

Tot nu toe bekende eigenaren en namen van het schip

1956 – Nu (laatst bekend) Fries Scheepvaart Museum, Sneek ( NN)

Geschiedenis

1956

1956

1956: Achtergrondinformatie

1993

1993

1993: Beschrijving Wildsjitterke NN - Fries Scheepvaart Museum

Rondhouten en tuigage
De wyldsjitter heeft één mast. De mast staat in de messelbank en is niet gestaagd. Het zeil is van bruin getaande katoen: sprietzeil. Het voorlijk van het zeil is met raktouwen bevestigd aan de mast. De bovenpunt van het voorlijk is met een lus vastgezet aan een haak i de top van de mast. De spriet hangt aan de onderkant met een houten vork in een touwlus. De bovenkant van de spriet is voorzien van een metalen vorkvorm. Deze is gehaakt in een met metaal verstevigd lus in de bovenkant van het achterlijk van het zeil. De onderkant van het achterlijk is voorzien van een touwversteviging waaraan de grootschoot is vastgemaakt. De schoot is niet getakeld en is rechtstreeks belegd op een ééntenige klamp op het boeisel van het achterschip. De onderkant van het voorlijk is vastgeknoopt aan een oog in de mast. Het zeil heeft geen giek: er wordt gezeild met losse broek. Het zeil heeft geen vallen. Men streek het zeil door de schoot los te maken en de spriet tegen de mast aan de drukken. Op de boot zijn geen vlaggen of wimpels en ook blokken zijn niet gebruikt.

De romp
Het voorschip en het achterschip zijn rond. De boot is gebouwd op een plat vlak dat naar voor en achter oploopt in een rond lijn. Daarop zijn twee gangen gebouwd: een boord en een terugvallend boeisel

De boot van voor naar achter
In het boeisel van het voorschip zijn twee sleuven gemaakt. Daarin rustte de loop van het ganzenroer. In het voorschip is een bord gemaakt dat aan de onderkant is versierd met een ingesneden punt. Daarboven een metalen klamp voor een landvast. De boot is open: in voor- en achterschip zijn de spanten te zien. De bodem van het voordek is bedekt met een verhoogd buikdenning. De messelbank rust op twee spanten en is aan de bovenkant vastgezet met breede kniestukken. Aan stuurboord is op de messelbank een (later bijgemaakte) houder voor de kolf van het ganzenroer gezet. Op het boeisel bij de messelbank zijn twee roeidollen geplaatst. De zwaarden hangen met bouten aan het boeisel. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. De boutgaten zijn voorzien van ruitvormige weien. De onderkanten van de zwaarden zijn verstevigd met metaalbeslag. De zwaardlopers gaan door een gat in het boeisel naar binnen en zijn belegd op ééntenige klampen tegen het boeisel in het achterschip. Achter de zwaarden zijn op de boeisels een tweede stel roeidollen geplaatst. De achterbank heeft in het midden een luik. In de voorwand van de achterbank is een hartvorm uitgezaagd. Achter de achterbank het achterhuis. De voorwand daarvan (tevens een soort hennebalk) heeft een uitgezaagde ovaalvorm. Op deze voorwand is de plaquette van het Stamboek Ronde en Platbodems geplaatst met het stamboeknummer 19. Op de einden van de voorwand van het achterhuis (hennebalk) zijn op de boeisels metaalstrippen geplaatst (op de overgang van boord naar achterschip). Het roer hangt met twee roerhaken aan de achtersteven. De kop en de rug van het roer zijn bedekt met koperplaat. Het helmhout valt los over de roerkop.

Kleuren
De romp is gelakt. Het onderwaterschip is groen. Het metaalbeslag (klamp op het voorschip, roeidollen, houtgat, zwaardbeslag, mastborgplaat, metaalbeslag op het boeisel van het achterschip) is wit geschilderd. De binnenkanten van de boerden zijn gelakt. Het vlak is rood geschilderd. De buikdenningen die daarop liggen zijn grijs. De mast en de spriet zijn ongeverfd.

Accessoires
Twee roeiriemen en een roeibankje. Voorts zijn in de boot geplaatst: een zestal lokeenden, een hoorvat en een ganzenroer. 

pdf Beschrijving Wildsjitterke NN

1997

1997

1997: Bijzonderheden van de werf van Hans Bijl in Oppenhuizen

Dr. Ir. J. Vermeer schrijft in zijn boek "Tjotters en Boatsjes" over de werf van Hans Bijl:
Over Hans Gooitzens Bijl (1863-1941) is slechts weinig bekend. Geboren en gestorven in Oppenhuizen nabij Sneek, stond hij in de gemeente Wymbritseradeel geregistreerd als scheepstimmerman. Wij weten niet of hij het vak van zijn vader leerde en diens bedrijf overnam, of dat hij zich in zijn geboorteplaats zelfstandig vestigde na een leertijd elders. Zeker is dat hij een uitzonderlijk goed vakman was. Behalve de gebruikelijke bedrijfsboten voor boeren, vissers en handelaren was zijn specialiteit de bouw van wyldsjitters; daarvoor was hij in heel Friesland beroemd. Wyldsjitterkes waren platte ronde bootjes met een leng-te van omstreeks 4 meter, gebruikt voor de winterse jacht op waterwild, in het bijzonder voor de jacht op ganzen. Voorin het bootje werd een indrukwekkend enkelloops geweer, het zgn. ganzeroer, meegevoerd, waarmee een geoefende jager onder donderend geweld met één schot hagel soms wel vijf grote vogels tegelijk kon neerleggen. Een levendige beschrijving van deze wijze van jagen verscheen in de Leeuwarder Courant van 10 september 1952 van de hand van H. Halbertsma, destijds conservator van het Fries Scheepvaart Museum in Sneek". Tenminste vijf van deze bootjes zijn bewaard gebleven en zijn opgenomen in de meest recente schepenlijst van de Stichting Stamboek; vier hiervan zijn gebouwd door Hans Bijl.
Na de dood van Hans Bijl in 1941 zette diens oudste zoon Gooitzen de werf nog enige jaren voort. In 1948 werd het bedrijf geliquideerd en emigreerde Gooitzen naar de Verenigde Staten.

Door Hans Bijl gebouwde tjotters

Eerder hebben wij gezien, dat in Friesland in het begin van de jaren twintig, nog voorafgaande aan de oprichting van de Noord Nederlandse Watersport Bond, tjotterliefhebbers overstappen van de fjouwerachten in een minder kostbare klasse "Kleine Tjotters". Verschillende bootbouwers in Friesland, door de terugloop van de vraag naar kleine bedrijfsvaartuigen genoodzaakt, schakelden over op de bouw van plezierjachtjes. Zo ontstonden op verschillende kleinere werfjes één of meer van deze tjottertjes. Ook Hans Bijl bouwde een aantal kleine tjotters. Helaas zijn werfboeken noch andere documenten betreffende deze werf bewaard gebleven, zodat we op andere bronnen zijn aangewezen, in de eerste plaats op het Nederlandsch Jachtregister van 1924/25. Daarin staat inderdaad op naam van Bijl te Oppenhuizen een tjotter vermeld, genaamd "Friso", lengte 4,70 meter, breedte 1,95 meter, bouwjaar 1920. De daar genoemde eigenaar is mogelijk ook de opdrachtgever. Deze tjotter bestaat waarschijnlijk niet meer, althans we hebben van haar geen sporen kunnen terugvinden.
In de eerste schepenlijst van het Stamboek komt verder een kleine tjotter van 4,35 meter voor met de naam "Rûzer", die blijkens een inscriptie op een balk onder de achterbank in het jaar 1898 gebouwd moet zijn. De toeschrijving aan Bijl hebben we niet kunnen ophelderen, maar willen we niet bestrijden. Voorts is hierboven al sprake geweest van de vier wyldsjitterkes van zijn hand, die bewaard gebleven zijn. Een hiervan, gebouwd in 1937, is in 1956 met het bijbehorende ganzeroer verworven door het Fries Scheepvaart Museum in Sneek. Twee andere, gebouwd in 1920, behoren tot de collectie van het Nederlands Scheepvaart Museum in Amsterdam. Deze bootjes blijven in dit boek verder onbesproken. Wel geven we hier de door Joh. Olij vervaardigde tekening van zo'n scheepje, gepubliceerd in het tijdschrift "De Golfslag".

Hans Bijl had in de eerste decennia van deze eeuw als medewerker Gerben Douma en later ook diens zoon Jan Douma. In de jaren '30 begon Jan Douma in Oppenhuizen een eigen werfje; zijn vader werd toen knecht bij hem! Het, in het boek op pagina 208 genoemde, boatsje "Sylnocht" zou door vader Gerben Douma op de werf van Hans Bijl gebouwd zijn.

We zijn zeer geïnteresseerd in uw opmerkingen en/of vragen over dit schip. Stuur ze ons!

Terug naar het overzicht