Stânfries

Stânfries

In 1986 heeft oud-eiganaar P.C. Kok een compleet overzicht van de geschiedenis van de 'Stânfries' boven water te krijgen. Alle informatie die hij tot dan heeft verzameld, heeft hij gebundeld in een document 'Geschiedenis van het beurtschip 'Twee Gebroeders', tegenwoordig het Boeierjacht 'Stânfries':
In het begin van de jaren 1900 waren er twee beurtschippers gevestigd in Heidenschap, beiden met eigen beurtschip van ongeveer 10 ton, die met elkaar in concurrentie waren. De ene, Johannes Feenstra en de andere, Wiebe de Jong geheten. Het schip van Feenstra was het roefschip "Twee Gebroeders", gebouwd in 1906 in staalijzer op de werf van Barkmeijer in Sneek. De Jong had een zelfde type schip, gebouwd bij Wildschut in Gaastmeer en later bekend als "It Blommenskip". Dit tjalkje is in het bezit van het Zuiderzeemuseum.

Omstreeks 1920 trouwde een dochter van Feenstra (die geen zoon als opvolger had) met een zoon van de Jong, waarop de bedrijven gecombineerd werden. Tevens was er nu blijkbaar genoeg geld om één motorbeurtschip aan te schaffen. Dit schip werd gebouwd in 1921, waarop de twee zeilende beurtschepen werden verkocht.

Eigenschappen

Plaquette nummer:48 Zeil nummer: TB75
Categorie:B Tekening nummer:
Type:Tjalk

Bouw

Bouwjaar:1903 Ontwerper:
Werf:G. en J.B. Barkmeijer Werf plaats:Sneek
Motor:Inbouw Motor type:
Materiaal romp:Staal Materiaal kajuit:Staal
Materiaal zeil:Dacron
Onderwaterschip: Kiel:

Afmetingen

Lengte stevens:9,44 m Breedte berghout:2,99 m
Diepgang:0,60 m Masthoogte water:12,00 m
Oppervlakte grootzeil:0,00 m2 Oppervlakte fok:0,00 m2
Oppervlakte botterfok:0,00 m2 Oppervlakte kluiver:0,00 m2
Oppervlakte totaal:0,00 m2 Oppervlakte overig:0,00 m2

Tot nu toe bekende eigenaren en namen van het schip

1906 – 1921 Joh. Feenstra, Heidenschap ( Twee Gebroeders)
onbekend – 1951 Frits van Meekeren, Hindeloopen ( Twee Gebroeders)
1951 – 1953 P.IJ. van den Bosch, Lemmer ( Stânfries)
1953 – 1971 S.J. de Vries, Amsterdam ( Stânfries)
1971 – 1986 P.C. Kok, Oslo ( Stânfries)
1986 – onbekend Dhr. Bloem, Grouw ( Stânfries)
1989 – Nu (laatst bekend) D.H. Steneker, Doniaga ( Stânfries)

Geschiedenis

1906

1906

1906: Geschiedenis van het beurtschip 'Twee Gebroeders', tegenwoordig het Boeierjacht 'Stânfries'

De Beurtvaart van Heidenschap op Sneek

Heidenschap is een buurtschap ten Westen van de Fluessen gelegen, ter hoogte van het Hofmeer, tussen het Zandmeer / Grote Gaastmeer in het Noorden en de Oude Heidenschapster Vaart in het Zuiden (gemeente Hemelumer-Oldephaart en Noordwolde). De buurtschap bestaat voornamelijk uit verspreid liggende boerderijen. De kleine kern van het buurtschap, het tegenwoordige Brandeburen, bestaande uit een rij huisjes, een schooltje en twee kerkjes, is aan de Heidenschapster Vaart gelegen, die via het Hofmeer met de Fluessen verbonden is.
In het begin van deze eeuw bestonden er nauwelijks begaanbare landwegen van de buurtschap met de omgeving, en de contacten met de buitenwereld werden via het water onderhouden o.a. door de beurtvaart op Sneek. De beurtschippers zorgden niet alleen voor transport van waren naar de weekmarkt in Sneek, maar kochten daar ook, op bestelling van de boeren, wat er zoal nodig was.
In het begin van de jaren 1900 waren er twee beurtschippers gevestigd in Heidenschap, beiden met eigen beurtschip van ongeveer 10 ton, die met elkaar in concurrentie waren. De ene, Johannes Feenstra en de andere, Wiebe de Jong geheten. Het schip van Feenstra was het roefschip "Twee Gebroeders", gebouwd in 1906 in staalijzer bij de werf van Barkmeijer in Sneek (Brief Scheepsmetingsdienst, Groningen aan de heer de Vries van 3 december 1957). De verklaringen van Frits Amsterdam, Maarten Groenhof en anderen maken wel duidelijk dat het hier om een en hetzelfde schip, de huidige "Stânfries", gaat. De Jong had blijkbaar een zelfde type schip (Volgens de ligger het beurtschip 'Hoop op Zegen', gebouwd in Gaastmeer).
Omstreeks 1920 trouwde een dochter van Feenstra (die geen zoon als opvolger had) met een zoon van de Jong, waarop de bedrijven gecombineerd werden. Tevens was er nu blijkbaar genoeg geld om één motorbeurtschip aan te schaffen. Dit schip werd gebouwd in 1921, waarop de twee zeilende beurtschepen werden verkocht.

Brief Scheepsmetingsdienst, Groningen aan de heer de Vries van 3 december 1957

In de Liggers van de Scheepsmetingsdienst vinden op de op de naam van de woonplaats (domicilie) van de eigenaar volgens de meetbrief de volgende 3 schepen die corresponderen met de informatie van P.C. Kok.

Scheepsregistratie 'Twee Gebroeders'

Scheepsregistratie: 'Twee Gebroeders', S174N; gebouwd 1903) bij bij de werf van Barkmeijer in Sneek, gebouwd voor Joh. Feenstra in Heidenschap.

De Ligger van het Beurtschip 'Twee Gebroeders' van Johannes Feenstra
De Ligger van het Beurtschip 'Twee Gebroeders' van Johannes Feenstra

Link naar database Scheepsmetingdienst Ligger S1175N

Op de oude foto zien we twee van zulke tjalkjes liggen in het buurtschap Brandeburen, in het Heideskip aan de westkant van de Fluessen. Het achterste scheepje was de 'Twee Gebroeders' van grutter en beurtschipper Johannes Feenstra. De rondgebogen ijzeren luiken liggen onder de giek. Het werd in 1903 gebouwd door de gebroeders Barkmeijer aan de Woutvaartkade in Sneek, bouwnummer 106. De kop van het roer is zoals bij een Lemsteraak, maar de romp is toch echt van een tjalkje. Het derde schip met roefje, was van de broer van Johannes Feenstra. Samen zeilden ze elke dinsdag naar de markt in Sneek. Op de heenreis gingen zuivelproducten van de plaatselijke boeren mee, terug grutterswaren voor de winkel. 

Het achterste scheepje was van grutter en beurtschipper Johannes Feenstra
Het achterste scheepje was van grutter en beurtschipper Johannes Feenstra
De Ligger van het Beurtschip 'Hoop op Zegen' van Wiebe de Jong
De Ligger van het Beurtschip 'Hoop op Zegen' van Wiebe de Jong

Link naar database Scheepsmetingdienst Ligger S1166N

Het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen bezit het oude beurtschip 'Hoop op Zegen' [S1166N] van it Heidenskip, dat in 1904 bij Wildschut in Gaastmeer is gebouwd voor Wiebe de Jong. Een foto van dit schip behoort tot de collectie van het Fries Scheepvaart Museum. De omschrijving die het Museum gebruikt: Beurtschip, bekend als 'it blommeskip', afgemeerd in Heeg. Op het voordek een man en een vrouw (fam. Jongstra). Gelegen aan hun woning aan de Wegsloot te Heeg. De familie Jongstra had het schip uit It Heidenschap gekocht en gebruikte het voor hun bloemenhandel. Vandaar ook de aanduiding 'it blommeskip',

Het oude beurtschip 'Hoop op Zegen' [S1166N] van it Heidenskip
Het oude beurtschip 'Hoop op Zegen' [S1166N] van it Heidenskip
De Ligger van het Motor Beurtschip 'Eendracht' van J. en H. Feenstra
De Ligger van het Motor Beurtschip 'Eendracht' van J. en H. Feenstra

 


 


 

Het motorbeurtschip lag in 1976 nog in de havenkom (eigenlijk een draaikom) van Brandeburen en voer toen elke dinsdag op Sneek. Groenhof vaart dan mee als hulp bij Feenstra (de Johannes Feenstra, waarvoor de "Twee Gebroeders" oorspronkelijk was gebouwd, was een oud-oom van deze Feenstra).
Eén van de bijzonderheden, die ons verteld werden, was, dat op zondagmorgen het beurtschip van Heidenschap met vlag in top gereed lag om de buurtbewoners ter kerke te varen. Heidenschap (mogelijk duidt de naam hierop) had zelf toendertijd geen kerk (en geen kerkhof) en de bewoners konden op deze manier de kerk in Nijega (het tegenwoordige Elahuizen), aan de overkant van de Fluessen, bereiken.
De "Twee Gebroeders" vervoerde in haar tijd als beurtschip van Heidenschap niet alléén waren, doch ook passagiers die zelf inkopen wilden doen in Sneek. Tevens is bekend dat ook wel eens varkens (in het vooronder) naar de markt werden gebracht. Hylke Speerstra heeft in het begin van de jaren zeventig een bundel Friese schippersverhalen gepubliceerd onder de titel "Kop in de wind" bij De Boer Maritiem. In deze bundel is een verhaal opgenomen van Willem Bernardus Tjerkstra (geboren 1892) uit Heidenschap, met de titel "Lijkvaren". Uit de beschrijving én het tijdstip (begin 1920) valt mogelijk af te leiden dat het hier om de "Twee Gebroeders" gaat.

Lijk Varen (begin 1920)

Willem Bemardus Tjerkstra (1892) uit Heidenschap
(Blz. 55)
Een boer is zo één twee drie geen varensman, maar het kan er toch inzitten. Mijn vader heette Bernardus Willems en hij moest als jongen gaan werken bij een boer. Al heel gauw had hij het daar wel bekeken en hij zei: 'Ik wil mijn leven niet verslijten achter de koeiestaarten. Dan ga ik liever varen.' Dat was pake en beppe maar slecht naar de zin, want al stond een boerenknecht in de contreien van Oosterend in die tijd ook niet hoog in aanzien, schippersknecht leek helemáál nergens naar. Maar toch kreeg vader een baantje als knecht bij turfschipper Anne Tjipkes Wijma uit Rauwerd. Op een keer zei oude Feenstra van de Rauwerder herbèrg tegen vader: 'Blijf jij varen bij Arme, Nardus?' Nou nee, hij wilde wel bij een andere schipper. 'Nou, dan heb ik een knappe baan voor je bij mijn broer in Heidenschap.'
Zo zijn wij Tjerkstra's in Heidenschap beland. Voor de schippers is Heidenschap altijd een geschikte plaats geweest. Niet alleen vanwege de meestal hogerwal, maar ook omdat de Heidenschapster boeren heel wat terpmodder nodig hadden. Ik zal je vertellen dat wij daar vele tonnen heen gewroet hebben. Ik vind het ook niet juist, om nu de boeren er de schuld van te geven, dat zij die heidense namen gegeven hebben.
Het verhaal gaat dat in het buurtschap De Hel een dikke roomse boer woonde bij wie het altijd wild toeging. Bij nacht en ontij was het daar zuipen, kaarten en tekeergaan. Op een nacht is het daar zo ruig toegegaan dat er een kaart tegen de balken vloog. Het ding kwam er zo hard tegenaan, dat hij in het hout bleef steken. Toen kwam er een degelijke nieuwe boer en die liet de schilder komen om er met de kwast overheen te verven. Maar hoe hij ook streek en smeerde, de kaart bleef zichtbaar. Daar was geen menie of grondverf tegen te mengen. Als gloeiende ogen zagen daarna altijd de rode ruiten van de speelkaart op de mensen neer.
Destijds zijn de baptisten in het Heidenschap komen wonen. Toen is het heidense mogelijk wel wat minder geworden, maar er bleef altijd nog veel vijandschap en twist tus..................................... 
 
(Blz. 57) ........................heus behoorlijk leren zeilen. Nou was het in Heidenschap ook broodnodig om te kunnen zeilen. Want al was het daar een hechte dorpsgemeenschap, we konden niet buiten Nijega met zijn kerk, zijn kerkhof en zijn fabriek. Bij mooi weer lag het kerkje van Nijega vredig aan de andere kant van het meer en het kerkvolk uit Heidenschap ging daar met de veerboot naar toe. Als er gepreekt werd, lag Feenstra zondag 's morgens voor dag en dauw met de vlag in top voor de Heidenschapster wal. Later is er een hervormde en een gereformeerde kerk op Heidenschap gekomen. Maar met een kerkhof is het nooit wat geworden. Gek eigenlijk, want er woonden toch heel wat mensen. En voor iedereen komt de tijd. Het klinkt vreemd, maar de doden hebben de inwoners van Heidenschap dichter bij elkaar gebracht. Ik heb het zelf meegemaakt, hoe zij per schip naar de andere kant van het grote meer werden gebracht. De Laatste Reis ging over het water. Otte Feenstra was van die burenhulp zo'n beetje voorzitter. Er waren een paar zwarte pakken met een hoge hoed en er bestond een soort burenplicht. Wie het dichtst bij het sterfhuis woonde, moest bijstaan.
Eén reis zal mij altijd bijblijven. Melle Zwerver was dood. Ineens. Dat gebeurde in januari 1920. Toen wij hem met elkaar naar het kerkhof moesten brengen, stak er een storm op. Ik zie de Fluessen die dag nog voor me: grote witte koppen op een zwarte, holle zee. Het was zo koud als roet. 'Waterkoud', zeiden ze. En dat kwam uit, want op het moment dat het lijk van Melle zijn huis werd uitgedragen, begon het te hozen. Niemand zei een woord. Zo'n reis was nog nooit uitgesteld en moest doodgewoon doorgaan, want aan de andere kant van de Fluessen werd in de kerk op de dode gewacht.


 

1930

1930

1930: In de dertiger jaren duikt het schip op in Hindeloopen

Van Heidenschap naar Hindeloopen

Het is niet duidelijk wat er met het schip is gebeurd na de verkoop in het begin van de twintiger jaren. Volgens Frits Amsterdam heeft het schip gevaren vanuit Echtenerbrug, maar verdere gegevens ontbreken. In de dertiger jaren duikt het schip op in Hindelopen, eigendom van Frits van Meekeren (foto rechts), die er in die tijd allerhande vracht mee vervoerde, wat hij maar kon krijgen in die crisisjaren, zoals takkenbossen voor bakkerijen, turf etc.
Uit de goede inwendige staat van het schip valt af te leiden dat het schip niet voor grond en bagger gebruikt is, waarvoor zij ook eigenlijk te klein is. Door de snelle ontwikkeling van het wegennet (werkverschaffing) in die tijd en de opkomst van het weg-transport, moesten de beurtscheepjes van 10 tot 20 ton het allengs opgeven. Van Meekeren lag dan ook jarenlang afgemeerd in Hindelopen en gebruikte het schip als woon- en opslagruimte. Ook bekend onder zijn bijnaam Frits "Te Kannen" (hij lustte wel een slokje), had van Meekeren vooral naam als modelbouwer van Friese scheepjes, maar verder verwaarloosde hij het schip.
De Hindeloper schipper Wiggert Amsterdam, die zelf de motorbeurtvaart van Hindelopen op Sneek verzorgde, was degene die zich het lot van de "Twee Gebroeders" aantrok en van Meekeren hielp met allerlei zaken, ook omdat deze niet kon lezen of schrijven. 

De Tweede wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zorgde Wiggert Amsterdam ervoor dat de "Twee Gebroeders" onderhouden werd en zeilklaar was, vóórziende dat een zeilend beurtschip van pas kon komen in een tijd wanneer er geen motorbrandstof meer zou zijn. En zo beleefde de "Twee Gebroeders" nog een paar jaar beurtvaart en vaart voor allerlei doeleinden aan het einde van de oorlog en kwam er ongeschonden uit.

Na de oorlog was er natuurlijk geen behoefte meer aan zo'n scheepje en lag zij als tevoren werkeloos in Hindelopen met nog steeds van Meekeren als eigenaar. Uiteindelijk kon hij als "kenner bij uitnemendheid van het zuivere scheepstype", slechts node afstand doen van dit unieke scheepje. 

De 'Twee Gebroeders' wordt in 1951 door Frits van Meekeren verkocht

Het schip werd verkocht in 1951 aan P.IJ. van den Bosch in Lemmer, directeur van het houtbedrijf aan de Lemster Rien. Zo kwam er voor de "Twee Gebroeders" een einde aan het tijdperk als beurtschip en de relatie met Hindelopen, een relatie waarvan de foto uit 1910 getuigt waarop twee beurtschepen, de voorste uit Hindelopen (Wiggert Amsterdam voorop bij de fok) en de andere de "Twee Gebroeders" uit Heidenschap, samen op varen in de Heeger Var.

Wiggert P. Amsterdam overleed op 21 december 1971 op bijna 86 jarige leeftijd (staat beschreven in het Jaarboek van het Fries Scheepvaart Museum, Sneek, 1971/72).

Het overlijden van Frits van Meekeren in de krant

Het overlijden van Frits van Meekeren trok de nodige aandacht in Friesland. De krant schrijft daar het volgende over:
Toen wij zaterdagmiddag Frits van Meekeren volgden op zijn laatste gang naar het kleine kerkhof van Hindeloopen en de klok beierde boven ons hoofd, hadden wij het gevoel dat met Frits tegelijk een heel tijdperk werd uitgeluid. Frits beheerste de mooie scheepsbouwkunst van onze rijke zeventiende eeuw. Historisch gezien was hij een nakomertje. In zijn jonge jaren heeft hij nog de scheepsbouwerij op de helling van Hindeloopen van nabij meegemaakt. Toen kwam al spoedig het verval. Frits genoot een uitkering uit de Zuiderzeesteunwet. Er was voor hem en voor vele anderen langs de oude Friese zeekust geen toekomst meer.
Frits van Meekeren heeft de traditie van Hindeloopen bewaard in zijn prachtige modellen van oude schepen. Hij heeft de herinnering levend gehouden aan de grote tijd van weleer.

pdf Frits van Meekeren overleden

Op 21 december 1971 overleed schipper Wiggert P. Amsterdam

Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1971/1972
Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1971/1972

1939

5 augustus 1939

5 augustus 1939: Hardzeilen in Grouw

1944

1944

1944: Krijt-pentekening door W.J. Dijk gemaakt in de oorlog toen deze kunstenaar op Galamadammen ondergedoken zat

In het Fries Scheepvaart Museum bevindt zich een Krijt-tekening van W.J. Dijk met als beschrijving: Tekening, zwart krijt, met inkt bijgewerkt, deels gewassen. Gezicht op een boeier, varend met de zeilen over stuurboord. Aantekeningen van Dijk: 'Geb. in 1901 bij / Barkmeyer in Sneek / voor Joh. Feenstra, Heidenschap als beurtschip, nu boeier van P.J. de Vries / Zomerdijkstraat 11 / Amsterdam Z.'

Aquarel van Marten Groenhof, schilder in It Heidenschap, naar het voorbeeld van de krijttekening van W.J. Dijk

1951

1951

1951: Van Beurtschip tot Jacht

Op de werf van de Gebroeders de Boer in Lemmer werd het scheepje in 1951/1952 geheel verbouwd om het geschikt te maken als comfortabel zeiljacht. Hierbij is de bouwer er van uit gegaan dat de fraaie lijnen van het schip zo veel mogelijk gehandhaafd dienden te warden. Dit had tot gevolg dat de kajuitopbouw, die in de plaats kwam van het door luiken bedekte ruim achter de mast, wat hoogte en lengte betreft beperkt gehouden werd en ook een zekere zeeg kreeg. De kuip (bollestal) werd hierdoor ook zeer ruim. In het zijaanzicht van het schip valt dan bovendien de opbouw gedeeltelijk weg achter de zwaarden. Verder werden een ongestaagde, strijkbare, (ongetapte) massief grenen mast (uit één stuk) en een boeier-type, eikenhouten roer aangebracht, evenals een kleine kluiverboom. Een kleine binnenboordmotor van ongeveer 15 PK werd ingebouwd, een zogenaamd "thuisbrengertje".

Een en ander leidde tot het huidige fraaie resultaat van een boeiergetuigd jacht met een opmerkelijk lage opbouw. (Dat er daardoor in de kajuit geen stahoogte is, is dan wel het gevolg, maar wie daar tegenop ziet, kan beter geen traditioneel scheepje als dit in bezit hebben). Tevens werd de naam veranderd van "Twee Gebroeders" in "Stanfries", waarmee het Friese karakter van het schip nog eens benadrukt werd. Dat het geheel de aandacht trok, ook van de pers, blijkt uit het artikel "Het laatste  ......" in de Waterkampioen van Oktober 1952.

Stamboek van Friese Platbodemjachten

Inmiddels was ook de idee om de nog aanwezige traditionele Ronde- en Platbodemschepen voor ondergang te behoeden in ruimere kring gaan leven en dit leidde in 1952 tot het besluit van het Fries Scheepvaart Museum in Sneek om een commissie in te stellen, die opdracht kreeg tot het samenstellen van een "Stamboek van Friese Platbodenjachten". Na een paar jaar leidde dit weer tot de oprichting van de "Stichting Stamboek Ronde- en Platbodemjachten", in 1955, een ruimer verband dan het oorspronkelijke "Friese" Stamboek.De "Stanfries" is al op een vroeg tijdstip in het stamboek ingeschreven, onder nummer 48.

1952

1952

1952: Zomer 1952

1953

1953

1953: De 'Stânfries' eigendom van de heer S.J. de Vries in Amsterdam

De "Stanfries" zelf wisselde na de verbouwing al snel van eigenaar (in 1952), waarbij zij in eigendom kwam van de heer S.J. de Vries in Amsterdam. De 'Stânfries' verhuisde daardoor van Friesland naar de Hollandse wateren als basis en had vele jaren haar vaste ligplaats in de jachthaven van de zeilvereniging "De Nieuwe Meer" in Aalsmeer, bij de Westeinderplas. De heer de Vries en zijn vrouw hebben lange tijd (bijna 20 jaren) met het schip gezeild, voeren o. a, 's zomers dikwijls via het IJsselmeer naar Friesland, en waren present bij vele jaarlijkse Reunies van "De Stichting". De heer de Vries heeft de motor vervangen door de tegenwoordig aanwezige, tevens moet zijn houtsnijvaardigheid genoemd worden: mastwortel, mastbord, hennebalk, vlaggestokknop, zijn van zijn hand.

De Hennebalk, gesneden door oud-eigenaar S.J. de Vries
De Hennebalk, gesneden door oud-eigenaar S.J. de Vries
Foto's uit 1956
Foto's uit 1956

De foto uit 1961 toont de "Stanfries" zeilend, met de heer de Vries aan het roer. Deze foto heeft op de achterzijde de genoemde aantekening van Wiggert Amsterdam (ons gegeven door Frits Amsterdam).

1957

18 juni 1957

18 juni 1957: Onder zeil als jacht

1961

1961

1961: Pinksteren 1961

1970

1970

1970: Zomer 1970

31 juli 1970

31 juli 1970: Leidsch Dagblad: Vloot van antieke vaartuigen in Leiden

1971

19 april 1971

19 april 1971: Brief aan Secretaris SSRP met details van de 'Stânfries' van oud-eigenaar S.J. de Vries

juli 1971

juli 1971: In juli 1971 werd de "Stânfries" eigendom van de familie P.C. Kok

In juli 1971 werd de "Stânfries" eigendom van de familie P.C. Kok, toondertijd wonende in Wassenaar (huidig adres Lens, Zwitserland). De naam van het schip bleef, weloverwogen, onveranderd, terwijl de eerste jaren ook de ligplaats in Aalsmeer de thuishaven bleef. Vanaf 1973 werden de Nieuwkoopse Plassen de thuishaven (werf Tijsterman). 's Zomers echter was het schip wekenlang in de vertrouwde wateren van Friesland. Op de Friese meren, zowel groot als klein, blijkt het schip, qua bouw en zeilvermogen echt in haar element, wat niet verwonderlijk is, gezien de afmetingen en beperkt vrijboord. Op den duur leek het ons daarom beter, om te zien naar een vaste ligplaats in Friesland zelf, temeer daar de jaarlijkse tochten naar Friesland en terug enorm veel tijd en vakantiedagen opslokten, niet in het minst omdat het weer ons ook vaak in de steek liet.
Zodoende heeft de "Stânfries" vanaf 1976 enige jaren gelegen in de jachthaven "It Eilan" in Heeg (havenmeester / platbodemvriend Jan Lopik). Toen de gelegenheid zich voordeed om een schiphuis van voldoende lengte te verkrijgen (lengte met gestreken mast is ongeveer 14 m.), verhuisde de "Stanfries", vanaf 1978, 's winters naar de Leeuwarder jachthaven "De Oude Potmarge".

Vele zomers hebben wij met ons gezin met de "Stânfries" gezeild op de Friese wateren (vooral de Zuidwesthoek), op het IJsselmeer en in mindere mate op de Hollandse wateren. Zij is steeds een fijn en zeer betrouwbaar schip gebleken, zonder nukken, een "lief" schip, zoals de uitdrukking is. Het beste is zij in haar element op één oor aan de wind met ongeveer windkracht vier / vijf en zij loopt dan ook snel (over bakboord iets beter dan over stuurboord, waarschijnlijk omdat de romp niet helemaal symmetrisch is). Typerend voor de scheepsbouwkunst van weleer is dat, bij een flinke snelheid, de eerste golf na de boeg precies bij het zwaard omhoog komt, zodoende het zwaard meer zijwaartse weerstand gevend. Bij weinig wind en vooral op een voordewindse koers wordt de snelheid beperkt doordat zij relatief zwaar is en het achterschip, door de zware motor, het water moeilijk kwijt raakt.
Op de tochten op het IJsselmeer is zij beduidend minder in haar element, zeilt wel goed, maar als er golven zijn, geeft de brede boeg veel weerstand. Immer hebben wij in gedachten gehouden dat de "Stânfries" niet voor dit grote water is gebouwd, alleen onder gunstige weersomstandigheden waagden wij ons op dit grote, onvoorspelbare, water,
Onvoorspelbaar, zoals wij aan den lijve hebben ondervonden, in vijf minuten van windkracht 2 naar 9, en een verandering van windrichting van meer dan 90 graden, de daaropvolgende (klap)gijp veroorzaakte zo'n helling van het schip dat er een enorme golf de kuip in kwam, waardoor het hele achterschip vol water stond. Dat we het er desondanks tóch goed van af hebben gebracht is mede aan het karakter van het schip te danken. De lenspomp, aangebracht ná dit voorval, vond hier zijn reden van bestaan.
In 1976 hebben wij met de "Stânfries" een prachtige tocht gemaakt over het Friese Wad, via Dokkumer Nieuwe Zijlen bij Lauwertsoog het Wad op, drooggevallen buiten Nes op Ameland en de volgende dag weer naar Harlingen. Met stroom mee en een goede oostenwind maakte de "Stânfries" ongeveer 15 km/uur ! 
Van de andere tochten dient ook de deelname in 1975 aan Amsterdam Sail 700 genoemd te worden, de eerste keer dat dit evenement plaatsvond. Het tegemoet varen van de "Tall Ships" in de ochtenduren tot aan de Hembrug, het Admiraalzeilen op het IJ en het avondlijke spiegelgevecht in één van de havens, het was een ware belevenis.

Dit verslag is niet de plaats om onze vele tochten met de "Stanfries" op te sommen, het was een goede tijd, waarbij wij op en met het schip veel plezier hebben gehad. Niet alleen zeilend, soms ook liggend zoals enige jaren als "moederschip" bij de Sneekweek in 1974 en 1975. In begin 1979 verhuisden wij naar Noorwegen, hebben er zomer 1979 nog een maand mee gezeild in Friesland, maar dit werd allengs moeilijker. Onze kinderen hebben wel nog enige jaren plezier van de "Stânfries" gehad en hebben nog vele tochten gemaakt vanuit Heeg.
In 1985 hebben wij het schip nog een grote beurt gegeven in Leeuwarden en de 30-jarige Jubileum Reunie van de Stichting meegemaakt in Leeuwarden en het Admiraalzeilen op het Pikmeer en de Wijde Ee. Het was de laatste maal want het besluit om het schip te verkopen was al gevallen.

1975

1975

1975: Kerstkaart 1975 met afbeelding Sail Amsterdam

1986

1986

1986: In juli 1986 kwam de "Stânfries" na 15 jaar in het bezit van de heer Bloem te Grouw

Groot was onze blijdschap (van fam. Kok) dat de "Stânfries" in haar vertrouwde, Friese element zou blijven. Wij wensen de heer Bloem en zijn familie veel plezier met de "Stânfries" en een goede vaart! Overigens is de familie Bloem maar een jaar of vier  eigenaar geweest van de 'Stânfries'.

2014

26 mei 2014

26 mei 2014: Karin van der Heijden, kleindochter van oud-eigenaar S.J. de Vries

Mijn opa is eigenaar/schipper geweest op de 'Stânfries'. Van 1953 tot ergens jaren '80 (1953 tm 1971 volgens de gegevens in het Stamboek). In mijn jonge jaren heb ik vele vakanties op het schip doorgebracht. Mooie herinneringen. Ik heb vele foto's van de 'Stânfries' en een dagboek. Mijn opa hield de eerste jaren een dagboek bij van iedere dag op het schip met tekeningen van de routes die afgelegd werden en foto's. Er bestaat ook nog een tekening van de Stânfries en een krantenartikel van 31 juli 1970 "Vloot van antieke jachten in Leiden" met foto's van het schip. 

Het dagboek beslaat 100 pagina's. "Het draaiboek van de Stânfries". Mijn opa heeft dat geschreven (op een typemachine) vanaf het moment dat hij eigenaar van de Stânfries werd in juni 1953. Alle zomervakanties op het schip staan beschreven, daaronder ook de herdenking van 600 jaar Hoorn in juli 1957. De routes die het schip afgelegd heeft worden uitvoerig beschreven, soms met getekende kaarten, en veel foto's. En natuurlijk het leven aan boord. Naast mijn opa en oma is ook mijn moeder er alle vakanties bij, mijn vader de laatste twee ook.

Mijn opa was enorm trots op zijn schip en zorgde er zeer goed voor. Als ik 's winters bij mijn opa en oma thuis kwam stond het hele huis vol met onderdelen van het schip. Dan moest alles weer in de lak. Touwen gerepareerd, houtsnijwerk. Alles deed hij zelf. En ook moest ik wel eens met hem mee naar Aalsmeer om te kijken hoe het schip in de loods stond en kreeg dan een zeer gedetailleerde update van de werkzaamheden aan de Stânfries. Het schip moest iedere winter weer als nieuw gemaakt worden.

Als het weer het even toeliet woonden mijn opa en oma op de Stânfries. Ik heb vele weekeinden en vakanties in het vooronder geslapen. Mijn ouders hadden ook een schip en in vakanties spraken ze ergens in Friesland af en zeilden we samen op. Als kinderen vonden mijn broer en ik het geweldig om dan bij opa en oma te slapen. Ook herinner ik me nog levendig een verschrikkelijke tocht over het IJsselmeer, in zwart weer, hoge golven, vastgebonden aan de mast, oma doodziek (had bij het minste al zeeziekte).

Zoveel mooie herinneringen dat ik dacht dat mijn opa langer eigenaar is geweest..... Ik zal een deel van de documenten en foto's van het schip scannen, zodat ze in het Stamboekarchief opgenomen kunnen worden.

Met vriendelijke groet, Karin van der Heijden

Heeft u vragen en/of opmerkingen?

Terug naar het overzicht