Tjet Rixt

Tjet Rixt

Dirk Huizinga schrijft in zijn boekje "Tjet Rixt en haar mannen":
De Boeier 'Uitspanning' werd in 1843 gebouwd door Eeltje Taedzes Holtrop (1768-1848) in IJlst. Althans, dat wordt tegenwoordig aangenomen als het meest waarschijnlijk. Aangetoond is het allerminst. De scheepsbouwer zegt er bijvoorbeeld niets over in zijn gedetailleerde hellingboeken met overzichten van gebouwde schepen tussen 1837 en 1847. Deze scheepsbouwer is de grootvader van de later vermaard geworden werfbaas Eeltje Holtrop van der Zee, die aanvankelijk bij hem werkte, maar zich in 1856 als zelfstandig scheepsbouwer in Joure vestigde.

Leeuwarden, 1886, Het Vliet: De boeier ‘Friesland’ met Mr. J. Minnema De With. (Foto: HCL)
Leeuwarden, 1886, Het Vliet: De boeier ‘Friesland’ met Mr. J. Minnema De With. (Foto: HCL)

Lambertus van der Feer, een apotheker uit Sneek, zou deze grote boeier in IJlst hebben laten bouwen en gaf haar de naam ‘Uitspanning’. Destijds was het de grootste boeier van Friesland, die bedoeld was als jacht, dus bedoeld voor de pleziervaart. Al die informatie komt van Eeltje Romkema, de scheepstekenaar die werkte op de werf in Joure bij zijn oom Auke van der Zee. Helaas zijn er geen aanwijzingen als (koop)aktes of andere beschrijvingen die deze mondelinge mededeling uit de overlevering ondersteunen. In feite weten we het dus niet. Er is niets dat deze bewering ondersteunt. Over de periode van 1843 tot het moment dat Mr. Jan Minnema de With uit Leeuwarden de boeier overneemt, is eveneens weinig bekend, mede omdat er blijkbaar geen wedstrijden met de boeier worden gezeild. De naam ‘Uitspanning’ komt tenminste niet voor in wedstrijdverslagen van hardzeildagen in de 19e eeuw. In welk jaar de advocaat Jan Minnema de With uit Leeuwarden de boeier in zijn bezit krijgt, is ook onbekend. Vanaf het midden van de tachtiger jaren staat echter vast dat hij de eigenaar is. Van 1886 tot 1896 wordt de boeier, die omgedoopt is in ‘Friesland’, regelmatig genoemd op deelnemerslijsten van hardzeildagen. In de loop van de jaren negentig verkoopt hij het schip aan dhr. H.C. Lefering te Buiksloot, die de boeier de naam “Antonia Jacoba” geeft. In 1909 wordt de boeier verkocht aan dhr. Jacob Hepkema uit Heerenveen. Van 1909 tot 1953 blijft de boeier met de naam ‘Tjet Rixt’ onder de hoede van drie generaties Hepkema. Dan wordt ze verkocht aan de Vereniging van Vrienden van het Zuiderzeemuseum.

Eigenschappen

Plaquette nummer:2091 Zeil nummer:
Categorie:A Tekening nummer:
Type:Boeier

Bouw

Bouwjaar:1843 Ontwerper:Eeltje Teadzes Holtrop
Werf:Eeltje Teadzes Holtrop Werf plaats:IJlst
Motor:Inbouw Motor type:Moderne diesel, vaart op Synfuel
Materiaal romp:Eikenhout Materiaal kajuit:Eikenhout
Materiaal zeil:Clipper canvas
Onderwaterschip: Kiel:

Afmetingen

Lengte stevens:10,56 m Breedte berghout:3,73 m
Diepgang:0,54 m Masthoogte water:0,00 m
Oppervlakte grootzeil:0,00 m2 Oppervlakte fok:0,00 m2
Oppervlakte botterfok:0,00 m2 Oppervlakte kluiver:0,00 m2
Oppervlakte totaal:0,00 m2 Oppervlakte overig:0,00 m2

Tot nu toe bekende eigenaren en namen van het schip

1838 – 1843 Dhr. Toussaint, Nieuwendam ( (Onzeker, Mogelijkheid na uitgebreid onderzoek Dirk Huizinga))
1843 – 1883 L. van der Feer, Sneek ( Uitspanning)
1883 – 1893 J. Minnema de With, Leeuwarden ( Friesland)
1893 – 1909 H.C. Lefering, Buiksloot ( Antonia Jacoba)
1909 – 1919 J. Hepkema, Oudeschoot ( Tjet Rixt)
1919 – 1929 T. en H. Hepkema, Heerenveen ( Tjet Rixt)
1929 – 1947 M. Hepkema, Leeuwarden ( Tjet Rixt)
1947 – 1954 J.T.M. Hepkema, Leeuwarden ( Tjet Rixt)
1954 – Nu (laatst bekend) Stichting Vrienden Boeier 'Tjet Rixt', Zuiderzeemuseum, Enkhuizen ( Hilda, na de restauratie Tjet Rixt)

Geschiedenis

1890

1890

1890: De Boeier 'Friesland' onder zeil omstreeks 1890

1953

1953

1953: Roerversiering omstreeks 1953

1969

1969

1969: Het archief van M. (Marchienus) de Jonge

Marchienus de Jonge was van 1947 tot 1948 inwonend conciërge / beheerder en restaurateur van het Fries Scheepvaart Museum te Sneek. Daarna van 1949 - 1969 Technisch Assistent A bij het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen, 1 maart 1969 ging hij met pensioen. In zijn vrije tijd heeft hij vele scheepsmodellen gebouwd. Zij kleinzoon Willem de Jonge kwam enige tijd geleden in het bezit van de persoonlijke archieven van zijn grootvader, waarin nogal wat fotomateriaal in zit van schepen, waar hij o.a. modellen van heeft gebouwd, maar ook van schepen waar hij als restaurateur aan heeft gewerkt en tevens enkele die hij volledig heeft herbouwd. Willem de Jonge heeft ons een aantal foto's uit dit archief voor publicatie ter beschikking gesteld.

Boeier 'Hilda' (Tjet Rixt) in 1961 ter gelegenheid van 150 jaar Zaandam stad
Boeier 'Hilda' (Tjet Rixt) in 1961 ter gelegenheid van 150 jaar Zaandam stad

1995

1995

1995: Restauratie 'Tjet Rixt' door Erik Slagmoolen

De 'Hilda' klaar voor de definitieve restauratie. (Foto: ZZM)
De 'Hilda' klaar voor de definitieve restauratie. (Foto: ZZM)
Enkhuizen, 1995. Conservator Thedo Fruithof is ingenomen met de mogelijkheid om de boeier de oude  naam ‘Tjet Rixt’ weer terug te geven en heeft de oude naamplaatjes maar even opgepoetst. (Foto: ZZM)
Enkhuizen, 1995. Conservator Thedo Fruithof is ingenomen met de mogelijkheid om de boeier de oude naam ‘Tjet Rixt’ weer terug te geven en heeft de oude naamplaatjes maar even opgepoetst. (Foto: ZZM)
Erik Slagmoolen tijdens de restauratie
Erik Slagmoolen tijdens de restauratie

Erik Slagmoolen is bezig met een reuzenklus: de restauratie van de meer dan 10 meter lange boeier ‘Tjet Rixt’. Dit schip stamt uit het midden van de 19e eeuw. In 1910 komt de boeier in bezit van de familie Hepkema uit Heerenveen/Leeuwarden. Vanaf dat moment krijgt ze bijna 50 jaar geen groot onderhoud. Als ze in 1954 verkocht wordt aan het Zuiderzeemuseum, volgen er nog zo’n 40 jaren van half mislukte restauratiepogingen. Erik begint in 1995 en klaart uiteindelijk deze meesterklus in 2007. Zo’n 90% van het hout is dan vervangen door nieuw en ook het vele houtsnijwerk en verguldsel is vernieuwd.

1998

mei 1998

mei 1998: Spiegel der Zeilvaart: Restauratie legendarische boeier 'Hilda'

Een paar zinsnedes uit het verhaal in de Spiegel:
De grootste klus die nog te wachten staat, zal het berghout zijn. De oude Eeltje had er een wezenlijk kunststuk van gemaakt. Het had een radius met bovenaan een droge naadstuk. Dat deed hij om het inwateren te voorkomen. Het geheel moet met de guts bewerkt worden daar het water er keurig netjes vanaf moet lopen. Zou het een rechte hoek zijn, dan blijft het water erin staan. Aan de onderkant, wat eigenlijk de handtekening is van de boeierbouwer, zit een soort sponning die als het ware over de bovenste huidgang valt.
Het berghout wordt met gegalvaniseerde ijzeren pennen van een halve duim dik vastgezet. Ze worden er scheef ingeslagen dus niet evenwijdig, want zouden ze er recht in worden gezet dan zou bij het inslaan van de een, de ander weer losschieten. Het berghout, dat 9,5 cm dik is en 16 cm hoog wordt tenslotte zowel boven als onder voorzien van een kraaltje, maar dat dient enkel en alleen voor de sier.

Erik kijkt vooral uit naar het kopiëren van het houtsnijwerk. Het hele schip zit er vol mee: kluisborden, berentanden, mastwortel, de bedelbalk, de roerklik en de leeuw. Het fries om de kajuitingang heeft, in tegenstelling tot het houtsnijwerk uit het begin van deze eeuw dat uit guirlandes bestond, als versiering bessenbladeren en besjes.

Wanneer de boeier te water kan worden gelaten, is nog onduidelijk. Ook musea ondervinden dat het restaureren van een zeldzaam houten schip, precies op de manier zoals de bouwer had bedoeld, een zeer tijdrovende bezigheid is.

pdf SdZ mei/november 1998 nr04/09 - Restauratie van eren legendarische boeier

Reactie van J.K. Gipon, Balk

Geachte redactie,
Naar aanleiding van het artikel over de restauratie van de boeier 'Hilda' (ex Tjet Rixt') in de Spiegel herinner ik mij het boek 'Op Frieslands wijde wateren' van R.J. de Stoppelaar. In dat boek staat een beschrijving van een tocht over de wateren van zuidwest Friesland met de boeier 'Tjet Rixt' met de familie De Stoppelaar. Deze tocht zou gemaakt zijn in de jaren, waarin Friesland nog niet overspoeld werd door de pleziervaart en waarin de tjalken nog onder zeil voeren. De afvaart was uit Warga en ging vrijwel door het gehele merengebied.
De Stoppelaar roemde de gastvrijheid van de schipper alsmede diens bekwaamheid op het gebied van het koken, maar noemde zijn naam niet. Wel was er een goede foto van de schipper, die zeker een Hepkema kon zijn. Ook staan in dat boek heel mooie foto's van de 'Tjet Rixt' die er geen twijfel over laten dat dit hetzelfde jacht is als de 'Hilda'. Noch De Stoppelaar noch de uitgever van het boek geven daarin jaar en datum van die tocht en van de uitgave, maar aan het geschrevene en de foto's vermoed ik omstreeks het jaar 1930 te zijn.
Ik ben we! benieuwd of mijn gedachten juist zijn, dat deze zeiltocht ongeveer in het jaar 1930 was en dat de schipper een lid van de familie Hepkema was. Dit boek heeft mij vroeger in ieder geval veel genoegen bezorgd door de beschrijving en de verademende rustige zeiltocht met een mooi oud-Nederlands jacht.
Daarbij lijkt het naar mijn mening, dat deze schepen de echte jachten zijn, die door hun fraaie vorm en versiering verre uitsteken boven wat tegenwoordig jachten worden genoemd. Tevens horen juist deze jachten thuis op onze vrij ondiepe wateren, waar ze vrijwel overal kunnen zeilen zonder aan de grond te lopen. Bovendien zijn onze oud-Nederlandse schepen zeker een grotere verfraaiing van ons waterlandschap, dan wat men tegenwoordig jachten noemt. Gelukkig dat dit soort jachten de laatste jaren in groteren getale komt. Daarbij zijn de grote jachten zeker niet fraaier dan de kleinere. Het is prachtig dat de Spiegel der Zeilvaart steeds aandacht besteedt aan onze traditionele scheepstypes die zo goed bij onze omstandigheden passen.

2005

2005

2005: De 'Tjet Rixt' in het boek de Boeier van Dr. Ir. J. Vermeer

Dr. Ir. J. Vermeer schrijft in zijn boek 'de Boeier' het volgende:
Over deze boeier hebben in de loop van de jaren verschillende veronderstellingen de ronde gedaan, zowel wat betreft de opdrachtgever alsook over de opeenvolgende negentiende-eeuwse eigenaren. Van Waning bijvoorbeeld noemt in zijn eerste artikel in de "Waterkampioen" Baron van Lijnden te Beetsterzwaag als de op een na oudste eigenaar. Inderdaad bezat Reinhard baron van Lijnden, kamerheer van Z.M. de Koning, in de jaren vijftig een boeier, waarmee hij in zeilwedstrijden van de Koninklijke Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging te Amsterdam uitkwam; zowel het bewaard gebleven programma uit 1853 als dat uit 1858 vermeldt zijn deelname met de 'overdekte boeijer' "Diana". Echter in een brief aan Van Waning schrijft zeilmaker S. Molenaar te Grouw dat de boeier van Baron van Lijnden, waarvoor de firma Molenaar verschillende keren zeilen moest maken, bepaald kleiner was dan de "Tjet Rixt". Hoe een en ander ook zij, de hieronder gegeven bijzonderheden lijken ons de werkelijke historie het best te benaderen.
Yke Wouda, de laatste Sneeker meelhandelaar die nog eigenaar geweest is van de beroemde boeier "Bever", vertelt in zijn 'Sneeker Zeilherinneringen' over de "Tjet Rixt" het volgende:
... De grootste boeier, rijks- of provincievaartuigen niet meegerekend, liet omstreeks de helft der vorige eeuw de oud-apotheker Lambertus van der Feer' bouwen ... Het schip heette "Uitspanning" en vaart nog in eigendom van de familie Hepkema te Heerenveen ....
Deze mededeling bevat drie belangrijke bijzonderheden betreffende dit schip, dat later jarenlang eigendom zou zijn van de familie Hepkema, namelijk: de opdrachtgever, het bouwjaar (ongeveer 1850) en de oorspronkelijke naam.

Eeltje Teadzes Holtrop in IJlst de bouwer

Uit andere bron weten we dat de bouwer inderdaad Eeltje Teadzes Holtrop was, In een brief aan de secretaris van de toenmalige Commissie Stamboek Friese Ronde Jachten C.J.W. van Waning schrijft Eeltje Romkema namelijk van zijn oom Auke van der Zee gehoord te hebben, dat de "Tjet Rixt" in IJlst gebouwd is door diens overgrootvader. In zijn boekje, dat ter gelegenheid van de 150ste Hardzeildag in 1905 uitkwam'', noemt Halbertsma, de toenmalige conservator van het Fries Scheepvaart Museum. 1843 als bouwjaar van de boeier "Uitspanning". In het bewaard gebleven werfboekfragment is echter geen melding van de bouw van deze boeier te vinden. Wel is in 1838 een boeier met ongeveer dezelfde lengte geleverd naar Nieuwendam. Wij nemen op gezag van Wouda en Halbertsma aan dat inderdaad Van der Feer de opdrachtgever was en 1843 het bouwjaar. De werfbaas van de familie Hepkema zou in 1910 dit jaartal hebben waargenomen op een van de oorspronkelijke, helaas vervangen, inhouten.
Over de opdrachtgever van de boeier "Uitspanning" is het volgende bekend. De apotheek van Lambertus van der Feer was gelegen aan het Kleinzand te Sneek, welk pand tegenwoordig deel uitmaakt van het Fries Scheepvaart Museum. Volgens Wouda bewoonde hij 's winters het achterhuis van de apotheek en 's zomers het voorhuis van een boerenplaats in Terhorne. Kennelijk was hij geen liefhebber van hardzeilen; in de bewaard gebleven deelnemerslijsten van de zeilverenigingen 'Sneek' en 'Oostergoo' komt de boeier "Uitspanning" niet voor. Wel meldt Halbertsman dat hij het admiraalzeilen op het Sneekermeer in de jaren 1864 en 1868 de vloot werd gecommandeerd door admiraal L. van der Feer met zijn boeier "Uitspanning". Een uitgebreid reglement van het admiraalzeilen in 1868 is bewaard gebleven en Halbertsma geeft de samenstelling van de drie eskaders, compleet met de namen van de deelnemende schepen.

'Uitspanning' wordt 'Friesland'

De geschiedenis in de tweede helft van de negentiende eeuw is niet helemaal duidelijk. De laatste Hepkema, die de boeier in 1953 aan de Vereniging van Vrienden van het Zuiderzeemuseum overdeed, schreef in dat jaar aan de secretaris van de Commissie Stamboek Friese Ronde Jachten, de heer Van Waning, het volgende: Toevalligerwijs vond ik hij het doorbladeren van oude papieren enkele gegevens betreffende het verleden van onze boeier, die u wel zullen interesseren. ..... Ten eerste was daar een meetbrief gedateerd 9 Mei 1891 betrekking hebbende op de overdekte boeier genaamd "Friesland" toebehorende aan Jan Minnema de With..... Voorts bleek ook nog de door mijn grootvader gevoerde correspondentie betreffende de aankoop Van onze boeier bewaard te zijn. Daaruit blijkt, dat hij deze op 3 juli 1909 voor de prijs van f 1000.- gekocht heeft van de beer H.C. Lefering te Buiksloot door bemiddeling van de heer H. Kersken, Krommewaal le Amsterdam. De boot heette toen "Antonia Jacoba". Tussen de heer De With en mijn grootvader heeft de boot klaarblijkelijk dus nog een andere eigenaar gehad.
Uit deze bewoordingen blijkt dat het in de familie Hepkema bekend was dat de boeier aan het eind van de negentiende eeuw had toebehoord aan mr Jan Minnema de With. Wij stellen dit duidelijk, omdat op gezag van commissaris Voordewind aanvankelijk sterk eraan getwijfeld werd, dat de boeier "Friesland" identiek was met de latere "Tjet Rixt'. Deze brief laat hier echter geen twijfel over bestaan. Wanneer Jan Minnema de With, advocaat te Leeuwarden, de boeier in zijn bezit kreeg weten we niet, ook niet of hij hem kocht van Van der Feer, wat wij nu maar veronderstellen. In het interessante artikel van W. Dolk over belastingheffing op schepen en de in het register van patentrecht verschuldigde pleziervaartuigen van Leeuwarder burgers in de 19de eeuw, staat vermeld: (1885-1893) De 'Friesland', overdekte boeyer; 20 ton, meetbrief bvd 14 april 1886, no. 73, eigenaar mr Jan Minnerna van Haersma de With. Uit hetzelfde register blijkt dat Minnema de With voor 1885 al eigenaar was geweest van kleinere piezierjachtjes , waaruit we concluderen dat hij waarschijnlijk omstreeks dat jaar of iets eerder eigenaar van de "Uitspanning" werd, die hij de naam "Friesland" gaf.

De 'Friesland'

De boeier "Friesland" verscheen de jaren 1886 tot en met 1896 elk jaar in wedstrijden aan de start. Weliswaar staat als de stuurman niet altijd de eigenaar vermeld. In de deelnemerslijst van de Sneeker Hardzeildag komt meermalen de naam van Gurbe Reitsma voor (1886, 1887, 1888 en 1892). Bij 'Oostergoo', in 1889 en 1890, stuurde de eigenaar zelf; daar was in die tijd de bepaling ingevoerd dat de boten moesten worden gestuurd door H.H. Liefhebbers, dat wil zeggen niet door betaalde beroepsschippers. Ook op Hardzeildag 1891 stuurde Minnema de With de boeier zelf. In 1892 evenwel, tijdens de bijzondere wedstrijd door 'Oostergoo' en 'Sneek' gezamenlijk georganiseerd ter gelegenheid van het bezoek aan Friesland van koningin Wilhelmina en haar moeder koningin-regentes Emma, stuurde Reitsma en won de boeier als derde de uitgeloofde bronzen medaille.
Wij moeten hier nog melding maken van een incident dat zich naar de verhalen in verschillende toenmalige dag- en weekbladen in 1885 in Sloten (Fr) heeft voorgedaan. Uit wraakzucht tegen de burgemeester, de heer E.A.R. Lichtenvoort Cats, zou een burger van de stad Sloten 's nachts diens boeier met zwarte teer hebben besmeurd. Bij zijn medeburgers viel deze wandaad zeer slecht, de man werd door zijn stadgenoten bijna gelyncht. Het betrof echter niet de eigen boeier van de heer Cats, maar de "Friesland" van zijn schoonvader mr J. Minnema de With, die kennelijk daar op bezoek was. De gevolgen van deze teerbehandeling zouden nog lang zichtbaar zijn geweest. De heer Cats bezat een boeier met de naam "Ondine", zoals blijkt uit het reeds meermalen aangehaalde verslagenboek van de Zeilvereeniging Oostergoo: in het jaar 1884 vermeldt dit zijn deelname aan de jaarlijkse zeilwedstrijd van die vereniging. Of deze "Ondine" hetzelfde schip is als voorkomt in de lijst uit 1889 van vaartuigen in het bezit van leden van de Zeilvereeniging 'Het Y' weten we niet.

Het register van patentrecht

Uit de aangehaalde vermelding in het patentrecht-register zou kunnen worden afgeleid dat Minnema de With de boeier ten minste tot 1893 in eigendom had (in dat jaar werden de patentrecht-wetten ingetrokken en vond geen registratie meer plaats). Mogelijk heeft hij hem in dat jaar verkocht aan bovengenoemde H.C. Lefering te Buiksloot. Deze veranderde de naam in "Antonia Jacoba". Lefering had al eerder een andere, kleinere, boeier met dezelfde naam gehad. Dit blijkt uit de bewaard gebleven lijst van deelnemers aan de zeilwedstrijden van de KNZRV op de Zuiderzee buiten de Oranjesluizen op 7 september 1884. In de klasse Jachten, Boeijers enz. met vaste roef, boven 7 tot en met 10 Meter' kwamen zes boeiers aan de start: behalve de "Antonia Jacoba" van Lefering waren dat "Brunette' van Molenpage, "Mignon" van Van Meeteren, "Hendrika" van Havie, "Charlotte" van Clignett, allen uit Amsterdam, en de "Batavier" van Bakker uit Leeuwarden. Lefering deed met deze "Antonia Jacoba" in 1885 ook mee aan het feestelijke admiraalzeilen dat door de pas-opgerichte Zeilvereeniging 'Het Y' was georganiseerd ter gelegenheid van de ingebruikneming van haar nieuwe jachthaven. Van deelname aan wedstrijden met de latere (tweede) "Antonia Jacoba" in de jaren negentig hebben we geen blijken gevonden.

Eigendom van de familie Hepkema

De heer Lefering verkocht in 1909 de boeier, zoals we reeds zagen, door bemiddeling van H. Kersken aan Jacob Hepkema te Oudeschoot, stichter in 1878 en eigenaar van het destijds toonaangevende in Heerenveen verschijnende "Nieuwsblad voor Friesland': Tot aan de overdracht aan de Vereniging van Vrienden van het Zuiderzeemuseum in 1953 blijft de boeier eigendom van nazaten van deze Jacob Hepkema. Uit het documentatieoverzicht dat de heer Eric Verlinde in opdracht van het Zuiderzeemuseum heeft uitgevoerd en dat ons welwillend ter beschikking is gesteld, blijkt dat na het overlijden van Jacob Hepkema in 1919 de eigendom van de boeier gedeeld werd door diens erven. Het beheer komt dan in handen van de broers Tj. J. Hepkema en M.E. Hepkema. Het Nederlandsch jachtregister van ANWB en KVNWV van 1924-25 vermeldt de boeier "Tjet Rixt" met als eigenaar Tj. Hepkema te Heerenveen; afmetingen 10,50 hij 3,30 meter, bouwer A. Holtrop van der Zee, bouwjaar 1850. (N.B. Auke van der Zee moest in 1850 nog geboren worden!) Na het overlijden in 1929 van Tj. Hepkema krijgt de jurist en deken van de orde van advocaten te Leeuwarden mr M.E. Hepkema het beheer. Hij verwierf grote bekendheid als oprichter in 1909 en eerste voorzitter tot 1947 van de Vereniging De Friese Elf Steden. Na zijn dood in 1947 en tot de verkoop in 1953 aan het Zuiderzeemuseum is de boeier dan in handen van Jacob Hepkema's kleinzoon J.T.M. Hepkema.
Het overzicht-Verlinde bevat zeer veel, meest fragmentarische informatie uit verschillende bronnen. De meest relevante feiten en gebeurtenissen daaruit zijn in het navolgende samengevat. In de eerste tien jaar blijkt de boeier nog vrij veel door de Hepkema's zelf gebruikt te zijn. Er is sprake van deelname aan een wedstrijd op zee buiten Harlingen in 1910 en ook in 1920. Waarschijnlijk op grond van daarbij opgedane ervaringen merkt mr M.E. Hepkema in latere correspondentie op dat een Friese boeier met zijn betrekkelijk lage kop niet geschikt is voor de Zuiderzee, waarbij hij nog refereert aan het vergaan bij Enkhuizen van de boeier "Friso" van Commissaris Van Harinxma thoe Slooten. Tijdens de vaart zijn er meestal twee schippers aan boord, veelal losse krachten. Een daarvan, Jan de Wagt, vrachtschipper van beroep, was de eerste (en enige) in vaste dienst en al door Jacob Hepkema aangenomen. Toen na de Eerste Wereldoorlog de binnenlandse vrachtvaart een sterke opleving beleefde, gaf hij daaraan de voorkeur. Omdat een andere schipper moeilijk te vinden was, werd de boeier omstreeks 1920 opgelegd.
Mr M.E. Hepkema schreef hierover in 1933 aan de Inspecteur der Directe Belastingen te Heerenveen onder meer het volgende: ... en hebben wij de boeier opgelegd en ongeveer ter zelfder tijd een motorboot gekocht. De boeier heeft daarop enige jaren in het schiphuis gelegen, omdat daarvoor geen koper was te vinden. In den zomer van 1926 kwam de Wagt ons echter meedelen. dal er met de vrachtvaart geen droog brood meer was te verdienen en hij gaarne de boeier wilde huren. Hij had ook reeds af en toe met zijn schip met toeristen gevaren en dus reeds eenige telkenjare terugkeerende relaties. Om hem ter wille te zijn hebben wij hem toen den boeier ter beschikking gesteld tegen de verplichting, dat hij deze op eigen kosten in zeilbaren toestand moest brengen, en optuigen.....
In de volgende jaren heeft hij het schip echter moeten huren. Jan de Wagt huurde de boeier voor f 50,- per maand. De boeier werd aan gegadigden verhuurd tegen een tarief van f25,-per dag of f 150,- per week. Tot degenen die voor het maken van kortere of langere tochten van deze mogelijkheid gebruikmaakten behoorde de destijds bekende doopsgezinde theoloog en natuurliefhebber uit Warga ds R.J. de Stoppelaar; naar aanleiding van zijn zwerftocht met de "Tjet Rixt" schreef hij het hoekje "op Frieslands wijde wateren".
Het lijkt erop dat de "Tjet Rixt" door de familie Hepkema in die jaren niet vaak meer voor eigen genoegen is gebruikt, althans uit de notities van Verlinde is dit niet af te leiden. Uit de correspondentie die mr Hepkema met de Inspectie der Directe Belastingen voerde, volgt dit eveneens, want hij voert aan dat hij het schip niet gebruikt, ja dat men vergeefse pogingen doet de boeier te verkopen. De familie gaf duidelijk de voorkeur aan de in diezelfde tijd aangeschafte motorboot. Tijdens de bezettingsjaren zal dat wegens gebrek aan motorbrandstof uiteraard anders zijn geweest. In de bovengenoemde documentatie bevindt zich een vergunning voor de boeier "Tjet Rixt" tot het bevaren van het Sneeker merengebied voor de periode 24 juni tot 15 september 1941. In de loop van 1944 gingen er geruchten over door de Duitsers in beslag genomen jachten en men overwoog de boeier te laten zinken. Of dit daadwerkelijk is gebeurd is onduidelijk.

Vereniging van Vrienden van het Zuiderzeemuseum eigenaar in 1953

De toestand van de boeier na de Tweede Wereldoorlog was dramatisch slecht. Huid en bovenbouw, tuigage en motor waren nog in redelijke staat, maar alle spanten waren vergaan, zodat de huid geen houvast meer had. Lekkage had daardoor zo'n omvang aangenomen dat het water tweemaal per week moest worden weggepompt om zinken te voorkomen. Herhaalde pogingen om de boeier te verkopen leverden begrijpelijkerwijs geen resultaat op en de eigenaars overwogen het schip te laten slopen. Daarmee leek dus een van de oudste boeiers de ondergang tegemoet te gaan. Dat deed Van Waning in zijn eerste artikel in "De Waterkampioen" verzuchten: ... Waarom wel een vereniging "De Hollandse Molen" en geen tot behoud van oud vaderlandse schepen .... De familie Hepkema liet de heer Van Waning weten dat de "Tjet Rixt" tegen slopersprijs beschikbaar was en dat desgewenst de scheepvaartmusea van Sneek en Enkhuizen recht van voorkeur hadden. In 1953 ging de boeier dan over in handen van de Vereniging van Vrienden van het Zuiderzeemuseum voor de prijs van f2500,- inclusief motor, inventaris en bijbehorende sloep. Tot de koopvoorwaarden behoorde, dat de boeier de naam "Tjet Rixt" niet zou behouden. Deze werd toen veranderd in "Hilda".
De zeer hoge kosten om deze oude boeier voor het nageslacht te behouden hebben de museumautoriteiten tot nu toe achtervolgd. In eerste instantie werd hij waterdicht gemaakt. De scheepshouwer Th. Broek te Zwartsluis kreeg opdracht met de restauratie te beginnen. Daar hij tussen de regels door te horen kreeg dat alles gesloopt moest worden wat rot was, moest de begroting meermalen worden bijgesteld, en telkens volgde een nieuwe overschrijding. Het overzicht-Verlinde doet uitvoerig verslag hiervan. Toen de grens bereikt was, werd de boeier naar Enkhuizen teruggehaald en kreeg de restaurateur van het museum, Marchienus de Jonge, opdracht de restauratie te voltooien. In 1960 was een en ander zover gevorderd dat het verantwoord werd gevonden de "Hilda" te laten deelnemen aan de eerste Lustrumreünie van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten in Friesland. Bij de ontmoeting van de Friese en Hollandse vloten speelde zij daarbij de rol van aanvoerster van de Hollandse vloot. Tot 1966 werd de "Hilda" nog gebruikt voor representatieve doeleinden, maar in dat jaar werd zij op de wal gezet om een grondige restauratie te ondergaan, waarmee de heer De Jonge werd belast. Bij diens pensionering in 1969 was deze restauratie nog niet gereed. In de jaren zeventig werden offertes gevraagd, eerst bij de Gebroeders Duyvendijk in Tholen, later bij scheepswerf De Hoop in Workum, die echter de beschikbare middelen verre te hoven gingen, zodat daarvan afgezien werd. Uiteindelijk werd de huidige scheepsrestaurateur van het museum, Erik Slagmoolen, belast met een grondige restauratie, die ten tijde van het uitkomen van dit boek nog gaande is. In 1995 werd met instemming van de familie Hepkema de naam "Tjet Rixt" hersteld.

Technische gegevens

Hoofdafmetingen

  • Lengte over de stevens     10,56 m
  • Grootste breedte over de berghouten     3,73 m
  • Holte op het grootspant     1.42 m 
  • Diepgang     0,54 m
  • Zeiloppervlak: grootzeil + stagfok
  • Kluiver, c.q. halfwinder

Bijzonderheden

  • kielhalk, hoog 22 cm, dik 8 cm
  • zwak V-vormig grootspant
  • vlaktilling 4°
  • gepiekt achterschip
  • ver naar buiten liggende hoekige kimmen
  • vlak bestaande uit 5 brede gangen
  • 6 smalle gangen hoven de kimmen
  • dicht opeen staande inhouten, wrangen verlengd met oplangers
  • snijwerk op kluisborden, heretanden, hennebalk, kajuitrand en roerkop
  • roer bekroond met vergulde leeuw

Opmerkingen

Zoals de foto's laten zien, heeft deze boeier een fraaie zeeg. De vormfactoren voor dit schip laten zien dat het inderdaad niet geschikt is voor groot buitenwater, zoals mr M.E. Hepkema reeds opmerkte. Zowel de hoogte van de kop en van het achterschip als de holte zijn relatief kleiner, dan bij boeiers met vergelijkbare lengte, zoals de "Friso" van Van der Zee, de "Catharina" van Lantinga en de "Luciana" van Bernhard.

2009

2009

2009: De 'Tjet Rixt' wordt ingeschreven in het Stamboek

De Boeier 'Tjet Rixt' na restauratie onder zeil
De Boeier 'Tjet Rixt' na restauratie onder zeil

Leeuwarder Courant 18 augustus 2009

Als nieuw ligt de Tjet Rixt uit 1843 te pronk in de bovenkom van het Zuiderzeemuseum. Tien jaar duurde de uiterst zorgvuldige restauratie van de eerste boeier die door Eeltje Teadzes Holtrop in IJlst als plezierjacht is gebouwd.

Door Reinder Boeve

Spiegel der Zeilvaart november 2009 nr09 - Boeier Tjet Rixt met elektromotor

Hoewel tijdens de restauratie in 2007 nog een 65pk dieselmotor was geplaatst, besloot het Zuiderzeemuseum in 2008 deze motor te la ten vervangen door een elektromotor. "Bij de restauratie konden wij de kuip niet in oude glorie herstellen omdat daar de grote motorkist stond. AIs je streeft naar een zo groot mogelijke authenticiteit blijft dat toch storen. Het SilentProp 10kW systeem van Bellman neemt veel minder ruimte in en bood ons de kans de kuip alsnog in originele staat terug te brengen."

pdf 2091 SdZ november 2009 nr09 - Boeier Tjet Rixt met elektromotor.pdf

2014

2014

2014: Tjet Rixt en haar mannen

De tussen 1995 en 2007 gerestaureerde boeier 'Tjet Rixt' is de oudste nog varende Friese boeier. Ze stamt uit 1843 en is vooral bekend geworden in de periode dat ze bezit was van de familie Hepkema uit Heerenveen / Leeuwarden. Na de afronding van de restauratie heeft Dirk Huizinga een boek over haar levensloop en haar eigenaren geschreven met de titel Tjet Rixt en haar mannen. Een aanleiding was een jeugdervaring. Aan het einde van de jaren vijftig, lag de boeier in de winter, ontdaan van mast en tuig, aan de Willemskade in Leeuwarden. Vlak bij de Prins Hendrikbrug. Hij logeerde bij familie in Huizum, in de Eysingastraat, en ging als 15 jarige jongen-met-belangstelling-voor-boeiers meerdere dagen bij dit schip langs. Hij zag dat het een bijzonder schip was en bestudeerde ook nauwkeurig het houtsnijwerk op het roer. Jaren later bemerkte hij tot zijn verrassing, dat die oude onbekende boeier aan de Willemskade de (ex)Tjet Rixt was. Een andere beweegreden om het boekje samen te stellen, is de opmerkelijke geschiedenis van drie generaties Hepkema.

Discussie over bouwer en bouwjaar

Naar aanleiding van de naspeuringen van Dirk Huizinga en andere zeer geïnteresseerden, is de discussie over de juiste datum van de bouw en de opdrachtgever begin 2014 weer actueel geworden.
In een vernieuwde bijlage van het boek schrijft hij het volgende:
Gemakshalve wordt er van uit gegaan, dat de 'Tjet Rixt' in 1843 gebouwd is bij Eeltje Teadzes Holtrop in IJlst. We willen immers graag weten wie wanneer een boeier als de 'Tjet Rixt' heeft gebouwd. Deze informatie komt echter van een heel ongewisse bron: de mondelinge overlevering van Eeltje Holtrop van der Zee aan diens kleinzoon Eeltje Romkema, maar niet uit de eerste hand, maar opnieuw van horen zeggen. E.H. van der Zee zou dat gehoord hebben van zijn pake Eeltje Teadzes Holtrop uit IJlst. Bij dergelijke informatie is het belangrijk formele bevestiging te vinden in de werfboeken, in koopaktes van notarissen of bankinformatie m.b.t. betalingen. Helaas ontbreekt dergelijke bevestiging. Er is een fragment van de werfboeken uit IJlst bewaard gebleven en juist over de jaren dat deze boeier gebouwd had moeten worden, maar Eeltje Holtrop vermeldt over 1843 niets over de bouw van een boeier. Terwijl hij wel de bouw van ieder roeibootje noteert. Dat is dus vreemd. Vermeer (2004) is daarom ook voorzichtig met het noemen van Holtrop als bouwer en het jaar 1843. Hij wijst er nadrukkelijk op, dat dit volgens E. Romkema het geval is, maar dat er geen hard bewijs voor is gevonden. Wel geeft hij een overzicht van de boeiers die Holtrop bouwde in de periode 1820 tot en met 1848.

Wat mij daarbij intrigeert, is nr. 7, de onbekende boeier van 38 voet, vrijwel net zo lang als de 'Tjet Rixt', die wel in het werfboekfragment voorkomt, gebouwd in 1838. Het zal toch niet zo zijn dat deze onbekende boeier in werkelijkheid de Tjet Rixt is, waar we feitelijk ook niets over weten?
Het schip uit 1838, nr. 44, is: "een boyer na nuwendam voor Toecie". Holtrop schrijft in zijn werfboeken consequent `nieuw' als `nuw', dus is de meest voor de hand liggende uitleg, dat hij een boeier heeft gebouwd die naar Nieuwendam moet voor dhr. Toussaint. Als we ervan uitgaan dat Eeltje Romkema het bij het juiste eind heeft met zijn verklaring dat de Tjet Rixt gemaakt is bij Holtrop in IJlst en dat hij zich wellicht vergiste in het bouwjaar, dan wordt het zeer waarschijnlijk, dat de Tjet Rixt in 1838 bij Holtrop is gebouwd voor Toussaint uit Nieuwendam en dus niet in 1843 voor Van der Feer uit Sneek.

pdf Wie bouwde, wanneer de 'Tjet Rixt'

2017

5 september 2017

5 september 2017: Elektromotor vervangen door een moderne dieselmotor

In het voorjaar van 2017 is de elektromotor vervangen door een moderne dieselmotor. De nieuwe motor vaart op Synfuel (blauwe diesel) waardoor de CO2- uitstoot zeer sterk wordt gereduceerd.

18 december 2017

18 december 2017: Reactie van Theunis van der Meer

Terhorne, het "Schippershuis" aan de Zandsloot mogelijk de boeier 'Prins Hendrik' voor de wal
Terhorne, het "Schippershuis" aan de Zandsloot mogelijk de boeier 'Prins Hendrik' voor de wal

Bij mijn naspeuringen naar de geschiedenis van Terherne kwam ik tot de ontdekking dat L. van der Feer vanaf 1873 gebruik maakte van oud schipper Sjouke Abes Hainje (1829- 1928). Deze oud-zeeman uit Jirnsum was in Terherne aan de wal gaan wonen in 1872, waar hij aanvankelijk werkte als tuinman. Hij trouwde in dat jaar voor de tweede maal, nadat zijn eerste vrouw was overleden. In 1873 kocht hij een oude schipperswoning aan de Zandsloot in Terherne en begon daarin een klein drinklokaal en noemde dat: "Het Schippershuis". Tevens werd hij ingehuurd door L. van der Feer uit Sneek om te schipperen op diens boeier 'Uitspanning' (nu 'Tjet Rixt'). In 1881 verkoopt hij het "Schippershuis" aan Wijbe Tjitzes Rijpkema. 
Sjouke Abes Hainje wordt na de verkoop met z,n tweede vrouw Antje Smeding benoemt tot "vader en moeder"van het Tjallinga weeshuis in Huizum. Daarnaast schippert hij daar opnieuw op een boeier, van Buma uit Huizum. De fam. Rijpkema heeft het cafeetje in Terhorne uitgebouwd tot een heus hotel en dat pas in 1943 weer doorverkocht. Begin 2018 krijgt de "Harbourclub", zoals dit horeca pand tegenwoordig heet, z'n oude naam weer terug.
Het artikeltje waar ik mij o.a. op baseer stuur ik mee, er zitten wel een aantal schrijffouten in, Sjouke Abes heette dus niet Hanje maar Hainje, van der Veer moet zijn van der Feer, maar over Buma heb ik nog niks gevonden, ik meende dat hij iets met het Tjallinga weeshuis in Huizum had te maken. Wat betreft het Schippershuis, dit hotel heeft z'n naam gekregen van oprichter Sjouke Abes Hainje en zal het in februari terugkrijgen nadat het onder verschillende namen een noodlijdend bestaan heeft gehad.

Ik denk dat de boeier van Buma, de boeier 'Prins Hendrik' van B. Hopperus Buma was. Deze Buma was ook voogd van het Tjallinga weeshuis waar Sjouke Hainja later 'vader'werd.

Reactie van Dirk Huizinga

Inderdaad is dit voor het eerst dat ik informatie lees die mogelijk iets te maken heeft met de 19e eeuwse periode van de 'Tjet Rixt', afgezien van de info dat deze boeier onder de naam ‘Friesland’ van advocaat J. Minnema de With uit Leeuwarden was.
De boeier op de foto is duidelijk niet de boeier die vanaf 1909 bij Jacob Hepkema Tjet Rixt is gaan heten. Theunis doet zelf de suggestie dat het de boeier van Buma is.
Voor mij interessant is de naam L. van der Feer. Dat is de apotheker uit Sneek die volgens Vermeer (boek "De Boeier") de opdrachtgever was bij de bouw van de 'Tjet Rixt'. Deze apotheker woonde op het Kleinzand in het pand waar nu het FSM is gehuisvest. In de bekende archieven is over de relatie Van der Feer en de boeier 'Tjet Rixt' niets terug te vinden. Je kunt zelfs betwijfelen of Van der Feer de boeier ooit heeft gehad. Als bouwjaar van de boeier wordt altijd 1843 genoemd, maar ik houd het op 1838, aangezien in dat jaar bij Holtrop in IJlst een boeier gebouwd is met de afmetingen van de 'Tjet Rixt'. Opdrachtgever: Toussaint uit Nieuwendam.
Dankzij het onderzoek van Theunis van der Meer in Terherne zijn er nu wat jaartallen bekend. In 1873 heeft L. van der Feer, Sjouke Hainje ingehuurd als zetschipper op zijn boeier. Dat kan natuurlijk heel goed de boeier 'Tjet Rixt' zijn geweest. De informatie over Van der Feer als eigenaar van de 'Tjet Rixt' komt van Romkema, die e.e.a. had vernomen van Eeltje Holtrop van der Zee. Die was actief als scheepsbouwer in die jaren en kan uit ervaring hebben gesproken met zijn kleinzoon Romkema. Dat wil niet zeggen dat Van der Feer de eerste eigenaar van deze boeier is geweest. In 1873 was de boeier immers 45 jaar oud.
Wanneer Mr. Minnema de With de boeier heeft gekocht, is eveneens duister gebleven, maar hij heeft eind 1800 met de 'Friesland' wedstrijden gezeild en bezat het schip tenminste rond 1880 en later. In 1909 kocht Jacob Hepkema de boeier in Buiksloot, bij Amsterdam, van dhr. Lefering.
Al met al ben ik dus blij met deze informatie van Theunis van der Meer.

Voor de volledigheid nog even een reactie van Theunis van der Meer

Ik kwam dit gegeven tegen omdat ik bezig was de geschiedenis van 't Schippershuis in Terherne uit te pluizen. Aanleiding was het voor mij heugelijke bericht dat dit Terhernster etablissement zijn oorspronkelijke naam weer terug gaat krijgen in februari, het artikel gaat verschijnen in dorpsblad Brio van Terherne. Met het volgen van het spoor van Sjouke Abes Hainje kwam ik er ten eerste achter dat hij oud-zeeman/schipper was en ten tweede dat hij waarschijnlijk ook naamgever is geweest van het Schippershuis, in 1873. Hij heeft het Schippershuis gehad van 1873 tot 1881, in die periode is hij ingehuurd door Lambertus van der Feer. Dit was in Terherne geen onbekende, hij was ook (mede) eigenaar van de Koaipleats, een boerderij ten noordwesten van Terherne met toentertijd een voorhuis, dit voorhuis werd door van der Feer als zomerverblijf gebruikt.
In onze familie ging het verhaal dat hij die boerderij indertijd samen met mijn betovergrootvader had willen kopen. Die kon dit echter niet bekostigen. Sjouke Abes Hainje moet dus tussen 1873 en 1881 voor Lambertus van der Feer gevaren hebben. Daarna verhuisde hij naar Huizum om de dagelijkse leiding op zich te nemen over het Tjallingaweeshuis. Ook daar werd van zijn diensten gebruik gemaakt als schipper door een Buma. De meest voor de hand liggende boeier daarvoor is volgens mij de Prins Hendrik, deze was immers eigendom van Bernardus Hopperus Buma, die tevens voogd was van het Tjallinga Weeshuis en er persoonlijk voor had gezorgd dat het voorgaande weeshuis echtpaar z'n biezen moest pakken, wegens slechte behandeling van de wezen. Het zou me niks verbazen dat het schipperschap vanuit Terherne/Sneek de basis heeft gelegd voor de aanstelling bij het Tjallinga weeshuis, maar dat is speculatief natuurlijk, wellicht zijn er nog notulen bij die instelling die daar klaarheid over kunnen verschaffen. Misschien zijn er bij het Fries Scheepvaart Museum nog archivalia van de familie van der Feer, Lambertus was in ieder geval ook al vroeg fotograaf.
Dirk Huizinga de geschiedenis van Van der Feer trachten te achterhalen.

We zijn zeer geïnteresseerd in uw opmerkingen en/of vragen over dit schip. Stuur ze ons!

Terug naar het overzicht