WR60 'De Jonge Jan'

WR60 'De Jonge Jan'

De WR60 is het enige nog overgebleven Wieringer "skuutje" van een vloot van vele tientallen van deze scheepjes. Het skuutje had een veel spitsere kop en kont dan een aak, zelfs nog scherper dan een botter. De lengte varieerde van acht tot elf meter ongeveer. Het vlak is niet omhoog gebogen als bij een aak, maar bijna recht. De indeling en zeilvoering is gelijk aan die van een aak. Door schaalvergroting in de visserij raakten de skuutjes na 1880 verouderd. Ze werden vervangen door aken.

Informatie van de officiële website van de WR60: www.wr60.nl:
Volgens overlevering is de WR 60 omstreeks 1840 gebouwd voor een visserman Tijsen uit Den Oever. Het is daarmee het oudste nog varende vissersschip van Nederland. Aanvankelijk ging men er van uit dat het skuutje in Medemblik zou zijn gebouwd. Onderzoek heeft echter niet aangetoond dat er ooit een werf van dergelijke scheepjes in Medemblik is geweest. De laatste tijd wordt het vermoeden steeds sterker dat het skuutje bij Alkema in Makkum is gebouwd: de bouw doet erg denken aan schepen die daar van de helling zijn gegleden.
Er zijn nog wel enkele oudere schepen in Nederland, maar dat zijn kleine vracht- of plezierscheepjes.

Van de oudste geschiedenis van de WR60 is weinig bekend. In 1880 kocht Piet Breet W.zn. het schip van de nabestaanden van een jonge visserman die wegens een op de Wieringer kermis uitgeraakte verkering een eind aan zijn leven had gemaakt. Hij had de vlag halfstok gehesen en was overboord gesprongen met om zijn nek een touw, waarvan het andere eind aan de voorbolder vastzat. Dat gebeurde in het Stontele haventje bij Den Oever.

Aanvankelijk bestond er in de negentiende eeuw geen registratie van kustvissersvaartuigen. Hieraan kwam behoefte door de toename van het aantal schepen. Dit was het gevolg van de grotere vraag naar vis in de steden en het machinaal vervaardigen van netwerk. Het eerste landelijke officiële visserijregister is op 1 augustus 1882 opgezet. Elke gemeente kreeg zijn eigen lettercode toegewezen, en de schepen een nummer. Omdat de nummers doorliepen en de vrijkomende nummers niet opnieuw gebruikt werden, zat men na twintig jaar al in de tweehonderd of hoger in veel havens.

In de loop van 1911 werd het register herzien, waarbij de hoge nummers zoveel mogelijk een vrijgekomen laag nummer kregen. Dan werd bijvoorbeeld WR325 veranderd in WR32 of WR25, afhankelijk van wat er vrij was. De oudere registratiegegevens zijn toen opgeruimd, zodat er over de periode voor 1911 geen gegevens meer zijn, behalve wat almanakken en vlootlijsten van havenmeesters.

Zeker is, dat het schip in november 1911 het nummer WR60 had. Er is geen reden om aan te nemen dat het voor die datum een ander visserijnummer bezat. Het werd toen ingeschreven onder de naam "De Jonge Jan", lengte 9,03 meter, breed 3,17 meter, holte 5,11 meter.

Eigen website

Eigenschappen

Plaquette nummer:1944 Zeil nummer: WR60
Categorie:A Tekening nummer:
Type:Wieringer Skuutje

Bouw

Bouwjaar:1840 Ontwerper:
Werf:Alkema (Vermoedelijk) Werf plaats:Makkum
Motor:Inbouw Motor type:Volvo Penta D1-30, 28 pk / 20,9 kW
Materiaal romp:Eikenhout Materiaal kajuit:
Materiaal zeil:Vlasdoek
Onderwaterschip:Knikspant Kiel:

Afmetingen

Lengte stevens:9,80 m Breedte berghout:3,30 m
Diepgang:0,55 m Masthoogte water:10,20 m
Oppervlakte grootzeil:20,00 m2 Oppervlakte fok:9,00 m2
Oppervlakte botterfok:0,00 m2 Oppervlakte kluiver:5,00 m2
Oppervlakte totaal:34,00 m2 Oppervlakte overig:0,00 m2

Register Varend Erfgoed Nederland

Registratie nummer:366 Registratie datum:01-01-2017
Geregistreerd als:Varend Monument

Tot nu toe bekende eigenaren en namen van het schip

1840? – 1890 Nan Tijsen, Den Oever
1890 – 1927 Piet Breet Wzn, Wieringen ( WR60 De Jonge Jan)
1927 – 1969 Siem Breet, Hyppolytushoef ( WR60)
1969 – 2001 Siem Hemelrijk, Oudeschild ( TX60)
2001 – 2011 Stichting tbv Blazertje WR60, Hoorn ( WR60)
2011 – Nu (laatst bekend) Stichting Skuutje WR60, Hippolytushoef ( WR60)

Geschiedenis

2007

2007

2007: Wieringen, de Afsluitdijk en de Wieringeraak

In 1905 telde de Wieringer vloot 202 schepen, bijna net zoveel als Urk (228 schepen) en Volendam (213 schepen) en zelfs meer dan Marken (162 schepen). De Wieringers maakten over het algemeen gebruik van kleinere schepen. Dit had te maken met het gebied waar gevist werd. Van de Wieringer schepen voeren er vijf alleen op de Noordzee, vijftien zowel op de Noordzee als op de Zuiderzee en 182 alleen op de Zuiderzee. Het geringe aantal Noordzeevissers op Wieringen vloeit voort uit de vele visserijmogelijkheden rond het eiland, de noodzaak en de animo om op de Noordzee te gaan vissen was daardoor minder groot.
Wat het scheepstype betreft zien we dat in 1866 de vloot van in totaal 69 schepen grotendeels bestaat uit haringschuiten. Rond 1880 ging men over op het gebruik van blazers. Toch waren beide scheepstypen niet echt geschikt voor de ondiepe platen en het snel manoeuvreren in de geulen. Daarom verruilde men reeds rond de eeuwwisseling dit scheepstype weer voor aken. De Wieringeraak had een plat vlak en zwaarden en kon dus droogvallen. Doordat de fok op een overloop voor de mast stond, was het schip snel wendbaar en makkelijk te zeilen met een kleine bemanning. Het was echter geen snelle zeiler en moest wat dat betreft de botter voor laten gaan.
Het kenmerkende voor een Wieringer aak zijn de lage boorden waardoor het goed geschikt is voor de visserij met staand want en het wiermaaien. Als de bun werd dichtgemaakt en leeggepompt staken de aken minder dan twee voet diep. In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden, is de Wieringeraak nooit op Wieringen zelf gebouwd. De meeste zijn afkomstig van werven te Makkum, Hindeloopen en vooral Workum. De meest bekende en karakteristieke aken kwamen van de werf van Zwolsman in Workum. Het hellingen en reparaties werden uitgevoerd op de kleine helling vlakbij den Oever, in Van Ewijcksluis of op Texel. In 1917 werden voor het eerst twee schepen van de Wieringer vloot van een motor voorzien. Wieringen liep wat de motorisering betreft voorop vergeleken bij andere vissersplaatsen langs de Zuiderzee.

In 2007 heeft de Spiegel der Zeilvaart een reeks van drie artikelen geplaatst in het kader van het 75-jarig jubileum van de Afsluitdijk.

2012

15 maart 2012

15 maart 2012: Weekblad Schuttevaer: De WR60 in de rubriek de erfenis

2013

2013

2013: Schepengalerij (oude) website FONV

WR60 als TX45
WR60 als TX45
Informatie op website FONV begin 2013
Informatie op website FONV begin 2013
Lijnentekening van de WR60
Lijnentekening van de WR60

2015

2015

2015: Foto's gemaakt in 2015

Van Den Helder naar Den Oever onder vol zeil
Van Den Helder naar Den Oever onder vol zeil
Drooggevallen op het Wad voor Wieringen
Drooggevallen op het Wad voor Wieringen

25 april 2015

25 april 2015: De Weer Weeromkomst van het skuutje WR60

Zaterdag 25 april was het zover. Het oudste vissersschip van Nederland is na drie jaar restauratie weer terug in de haven van Den Oever. De WR60 lag er drie jaar geleden maar treurig bij. Het Skuutje was oud en verweerd en was hard aan restauratie toe. Zaterdagmiddag kwam ze, bijna als nieuw, weer thuis. Na 32 jaar nam de Hoornse stichting Behoud blazertje WR 60 het schip over en kreeg het Skuutje haar oude naam terug en begon de restauratie. In 2011 werd het schip overgedragen aan de Stichting Vrienden van de Wieringeraak die er voor heeft gezorgd dat de restauratie werd voltooid.

U kunt het hele verslag, inclusief foto's en films zien op de website van de WR60.

Ook RTV Noordholland heeft er aandacht aan besteed.

13 mei 2015

13 mei 2015: Weekblad Schuttevaer: Oudste vissersschip terug in Den Oever

WR60 was 124 jaar actief in de visserij

Door Menno Smit 
De WR60 is het enige nog overgebleven Wieringer skuutje van een vloot van vele tientallen van deze scheepjes die tussen 1850 en 1880 op de Zuiderzee rond Wieringen visten. De lengte varieerde van 8 tot ongeveer 11 meter. De scheepjes werden gebruikt voor de visserij op alikruiken, paling en bot met botnetten en hoekwant. Er waren twee opvarenden. Door schaalvergroting in de visserij werden de skuutjes na 1880 vervangen door de iets grotere Wieringeraken. Volgens overlevering zou de WR60 omstreeks zijn 1840 gebouwd voor visserman Tijsen uit Den Oever. Het zou daarmee het oudste nog varende vissersschip van Nederland zijn. Er zijn nog wel enkele oudere schepen in Nederland, maar dat zijn kleine vracht- of plezierscheepjes.

‘Oudste plank afkomstig van Franse eik uit 1690’

Om zekerheid te hebben heeft Kees Hos onderzoek laten doen. ‘Een houten schip moet regelmatig van nieuw hout worden voorzien. Bij de restauratie van de WR60 is gezocht naar hout dat misschien al vanaf de bouw in het schip heeft gezeten. Uit het vlak zijn uit twee plankenmonsters opgestuurd naar het Centrum voor Dendrochronologisch onderzoek. De leeftijd van een plank is te bepalen met behulp van de jaarringen. Het ene stuk hout is vermoedelijk in het schip gekomen toen de eerste motor in het skuutje werd geplaatst. Het andere, afkomstig uit een plank die wat meer naar voren in het vlak zat, komt uit een boom die na 1829 is gezaagd en waarvan de oudste jaarring dateert van 1690. Bijzonder is ook dat men de oorsprong van de boom heeft kunnen achterhalen, een eik uit het Moezelgebied in Frankrijk’, aldus Hos. 

Weinig eigenaars

In 1890 kocht een zekere Piet Breet Wzn. de WR60 van de nabestaanden van een jonge visserman die vanwege een op de Wieringer kermis uitgeraakte verkering een eind aan zijn leven had gemaakt. Hij had de vlag halfstok gehesen en was overboord gesprongen met om zijn nek een touw, waarvan het andere eind aan de voorbolder vastzat. Piet Breet viste zijn hele verdere leven met het schip. Op 14 januari 1927 ging het schip over op zijn zoon Simon Breet. Bijzonder is ook dat het ruim 100 jaar alleen op de zeilen heeft gevist, want pas in 1942 werd een 8-10 pk ééncilinder Bolinder diesel ingebouwd. 
In 1964 stopte Simon Breet met de visserij. Hij viste dus 37 jaar met de WR60. Maar hij hield het skuutje. Tot 1968 voer hij nog met hengelaars. In 1969 verkocht Breet het skuutje aan Simon Hemelrijk uit Oudeschild op Texel, die er voor zijn plezier mee ging varen. Het nummer veranderde in TX60. Na 32 jaar verkocht Simon Hemelrijk het schip in 2001 aan de Hoornse stichting ‘Behoud blazertje WR60’, die het oude nummer er weer opzette. Door gebrek aan mankracht en middelen besloot de stichting in november 2011 het schip over te dragen aan de stichting ‘Vrienden van de Wieringeraak’, waarvan Kees Hos voorzitter is. Deze stichting is er dus in relatief korte tijd in geslaagd het schip weer in prima conditie te brengen en zo voor de toekomst te bewaren.

september 2015

september 2015: Spiegel der Zeilvaart september 2015 nummer 7: Nederlands oudste visserschip Skuut 'WR60' zeilt weer

Rond 1850 visten er meer dan honderd skuutjes - niet te verwarren met Friese skûtsjes - van circa negen meter lengte op de Zuiderzee en Wadden. Het waren fraai gelijnde scheepjes die te vroeg van het toneel verdwenen om ook als jacht gebouwd te worden. Kees Hos hernieuwbouwde de allerlaatste skuut, afkomstig uit het jaar 1840. Rond 1840 was de visserij kleinschalig en, afhankelijk van het seizoen, werden er allerlei soorten visserij bedreven. Niet alleen platvis en garnalen, maar ook alikruiken en kokkels werden gevangen, en er werd op zeegras gevist. De kleine scheepjes, met aan boord een schipper en een knecht bleven wel twee weken of langer op zee. Aanvankelijk lagen de vissers soms een paar honderd meter voor de kust van Wieringen droog, want naar de beschutting van het eiland varen was niet altijd mogelijk en een haven kwam er pas in 1891. De vangst werd opgehaald door visjagers, die ongetwijfeld ook zorgden voor aanvulling van de proviand. Verder aten de vissers van hun eigen vangst. Toen de netten eenmaal machinaal geproduceerd konden worden, werden ze groter, en ook de schepen. Er werden toen grotere Wieringer aken, Lemsteraken en botters ingezet en de kleine skuuten verdwenen.

pdf SdZ september 2015 nummer 7 - Nederlands oudste visserschip Skuut 'WR60' zeilt weer

2016

14 mei 2016

14 mei 2016: Weekblad Schuttevaer: Wieringers op Helderse helling

Een primeur voor Museumhaven Willemsoord in Den Helder was onlangs het hellingen van twee varende monumenten uit Den Oever. Zowel de WR60 als de WR4 is binnen een week drooggezet voor inspectie en onderhoud. Als eerste is op zaterdag 16 april het bekende Wieringer skuutje WR60, 'De Jonge Jan' op de helling getrokken. Dit omstreeks 1840 gebouwde vaartuigje is recentelijk door Kees Hos uit Westerland geheel gerestaureerd en ondergebracht bij de Stichting Vrienden van de Wieringer Aak. Bij inspectie van de romp bleek deze in een zeer goede conditie te verkeren. Nadat het onderwaterschip opnieuw is geconserveerd, is het skuutje dinsdag 19 april weer te water gegaan.

6 november 2016

6 november 2016: Wat er (tot) nu bekend is van de WR60

door Kees Hos uit Westerland

De WR60 is het enige nog overgebleven Wieringer "skuutje",vroeger ook wel "haringschuitje" genoemd, van een vloot van vele tientallen van deze scheepjes. Het skuutje heeft een veel spitsere kop en kont dan een aak, zelfs nog scherper dan een botter. De lengte varieerde van acht tot elf meter ongeveer. Het vlak is niet omhoog gebogen als bij een aak, maar bijna recht. De indeling en zeilvoering is gelijk aan die van een aak. Door schaalvergroting in de visserij raakten de skuutjes na 1880 verouderd. Ze werden vervangen door aken. Gezien het grote aantal skuutjes, op Wieringen alleen al tussen de tachtig en honderd, met ook in andere vissersplaatsen flinke aantallen, is de werf in Medemblik zeer onwaarschijnlijk. Er was daar in de negentiende eeuw alleen een kleine werf voor veldschuiten. De werf van Alkema in Makkum is veel waarschijnlijker als bouwplaats voor al deze schepen. Helaas beginnen de werfboeken van Alkema, die nu in het Fries Scheepvaart Museum te Sneek liggen, pas in 1854.

Volgens overlevering is de WR60 omstreeks 1840 gebouwd voor visserman Nan Tijsen uit Den Oever. Hij is geboren in Oosterland op 5 juni 1823, als negende kind van Jan Tijsen en Antje Gorter, en overleden op 24 augustus 1905. Hij trouwde op 7 juli 1850 met Trijntje Bakker. Toen het skuutje gebouwd werd, was Nan Tijsen nog maar een jaar of zeventien. Het is niet bekend of hij meteen al schipper werd. Wel staat hij vermeld als schipper in Van Keulen's Almanak in 1884 en in een vlootlijst van de havenmeester uit omstreeks 1887. De WR60 is daarmee één van de oudste nog varende vissersschepen van Nederland, samen met de mogelijk in 1837 op de werf van Kaat in Hoorn gebouwde EB60, ex HN1. Er zijn nog wel een tweetal oudere schepen in Nederland, maar dat zijn oorspronkelijk vrachtscheepjes. Het zijn de Friese jachten 'Lytse Bever', uit 1820 en 'De Vriendschap' uit 1832.

Omstreeks 1890 kocht Piet Breet Wzn. het schip van de nabestaanden van een jonge visserman, ook een Breet, maar geen familie, die wegens een op de Wieringer kermis uitgeraakte verkering een eind aan zijn leven had gemaakt. Hij had de vlag halfstok gehesen en was overboord gesprongen met om zijn nek een touw, waarvan het andere eind aan de voorbolder vastzat. Dat gebeurde in het Stontele haventje bij Den Oever. Pieter Breet, geb. 30 juni 1872, overl. 6 januari 1944, was een zoon van Willem Breet, geboren 29 februari 1831. Pieter trouwde met Geertje Smit, geb. 9 april 1874. Zij kregen twee kinderen, Simon, geb. 14 juni 1899 en Ariaantje, geb. 20 maart 1913. Simon trouwde met Trijntje Lont. Zij kregen drie kinderen, Geertje, Jaap en Piet.

Aanvankelijk bestond er in de negentiende eeuw geen registratie van kustvissersvaartuigen. Hieraan kwam behoefte door de enorme toename van het aantal schepen en daarmee het beter reguleren van toezicht op overtredingen van visserijwetten en het verhalen van schadevaringen aan schepen en netten. De uitbreiding van de vloot was het gevolg van hogere visprijzen door de grotere vraag naar vis in de steden. Door beter transport, het machinaal vervaardigen van netwerk en het gebruik van kunstijs voor bewaren van de vis kon hieraan voldaan worden. Het eerste landelijke officiële visserijregister is op 1 augustus 1882 opgezet. Elke gemeente kreeg zijn eigen lettercode toegewezen, en de schepen een nummer. Omdat de nummers doorliepen en de vrijkomende nummers niet opnieuw gebruikt werden, zat men na twintig jaar al in de tweehonderd of hoger in veel havens. 

In de loop van 1911 werd het register herzien, waarbij de hoge nummers zoveel mogelijk een vrijgekomen laag nummer kregen. Dan werd bijvoorbeeld WR325 veranderd in WR32 of WR25, afhankelijk van wat er vrij was. De oudere registratiegegevens zijn toen opgeruimd, zodat er over de periode voor 1911 weinig gegevens meer zijn, behalve de almanak van Van Keulen  uit 1884 en de vlootlijst. Zeker is, dat het schip in november 1911 het nummer WR60 had. Er is geen reden om aan te nemen dat het voor die datum een ander visserijnummer bezat. Het werd toen ingeschreven onder de naam 'De Jonge Jan', lengte 9,03 meter, breed 3,17 meter, holte 5,11 meter. De diepgang is ongeveer 60 cm. Deze lengte is gemeten vanaf binnenkant voorsteven op dek tot waar achter het berghout in de steven loopt. Tegenwoordig meet men meestal de lengte over de stevens, die bij dit schip uitkomt op ongeveer 9,90 meter. De breedte is de grootste breedte op de buitenkant van de berghouten en de holte is gemeten onder het schip door van de bovenkant van het boord tot de bovenkant van het andere boord, dus de buitenomtrek van het schip.

Het scheepje werd gebruikt voor de visserij in de Zuiderzee en de Waddenzee op alikruken en wulken met korren en op paling en bot met botnetten, fuiken en hoekwant. Er waren twee opvarenden. Op 14 januari 1927 ging het schip over op de zoon van Piet Breet en Trijntje Lont,  Simon, geboren  14 juni 1899, overleden in 1980. Hij woonde aan de Koningsweg no. 6  te Hippolytushoef. De tonnage van het schip werd gecorrigeerd van bruto 16 naar 29 m3 en netto van 10 naar 13 m3. In 1942 werd een 8 -10 pk ééncilinder Bolinder diesel ingebouwd. Hierop zat een keerkoppeling, maar die werd vaak niet gebruikt. Kwam Simon de haven in, dan zette hij de motor op tijd vrij en liet het skuutje uitdrijven, de rest van het afmeren was haakstokwerk.

Omstreeks 1947 heeft hellingbaas Kees de Wijn uit Oudeschild het schip een grote timmerbeurt gegeven, waarbij volgens zeggen de kimmen ronder werden gemaakt. De mast werd één meter ingekort en zeil en fok verkleind omdat de motor vaker gebruikt werd. In 1964 stopte Simon Breet met de visserij, daarna voer hij nog tot 1968 met hengelaars. Uitschrijving uit het register 8 augustus 1968.
Simon Breet verkocht het skuutje in 1969 aan Simon Hemelrijk uit Oudeschild, die er mee voor zijn plezier ging varen. Het nummer werd veranderd in TX60. Hij verving de oude Bolinder motor in 1976 door een tweecilinder 16 pk Sabb diesel. De inschrijving in het register van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten onder plaquette nummer 1944 volgde, evenals inschrijving in het register voor Varende Monumenten, categorie A, onder nummer 336.
 
Na twee en dertig jaar verkocht Simon Hemelrijk het schip aan de Hoornse stichting "Behoud blazertje WR60", die het oude nummer er weer opzette. Dank zij actieve fondswerving kon er aan het in slechte staat verkerende skuutje gerestaureerd worden op de werf  "De Hoop" van Erick Mulder te Workum. Door gebrek aan mankracht en middelen besloot de stichting in november 2011  het schip over te dragen aan de Wieringer stichting "Vrienden van de Wieringeraak"', die de WR60, weer in prima conditie heeft gebracht om het zo voor de toekomst te behouden. April 2015 was de restauratie gereed en kon het scheepje weer varen.

Kees Hos, Westerland

We zijn zeer geïnteresseerd in uw opmerkingen en/of vragen over dit schip. Stuur ze ons!

Terug naar het overzicht