Het Watersport verbond

Het Watersportverbond zorgt ervoor dat iedereen, nu en in de toekomst, kan watersporten! Het Watersportverbond zet zich in zowel voor de recreatieve vaarder als voor de wedstrijdsporter.

Ze zorgt ervoor dat u onbezorgd kunt blijven genieten. Dat het Nederlandse water voor u toegankelijk blijft. Dat bruggen en sluizen op tijd open gaan. Dat de watersport voor u betaalbaar blijft. Dat er voldoende eilandjes, strandjes en aangename aanlegplaatsen zijn. Dat er leuke en leerzame cursussen worden georganiseerd. Dat wedstrijden goed georganiseerd worden en dat uw veiligheid op het water gewaarborgd is. 

Het Watersportverbond bestaat in de huidige vorm sinds 2004, nadat in de Algemene Ledenvergadering van de NNWB van 27 maart 2004 met een grote meerderheid van stemmen de fusie met de KNWV werd aangenomen. Na de juridische afwikkeling is de NNWB verder gegaan als Watersportverbond – District Noord.

Wat doet het Watersportverbond?

Het Watersportverbond vertegenwoordigt zo’n 450 watersportorganisaties en zijn er circa 100.000 sporters lid van het Watersportverbond. Daarnaast is het Verbond er ook voor de bijna 1 miljoen watersporters die buiten het verenigingsleven om van de Nederlandse waterwegen genieten. Het Watersportverbond zet zich dag en nacht in om veilig, duurzaam en succesvol watersporten mogelijk te (blijven) maken.

  • Het Watersportverbond treedt binnen toervaren op als: belangenbehartiger en ondersteuner van verenigingen.
  • Het Watersportverbond zorgt voor een schone, toegankelijk, veilige en betaalbare watersport. Dit op regionaal, nationaal en internationaal niveau. Denk daarbij aan het openhouden van vaarwater, schoon en natuurlijk water, een veilig samengaan met de beroepsvaart en het bedienen van bruggen en sluizen.
  • Het Watersportverbond helpt verenigingen bij leden- en vrijwilligerswerving. Ook geeft het Verbond advies op het gebied van wet en regelgeving, vergunningen en fiscale zaken maar ook ten aanzien van accommodatie, haven, clubhuis en verenigingsactiviteiten.
  • Het Watersportverbond is de nationale autoriteit voor het wedstrijdzeilen, -surfen en –kanoën. Dit op diverse niveaus en in verschillende klassen. Van de jeugd tot en met de topsporters die op internationaal niveau gaan voor de medailles.

Klassenorganisaties voor Ronde en Platbodemzeilers

Behalve de wedstrijdkalender zijn in het zeilen de klassenorganisaties belangrijk. Een klassenorganisatie is een organisatie die zich richt op één klasse boot en behartigt de belangen van deze klasse. Als er iets veranderd moet worden aan een nationale bootklasse, dan houdt de klassenorganisatie zich hiermee bezig en maakt hier afspraken over. Voor het wedstrijdzeilen met Ronde- en Platbodems zijn twee klassenorganisaties belangrijk:

Wedstrijdzeilen en Meetbrieven

Voor het zeilen van wedstrijden is een meetbrief vereist. Daarvoor dient het schip 'actief' in het Stamboek te zijn ingeschreven. Dat houdt dat het schip voldoet aan de Criteria van de SSRP en dus een SSRP-plaquette aan boord heeft. De eigenaar betaalt daarvoor de Jaarlijkse bijdrage voor Inschrijving in het Stamboek.

I www.watersportverbond.nl
 


 

Een stukje geschiedenis van de watersport in Nederland

Eerde Beulakker beschrijft in 2012 vier eeuwen pleziervaart in Nederland. Hij laat zien welke factoren hebben bijgedragen aan de popularisering hiervan. Juist deze popularisering heeft economische, culturele, en nautische verschillen op het water zichtbaar gemaakt. De titel van zijn boek: 'Onderscheid moet er zijn'.

De watersport in Nederland kreeg in 1846 een nieuwe vorm. Dankzij lokale verenigingen,  geïnitieerd en opgericht door zeilers en roeiers uit de burgerij, werden oude taken in een formeel en wettelijk kader geplaatst. Verenigingen organiseerden voortaan de feestelijke wedstrijden. Lidmaatschapsgelden, giften en toegangsprijzen vulden de kas en vrijwilligers verrichtten het werk. Naast het organiseren van wedstrijden en toertochten en het deelnemen aan die van andere verenigingen, faciliteerden verenigingen de watersport door de aanschaf van eigen boten, de realisering van een clubgebouw, een haven met ligplaatsen en een botenhuis, en door het verzorgen van roei- en zeilinstructie en het uitwisselen van ervaringen. Propaganda maken voor de watersport stond bij alle watersportverenigingen hoog in het vaandel.

Friesland en 'Holland'

De klassieke driedeling van de samenleving in een hogere, een middelste en een lagere maatschappelijke klasse was vanaf het prille begin bij watersportverenigingen terug te vinden. Zo ontstonden er eliteverenigingen met (ere)leden van het koninklijk huis of lagere adel, met vermogende en invloedrijke reders en scheepsbouwers, directeuren van grote ondernemingen en advocaten. Minder status hadden de eenvoudige verenigingen die werden bevolkt door kleine zelfstandigen en kooplui, ambtenaren, leerkrachten en geschoolde voormannen. De maatschappelijke onderlaag maakte geen deel uit van de georganiseerde watersport. Niet zozeer de contributie, die aanvankelijk juist laag was, wierp een drempel op, maar het feit dat sport, en zeker watersport, het imago had chic en exclusief te zijn en daardoor 'niets voor ons soort mensen'. Binnen de verenigingen zelf kwam maatschappelijk onderscheid naar voren doordat notabelen plaatsnamen in het bestuur. Ook tussen watersportverenigingen bestonden statusverschillen. Vergelijk de "Koninklijke Amsterdamsche Roei- en Zeilvereeniging De Hoop" aan de Amstel maar met de "Watersport Vereniging Amsterdam" (opgericht in 1918) aan de Nieuwe Meer. Deze laatste is een vereniging waarvan de leden metsel-, timmer-, schilder- en laswerk verrichtten en een starttoren bouwden, een riolering aanlegden, palen heiden en steigers bouwden. Of vergelijk de "Watersportvereniging Drachten-Veenhoop" met de "Koninklijke Watersportvereniging Sneek", die de Sneekweek in handen heeft. 

Na die succesvolle start van de eerste watersportverenigingen kwam de klad erin. Oorzaak was, naast het overlijden in 1879 van de grote promotor en sponsor van de watersport, prins Hendrik, de Grote Landbouwcrisis tussen 1880 en 1895. Door de snelle stoomvaart importeerden Europese landen steeds meer Amerikaans graan, waardoor de prijzen sterk daalden en de boerenstand snel verarmde, eerst in het westen van het land, gevolgd door Friesland. Vooral in deze provincie sloeg de agrarische crisis hard toe, met faillissementen en emigratie tot gevolg. Zelfs het bestuur van de "Zeilvereeniging Sneek" kon in 1903 niet meer dan twee bestuursleden vinden voor het vele verenigingswerk dat gedaan moest worden.

Nationale Zeil- en Roeibond

Wat vooral in de steden in het westen meespeelde, was het gegeven dat de negentiende eeuw nogal 'sportminded' eindigde en nieuwe sporten om de gunst van het publiek streden. Voorts dwarsboomden stadsuitbreidingen de aanleg of de uitbreiding van jachthavens. De terugloop van zeilwedstrijden. en de eerste faillissementen van watersportverenigingen brachten met zich mee, dat verontruste zeilers en roeiers de koppen bijeen staken en plannen smeedden om regionaal, eventueel nationaal, de krachten te bundelen. Zo zag in korte tijd de Nationale Zeil- en Roeibond het licht, door Y-zeilers bekokstoofd in het beroemde bierlokaal 'Bavaria' in de Kalverstraat en uitgewerkt na een verbroederende herfsttocht van dertien schepen heen en terug naar Zaandam. Als hoofddoel spraken de verontruste watersporters in de statuten van een hernieuwde bloei van de watersport. 

Maar de oppositie uit de hoek van de machtige Koninklijke Nederlandsche Zeil & Roei Vereeniging (KNZ&RV) was fel. Wel te verwachten, want de Amsterdamse KNZ&RV had de leidende rol van de failliete Rotterdamse KNYC te Rotterdam overgenomen, inclusief de internationale contacten. De 'Koninklijke' vond dat zij als enige vereniging het recht had een nieuwe vereniging wel of niet te erkennen en over haar prille bestaan een veto uit te spreken. Het initiatief van een handvol stadsgenoten om op eigen houtje een bond op te richten viel daarom in slechte aarde. De bond kwam niet van de grond en de positie van de KNZ&RV kwam versterkt uit de strijd. De oudste vereniging van Nederland bleef de voorzittende vereniging van de officieuze jaarlijkse nationale vergadering voor de watersport. 

De Verbonden Zeilvereenigingen van Nederland en België

Maar de zich ontwikkelende watersport eiste meer. Het oude reglement voor de klassenindeling van de aan wedstrijden deelnemende jachten moest worden aangepast. Meting en tijdvergoeding vroegen om standaardisatie. De verdeling van de wedstrijden en de wedstrijddata moesten voor iedere zomer worden bepaald. Voor een overleg eind februari 1890 had de KNZ&RV 21 Nederlandse en vier Belgische zeilverenigingen uitgenodigd. Elf verenigingen wisten na lang beraad voor een periode van vijf jaar met elkaar in een oprichtingsakte van een verbond afspraken te maken, inclusief de belofte elkaar zelfstandigheid en vrijheid te gunnen. Het instituut 'De Verbonden Zeilvereenigingen van Nederland en België' , de voorloper van het huidige Watersportverbond, was daarmee een feit. Watersportend Friesland deed overigens niet mee, de Zeilvereeniging Sneek uitgezonderd. Zij sloot zich later wel aan. Friese verenigingen hadden ook niet aan het vooroverleg deelgenomen. Het gesteld zijn op het Fries-eigene en de wens voldoende afstand tot een Amsterdamse dominantie te bewaren waren de redenen. 

Koninklijke Verbonden Nederlandsche Watersport Vereenigingen (K.V.N.W.V.)

Ruim drie decennia later kwam de opvolger: de Koninklijke Verbonden Nederlandsche Watersport Vereenigingen (KVNWV). De moeizame aanloop naar deze koepel laat zien hoezeer binnen de georganiseerde wereld van het pleziervaren de posities en macht van personen, de uiteenlopende verenigingsbelangen, maar ook de verhouding met de toenmalige ANWB, al waren uitgekristalliseerd. Zoals gezegd, Friesland hield een eigen koers aan. De Friezen voelden er weinig voor om zich met de problemen van het westen bezig te houden, ondanks dat voorzitter H. Lucassen van de KVNWV enkele keren naar Friesland toog om de Friezen over te halen zich aan te sluiten. Het tegendeel geschiedde: bestuurslid Iohannes Oly van de nog jonge Sneeker Zeilclub propageerde zelfs dat het noorden een eigen overkoepelende organisatie nodig had. In 1919 kwam het tot een voorstel in zijn eigen club, twee jaar later zaten de vertegenwoordigers van watersportverenigingen uit Friesland en Groningen in Leeuwarden bijeen. Op 17 februari 1923 werd door elf verenigingen de Noord-Nederlandsche Watersport Bond (N.N.W.B.) opgericht onder voorzitterschap van de Fries J.G. Hibma, tevens bestuurslid van de KNZ&RV te Amsterdam. De oude animositeit tussen Friesland en Groningen bleek van minder gewicht dan die tussen Friesland en 'Holland'. Met twee koepels had watersportend Nederland vanaf de jaren '20 van de vorige eeuw twee organisaties die er in het maatschappelijk krachtenveld toe deden."

Watersportontwikkelingen gedurende de beginfase tussen Friesland en 'Holland'

Vergelijken we de moderne watersportontwikkelingen gedurende de beginfase tussen Friesland en 'Holland', dan ontdekken we markante verschillen. Aan enige generalisatie valt hierbij niet te ontkomen:

  1. Tot in de jaren '20 van de twintigste eeuw was Friesland een zeilprovincie. Roeien, kanoën en motorbootvaren werden er slechts mondjesmaat beoefend. De Friese watersport was synoniem aan wedstrijdzeilen. Zeilers richtten hun verenigingen met dit doel voor ogen op. Toerzeilen was in Friesland relatief onbekend. In 'Holland' (het westen) werden naast zeilen wedstrijd- en toerroeien wel populair. Studenten richtten in de universiteitssteden eigen verenigingen op. Het gegeven dat 'Holland' veel meer verstedelijkt was en bovendien dat de watersporter meer van doen had met grachten, kanalen en kleine meren, bracht met zich mee dat roeien en later motorbootvaren en kanovaren zich beter konden ontwikkelen. De uitgestrekte winderige Friese meren daarentegen noopten haar bewoners tot zeilen. 
  2. De watersportverenigingen in 'Holland' beschikten over een eigen clubhuis, inclusief een sociëteit, een bibliotheek en een restaurant. Ook hadden ze een eigen botenhuis, eigen roei- en zeilboten en eigen ligplaatsen. Friese zeilers vergaderden bij elkaar thuis of in het café. Ze hadden een eigen zeiljacht en ergens wel een ligplaats, al dan niet in een botenhuis. 
  3. Friezen zeilden in rond- en platbodems, veelal jachten van eigen bodem. Kieljachten, modern en trendy en deels van buitenlandse makelij, verdrongen in Noord- en ZuidHolland al vanaf 1900 het traditionele hout met zijzwaarden. 
  4. De watersportverenigingen in het westen professionaliseerden sneller dan in het noorden. Alle watersportverenigingen in de grote steden namen betaalde krachten in dienst: een havenmeester, een botenknecht, een roei-instructeur, Ook begonnen verenigingen begin twintigste eeuw met (jeugd)opleidingen. Zo financierde de gemeente Amsterdam al vroeg het schoolroeien. In Friesland werd bij meer jongeren het zeilen met de paplepel ingegoten, althans in de waterrijke gebieden van deze provincie. Veel transport ging over water, veel (boeren) werk vereiste het kunnen omgaan met boot, vaarboom en zeil. Zo laat het digitale archief van de Leeuwarder Courant zien dat in de honderden advertenties uit de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw boerenknechten moesten kunnen zeilen. 
  5. In Friesland heeft zeilen een geschiedenis van nut en nocht, te vergelijken met schaatsen. Ook een paar schaatsen was transportmiddel en pleziermiddel ineen wanneer 's winters sloot en plas dicht lagen. Of het nu ging om hardrijden, toerrijden, familiebezoek, vriendenbezoek, kerkbezoek, schoolbezoek of klantenbezoek: mannen en vrouwen, jong en oud bonden de schaatsen onder. Ook de dokter en de dominee schaatsten naar de zieke of de mens in geestesnood. Is schaatsen in Nederland sinds mensenheugenis het meest gedemocratiseerde plezier, in Friesland volgde zeilen het schaatsen op de voet. Hooguit het seizoen was tegengesteld.
     

 

De Koninklijke Verbonden Nederlandsche Watersport Vereenigingen 60 jaar in 1970

Ernst Crone schrijft:
Vanouds hebben in ons land centra van zeilerij bestaan en wel in de eerste plaats te Amsterdam, aan de Zaan en in Friesland. De hoofdstad bezat reeds in de aanvang der 17de eeuw een jachthaven. Later waren er meer aan de Y-zijde en aan de Amstel. Jaarlijks kwamen de zeilers uit die havens bijeen en beoefenden zij het admiraalzeilen. Ook de Zaan en Friesland kenden deze ontmoetingen, die van een ernstige oefening in manoeuvreren gaandeweg overging in een gezellig feest. Dan trok de gehele bevolking naar de waterkant. Het was een schouwspel voor ieder, zoals heden nog de „hardzeildag" in Sneek een feestdag voor de stad is.
Op 22 Februari 1890 werd bij Krasnapolsky een bijeenkomst gehouden, waarbij zeven Nederlandse en twee Belgische verenigingen waren vertegenwoordigd. Hadden tot zover twaalf verenigingen in Nederland, de twee zo juist genoemde Belgische verenigingen en de Société Royale Nautique Anversoise te Antwerpen deelgenomen aan het contact en waren zij mitsdien uitgenodigd, ook waren dit de Sport Nautique d'Ostende, de Zeilvereeniging Lekkerkerk, Zwolsche Zeil- en Roeivereeniging, Zeil- en Roeivereeniging Neptunus te Delfzijl, Noorder Zeilvereeniging te Den Helder en de zeilverenigingen te Grouw, Heeg, Lemmer, Poppingawier, Warga, Wartena, Wartens en Workum. Omdat de verenigingen te Ostende, Delfzijl en Den Helder en geen der Friese antwoord hadden gegeven op brieven, circulaires en amendementen, werden zij later niet meer uitgenodigd. Nadat in April nogmaals een vergadering had plaats gehad en overeenstemming over de meting en reglementen was bereikt, kon voor de 22ste Mei de slotvergadering in het gebouw van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen worden uitgeschreven. Toen de hamer van de voorzitter viel, was de "band" (de "bond") tot stand gekomen.
 


 

100-jarig bestaan van de Koninklijk Nederlands Watersport Verbond in 1990

Met 'Het water op, 400 jaar pleziervaart in Nederland' verschijnt voor het eerst een boek over de belangrijke rol van Nederland in de ontwikkeling van de watersport. Dit boek is aantrekkelijk voor zowel de amateurzeiler als de professionele scheepsbouwer, de motorbootvaarder en de surfer, de roeier en de kanovaarder; kortom voor al die mensen die de watersport in ons land beoefenen en een warm hart toedragen. De samenstellers hebben veel nieuw materiaal en onbekende illustraties verzameld. Hierdoor is een ongekend beeld van de Nederlandse pleziervaart ontstaan.

Speciale aandacht is er voor het Koninklijk Nederlands Watersport Verbond, dat in 1890 in Amsterdam werd opgericht. In 1990 bestaat het 100 jaar en zijn geschiedenis wordt in dit boek op de voet gevolgd. Een uitgave ter gelegenheid van het Eeuwfeest van het Koninklijk Nederlands Watersport Verbond en de tentoonstelling 'Het water op' in het Rijksmuseum Nederlands Scheepvaart Museum, zomer 1990.

Terug naar vorige pagina