Scheepstypes

Ronde en Platbodemjachten

Het is gebruikelijk om de Oud-Nederlandse scheepstypen in twee hoofdgroepen te onderscheiden, de ronde schepen en de platbodemschepen. 

Bij een rond schip vormen de spanten, of inhouten zoaIs ze hier heten, in dwarsdoorsnede gebogen, vloeiende lijnen van berghout tot kiel. Men zegt dat zo'n schip 'nergens stilstaat', met andere woorden dat de dwarsdoorsnede van de romp onder het berghout nergens vlakke gedeelten of rechte lijnen vertoont en de kim werkelijk rond is. Het boeisel, het gedeelte van de romp boven het berghout, vertoont wel rechte lijnen in de dwarsdoorsnede. Bij deze groep horen  de hierna behandelde jachten zoals Tjotter, Fries jacht, Boeier, Tjalk, Lemsteraak en Wieringer bol. Ook de Staverse jol, die overigens een afwijkend type vormt, is rond gebouwd. De oorspronkelijk van hout gebouwde tjalk had, zoals meer oude werkschepen een min of meer scherpe kim!

Bij een platbodem is de bodem of beter gezegd het vlak, in dwarsdoorsnede recht, terwijl de zijkanten met een duidelijke knik op dit vlak aansluiten. Deze schepen hebben dus een kantige 'kim'. Tot de groep der platbodems worden gerekend: Botter, Pluut, Schokker, Bons, Vollenhovense bol, Wieringer aak, Blazer, Hoogaars, Hengst, Schouw, Grundel en Punter.

Veel informatie over de diverse scheepstypes is beschikbaar in het standaardwerk "Ronde en Platbodemjachten" van Mr. Dr. T. Huitema.


Rondbodem


Platbodem

Algemene kenmerken

Een algemeen kenmerk, zowel van ronde als platbodemschepen, is voorts dat de kiel veelal niet uit een balk bestaat maar uit een brede plank, die slechts iets dikker is dan de overige vlakdelen. Hierop zijn echter uitzonderingen. Daarnaast zijn de oud-vaderlandse schepen uitgerust met zwaarden, terwijl het bezaantuig de gebogen gaffel en de 'losse broek' toont. De gaffel kan echter ook recht zijn, zoals bij Zeeschouwen, Staverse jollen, soms bij Tjalken en is bij enkele scheepstypen zelfs in het geheel niet aanwezig, namelijk daar waar wij met een spriettuig te maken hebben, zoals bij kleine schouwen en punters, of met een torentuig zoals bij grundels en grotere punters. Bij dit torentuig en ook bij het spriettuig blijft echter de 'broek' van het grootzeil los. Een bijzondere afwijking vertonen de Staverse jollen die, als uitvloeisel van hun ontwikkeling en gebruik, geen zwaarden maar een kiel hebben.

Bijzondere benamingen voor onderdelen van schip en tuig

De ronde en platbodemjachten kenmerken zich door het gebruik van bijzondere benamingen voor onderdelen van schip en tuig.

Afbeelding uit de Waterkampioen van 1939
Afbeelding uit de Waterkampioen van 1939

Gebruikelijke variatie in modellen en benamingen

Dirk Huizinga heeft de afgelopen jaren studie gemaakt van de scheepvaart in Friesland tussen 1880 en 1960 en over het leven langs de Oostwal van de Zuiderzee in dezelfde periode en daarover publiceert hij regelmatig (www.dirkhuizinga.com.). In zijn laatste publicatie 'Lemsteraken voor de recreatie' heeft hij onderzoek gedaan naar het ontstaan van het scheepstype Lemsteraak en schrijft daarin over scheepstypen in zijn algemeenheid:

Rond 1900 was men vanuit de houtbouw gewend dat ieder schip vanuit een basisidee ook zijn eigen vorm had. Alle schepen hadden een eigen karakter, omdat de vormen slechts globaal waren vastgelegd. Pas met de bouw van ijzeren schepen werd uniformiteit vanzelfsprekend, omdat er noodzakelijk van tekening moest worden gewerkt. Het was in die tijd ook heel gebruikelijk dat schepen van een bepaalde bouwer in een bepaalde plaats een eigen naam kregen, alsof het bij iedere bouwer en iedere streek om een eigen scheepstype handelde. Die naamgeving kon in de loop der jaren ook zomaar weer veranderen. De Vollenhovense bollen van Jan Kroese uit Vollenhove werden door de scheepsbouwer zelf ‘visaken’ genoemd, maar uiteindelijk werd hun naam ‘Vollenhovense bol’. 

Een vrolijk ingewikkelde verwarring in de benamingen van oude scheeps- en jachttypen

Toen de Engelsman Doughty in 1888 zijn zeiltocht door Friesland maakte en hij met z’n Norfolk wherry tijdens de feestweek in Sneek lag, keek hij zijn ogen uit. De grachten lagen volgepropt met die voor hem zo eigenaardige Nederlandse vrachtschepen: tjalken, boeiers, tjotters, pramen, schuiten, aken, bollen, schouwen, bokken en noem maar op. Voor Doughty leken ze allemaal sterk op elkaar. Ze verschilden volgens hem vooral in details. “We hebben nooit al hun verbijsterende namen onder de knie gekregen.” (Doughty, 1889, p. 23) Het eindeloos onderscheiden van scheepstypen die ondertussen allemaal op elkaar lijken, was voor hem een typisch Hollandse afwijking.

Ruim dertig jaren later schrijft Philippona, toch zeer deskundig op platbodemgebied: “Een vrolijk ingewikkelde verwarring in de benamingen van oude scheeps- en jachttypen, heeft van oudsher bestaan; een wonder is het dus niet, dat wij er ook thans zo slecht in thuis zijn (Waterkampioen 1931, p. 137)". Als reden van de verwarring noemt hij, dat vooral de deskundigen het lang niet altijd met elkaar eens zijn over de benamingen. Wat betreft de visaken viel hem op dat in Friesland aken werden genoemd naar de plaats waar ze werden gebouwd en/of gebruikt. Hij zag daarin geen reden te spreken van verschillende scheepstypen. Ze werden gebouwd als visaak en pas later werd er een plaatsnaam aan toegevoegd. Een bolletje dat gebouwd was bij Zwolsman in Workum, heette in Workum een Workumer bol, in Enkhuizen een Enkhuizer bol en in Wieringen een Wieringer bol

Terug naar vorige pagina

Overzicht van alle in het Stamboek ingeschreven Scheepstypes